Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/V.3.2
V.3.2 Charged with a criminal offence
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS595135:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Art. 3 van de richtlijn spreekt van “suspects and accused persons”.
Zie onder vele ECieRM 15 maart 1961, nr. 343/57 rep. (Nielsen/Denemarken); EHRM 27 februari 1980, nr. 6903/75, NJ 1980, 561, par. 56 (Deweer/België); EHRM 25 maart 1983, nr. 8660/79, NJ 1986, 698, par. 27, m.nt. Alkema (Minelli/Zwitserland); EHRM 24 april 2008, nr. 2947/06, par. 61 (Ismoilov e.a./Rusland); EHRM 22 april 2010, nr. 40984/07, par. 159 (Fatullayev/Azerbeijan); EHRM 2 oktober 2012, nr. 40094/05, par. 185 (Virabyan/Armenië); EHRM (GK) 12 juli 2013, nr. 25424/09, EHRC 2013, 219, m.nt. Bemelmans, par. 93 (Allen/Verenigd Koninkrijk); EHRM 12 november 2015, nr. 2130/10, par. 52 (El Kaada/ Duitsland).
Zie o.a. CRM 31 maart 1997, nr. 535/1993, par. 7.2-7.5 (Richards/Jamaica); CRM 2 april 1997, nr. 526/1993 (Hill/Spanje); CRM 22 juli 2003, nr. 981/2001, par. 7.3 (Casafranca/Peru); CRM 19 juli 2011, nr. 1535/2006, par. 10.6 (Shchetka/Oekraïne).
Zie daarover ook reeds § IV.4.3.
Alhoewel het EHRM in sommige zaken waarin van een criminal charge geen sprake is, de onschuldpresumptie als onderdeel van het recht op een eerlijk proces in het algemeen in diens beoordeling heeft verdisconteerd, zie bijv. EHRM 10 februari 1982, nrs. 7299/75 en 7496/76, NJ 1987, 315 (Albert en Le Compte/België); EHRM 5 juli 2001, nr. 41087/98 (Phillips/Verenigd Koninkrijk).
Zie expliciet EHRM 25 augustus 1987, nr. 9912/82, NJ 1988, 938, m.nt. Alkema, par. 52 (Lutz/Bondsrepubliek Duitsland). Zie impliciet ook al EHRM 8 juni 1976, nr. 5100/71, NJ 1978, 223, par. 90, m.nt. Meuwissen (Engel e.a./Nederland).
General Comment 2007/32, par. 15.
Klassieke arresten over deze materie zijn EHRM 8 juni 1976, nr. 5100/71, NJ 1978, 223, par. 82, m.nt. Meuwissen, (Engel e.a./Nederland); EHRM 21 februari 1984, nr. 8544/79, NJ 1988, 937, par. 46 e.v. (Öztürk/Bondsrepubliek Duitsland); EHRM 28 juni 1984, nr. 7819/77 en 7878/77, par. 67 e.v. (Campbell en Fell/Verenigd Koninkrijk).
Zie nader over het criminal charge-begrip onder meer Stavros 1993, p. 1-40; Viering 1994, p. 145 e.v.; Trechsel 2005, p. 13-42; Van Dijk, Van Hoof e.a. 2006, p. 539-557; Emmerson, Ashworth & Macdonald 2012, p. 209-255; Reid 2012, p. 90-96; Harris, O’Boyle e.a. 2014, p. 373-378.
General Comment 2007/32, par. 15 is dienaangaande nog tamelijk cryptisch. Zie evenwel nadien CRM 22 oktober 2008, nr. 1472/2006, par. 10.11 (Sayidi en Vinck/België); CRM 30 juli 2009, nr. 1311/2004, par. 7.3-7.4 (Osiyuk/Wit-Rusland). Vgl. ook reeds op deze manier Feteris 2002, p. 114; Nowak 2005, p. 318.
Richtlijn 2016/343, overweging 11.
Zie o.a. HvJ 5 juni 2012, C-489/10, par. 37 (Bonda); HvJ 26 februari 2013, C-617/10, par. 35 (Åkerberg Fransson). Of dat in concreto ook tot vergelijkbare uitkomsten leidt, is niet zeker. Zie bijv. de analyse van De Moor-Van Vugt 2012.
Richtlijn 2016/343, overweging 11.
Dat is ook het standpunt van de Nederlandse regering, zie Kamerstukken I 2015/16, 33832, nr. D, p. 5-6.
Zo eerder al het Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité, C-226/63, par. 1.5. Vgl. ook Van Noorloos 2016, p. 160-161.
Zie o.a. EHRM 25 februari 1997, nr. 22107/93, par. 69 (Findlay/Verenigd Koninkrijk); EHRM 5 juli 2001, nr. 41087/98, par. 39 (Phillips/Verenigd Koninkrijk); EHRM 23 september 2008, nrs. 19955/05 en 15085/06, par. 37 (Grayson en Barnham/Verenigd Koninkrijk).
Zie onder meer EHRM 17 januari 1970, nr. 2689/65, par. 25 (Delcourt/België). EHRM 15 juli 1982, nr. 8130/78, par. 76 (Eckle/Bondsrepubliek Duitsland); EHRM 2 maart 1987, nrs. 9562/81 en 9818/82, NJ 1991, 165, par. 54, m.nt. Alkema (Monnell en Morris/Verenigd Koninkrijk); EHRM (GK) 16 september 1996, nr. 20024/92, par. 39 (Süssmann/Duitsland); EHRM (GK) 26 juli 2002, nrs. 32911/96, 35237/97 en 34595/97, par. 40 (Meftah e.a/Frankrijk). Zie nader over de betekenis van art. 6 EVRM voor beroepsprocedures: Pesselse 2018, hfdst. 4, par. 2a.
ECieRM 16 december 1961, nr. 914/60, dec. (X/Bondsrepubliek Duitsland); EHRM 6 mei 2003, nr. 27569/02, dec. (Fischer/Oostenrijk); EHRM 12 juni 2003, nr. 11360/03, dec. (Werle en Lauber/Duitsland). Dat kan eventueel anders zijn als de beslissing op herziening neerkomt op een vrijwel reguliere appelprocedure: ECieRM 9 mei 1989, nr. 14739/89, dec. (Callaghan e.a./Verenigd Koninkrijk).
Zo o.a. EHRM 20 juli 2004, nr. 50178/99, par. 60 (Nikitin/Rusland); EHRM 16 juni 2015, nr. 48621/07, par. 55 e.v. (Dìcle en Sadak/Turkije).
Nowak 2005, p. 319; Joseph & Castan 2013, par. 14.110, p. 434. General Comment 2007/32, par. 12 benadrukt dat het recht op access to court alleen in eerste aanleg van toepassing is, waaruit a contrario is af te leiden dat art. 14 in het algemeen ook in beroep geldt. Het recht op berechting binnen een redelijke termijn geldt dienovereenkomstig totdat een onherroepelijke beslissing is genomen, zie CRM 25 juli 2005, nr. 1089/2002, par. 7.4 (Rouse/Filipijnen). Zie ter illustratie tevens CRM 25 maart 1996, nr. 461/1991 (Graham en Morrison/Jamaica) waarin werd vastgesteld dat schending van art. 14 lid 3 IVBPR had plaatsgevonden in een appelprocedure tegen de oplegging van de doodstraf.
De tweede toepassingsvoorwaarde is dat de betrokkene charged with a criminal offence is.1 Voor procedurele verdedigingsrechten is dat een gebruikelijke drempelvoorwaarde. De redactie van artikel 6 EVRM en artikel 14 IVBPR en de plaats die het onschuldvermoeden daarin is toebedeeld, suggereert dat het beginsel zo’n procedureel verdedigingsrecht behelst. Naar vaste Straatsburgse rechtspraak is de onschuldpresumptie inderdaad primair een element van het recht op een eerlijk strafproces.2 Het VN Mensenrechtencomité meent dienovereenkomstig met regelmaat dat specifieke klachten over de onschuldpresumptie geen bespreking behoeven omdat schending van het recht op een eerlijk strafproces reeds meer in het algemeen is vastgesteld.3
Zowel deze typering van het onschuldvermoeden als de bijbehorende drempelvoorwaarde is voor de bewijsdimensie zonder bezwaren. De bewijsdimensie komt pas in zicht waar de procedurele vaststelling van strafbare feiten plaatsvindt. Daarbuiten, bijvoorbeeld wanneer van een charge (nog) geen sprake is of deze is geëindigd, heeft de bewijsdimensie in principe geen betekenis. De behandelingsdimensie daarentegen is niet zonder meer louter een recht in de strafrechtelijke procedure, maar kan ook als een recht op een procedure worden begrepen.4 De wijze waarop met die gecompliceerde relatie tussen behandelingsdimensie en het charge-vereiste wordt omgesprongen, komt aan bod in § VI.2.1.
Voor de bewijsdimensie is het toepassingsvereiste vooral van belang omdat deze daardoor uitsluitend geldt in procedures die strafrechtelijk van aard zijn.5 De zinsnede “charged with a criminal offence” in artikel 6 lid 2 EVRM heeft dezelfde betekenis als het begrip criminal charge in artikel 6 lid 1: “In using the terms ‘criminal charge’ [...] and ‘charged with a criminal offence’ [...] the three paragraphs of Article 6 (art. 6-1, art. 6-2, art. 6-3) referred to identical situations.”6 Ook het VN Mensenrechtencomité hanteert een uniforme uitleg van het criminal charge-begrip.7 Bekend is dat de Straatsburgse organen dit begrip interpreteren op autonome wijze. Of een procedure criminal van aard is, hangt af van de nationale kwalificatie, de aard van het delict en de aard en de zwaarte van de sanctie.8 Dit betekent dat de bewijsdimensie van de onschuldpresumptie niet alleen geldt in klassiek strafrechtelijke procedures, maar ook in andere – met name bestuursrechtelijke en tuchtrechtelijke – procedures waarin punitieve sancties dreigen.9 Over de strafrechtelijke aard van de procedure, heeft het VN Mensenrechtencomité zich minder algemeen en duidelijk uitgelaten. Het lijkt er evenwel sterk op dat het Comité factoren in acht neemt die met de Straatsburgse criteria overeenstemmen.10 Daarmee is nog niet gezegd dat artikel 14 IVBPR in dit opzicht exact hetzelfde toepassingsbereik heeft als artikel 6 EVRM, maar vast staat wel dat ook naar nationaal recht tuchtrechtelijke of administratieve procedures binnen het bereik van artikel 14 IVBPR kunnen vallen.
De in artikel 2 van de richtlijn aangelegde beperking tot “accused persons in criminal proceedings” wordt begeleid door tegenstrijdige overwegingen. Enerzijds wordt overwogen dat “[t]his Directive should apply only to criminal proceedings as interpreted by the Court of Justice [...], without prejudice to the caselaw of the European Court of Human Rights”.11 Dit duidt erop dat de reikwijdte van de richtlijn overeenstemt met die van artikel 6 lid 2 EVRM en artikel 14 lid 2 IVBPR, nu de rechtspraak van het HvJ het EHRM op dit punt – in elk geval in abstracto – volgt.12 Het tegenovergestelde blijkt evenwel uit de daaropvolgende zin, die stelt dat “[t]his Directive should not apply to civil proceedings or to administrative proceedings, including where the latter can lead to sanctions, such as proceedings relating to competition, trade, financial services, road traffic, [and[ tax or tax surcharges [...].”13Deze laatste passage was al onderdeel van het voorstel van de EC. De eerste is daaraan later toegevoegd. De totstandkomingsgeschiedenis wijst erop dat met die toevoeging aansluiting bij de autonome criteria van het EHRM is beoogd, zodat de richtlijn vermoedelijk ook op andere dan naar nationaal recht als strafrecht geclassificeerde procedures van toepassing zal zijn.14 Verwijdering van de tweede zin had dan evenwel sterk de voorkeur verdient.15
Dat sprake moet zijn van een charge, bakent het toepassingsbereik van procedurele rechten in temporeel opzicht af. Voor de bewijsdimensie is het aanvangsmoment van de charge als gezegd niet van belang. Wel is relevant dat de charge volgens de Straatsburgse rechtspraak de gehele strafprocedure beslaat, dus inclusief de – eventueel afgescheiden – fase van strafoplegging.16Artikel 6 EVRM verschaft geen recht op beroep, maar waar de mogelijkheid tot aanwending van gewone rechtsmiddelen bestaat, vallen die beroepsprocedures eveneens binnen het bereik van artikel 6 EVRM.17 Pas de onherroepelijke einduitspraak maakt een einde aan de toepasselijkheid van die bepaling. Is over de strafrechtelijke aansprakelijkheid van de verdachte eenmaal onherroepelijk beslist, dan vormt de beslissing op een herzieningsverzoek geen voortzetting of heropening van die criminal charge.18 Maar wordt een herzieningsverzoek toegewezen, dan herleven de rechten uit artikel 6 EVRM.19 Hoewel het VN Mensenrechtencomité zich niet in algemene bewoordingen over het charge-begrip heeft uitgesproken, bestrijkt artikel 14 IVBPR in elk geval ook de strafoplegging en beroepsprocedures.20