NJB 2025/2403
Demonstratie Extinction Rebellion in Tweede Kamer en vraag naar toelaatbaarheid veroordeling wegens opzettelijke verstoring openbare vergadering van de Tweede Kamer der Staten Generaal art. 144 Sr gelet op 10 en 11 EVRM: toepassing EHRM 15 oktober 2015, nr. 37553/05 (Kudrevičius/ Litouwen) waarin uiteen wordt gezet onder welke omstandigheden sprake kan zijn van een beperking (‘restrictions’) van het recht op vrijheid van vreedzame vergadering en over het vereiste dat zodanige beperking in een democratische samenleving noodzakelijk moet zijn. Als een strafbaar feit dat tijdens een demonstratie is begaan wordt vervolgd, moet de rechter zich ervan rekenschap geven dat het strafrechtelijk optreden als geheel – waaronder niet alleen de aanhouding en de (mogelijke) toepassing van andere vrijheidsbenemende dwangmiddelen, maar ook de (eventuele) vervolging en bestraffing – niet zo ingrijpend mag zijn dat daarvan een “chilling effect” uitgaat op personen die gebruik willen maken van hun recht op vrijheid van meningsuiting en vrijheid van vreedzame vergadering. Omstandigheid dat bij een demonstratie ‘private property’ in het geding is of juist een publieke plaats. Als het strafrechtelijk optreden als geheel disproportioneel is en het daarmee een ontoelaatbare beperking betreft, moet de rechter art. 144 Sr buiten toepassing laten en de verdachte ontslaan van alle rechtsvervolging. In casu kunnen de overwegingen van het hof ‘niet zonder meer het oordeel van het hof dragen’ dat het (verdere) politieoptreden tegen de verdachte en de vervolging van de verdachte door het openbaar ministerie, een toelaatbare beperking van het recht op vrijheid van meningsuiting en op vrijheid van vreedzame vergadering vormt. CAG: anders. De Hoge Raad merkt nog op dat in de beoordeling als relevant gezichtspunt mag worden betrokken dat een demonstratie plaatsvindt in een parlementsgebouw en tot doel heeft het parlementaire proces te verstoren (vgl. EHRM 1 september 2022, nr. 23158/20 – Makarashvili/Georgië). In deze zaak heeft het hof echter onvoldoende concreet in zijn overwegingen betrokken of (mede) door de gedragingen van de verdachte sprake was van een zodanige verstoring van het parlementaire proces dat een verdergaand strafrechtelijk optreden dan een aanhouding, eventueel gevolgd door een korte periode van vrijheidsontneming, was geboden.
HR 30-09-2025, ECLI:NL:HR:2025:1436
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
30 september 2025
- Magistraten
Mrs. M.J. Borgers, A.L.J. van Strien, M. Kuijer, F. Posthumus, R. Kuiper
- Zaaknummer
24/01578
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2025:1436, Uitspraak, Hoge Raad, 30‑09‑2025
ECLI:NL:PHR:2025:528, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 13‑05‑2025
Beroepschrift, Hoge Raad, 29‑12‑2024
- Wetingang
Essentie
Demonstratie Extinction Rebellion in Tweede Kamer en vraag naar toelaatbaarheid veroordeling wegens opzettelijke verstoring openbare vergadering van de Tweede Kamer der Staten Generaal art. 144 Sr gelet op 10 en 11 EVRM: toepassing EHRM 15 oktober 2015, nr. 37553/05 (Kudrevičius/ Litouwen) waarin uiteen wordt gezet onder welke omstandigheden sprake kan zijn van een beperking (‘restrictions’) van het recht op vrijheid van vreedzame vergadering en over het vereiste dat zodanige beperking in een democratische samenleving noodzakelijk moet zijn. Als een strafbaar feit dat tijdens een demonstratie is begaan wordt vervolgd, moet de rechter zich ervan rekenschap geven dat ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.