HR 10 februari 2015, ECLI:2015:ECLI:268, NJ 2015/137, m.nt. P.H.P.H.M.C. van Kempen.
HR, 11-11-2025, nr. 23/00532
ECLI:NL:HR:2025:1670
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
11-11-2025
- Zaaknummer
23/00532
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Bijzonder strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:1670, Uitspraak, Hoge Raad, 11‑11‑2025; (Artikel 81 RO-zaken, Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:883
ECLI:NL:PHR:2025:883, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 26‑08‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1670
- Vindplaatsen
Uitspraak 11‑11‑2025
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/00532
Datum 11 november 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 2 februari 2023, nummer 21-000514-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de opgelegde straf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde taakstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft het aantal uren te verrichten taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis;
- vermindert het aantal uren taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis in die zin dat de taakstraf 108 uren beloopt, subsidiair 54 dagen hechtenis;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 november 2025.
Conclusie 26‑08‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie A-G. Hennepteelt en diefstal van elektriciteit. Middel, inhoudende dat de omstandigheid dat het feit is begaan ‘in de uitoefening van beroep of bedrijf’ niet volgt uit de bewijsmiddelen, althans dat de motivering in dat kader tekortschiet, kan bij gebrek aan belang niet tot cassatie leiden. Ambtshalve opmerking over de overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase. Conclusie strekt tot vernietiging, maar slechts v.w.b. de opgelegde straf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige. Samenhang met 23/00531.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/00532
Zitting 26 augustus 2025
CONCLUSIE
P.M. Frielink
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,
hierna: de verdachte
1. Het cassatieberoep
1.1
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft de verdachte bij arrest van 2 februari 2023 (parketnummer 21-000514-22) voor (1. primair) teelt van een grote hoeveelheid hennep in de uitoefening van een beroep of bedrijf, meermalen gepleegd en (2.) diefstal van elektriciteit door middel van verbreking, veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee maanden, waarvan één maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek als bedoeld in artikel 27 Sr. Ook is een taakstraf opgelegd voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis. Verder heeft het hof een beslissing genomen over de vordering van de benadeelde partij en de tenuitvoerlegging gelast van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf.
1.2
Er bestaat samenhang met de (ontnemings)zaak 23/00531. In die zaak concludeer ik vandaag ook.
1.3
Het cassatieberoep is op 13 februari 2023 ingesteld namens de verdachte. R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, advocaten in Rotterdam, hebben één middel van cassatie voorgesteld. In het middel wordt opgekomen tegen de bewezenverklaring van (de strafverzwarende omstandigheid) ‘in de uitoefening van een beroep of bedrijf’.
1.4
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend ten aanzien van de duur van de opgelegde straf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf vanwege overschrijding van de redelijke termijn, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Het middel
2.1
Het middel is gericht tegen (de motivering van) de bewezenverklaring (alsook de kwalificatie) van het ‘in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel, meermalen gepleegd’. Volgens de stellers van het middel volgt de omstandigheid dat het feit is begaan ‘in de uitoefening van een beroep of bedrijf’ niet uit de bewijsmiddelen, althans schiet de motivering van het hof daarvoor tekort.
2.2
Voorafgaand aan de bespreking van het middel geef ik eerst de bewezenverklaring en de voor de bespreking van het middel relevante onderdelen van de bewijsconstructie weer.
2.3
Ten laste van de verdachte is onder 1. primair bewezen verklaard dat hij:
“hij in de periode van 1 september 2017 tot en met 26 mei 2020 te Apeldoorn, meermalen in de uitoefening van een beroep en/of bedrijf, (telkens) opzettelijk heeft geteeld (in een pand aan de [a-straat 1] te [plaats] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 331 hennepplanten, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, terwijl dit gepleegde feit (mede) betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, welke hoeveelheid meer bedraagt dan de bij algemene maatregel van bestuur bepaalde hoeveelheid van een middel, te weten 331 hennepplanten.”
2.4
De bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“1. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van de rechtbank op 18 januari 2022:
Het is in twee tijdslijnen gebeurd. Begin 2017 hebben we geprobeerd om hennep te kweken, maar dat liep niet zo goed. In 2020 hebben we voor de tweede keer gekweekt en toen ben ik gepakt. De eerste oogst kwam in september 2017. De tweede keer ging eigenlijk hetzelfde. In maart 2018 hebben we het zeil eruit getrokken en nieuwe stekken erop gezet.
2. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep op 19 januari 2022:
U, voorzitter, houdt mij voor dat op 25 mei 2020 op de [a-straat 1] te [plaats] hennep is aangetroffen en dat ik de woning huurde maar daar niet stond ingeschreven. Dat klopt.
Door [betrokkene 1] heb ik een hennepkwekerij opgebouwd, maar ik deed alles alleen. [betrokkene 1] hielp mij daar af en toe mee. De meterkast heb ik ook gedaan, ik heb de leidingen omgelegd. Het was niet zomaar iets met allemaal draden, niemand kon zien dat er iets aan de hand was in de meterkast. Ik was elektricien en heb dat dus heel professioneel gedaan. Nadat [betrokkene 1] werd aangehouden, wilde ze er helemaal niets meer mee te maken hebben.
3. Het proces-verbaal van aantreffen hennepkwekerij van 2 september 2020 (…) voor zover inhoudende:
Op 23 april 2020 werd er een melding gedaan bij de politie dat er zich een hennepkwekerij zou bevinden aan de [a-straat 1] in [plaats] . De [a-straat 1] is eigendom van de woningbouwvereniging [A] en werd sinds april 2017 verhuurd aan [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1969 te [geboorteplaats] . Ook was [verdachte] bij Liander de energiecontractant van de [a-straat 1] te [plaats] .
In voornoemd perceel werd op dinsdag 26 mei 2020 [...] binnengetreden.
Het bleek dat op genoemd adres een hennepkwekerij met 331 hennepplanten aanwezig was. Op de tweede (2e) verdieping bevonden zich twee (2) kweekruimtes. In kweekruimte A stonden 163 hennepplanten en in kweekruimte B stonden 168 hennepplanten.
Ik, verbalisant, constateerde op grond van mijn kennis en ervaring, opgedaan bij eerdere ontmantelingen van hennepkwekerijen, dat het hennepplanten waren.
De stroomvoorziening van de hennepkwekerij is onderzocht door [naam 1] , fraude-inspecteur bij de netwerkbeheerder Liander , in aanwezigheid van mij, verbalisant. Hierbij werd geconstateerd dat de stroomvoorziening ten behoeve van de hennepkwekerij illegaal werd afgenomen. Het bleek dat de verzegeling van de meetinstallatie was verbroken en er een aansluiting was gecreëerd buiten de meter om die de kweekruimte van stroom voorzag.
4. Het proces-verbaal van aangifte van Liander van 7 september 2020 (…) voor zover inhoudende als verklaring van [aangever] :
Ik ben namens het slachtoffer (het hof: Alliander N.V.) gerechtigd tot het doen van aangifte.
Op 26 mei 2020 werd een hennepkwekerij aangetroffen op het adres [a-straat 1] te [plaats] . De verzegeling van de stroom was verbroken en de stroom naar de kwekerij was buiten de meter om aangelegd. Uit onderzoek bleek dat de kwekerij actief is geweest in de periode 18 juli 2017 tot 26 mei 2020. Uitgaande van de aangetroffen apparatuur werd er in genoemde periode 184.944 kWh wederrechtelijk weggenomen. Het schadebedrag betrof 16.964,87 Euro.
Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.”
2.5
Het hof heeft ten aanzien van het bewijs het volgende overwogen:
“Standpunt advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich, overeenkomstig de op geschrift gestelde pleitnota, op het standpunt gesteld dat de tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend te bewijzen zijn. Dat geldt echter niet voor de periode waarin de hennepteelt heeft plaatsgevonden. De raadsman voert daartoe aan dat […] in de periode van juli 2018 tot en met november 2019 het appartement door verdachte als ‘privéhuis’ werd gebruikt. In het appartement zou een aantal dames klanten hebben ontvangen waar zij tegen betaling seksuele diensten hebben verleend.
Oordeel van het hof
Het hof acht op basis van de bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen, en gelet op de bekennende verklaring van verdachte wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan.
Ten aanzien van de periode waarin de hennepteelt heeft plaatsgevonden is het hof, anders dan de raadsman, van oordeel dat de gehele tenlastegelegde periode wettig en overtuigend is bewezen. Het hof is van oordeel dat het niet aannemelijk is geworden dat het appartement gedurende een aantal maanden, zoals de raadsman heeft bepleit, als ‘privéhuis’ werd gebruikt. Uit buurtonderzoek is immers gebleken dat er helemaal geen aanloop naar het appartement is gezien. Verder heeft de raadsman niet aannemelijk gemaakt, aan de hand van bijvoorbeeld advertenties en/of verklaringen en foto’s van dames die daar zouden hebben gewerkt, dat verdachte een ‘privéhuis’ in gebruik heeft gehad. Dat had wel op de weg van de verdediging gelegen.
Ook stelt het hof vast dat verdachte geen vergunning heeft aangevraagd, dat hij geen belasting heeft betaald uit inkomsten uit een privéhuis en dat er geen inschrijving in de Kamer van Koophandel heeft plaatsgevonden. Het hof sluit niet uit dat, zoals de getuige [getuige 1] ter terechtzitting heeft verklaard, in het appartement een bondage-bankje en een kruis van juli 2018 tot ongeveer november 2019 hebben gestaan maar daaruit leidt het hof niet af dat het appartement als een ‘privéhuis’ is gebruikt.
Het hof verwerpt dit verweer.
Het hof acht niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde tezamen en in vereniging met een ander of anderen heeft gepleegd, zodat de verdachte van dit onderdeel zal worden vrijgesproken. Ook zal het hof de verdachte vrijspreken van het onder 1 tenlastegelegde medeplegen aangezien het hof van oordeel is dat voor het grootste gedeelte van de tenlastegelegde periode, te weten vanaf 5 maart 2018, niet wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte het feit tezamen en in vereniging met een ander of anderen heeft gepleegd.”
2.6
In het middel wordt, als gezegd, opgekomen tegen (de motivering van) de bewezenverklaring (c.q. de kwalificatie) van de strafverzwarende omstandigheid ‘in de uitoefening van een beroep of bedrijf’. Daarbij brengen de stellers van het middel naar voren dat aan de vaststelling daarvan bepaaldelijk eisen moeten worden gesteld en dat zonder nadere motivering het oordeel van het hof onvoldoende met reden is omkleed. Tevens wordt door de stellers van het middel naar voren gebracht dat het gegeven dat de verdachte – naar eigen zeggen – elektricien is geweest en op professionele wijze de leidingen heeft omgelegd onvoldoende is voor een bewezenverklaring van deze strafverzwarende omstandigheid. In het kader van de delictskwalificatie en de mogelijkheid dat de rechter bij de vraag of sprake is van ‘in de uitoefening van een beroep of bedrijf’ volgens de Hoge Raad mede kan betrekken of het opzettelijk telen meermalen heeft plaatsgevonden,1.achten de stellers van het middel van belang dat ‘het meermalen telen van hennep, zulks terwijl de verdachte het telen van hennep heeft gepleegd in de uitoefening van een beroep of bedrijf’ iets anders is dan ‘het meermalen plegen van het in de uitoefening van een beroep of bedrijf telen van hennep’.
2.7
Bij de bespreking van het middel stel ik in algemene zin voorop dat de selectie en waardering van het beschikbare bewijsmateriaal is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt. De toets in cassatie is in die zin beperkt dat de aan de feitenrechter voorbehouden selectie en waardering van omstandigheden slechts op hun begrijpelijkheid kunnen worden getoetst.2.
2.8
Het hof heeft op basis van de bewijsmiddelen en gelet op de bekennende verklaring van de verdachte wettig en overtuigend bewezen geacht dat de verdachte de onder 1. primair en 2. ten laste gelegde feiten heeft begaan. Anders dan de rechtbank3.heeft het hof in zijn bewijsmotivering niet nadrukkelijk stilgestaan bij (het bewijs van) de strafverzwarende omstandigheid ‘in de uitoefening van beroep of bedrijf’. Vanwege het strafverhogende effect van dit bestanddeel moeten echter aan de vaststelling dat er is gehandeld ‘in de uitoefening van een beroep of bedrijf’ bepaaldelijk eisen worden gesteld en dient de rechter daaraan in zijn motivering van de bewezenverklaring nadere aandacht te schenken.4.
Met de stellers van het middel ben ik het eens dat die nadere aandacht ontbreekt en dat zowel (de motivering van) de bewezenverklaring als de kwalificatie gebreken vertoont. Het gegeven dat de verdachte bekennende verklaringen heeft afgelegd en (zie bewijsmiddel 2) sprak over het “opgebouwd” hebben van “een hennepkwekerij” en het “heel professioneel” omgelegd hebben van de leidingen, doet daar m.i. niet aan af.
2.9
Hoewel het middel naar mijn mening terecht is voorgesteld, zie ik geen reden voor cassatie. Gelet op de wettelijke strafmaxima en in aanmerking genomen de door het hof opgelegde straf en de motivering daarvan, is het belang van de verdachte bij het cassatieberoep niet evident. In de cassatieschriftuur wordt het rechtens te respecteren belang bij vernietiging (vanwege een gebrek ten aanzien van de bewijsbeslissing c.q. de kwalificatie) en terugwijzing niet nader geduid. In zoverre is de gelijkenis met de zaak waarover de Hoge Raad oordeelde in zijn arrest van 8 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3486, NJ 2016/434 m.nt. P.H.P.H.M.C. van Kempen treffend. Ik citeer:
“2.4. Blijkens hetgeen onder 1 is bewezenverklaard en de kwalificatie daarvan, niet alleen inhoudende dat de verdachte heeft gehandeld "in de uitoefening van een beroep of bedrijf" maar ook dat het feit betrekking heeft op "een grote hoeveelheid", heeft het Hof niet alleen het derde, maar ook het vijfde lid van art. 11 Opiumwet toepasselijk geacht. In het licht daarvan en gelet op de wettelijke strafmaxima en in aanmerking genomen voorts de door het Hof opgelegde straf en de motivering daarvan, is het belang van de verdachte bij zijn cassatieberoep niet evident. De schriftuur bevat evenwel niet de in HR 11 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0146, NJ 2013/241, rov. 2.6.2 bedoelde, in zo een geval vereiste toelichting met betrekking tot het belang bij het ingestelde cassatieberoep en het – rechtens te respecteren – belang bij vernietiging van de bestreden uitspraak en terugwijzing van de zaak naar het Hof met het oog op een nieuwe behandeling.”
2.10
Tegen deze achtergrond kan het middel, hoewel dat terecht is voorgesteld, niet tot cassatie leiden.
3. Slotsom
3.1
Het middel is tevergeefs voorgesteld en kan worden afgedaan met een op art. 81 RO gebaseerde overweging.
3.2
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat in cassatie de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. Dat dient tot strafvermindering te leiden.
3.3
Ambtshalve heb ik geen andere gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
3.4
Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de opgelegde straf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 26‑08‑2025
HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393, m.nt. Y. Buruma, rov. 3.8.1; HR 23 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1072, rov. 2.3; HR 20 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1902, NJ 2023/102, m.nt. J.M. Reijntjes, rov. 3.3.
Rb. Gelderland 1 februari 2022, parketnummers: 05/081482-21 en 05/245214-18 (tul), onder 2: “De rechtbank acht ook bewezen dat sprake was van beroeps- dan wel bedrijfsmatige hennepteelt. Het teeltproces geschiedde in een speciaal voor de hennepteelt gehuurde woning in twee afzonderlijk daartoe ingerichte ruimtes onder gecontroleerde condities en verliep in belangrijke mate geautomatiseerd met behulp van technische middelen, kennelijk ter optimalisering van het teeltproces en minimalisering van de daarvoor van de teler vereiste inspanning. Gelet op de aangetroffen inrichting, kan worden vastgesteld dat er geïnvesteerd is met de bedoeling een hennepkwekerij op te zetten waarmee om de zoveel weken kon worden geoogst.”
HR 23 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2756, NJ 2014/431.