Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/IV.2.4.0
IV.2.4.0 Introductie
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS595130:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Aldus ook onder meer Packer 1968, p. 161; Keijzer 1987, p. 243; Lensing & Mulder 1994, p. 58; Kitai 2002, i.h.b. p. 272; De Jong & Van Lent 2013, p. 272. Met etikettering als de behandelingsdimensie liep ik op dit punt al enigszins vooruit.
ECieRM 3 oktober 1978, nr. 7986/77, dec. (Krause/Zwitserland).
EHRM 25 maart 1983, nr. 8660/79, NJ 1986, 698, par. 37, m.nt. Alkema (Minelli/Zwitserland), zie recent nog bijvoorbeeld EHRM 12 november 2015, nr. 2130/10, par. 53 (El Kaada/Duitsland).
General Comment 1984/13, par. 7; General Comment 2007/32, par. 30.
HvJ 16 juli 2009, C-344/08, par. 30-32 (Tomasz Rubach).
Zie over deze voorschriften in detail en in onderlinge vergelijking hfdst. VI.
Als het geen feitelijk, cognitief of rechtsvermoeden behelst, wat is de behandelingsdimensie van de onschuldpresumptie dan wel? Voor een beter begrip is onontkoombaar de wat sprookjesachtig aandoende formulering van het ‘vermoeden van onschuld’ los te laten. Al sinds de opkomst van de behandelingsdimensie is daarmee louter kritiek beoogd op de wijze waarop met het niet-veroordeelde individu werd omgesprongen. In hoofdstuk II bleek die behandelingsdimensie bovendien te zijn ontstaan als nieuwe toepassing van het onschuldvermoeden naast de reeds bestaande toepassing als bewijslastverdelingsmechanisme. De behandelingsdimensie is derhalve geen ‘vermoeden’ van onschuld, maar een normatief voorschrift, een procesrechtelijk directief, dat de relatie tussen de strafvorderlijke overheid en de (verdachte) burger reguleert. Deze heeft ook vandaag de dag volgens de meeste auteurs enkel betrekking op de wijze waarop de burger wordt behandeld en bejegend, niet op gedachten of gevoelens.1
De belangrijkste internationale mensenrechtenorganen leggen het beginsel dan ook op die manier uit. Geen van alle houden zij zich met een feitelijk vermoeden over de verdachte bezig. In plaats daarvan richten zij zich uitsluitend op gedragingen. De ECieRM erkende de behandelingsdimensie als eerste in 1978:
“Article 6 (2) of the Convention, laying down the principle of presumption of innocence, is certainly first of all a procedural guarantee [...]. However, [...] its application is wider than this. It is a fundamental principle embodied in this Article which protects everybody against being treated by public officials as being guilty of an offence before this is established according to law by a competent court.”2
Het EHRM volgde vijf jaar later in Minelli/Zwitserland met een overweging die nog altijd tot de meest gebruikte standaardoverwegingen van het Hof behoort:
”[...] [T]he presumption of innocence will be violated if, without the accused having previously been proved guilty according to law, [...] a judicial decision concerning him reflects an opinion that he is guilty.”3
Het VN Mensenrechtencomité omschrijft de behandelingsdimensie in zijn General Comment nr. 32 als volgt:
“The presumption of innocence [...] requires that persons accused of a criminal act must be treated in accordance with this principle.”4
Het HvJ van de Europese Unie stelt met verwijzing naar de Straatsburgse rechtspraak dat het vermoeden van onschuld:
“[...] eenieder [beoogt] te garanderen dat hij niet als schuldig aan een strafbaar feit wordt aangewezen of behandeld voordat zijn schuld in rechte is komen vast te staan.”5
En artikel 4 lid 1 van de richtlijn stelt dienaangaande:
“1. Member States shall take the necessary measures to ensure that, before suspects or accused persons have been proven guilty according to law, public statements made by public authorities, and judicial decisions, other than those on guilt, do not refer to suspects or accused persons as being guilty. [...].”
Geen van deze voorschriften ziet op wat over de verdachte wordt gevoeld of gedacht, maar zij hebben alle betrekking op hoe hij moet worden behandeld.6 Die behandeling mag geen schuldoordeel weerspiegelen. De gedachten van autoriteiten zijn daarmee niet geheel irrelevant, maar wel voor zover zij zich niet in een naar buiten toe kenbare bejegening openbaren. Die bejegening is bovendien pas problematisch wanneer zij schuld aan een strafbaar feit impliceert.