Procestaal: Roemeens.
HvJ EU, 10-07-2025, nr. C-37/24
ECLI:EU:C:2025:551
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
10-07-2025
- Magistraten
A. Kumin, I. Ziemele, S. Gervasoni
- Zaaknummer
C-37/24
- Roepnaam
DADA Music en UPFR
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2025:551, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 10‑07‑2025
Uitspraak 10‑07‑2025
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Harmonisatie van de wetgevingen — Intellectuele eigendom — Collectief beheer van auteursrechten en naburige rechten — Richtlijn 2006/115/EG — Artikel 8, lid 2 — Uitzending en mededeling aan het publiek — Richtlijn 2014/26/EU — Artikel 16, lid 2, tweede alinea — Licentieverlening — Uitzending — Begrippen ‘billijke vergoeding’ en ‘passende vergoeding’ — Criteria voor de beoordeling van de billijkheid of passendheid — Artikel 17, lid 2, en artikel 52, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie — Grondrecht op bescherming van intellectuele eigendom — Reikwijdte en uitlegging van de gewaarborgde rechten en beginselen — Nationale regeling tot intrekking van een forfaitaire minimumvergoedingsregeling
A. Kumin, I. Ziemele, S. Gervasoni
Partij(en)
In zaak C-37/24,*
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Curte de Apel Bucureşti (rechter in tweede aanleg Boekarest, Roemenië) bij beslissing van 23 mei 2023, ingekomen bij het Hof op 19 januari 2024, in de procedure
Uniunea Producătorilor de Fonograme din România (UPFR)
tegen
DADA Music SRL,
in tegenwoordigheid van:
Asociaţia Radiourilor Locale şi Regionale (ARLR),
wijst
HET HOF (Zesde kamer),
samengesteld als volgt: A. Kumin, kamerpresident, I. Ziemele (rapporteur) en S. Gervasoni, rechters,
advocaat-generaal: M. Szpunar,
griffier: R. I. Şereş, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 11 december 2024,
gelet op de opmerkingen van:
- —
Uniunea Producătorilor de Fonograme din România (UPFR), vertegenwoordigd door G. Cracea en A. Strătulă, avocaţi,
- —
DADA Music SRL, vertegenwoordigd door M.-C. Furtună, avocat,
- —
de Roemeense regering, vertegenwoordigd door E. Gane, L. Ghiţă en A. Rotăreanu als gemachtigden,
- —
de Deense regering, vertegenwoordigd door D. Elkan, M. D. B. Jespersen en C. A.-S. Maertens als gemachtigden,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door A. Biolan en J. Samnadda als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 8, lid 2, van richtlijn 2006/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende het verhuurrecht, het uitleenrecht en bepaalde naburige rechten op het gebied van intellectuele eigendom (PB 2006, L 376, blz. 28), alsmede van artikel 16, lid 2, tweede alinea, van richtlijn 2014/26/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het collectieve beheer van auteursrechten en naburige rechten en de multiterritoriale licentieverlening van rechten inzake muziekwerken voor het online gebruik ervan op de interne markt (PB 2014, L 84, blz. 72), beide gelezen in samenhang met de artikelen 17 en 52 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: ‘Handvest’).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen de Uniunea Producătorilor de Fonograme din România (UPFR) [unie van producenten van fonogrammen van Roemenië (UPFR)], een organisatie voor het collectieve beheer van de naburige rechten van producenten van fonogrammen, en DADA Music SRL, de exploitant van een lokaal radiostation, over de betaling van een forfaitaire minimumvergoeding door DADA Music.
Toepasselijke bepalingen
Internationaal recht
De Berner Conventie
3
De Berner Conventie voor de bescherming van werken van letterkunde en kunst, ondertekend te Bern op 9 september 1886 (Akte van Parijs van 24 juli 1971), zoals gewijzigd op 28 september 1979 (hierna: ‘Berner Conventie’), die door alle lidstaten is ondertekend, bepaalt in artikel 11 bis, leden 1 en 2:
- ‘1)
Auteurs van werken van letterkunde en kunst genieten het uitsluitend recht toestemming te verlenen tot:
- 1o.
de radio-uitzending van hun werken of de openbare mededeling van deze werken door ieder ander middel, dienend tot het draadloos verspreiden van tekens, geluiden of beelden;
[…]
- 2)
Het is aan de wetgeving der landen van de [bij deze Conventie opgerichte] Unie voorbehouden de voorwaarden vast te stellen tot uitoefening van de […] rechten [van auteurs van werken van letterkunde en kunst] […]. Zij kunnen in geen geval afbreuk doen aan het […] recht van de auteur […] op een billijke vergoeding, die bij gebreke van een minnelijke schikking door het bevoegde gezag wordt vastgesteld.’
WPPT
4
De Wereldorganisatie voor de intellectuele eigendom (WIPO) heeft op 20 december 1996 het WIPO-verdrag inzake het auteursrecht en het WIPO-verdrag inzake uitvoeringen en fonogrammen (hierna: ‘WPPT’) vastgesteld. Deze verdragen zijn namens de Europese Gemeenschap goedgekeurd bij besluit 2000/278/EG van de Raad van 16 maart 2000 houdende goedkeuring namens de Europese Gemeenschap van het WIPO-verdrag inzake het auteursrecht en het WIPO-verdrag inzake uitvoeringen en fonogrammen (PB 2000, L 89, blz. 6), en zijn in de Unie in werking getreden op 14 maart 2010.
5
In artikel 15 WPPT, met als opschrift ‘Recht op vergoeding voor uitzending en mededeling aan het publiek’, wordt in de leden 1 en 2 bepaald:
- ‘1.
Uitvoerende kunstenaars en producenten van fonogrammen hebben recht op één enkele billijke vergoeding voor het directe of indirecte gebruik van voor commerciële doeleinden gepubliceerde fonogrammen ten behoeve van uitzending of enigerlei mededeling aan het publiek.
- 2.
De verdragsluitende partijen kunnen in hun nationale wetgeving bepalen dat de enkele billijke vergoeding door de gebruiker is verschuldigd aan de uitvoerend kunstenaar, aan de producent van een fonogram of aan beiden. De verdragsluitende partijen kunnen in hun nationale wetgeving de voorwaarden bepalen volgens welke uitvoerende kunstenaars en producenten van fonogrammen de enkele billijke vergoeding verdelen wanneer hierover geen overeenstemming tussen de uitvoerend kunstenaar en de producent van een fonogram is bereikt.’
Unierecht
Richtlijn 2006/115
6
De overwegingen 5, 7 en 12 van richtlijn 2006/115 luiden als volgt:
- ‘(5)
Het creatieve en artistieke werk van auteurs en uitvoerende kunstenaars maakt een passend inkomen noodzakelijk als basis voor verder creatief en artistiek werk en de investeringen die met name voor de productie van fonogrammen en films vereist zijn, zijn bijzonder hoog en riskant en de mogelijkheid om dit inkomen veilig te stellen en deze investering terug te verdienen, kan alleen daadwerkelijk worden gegarandeerd door een passende juridische bescherming van de betrokken rechthebbenden.
[…]
- (7)
De wetgeving van de lidstaten moet zodanig worden geharmoniseerd, dat zij niet in strijd komt met internationale verdragen waarop de wetten betreffende het auteursrecht en de naburige rechten van vele lidstaten zijn gebaseerd.
[…]
- (12)
Een regeling moet worden ingevoerd die een niet voor afstand vatbaar recht op een billijke vergoeding waarborgt aan auteurs en uitvoerende kunstenaars, die de mogelijkheid moeten behouden om het beheer van dit recht toe te vertrouwen aan maatschappijen voor collectieve belangenbehartiging die hen vertegenwoordigen.’
7
Artikel 8 (‘Uitzending en mededeling aan het publiek’) van deze richtlijn bepaalt in lid 2:
‘De lidstaten stellen een recht in om ervoor te zorgen dat één enkele billijke vergoeding wordt uitgekeerd door de gebruiker, wanneer een voor handelsdoeleinden uitgegeven fonogram of een reproductie daarvan wordt gebruikt voor uitzending via de ether of voor enigerlei mededeling aan het publiek, en dat deze vergoeding wordt verdeeld tussen de betrokken uitvoerende kunstenaars en producenten van fonogrammen. Bij gebreke van overeenstemming tussen uitvoerende kunstenaars en producenten van fonogrammen kunnen de lidstaten bepalen volgens welke voorwaarden deze vergoeding tussen beide partijen wordt verdeeld.’
Richtlijn 2014/26
8
De overwegingen 2 en 31 van richtlijn 2014/26 luiden als volgt:
- ‘(2)
[…] Het is gebruikelijk dat de rechthebbende kiest tussen individueel of collectief beheer van zijn rechten, tenzij de lidstaten anders bepalen, overeenkomstig het Unierecht en de internationale verplichtingen van de Unie en haar lidstaten. […]
[…]
- (31)
[…] Het is passend te bepalen dat de door collectieve beheerorganisaties vastgestelde licentiekosten of vergoeding redelijk moeten/moet zijn in verhouding tot, onder meer, de economische waarde van het gebruik van de rechten in een bepaalde context. […]’
9
Artikel 12 van deze richtlijn heeft als opschrift ‘Inhoudingen’ en bepaalt in lid 1 het volgende:
‘De lidstaten zien erop toe dat wanneer een rechthebbende een collectieve beheerorganisatie machtigt om zijn rechten te beheren, de collectieve beheerorganisatie verplicht is de rechthebbende informatie te verschaffen over beheerkosten en andere inhoudingen op de rechteninkomsten en op inkomsten uit de belegging van rechteninkomsten, alvorens zijn toestemming te verkrijgen om zijn rechten te beheren.’
10
Artikel 16 van deze richtlijn, met als opschrift ‘Licentieverlening’, bepaalt in lid 2, tweede alinea:
‘Rechthebbenden ontvangen een passende vergoeding voor het gebruik van de rechten. Tarieven voor exclusieve rechten en rechten op vergoeding zijn redelijk in verhouding tot onder meer de economische waarde van het gebruik van de rechten in het handelsverkeer, gelet op de aard en reikwijdte van het gebruik van de werken en andere materie, en in verhouding tot de economische waarde van de door de collectieve beheerorganisatie verstrekte dienst. Collectieve beheerorganisaties stellen de betrokken gebruiker in kennis van de criteria die voor het bepalen van die tarieven zijn gebruikt.’
11
Artikel 17 (‘Verplichtingen van gebruikers’) van diezelfde richtlijn is als volgt verwoord:
‘De lidstaten stellen bepalingen vast om ervoor te zorgen dat de gebruikers een collectieve beheerorganisatie, in een vooraf overeengekomen en vooraf vastgesteld tijdsbestek en in een overeengekomen en vooraf vastgesteld formaat, de hun ter beschikking staande relevante informatie over het gebruik van de door de collectieve beheerorganisatie vertegenwoordigde rechten verstrekken die nodig is voor de inning van de rechteninkomsten en de verdeling en uitbetaling van de aan de rechthebbenden verschuldigde bedragen. […]’
Roemeens recht
Auteurswet
12
Artikel 112 van Lege nr. 8/1996 privind dreptul de autor și drepturile conexe (wet nr. 8/1996 inzake het auteursrecht en de naburige rechten) van 14 maart 1996 (Monitorul Oficial al României, deel I, nr. 60 van 26 maart 1996, opnieuw bekendgemaakt in de Monitor Oficial al României, deel I, nr. 489 van 14 juni 2018; hierna: ‘auteurswet’) bepaalt:
- ‘1.
Artiesten, uitvoerend kunstenaars en producenten van fonogrammen hebben recht op één enkele billijke vergoeding voor het directe of indirecte gebruik van voor commerciële doeleinden uitgegeven fonogrammen of voor de reproductie daarvan door uitzending of enige andere wijze van mededeling aan het publiek.
- 2.
De hoogte van deze vergoeding wordt vastgesteld aan de hand van de methoden overeenkomstig de procedure in de artikelen 163 tot en met 165.
[…]’
13
Artikel 145 van de auteurswet bepaalt het volgende:
‘De uitoefening van de volgende rechten wordt collectief beheerd:
[…]
- c)
het recht op uitzending van muziekwerken;
- d)
het recht op één enkele billijke vergoeding voor uitvoerend kunstenaars en producenten van fonogrammen voor de mededeling aan het publiek en de uitzending van fonogrammen die voor commerciële doeleinden zijn uitgegeven of van reproducties van die fonogrammen;
[…]’
14
Artikel 164 van deze wet luidt als volgt:
- ‘1.
Over de methoden wordt door de collectieve beheerorganisaties en de in artikel 163, lid 3, onder b) en c), genoemde vertegenwoordigers onderhandeld op basis van de volgende wezenlijke criteria:
- a)
de categorie rechthebbenden, de soorten werken en andere beschermde materie, alsmede het gebied waarop de onderhandelingen worden gevoerd;
- b)
de categorie gebruikers die in de onderhandelingen worden vertegenwoordigd door verenigingsstructuren of door andere gebruikers die zijn aangewezen om te onderhandelen;
- c)
het repertoire dat door de collectieve beheerorganisatie wordt beheerd voor haar eigen leden en voor de leden van andere soortgelijke buitenlandse organisaties, op basis van wederkerige overeenkomsten;
- d)
de mate waarin het door een collectieve beheerorganisatie beheerde repertoire wordt gebruikt;
- e)
het aandeel van het gebruik waarvoor de gebruiker zijn betalingsverplichtingen is nagekomen door middel van rechtstreeks met de rechthebbenden gesloten overeenkomsten;
- f)
de inkomsten die de gebruikers halen uit de activiteit die gebruikmaakt van het repertoire voor het gebruik waarvan over de methoden is onderhandeld;
- g)
de Europese praktijk met betrekking tot de resultaten van onderhandelingen tussen gebruikers en collectieve beheerorganisaties.
- 2.
Collectieve beheerorganisaties kunnen in het kader van onderhandelingen van dezelfde categorie gebruikers een forfaitaire vergoeding verlangen dan wel een vergoeding berekend als een percentage van de inkomsten die elke gebruiker haalt uit de activiteit in het kader waarvan het repertoire wordt gebruikt of, bij gebreke van inkomsten, van de uitgaven voor het gebruik ervan. Voor omroepactiviteiten mogen de collectieve beheerorganisaties uitsluitend een vergoeding berekend als een percentage vragen die rechtstreeks evenredig is aan het aandeel van het gebruik door elke gebruiker, televisieomroep of radio-omroep van het in het kader van die activiteit collectief beheerde repertoire.
- 3.
De in lid 2 bedoelde vergoedingen moeten redelijk zijn in verhouding tot de economische waarde en het aandeel van het gebruik van de rechten in kwestie, gelet op de aard en reikwijdte van het gebruik van de werken en andere beschermde materie, en in verhouding tot de economische waarde van de door de collectieve beheerorganisatie verstrekte dienst. Collectieve beheerorganisaties en gebruikers moeten motiveren hoe deze vergoedingen worden vastgesteld.’
15
Artikel 166 van die wet bepaalt:
- ‘1.
De in artikel 163, lid 3, onder b) en c), bedoelde collectieve beheerorganisaties, gebruikers of verenigingsstructuren van gebruikers kunnen pas drie jaar na de definitieve bekendmaking ervan in de Monitor Oficial al României, deel I, een nieuw verzoek indienen om onderhandelingen over de tarieven en methoden in te leiden.
- 2.
In het geval van de in artikel 114, lid 4, bedoelde onderhandelingen kan een van de partijen pas drie jaar na de definitieve bekendmaking ervan in de Monitor Oficial al României, deel I, een nieuw verzoek indienen om onderhandelingen over de methoden in te leiden.
- 3.
Tot de bekendmaking van de nieuwe methoden blijven de oude methoden geldig.’
Wet nr. 74/2018
16
Artikel II van Lege nr. 74/2018 pentru modificarea si completarea legii nr. 8/1996 privind dreptul de autor și drepturile conexe (wet nr. 74/2018 tot wijziging en aanvulling van wet nr. 8/1996 inzake het auteursrecht en de naburige rechten) van 22 maart 2018 (Monitorul Oficial al României, deel I, nr. 268 van 27 maart 2018), die sinds 30 maart 2018 van kracht is, bepaalt in de leden 2 en 3:
- ‘2.
De in artikel 131 van de [auteurswet], zoals gewijzigd en aangevuld, bedoelde methoden blijven van kracht tot het verstrijken van de duur waarvoor zij zijn gesloten.
- 3.
De bepalingen van de overeenkomstig de artikelen 131 en 1311 van de [auteurswet], zoals gewijzigd en aangevuld, opgestelde methoden die voorzien in vaste of minimumbedragen/vergoedingen die van toepassing zijn in geval van uitzendingen en die in strijd zijn met de bepalingen van artikel 1311, lid 2, zoals gewijzigd bij deze wet, zijn niet meer van toepassing na het verstrijken van een termijn van negentig dagen vanaf de bekendmaking van deze wet in de Monitor Oficial al României, deel I.’
Vergoedingsmethode
17
De metodologia privind remunerația datorata artiștilor interpreți sau executanți și producătorilor de fonograme pentru radiodifuzarea fonogramelor publicate în scop comercial ori a reproducerilor acestora de către organismele de radiodifuziune (methode voor de vergoeding van uitvoerend kunstenaars en producenten van fonogrammen voor de uitzending van voor commerciële doeleinden uitgegeven fonogrammen of van reproducties daarvan door omroeporganisaties; hierna: ‘vergoedingsmethode’) bepaalt in de punten 4 tot en met 6:
- ‘4.
Omroeporganisaties, die voor de toepassing van deze methode ‘gebruikers’ worden genoemd, zijn verplicht om elk kwartaal aan de collectieve beheerorganisaties die door [de Oficiu Român pentru Drepturile de Autor (Roemeens auteursrechtenbureau)] zijn aangewezen als inzamelaars voor uitvoerend kunstenaars en producenten van fonogrammen, een vergoeding te betalen uit hoofde van naburige vermogensrechten voor het gebruik van commerciële fonogrammen of reproducties daarvan. Deze vergoedingen zijn vastgesteld door toepassing van een percentage overeenkomstig de onderstaande tabel op de in punt 5 van de methode bedoelde berekeningsbasis, voor elk radiostation waarvan zij eigenaar zijn.
Aandeel van het gebruik van commerciële fonogrammen in de programma's
Uitvoerend kunstenaars en producenten van fonogrammen
Tot en met 35 %
1,8 %
Van 35 % tot en met 65 %
2,4 %
Meer dan 65 %
3 %
Omroeporganisaties zijn verplicht om elk kwartaal aan de collectieve beheerorganisaties die door het [Roemeense auteursrechtenbureau] zijn aangewezen als inzamelaars voor uitvoerend kunstenaars en producenten van fonogrammen een vergoeding te betalen uit hoofde van naburige vermogensrechten voor het gebruik van voor commerciële doeleinden uitgegeven fonogrammen of reproducties daarvan. Deze vergoeding wordt berekend door op de totale maandelijkse bruto-inkomsten uit omroepactiviteiten een percentage van 3 % toe te passen in geval van gebruik van fonogrammen ten belope van 100 % van de totale zendtijd van de programma's. Bij een lager gebruik wordt het percentage van 3 % evenredig met het aandeel van het gebruik van de fonogrammen in de totale zendtijd van de programma's verlaagd.
[…]
- 5.
De berekeningsbasis waarop de in punt 3 genoemde percentages van toepassing zijn, wordt gevormd door de totale maandelijkse bruto-inkomsten, verminderd met de belasting over de toegevoegde waarde, die de gebruikers ontvangen uit omroepactiviteiten, met inbegrip van maar niet beperkt tot de inkomsten uit reclame, ruilhandel, abonnementen, advertenties en informatie, telefoongesprekken en sms-berichten tegen verhoogd tarief, sponsoring, uitgezonden wedstrijden en spelletjes, de verhuur van zendruimte, andere financiële bijdragen, ontvangstvergunningen, inkomsten uit uitzendingen op bestelling, inkomsten vanwege verenigingen of uit andere omroepgerelateerde activiteiten. De inkomsten van derde ondernemingen, in het bijzonder productieondernemingen en toeleveringsbedrijven voor reclame, worden eveneens in de berekeningsbasis opgenomen voor zover zij zijn ontvangen voor de omroepactiviteit van de gebruiker die overeenstemt met het (of de) voor commerciële doeleinden uitgegeven en uitgezonden fonogram(men), en voor zover er sprake is van een onbillijke overdracht die in strijd is met de eerlijke handelspraktijken op het betrokken gebied.
Bij gebreke van inkomsten wordt de berekeningsbasis gevormd door alle uitgaven die de gebruiker heeft gedaan voor de omroepactiviteiten (zoals personeelskosten, kosten voor diensten van derden, aankopen van welke aard ook enz.) gedurende het kwartaal waarvoor de vergoeding verschuldigd is.
- 6.
De bedragen die voortvloeien uit de toepassing van de percentages op de berekeningsbasis mogen niet lager zijn dan het equivalent in [Roemeense leu] (RON), berekend tegen de wisselkoers van de [Banca Națională a României (Roemeense nationale centrale bank)] op de vervaldag, van 500 EUR per kwartaal, te weten de minimumvergoeding die gebruikers verschuldigd zijn voor elk lokaal radiostation waarvan zij eigenaar zijn, of 1 000 EUR per kwartaal, te weten de minimumvergoeding die gebruikers verschuldigd zijn voor elk nationaal radiostation waarvan zij eigenaar zijn.’
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
18
Op 20 oktober 2011 heeft de UPFR, een organisatie voor het collectieve beheer van de naburige rechten van producenten van fonogrammen, met DADA Music een niet-exclusieve licentieovereenkomst gesloten voor de uitzending van commerciële fonogrammen. Krachtens deze overeenkomst heeft DADA Music het recht verworven om dergelijke fonogrammen via haar radiokanaal uit te zenden, waarbij zij de daarmee samenhangende verplichting op zich heeft genomen om de aan de hand van de berekeningsmethode vastgestelde vergoeding te betalen.
19
In die overeenkomst was bepaald dat DADA Music, op basis van het aandeel van het gebruik van de fonogrammen in de radioprogramma's, de UPFR een procentuele vergoeding verschuldigd was, berekend over al haar inkomsten of, bij gebreke van inkomsten, over al haar uitgaven voor de omroepactiviteiten.
20
Volgens die overeenkomst mocht de aldus verschuldigde vergoeding, overeenkomstig de vergoedingsmethode, niet lager zijn dan een forfaitair bedrag dat overeenkomt met het equivalent in Roemeense leu van 250 EUR per kwartaal, te weten de minimumvergoeding die gebruikers verschuldigd zijn voor elk lokaal radiostation waarvan zij eigenaar zijn, of 500 EUR per kwartaal, te weten de forfaitaire minimumvergoeding die gebruikers verschuldigd zijn voor elk nationaal radiostation waarvan zij eigenaar zijn.
21
Na de inwerkingtreding van wet nr. 74/2018, waarbij de bepalingen inzake de minimumvergoedingen voor radio-uitzendingen met ingang van negentig dagen na de bekendmaking ervan zijn ingetrokken, heeft DADA Music geweigerd nog langer de forfaitaire vergoeding te betalen, omdat zij van mening was dat deze wet onmiddellijk van toepassing was en dat zij slechts een vergoeding diende te betalen op basis van de daadwerkelijk ontvangen inkomsten.
22
De UPFR heeft op haar beurt aangevoerd dat de forfaitaire minimumvergoeding, die is berekend volgens de vergoedingsmethode, verschuldigd bleef totdat een nieuwe methode zou worden vastgesteld.
23
Op 24 juni 2019 heeft de UPFR bij de Tribunal București (rechter in eerste aanleg Boekarest, Roemenië) beroep ingesteld, waarbij zij heeft verzocht DADA Music te veroordelen tot betaling aan de UPFR van de krachtens de licentieovereenkomst overeenkomstig de vergoedingsmethode verschuldigde bedragen.
24
Op 28 januari 2022 heeft deze rechter dit beroep gedeeltelijk toegewezen en DADA Music veroordeeld tot betaling aan de UPFR van een bedrag van 16,13 RON (ongeveer 3 EUR) alsmede een bedrag van 70,68 RON (ongeveer 14 EUR) aan vertragingsrente. De rechter heeft in essentie geoordeeld dat zowel artikel 164, lid 2, van de auteurswet als artikel II van wet nr. 74/2018 van toepassing was op het hoofdgeding. Aangezien de bepalingen inzake de forfaitaire minimumvergoeding tijdens de litigieuze periode niet meer van kracht waren, was de rechter van mening dat voor die periode alleen een procentuele vergoeding op basis van de daadwerkelijk ontvangen inkomsten verschuldigd was, maar geen forfaitaire minimumvergoeding.
25
De UPFR en DADA Music hebben tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld bij de Curte de Apel București (rechter in tweede aanleg Boekarest, Roemenië), de verwijzende rechter.
26
Ter ondersteuning van haar hoger beroep heeft de UPFR in essentie betoogd dat de bepalingen van artikel II van wet nr. 74/2018 slechts van toepassing waren in het kader van de vaststelling van een nieuwe methode. Totdat een dergelijke methode zou worden vastgesteld, zou de vergoedingsmethode volgens de UPFR onverkort van toepassing blijven. Indien deze bepalingen aldus moeten worden uitgelegd dat zij in casu rechtstreeks van toepassing zijn, zouden zij volgens de UPFR in strijd zijn met artikel 8, lid 2, van richtlijn 2006/115 en artikel 16, lid 2, van richtlijn 2014/26.
27
De verwijzende rechter merkt op dat in casu de vraag rijst of artikel 8, lid 2, van richtlijn 2006/115 en artikel 16, lid 2, tweede alinea, van richtlijn 2014/26, gelezen in samenhang met de artikelen 17 en 52 van het Handvest, zich verzetten tegen een nationale wettelijke regeling die geen forfaitaire minimumvergoeding toekent aan rechthebbenden die worden vertegenwoordigd door collectieve beheerorganisaties, ongeacht de inkomsten of uitgaven van omroeporganisaties.
28
In dit verband merkt deze rechter ten eerste op dat niets in de bovengenoemde bepalingen een uitlegging lijkt te rechtvaardigen dat een forfaitaire minimumvergoeding moet worden vastgesteld.
29
Ten tweede benadrukt de verwijzende rechter dat artikel II van wet nr. 74/2018 met onmiddellijke ingang ten gunste van de omroepen een onderdeel van de toepasselijke vergoedingsregeling intrekt, zonder de criteria voor de berekening van de vergoeding te wijzigen en zonder een termijn te bepalen voor nieuwe afspraken om de hoogte van de billijke vergoeding vast te stellen, waarbij de bestaande situatie wordt gewijzigd ten gunste van de omroepen, zonder dat is voorzien in een regeling die waarborgt dat de aan de producent van fonogrammen verschuldigde vergoedingen redelijk zijn.
30
Wat ten derde de vraag betreft of de vergoeding billijk en redelijk is, vraagt die rechter zich af welke criteria van het Unierecht voor een dergelijke beoordeling kunnen worden gehanteerd. In het bijzonder wenst de verwijzende rechter te vernemen of hij, indien hij vaststelt dat de verschuldigde vergoeding volgens de in de regeling vastgestelde criteria verwaarloosbaar is, andere criteria kan of moet toepassen om ervoor te zorgen dat de rechthebbenden een passende vergoeding ontvangen.
31
In deze omstandigheden heeft de Curte de Apel Bucureşti de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen voorgelegd:
- ‘[1)]
Moeten artikel 8, lid 2, van richtlijn [2006/115] en artikel 16, lid 2, tweede [alinea], van richtlijn [2014/26], beide gelezen in samenhang met de artikelen 17 en 52 van het [Handvest], aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling die geen (forfaitaire) billijke minimumvergoeding toekent aan rechthebbenden (producenten van fonogrammen), die worden vertegenwoordigd door collectieve beheerorganisaties, ongeacht de inkomsten of uitgaven van omroeporganisaties?
- 2)
Indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord: verzetten deze artikelen zich tegen een nationale regeling die met onmiddellijke ingang een einde maakt aan de (forfaitaire) minimumvergoedingen die zijn vastgesteld door middel van een methode waarover eerder is onderhandeld tussen een collectieve beheerorganisatie en gebruikers, zonder de criteria voor de berekening van de vergoeding te wijzigen en zonder een uiterste termijn te bepalen voor de onderhandeling over nieuwe afspraken (methoden) om de hoogte van de billijke vergoedingen vast te stellen?
- 3)
Indien de eerste twee vragen ontkennend worden beantwoord: kan of (eventueel) moet de nationale rechter nagaan of de vergoedingen die zijn berekend als percentage van de concrete, door omroeporganisaties opgegeven inkomsten, billijk en redelijk zijn voor rechthebbenden en gebruikers, dan wel kennelijk verwaarloosbaar of buitensporig hoog zijn, en wat zijn de criteria die voor deze beoordeling kunnen worden toegepast?
- 4)
Indien de derde vraag bevestigend wordt beantwoord en de nationale rechter vaststelt dat de verschuldigde vergoeding volgens de bij de nieuwe nationale regeling gewijzigde methode verwaarloosbaar is: kan of moet hij voor het vaststellen van de vergoeding andere criteria toepassen dan de opgegeven inkomsten — zoals de kosten die omroepen voor de uitzending hebben gemaakt, de vergoeding die vergelijkbare omroepen hebben betaald of soortgelijke criteria — om te zorgen dat rechthebbenden een passende vergoeding ontvangen zonder inbreuk te maken op de gerechtvaardigde belangen van gebruikers, dat wil zeggen een vergoeding die niet verwaarloosbaar is maar evenmin buitensporig belastend voor omroeporganisaties?’
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste en tweede vraag
32
Met zijn eerste en tweede vraag, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 8, lid 2, van richtlijn 2006/115, artikel 16, lid 2, tweede alinea, van richtlijn 2014/26 en artikel 17, lid 2, van het Handvest, gelezen in het licht van artikel 52, lid 1, van het Handvest, aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling die geen forfaitaire minimumvergoeding toekent aan de producenten van fonogrammen voor de uitzending van voor commerciële doeleinden uitgegeven fonogrammen en waarbij de bepalingen inzake forfaitaire minimumvergoedingen voor uitzendingen die zijn vastgesteld volgens een voorheen geldende methode met ingang van negentig dagen na de bekendmaking van die regeling worden ingetrokken, zonder evenwel de criteria voor de berekening van de vergoeding te wijzigen en zonder een termijn te bepalen voor de vaststelling van een nieuwe methode om de hoogte van die vergoeding te bepalen.
33
Vooraf zij opgemerkt dat noch artikel 8, lid 2, van richtlijn 2006/115 noch artikel 16, lid 2, tweede alinea, van richtlijn 2014/26 voor de betekenis van de daarin genoemde begrippen naar het recht van de lidstaten verwijst.
34
Dienaangaande zij eraan herinnerd dat zowel de uniforme toepassing van het Unierecht als het gelijkheidsbeginsel vereist dat de bewoordingen van een bepaling van het Unierecht die voor de betekenis en de draagwijdte ervan niet uitdrukkelijk naar het recht van de lidstaten verwijst, normaliter in de gehele Unie autonoom en uniform worden uitgelegd, rekening houdend met de context van de bepaling en het doel van de betrokken regeling (arresten van 18 januari 1984, Ekro, 327/82, EU:C:1984:11, punt 11, en 8 september 2020, Recorded Artists Actors Performers, C-265/19, EU:C:2020:677, punt 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
35
Wat in de eerste plaats de bewoordingen van de betrokken bepalingen betreft, bepaalt artikel 8, lid 2, van richtlijn 2006/115 dat de lidstaten een recht moeten instellen om ervoor te zorgen, ten eerste, dat één enkele billijke vergoeding wordt uitgekeerd door de gebruiker, wanneer een voor commerciële doeleinden uitgegeven fonogram of een reproductie daarvan wordt gebruikt voor uitzending via de ether of voor enigerlei mededeling aan het publiek en, ten tweede, dat deze vergoeding wordt verdeeld tussen de betrokken uitvoerend kunstenaars en producenten van fonogrammen. Bij gebreke van overeenstemming tussen uitvoerend kunstenaars en producenten van fonogrammen kunnen de lidstaten bepalen volgens welke voorwaarden deze vergoeding tussen beide partijen wordt verdeeld.
36
Volgens de bewoordingen van artikel 16, lid 2, tweede alinea, van richtlijn 2014/26 ontvangen rechthebbenden een passende vergoeding voor het gebruik van hun rechten. Tarieven voor exclusieve rechten en rechten op vergoeding moeten redelijk zijn in verhouding tot onder meer de economische waarde van het gebruik van de rechten in het handelsverkeer, gelet op de aard en reikwijdte van het gebruik van de werken en andere materie, en in verhouding tot de economische waarde van de door de collectieve beheerorganisatie verstrekte dienst. Collectieve beheerorganisaties stellen de betrokken gebruiker in kennis van de criteria die voor het bepalen van die tarieven zijn gebruikt.
37
Aldus blijkt noch uit de bewoordingen van artikel 8, lid 2, van richtlijn 2006/115, noch uit die van artikel 16, lid 2, tweede alinea, van richtlijn 2014/26 dat de lidstaten rechthebbenden een forfaitaire minimumvergoeding moeten garanderen voor de uitzending van een voor commerciële doeleinden uitgegeven fonogram, aangezien deze bepalingen voorschrijven dat de vergoeding respectievelijk ‘billijk’ of ‘passend’ moet zijn. De bewoordingen ‘forfaitaire minimumvergoeding’ houden, volgens de in de omgangstaal gebruikelijke betekenis ervan, immers een vergoeding in die geen enkel verband houdt met de economische waarde van de betaalde prestatie, ongeacht of deze billijk of passend is.
38
In dit verband gebruikt artikel 8, lid 2, van richtlijn 2006/115 weliswaar het begrip ‘billijke vergoeding’ en artikel 16, lid 2, tweede alinea, van richtlijn 2014/26 de woorden ‘passende vergoeding’, maar beide bepalingen hebben tot doel te waarborgen dat aan rechthebbenden een vergoeding wordt betaald die verband houdt met de economische waarde van de geleverde prestatie. Daarnaast heeft het Hof reeds geoordeeld dat de in de richtlijnen 2006/115 en 2014/26 gebruikte begrippen, gelet op de eisen inzake eenheid en samenhang van de rechtsorde van de Unie, dezelfde betekenis moeten hebben, tenzij de Uniewetgever in een specifieke wetgevende context een andere wil kenbaar heeft gemaakt (zie in die zin arrest van 31 mei 2016, Reha Training, C-117/15, EU:C:2016:379, punt 28), zodat de in die richtlijnen genoemde begrippen ‘billijke vergoeding’ en ‘passende vergoeding’ uniform moeten worden uitgelegd.
39
Wat in de tweede plaats de context van artikel 8, lid 2, van richtlijn 2006/115 en artikel 16, lid 2, tweede alinea, van richtlijn 2014/26 betreft, zij eraan herinnerd dat de bepalingen van deze richtlijnen moeten worden uitgelegd in het licht van het internationaal recht, en in het bijzonder van het verdragsrecht waaraan deze instrumenten juist uitvoering beogen te geven, zoals is opgemerkt in overweging 7 van richtlijn 2006/115 en, in essentie, overweging 2 van richtlijn 2014/26 (zie in die zin arrest van 18 november 2020, Atresmedia Corporación de Medios de Comunicación, C-147/19, EU:C:2020:935, punt 34).
40
In dat verband bepaalt artikel 15, lid 1, WPPT uitdrukkelijk dat producenten van fonogrammen recht hebben op één enkele billijke vergoeding wanneer voor commerciële doeleinden uitgegeven fonogrammen worden gebruikt ten behoeve van uitzending of enigerlei mededeling aan het publiek. Het Hof heeft geoordeeld dat de omzetting van die verplichting in het Unierecht, toen het WPPT op 14 maart 2010 voor de Unie in werking trad, reeds was gewaarborgd door artikel 8, lid 2, van richtlijn 2006/115 (arrest van 8 september 2020, Recorded Artists Actors Performers, C-265/19, EU:C:2020:677, punt 63).
41
Tevens moet worden vastgesteld dat artikel 8, lid 2, van richtlijn 2006/115 en artikel 16, lid 2, tweede alinea, van richtlijn 2014/26 in essentie overeenkomen met artikel 11 bis, lid 2, van de Berner Conventie, dat in lid 1 van dat artikel specifiek ziet op de radio-uitzending van werken van letterkunde en kunst. Artikel 11 bis, lid 2, van deze conventie bepaalt immers in essentie dat auteurs van werken van letterkunde en kunst het recht hebben om in geval van radio-uitzending van die werken een ‘billijke vergoeding’ te verkrijgen. Wanneer het Hof dit begrip in de zin van deze bepalingen van het Unierecht uitlegt, gebeurt dat volgens vaste rechtspraak in overeenstemming met voornoemde bepaling van die conventie (zie in die zin arrest van 16 maart 2017, AKM, C-138/16, EU:C:2017:218, punt 21 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
42
Dienaangaande blijkt uit de ‘Guide to the Copyright and Related Rights Treaties Administered by WIPO’ (gids betreffende de door de WIPO beheerde verdragen inzake het auteursrecht en de naburige rechten), een door de WIPO opgesteld interpretatief document dat niet juridisch bindend is maar niettemin helpt bij de uitlegging van de Berner Conventie (zie in die zin arrest van 4 oktober 2011, Football Association Premier League e.a., C-403/08 en C-429/08, EU:C:2011:631, punt 201 en aldaar aangehaalde rechtspraak), dat de vergoeding slechts als billijk kan worden beschouwd indien zij min of meer overeenstemt met de hoogte van de betaling waarmee de auteur, bij gebreke van een dwanglicentie, na onderhandelingen had kunnen instemmen.
43
Wat in de derde plaats de doelstellingen van de richtlijnen 2006/115 en 2014/26 betreft, wordt ten eerste in de overwegingen 5 en 12 van richtlijn 2006/115 verduidelijkt, kort gezegd, dat een passende juridische bescherming van de rechthebbenden deze rechthebbenden de mogelijkheid moet bieden om een niet voor afstand vatbare billijke vergoeding te ontvangen alsook om de investeringen voor met name de productie van fonogrammen en films terug te verdienen. Ten tweede moet de door een collectieve beheerorganisatie vastgestelde vergoeding van de rechthebbenden redelijk zijn in verhouding tot, onder meer, de economische waarde van het gebruik van de rechten in een bepaalde context, zoals naar voren komt uit overweging 31 van richtlijn 2014/26.
44
In het licht van deze doelstellingen moeten de begrippen ‘billijke vergoeding’ en ‘passende vergoeding’ aldus worden opgevat dat zij ertoe strekken een passend evenwicht tot stand te brengen tussen het belang van producenten van fonogrammen om een vergoeding te ontvangen voor de uitzending van een bepaald fonogram en het belang van derden om dit fonogram onder redelijke voorwaarden te kunnen uitzenden (zie naar analogie arrest van 6 februari 2003, SENA, C-245/00, EU:C:2003:68, punt 36).
45
De billijkheid van deze vergoeding, die de tegenprestatie vormt voor het gebruik — vooral voor uitzending — van een commercieel fonogram moet met name worden beoordeeld tegen de achtergrond van de waarde van dit gebruik in het handelsverkeer (arrest van 6 februari 2003, SENA, C-245/00, EU:C:2003:68, punt 37).
46
Zoals blijkt uit de rechtspraak van het Hof, is het echter niet aan het Hof om zich in de plaats te stellen van de lidstaten, die over een ruime beoordelingsmarge beschikken om de criteria voor een billijke vergoeding vast te stellen of algemene en vooraf bepaalde grenzen te stellen voor de vaststelling van dergelijke criteria. Het Hof kan de verwijzende rechter daarentegen wel de gegevens verschaffen die deze nodig heeft om te kunnen beoordelen of de nationale criteria voor de vaststelling van de vergoeding van producenten van fonogrammen van dien aard zijn dat zij hun, in overeenstemming met het Unierecht, een billijke vergoeding verzekeren (zie in die zin arrest van 6 februari 2003, SENA, C-245/00, EU:C:2003:68, punt 40).
47
Zo heeft het Hof reeds geoordeeld dat artikel 8, lid 2, van richtlijn 2006/115 zich niet verzet tegen een model voor de berekening van de billijke vergoeding van uitvoerend kunstenaars of producenten van fonogrammen voor zover, met name, het model niet in strijd is met enig beginsel van het Unierecht (arrest van 6 februari 2003, SENA, C-245/00, EU:C:2003:68, punt 46).
48
Bij het bepalen van de criteria voor de vaststelling van een billijke of passende vergoeding moet bijgevolg het Unierecht in acht worden genomen. In het bijzonder mogen de lidstaten daarbij de bepalingen van het Handvest niet schenden.
49
Volgens de bewoordingen van de eerste en de tweede prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter uitdrukkelijk te vernemen of de regels voor de vaststelling van de vergoeding van de rechthebbenden die bij wet nr. 74/2018 zijn vastgesteld, waarbij de bepalingen inzake de forfaitaire minimumvergoedingen voor uitzendingen met ingang van negentig dagen na de bekendmaking van die wet zijn ingetrokken, verenigbaar zijn met artikel 17, lid 2, van het Handvest. Niettemin moet in herinnering worden gebracht dat de bepalingen van het Handvest ingevolge artikel 51, lid 1, ervan tot de lidstaten zijn gericht uitsluitend wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen.
50
Om te bepalen of een nationale regeling in het hoofdgeding ‘het recht van de Unie ten uitvoer brengt’ in de zin van artikel 51, lid 1, van het Handvest, moet onder meer worden nagegaan of zij de uitvoering van een Unierechtelijke bepaling beoogt (arrest van 5 mei 2022, BPC Lux 2 e.a., C-83/20, EU:C:2022:346, punt 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
51
Wanneer de rechthebbenden en de gebruikers geen overeenstemming bereiken over de wijze waarop de vergoeding van deze rechthebbenden wordt vastgesteld, worden deze regels bij wet nr. 74/2018 vastgesteld aan de hand van criteria die Roemenië heeft bepaald, met uitoefening van de beoordelingsmarge waarover deze lidstaat in dat verband beschikt. Uit de verwijzingsbeslissing lijkt voort te vloeien dat de bepalingen van deze wet het recht van de Unie ten uitvoer brengen en, in het bijzonder, artikel 8, lid 2, van richtlijn 2006/115 en artikel 16, lid 2, tweede alinea, van richtlijn 2014/26, hetgeen de verwijzende rechter niettemin dient te bevestigen.
52
In die omstandigheden is het aan de lidstaat om de bepalingen van het Handvest, en met name artikel 17 ervan, in acht te nemen bij het ten uitvoer brengen van deze bepalingen.
53
Dienaangaande moet worden benadrukt dat artikel 17 van het Handvest, dat is geïnspireerd door artikel 1 van het aanvullend protocol bij het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, in lid 1 bepaalt dat eenieder het recht heeft de goederen die hij rechtmatig heeft verkregen in eigendom te bezitten, en dat aan niemand zijn eigendom mag worden ontnomen, behalve in het algemeen belang in de gevallen en onder de voorwaarden waarin de wet voorziet en mits zijn verlies tijdig op billijke wijze wordt vergoed. De bescherming van intellectuele eigendom wordt, gezien het belang ervan, uitdrukkelijk vermeld in lid 2 van dit artikel, en de in lid 1 bedoelde waarborgen zijn in voorkomend geval van toepassing op intellectuele eigendom.
54
Blijkens de rechtspraak is het recht op één enkele billijke vergoeding binnen de Unie een naburig recht van het auteursrecht, en vormt dit recht bijgevolg een integrerend bestanddeel van het door artikel 17, lid 2, van het Handvest verankerde recht op de bescherming van intellectuele eigendom (arrest van 8 september 2020, Recorded Artists Actors Performers, C-265/19, EU:C:2020:677, punt 85 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
55
Aangezien artikel 8, lid 2, van richtlijn 2006/115 en artikel 16, lid 2, tweede alinea, van richtlijn 2014/26 waarborgen dat de rechthebbenden een vergoeding ontvangen voor het gebruik van hun rechten, kan een nationale regeling als in het hoofdgeding aan de orde is, waarbij de bepalingen inzake forfaitaire minimumvergoedingen voor uitzendingen met ingang van negentig dagen na de bekendmaking van die regeling zijn ingetrokken, dus een beperking vormen van de in artikel 17, lid 2, van het Handvest neergelegde bescherming van het intellectuele-eigendomsrecht.
56
Noch uit deze bepaling, noch uit de rechtspraak van het Hof blijkt evenwel dat het in die bepaling vastgelegde intellectuele-eigendomsrecht onaantastbaar is en daarom absolute bescherming moet genieten (zie in die zin arrest van 26 april 2022, Polen/Parlement en Raad, C-401/19, EU:C:2022:297, punt 92 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
57
Wat dat betreft wordt in artikel 52, lid 1, van het Handvest erkend dat de uitoefening van de rechten die daarin zijn neergelegd kan worden beperkt, voor zover deze beperkingen bij wet zijn gesteld, de wezenlijke inhoud van die rechten eerbiedigen en, met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel, noodzakelijk zijn en daadwerkelijk beantwoorden aan de door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang of aan de eisen van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen (arresten van 9 november 2010, Volker und Markus Schecke en Eifert, C-92/09 en C-93/09, EU:C:2010:662, punt 50, en 5 mei 2022, BPC Lux 2 e.a., C-83/20, EU:C:2022:346, punt 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
58
Ook al is het in laatste instantie aan de nationale rechter — die bij uitsluiting bevoegd is om de feiten te beoordelen en de nationale regeling uit te leggen — om te bepalen of de bij die regeling opgelegde eisen aan de voorwaarden van het Unierecht voldoen, het Hof is in het kader van een prejudiciële verwijzing bevoegd om de verwijzende rechter op basis van het dossier van het hoofdgeding en van de bij hem ingediende schriftelijke en mondelinge opmerkingen nuttige aanwijzingen te verschaffen die hem in staat stellen het bij hem aanhangige geding te beslechten (arrest van 4 oktober 2024, Tecno*37, C-242/23, EU:C:2024:831, punt 67 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
59
Ten eerste staat vast dat de beperkingen op de uitoefening van de in artikel 17, lid 2, van het Handvest bedoelde rechten die de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling meebrengt, zijn gesteld bij wet nr. 74/2018.
60
Ten tweede kan een nationale regeling waarbij geen forfaitaire minimumvergoeding voor producenten van fonogrammen is gewaarborgd omdat daarbij de bepalingen inzake een dergelijke vergoeding voor radio-uitzendingen met ingang van negentig dagen na de bekendmaking ervan zijn ingetrokken, het eigendomsrecht niet in zijn kern aantasten zolang die regeling niet leidt tot een ontneming van eigendom (zie naar analogie arrest van 5 mei 2022, BPC Lux 2 e.a., C-83/20, EU:C:2022:346, punt 53 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Uit het dossier waarover het Hof beschikt, komt namelijk naar voren dat de wijze van vaststelling van de vergoedingen van de rechthebbenden die is neergelegd in de regeling die in het hoofdgeding aan de orde is, ertoe heeft geleid dat aan deze rechthebbenden vergoedingen worden betaald die evenredig zijn aan de daadwerkelijk door de lokale radiostations ontvangen inkomsten.
61
Ten derde blijkt uit dit dossier dat wet nr. 74/2018 tot doel heeft een stelsel op te zetten dat rekening houdt met de economische situatie van de lokale radiostations die, wegens hun beperkte publiek en hun doorgaans beperkte inkomsten, niet in staat zijn om kosten te dragen die niet in verhouding staan tot hun inkomsten. Onder voorbehoud van de door de verwijzende rechter te verrichten verificaties is een dergelijk doel legitiem, aangezien het ertoe strekt de economische levensvatbaarheid van die stations te verzekeren.
62
Wat ten vierde de evenredigheid betreft van de beperking van het in artikel 17, lid 2, van het Handvest neergelegde recht met het doel dat wordt nagestreefd door de in het hoofdgeding aan de orde zijnde wettelijke regeling, blijkt om te beginnen — onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter — dat een methode waarbij de aan de rechthebbenden verschuldigde vergoeding wordt vastgesteld op basis van enkel de inkomsten van de omroepen, geschikt is om het doel te bereiken dat door de in het hoofdgeding aan de orde zijnde wettelijke regeling wordt nagestreefd, aangezien aldus rekening kan worden gehouden met de economische draagkracht van de lokale stations.
63
Wat vervolgens de noodzaak van de in die wettelijke regeling vastgestelde maatregel betreft, is het aan de verwijzende rechter om na te gaan, gelet op de in punt 51 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte beoordelingsmarge waarover Roemenië beschikt, of duidelijk blijkt dat het door die regeling nagestreefde doel ook kan worden bereikt met minder beperkende maatregelen.
64
Aangaande ten slotte de evenredigheid — in enge zin — van die regeling moet worden benadrukt dat de economische waarde van het gebruik van de werken in het kader van de uitzending in aanmerking moet worden genomen bij de vaststelling van de aan de rechthebbenden verschuldigde billijke of passende vergoeding, teneinde de verwijzende rechter gegevens te verschaffen aan de hand waarvan hij een dergelijk onderzoek kan verrichten. Alleen onder deze voorwaarde kan immers een rechtvaardig evenwicht worden gewaarborgd tussen enerzijds het belang van de houders van auteursrechten en naburige rechten bij bescherming van hun door artikel 17, lid 2, van het Handvest gewaarborgde recht op intellectuele eigendom en anderzijds de bescherming van de belangen van de gebruikers van fonogrammen (zie naar analogie arrest van 29 juli 2019, Pelham e.a., C-476/17, EU:C:2019:624, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
65
Met name kan een vergoeding die ruim onder deze waarde ligt, in het licht van het evenredigheidsbeginsel niet als billijk of passend worden beschouwd.
66
Gelet op een en ander moet op de eerste en de tweede vraag worden geantwoord dat artikel 8, lid 2, van richtlijn 2006/115, artikel 16, lid 2, tweede alinea, van richtlijn 2014/26 en artikel 17, lid 2, van het Handvest, gelezen in het licht van artikel 52, lid 1, ervan, aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een nationale regeling waarbij geen forfaitaire minimumvergoeding wordt toegekend aan producenten van fonogrammen voor de uitzending van voor commerciële doeleinden uitgegeven fonogrammen en waarbij de bepalingen inzake forfaitaire minimumvergoedingen voor uitzendingen die zijn vastgesteld volgens een voorheen geldende methode met ingang van negentig dagen na de bekendmaking van die regeling worden ingetrokken, zonder evenwel de criteria voor de berekening van de vergoeding te wijzigen en zonder een termijn te bepalen voor de vaststelling van een nieuwe methode om de hoogte van die vergoeding te bepalen, mits die wetgeving de billijkheid of de passendheid van de aan de rechthebbenden betaalde vergoeding waarborgt en in overeenstemming is met het evenredigheidsbeginsel.
Derde en vierde vraag
Ontvankelijkheid
67
DADA Music betoogt dat de derde en de vierde vraag niet-ontvankelijk zijn op grond dat deze vragen geen verband houden met de beslechting van het hoofdgeding. De UPFR heeft de nationale rechter immers niet verzocht na te gaan of de vergoedingen die zijn berekend als percentage van de concrete, door omroeporganisaties opgegeven inkomsten, billijk en redelijk zijn.
68
Volgens vaste rechtspraak van het Hof is de in artikel 267 VWEU geregelde procedure een instrument voor de samenwerking tussen het Hof en de nationale rechterlijke instanties, waarmee het Hof de nationale rechterlijke instanties de elementen betreffende de uitlegging van het Unierecht verschaft die zij nodig hebben voor de beslechting van het bij hen aanhangige geding (arresten van 20 juni 2013, Impacto Azul, C-186/12, EU:C:2013:412, punt 26, en 1 augustus 2022, Vyriausioji tarnybinės etikos komisija, C-184/20, EU:C:2022:601, punt 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
69
In dit verband moet eraan worden herinnerd dat het in het kader van die procedure uitsluitend een zaak is van de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid draagt voor de te geven rechterlijke beslissing om, gelet op de bijzonderheden van het geval, zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis als de relevantie van de vragen die hij aan het Hof voorlegt, te beoordelen. Wanneer de vragen betrekking hebben op de uitlegging van Unierecht, is het Hof derhalve in beginsel verplicht daarop te antwoorden. Hieruit vloeit voort dat er een vermoeden van relevantie rust op vragen die het Unierecht betreffen. Het Hof kan een verzoek van een nationale rechter dan ook enkel afwijzen wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging van het Unierecht geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is of wanneer het Hof niet beschikt over de gegevens, feitelijk en rechtens, die noodzakelijk zijn om een zinvol antwoord te geven op de gestelde vragen (arrest van 3 juni 2021, BalevBio, C-76/20, EU:C:2021:441, punt 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
70
Het is tevens vaste rechtspraak dat de nationale rechter wegens het vereiste om tot een voor hem nuttige uitlegging van het Unierecht te komen, een omschrijving dient te geven van het feitelijke en wettelijke kader waarin de gestelde vragen moeten worden geplaatst, of ten minste de feiten moet uiteenzetten waarop die vragen zijn gebaseerd. Voorts moet de verwijzingsbeslissing de precieze redenen vermelden waarom de nationale rechter twijfelt over de uitlegging van het Unierecht en het noodzakelijk acht om een prejudiciële vraag aan het Hof voor te leggen (arrest van 1 augustus 2022, Roma Multiservizi en Rekeep, C-332/20, EU:C:2022:610, punt 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
71
In casu heeft de verwijzende rechter voldoende duidelijk uiteengezet waarom hij een antwoord op de derde en de vierde prejudiciële vraag noodzakelijk acht om het hoofdgeding te kunnen beslechten. Zoals in punt 30 van het onderhavige arrest is opgemerkt, heeft deze rechter met name aangegeven dat hij zich afvroeg welke criteria kunnen worden gehanteerd om te beoordelen of de aan de rechthebbenden te betalen vergoeding billijk en redelijk is en of hij, indien hij vaststelt dat de verschuldigde vergoeding volgens de in de regeling vastgestelde criteria verwaarloosbaar is, andere criteria kan of moet toepassen om ervoor te zorgen dat de rechthebbenden een passende vergoeding ontvangen.
72
De derde en de vierde prejudiciële vraag zijn derhalve ontvankelijk.
Ten gronde
73
Met zijn derde en vierde vraag, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of — en onder welke voorwaarden — hij dient na te gaan of de hoogte van de aan de rechthebbenden betaalde vergoeding, berekend op de bij de nationale regeling vastgestelde wijze, een passend evenwicht waarborgt tussen het belang van de rechthebbenden en dat van de gebruikers van fonogrammen en, zo ja, of de nationale rechter die moet oordelen over een geding tussen particulieren de bepalingen van richtlijn 2006/115 en richtlijn 2014/26 rechtstreeks kan toepassen teneinde een nationale regeling die een dergelijk evenwicht niet waarborgt, buiten toepassing te laten.
74
Gelet op de in de punten 45 en 46 van het onderhavige arrest uiteengezette overwegingen is het dus aan de nationale rechter die moet oordelen over een geding betreffende de vraag of de aan de rechthebbenden verschuldigde vergoeding billijk of passend is, om dat vast te stellen, rekening houdend met onder meer de economische waarde van het gebruik van de rechten in het handelsverkeer, gelet op de aard en reikwijdte van het gebruik van de werken en andere materie, alsmede met de waarde van de door de beheerorganisatie verstrekte dienst, zoals blijkt uit artikel 16, lid 2, tweede alinea, van richtlijn 2014/26.
75
In dat verband dient de nationale rechter met name rekening te houden met de bijzondere aard van auteursrechten en te zoeken naar een passend evenwicht tussen het belang van de rechthebbenden om een vergoeding te ontvangen voor het gebruik van hun rechten en het belang van de gebruikers van fonogrammen om de betreffende werken en andere materie onder redelijke voorwaarden te kunnen gebruiken (zie naar analogie arrest van 25 november 2020, SABAM, C-372/19, EU:C:2020:959, punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
76
Dienaangaande ligt in het beginsel van voorrang van het Unierecht besloten dat het Unierecht voorrang heeft op het recht van de lidstaten en dat het alle instanties van de lidstaten ertoe verplicht om volle werking te verlenen aan de verschillende normen van de Unie, aangezien het recht van de lidstaten niet kan afdoen aan de werking die op het grondgebied van deze staten toekomt aan die verschillende normen (arrest van 18 januari 2022, Thelen Technopark Berlin, C-261/20, EU:C:2022:33, punt 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
77
Dit beginsel verplicht de nationale rechterlijke instanties met name ertoe om, teneinde de doeltreffendheid van alle Unierechtelijke bepalingen te waarborgen, hun nationale recht zo veel mogelijk in overeenstemming met het Unierecht uit te leggen en particulieren de mogelijkheid te bieden om schadevergoeding te verkrijgen wanneer hun rechten worden aangetast door een schending van het Unierecht die kan worden toegerekend aan een lidstaat (arrest van 18 januari 2022, Thelen Technopark Berlin, C-261/20, EU:C:2022:33, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
78
Meer in het bijzonder heeft het Hof bij herhaling geoordeeld dat een nationale rechter bij wie een geding aanhangig is tussen uitsluitend particulieren, bij de toepassing van de ter uitvoering van de verplichtingen van een richtlijn vastgestelde nationale bepalingen het gehele nationale recht in beschouwing moet nemen, en dit zo veel mogelijk in het licht van de bewoordingen en van de doelstelling van deze richtlijn moet uitleggen om tot een oplossing te komen die in overeenstemming is met het daarmee beoogde doel (arrest van 18 januari 2022, Thelen Technopark Berlin, C-261/20, EU:C:2022:33, punt 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
79
Het beginsel van richtlijnconforme uitlegging van het nationale recht kent evenwel bepaalde beperkingen. Zo wordt de verplichting van de nationale rechter om bij de uitlegging en de toepassing van de relevante bepalingen van zijn nationale recht uit te gaan van hetgeen is vastgesteld in een richtlijn, begrensd door de algemene rechtsbeginselen en kan deze verplichting niet dienen als grondslag voor een uitlegging contra legem van het nationale recht (arrest van 18 januari 2022, Thelen Technopark Berlin, C-261/20, EU:C:2022:33, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
80
Bovendien brengt het voorrangsbeginsel ook mee dat, indien de nationale regelgeving niet in overeenstemming met de vereisten van het Unierecht kan worden uitgelegd, de nationale rechter die in het kader van zijn bevoegdheid is belast met de toepassing van de bepalingen van het Unierecht, verplicht is de volle werking van deze bepalingen te verzekeren en daarbij zo nodig, op eigen gezag, elke, zelfs latere, strijdige bepaling van de nationale wettelijke regeling buiten toepassing te laten, zonder dat hij de voorafgaande opheffing hiervan via de wetgeving of enige andere constitutionele procedure hoeft te vragen of af te wachten (zie in die zin arrest van 18 januari 2022, Thelen Technopark Berlin, C-261/20, EU:C:2022:33, punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
81
Niettemin moet ook rekening worden gehouden met de andere wezenlijke kenmerken van het Unierecht en in het bijzonder met de aard en de juridische gevolgen van richtlijnen (arrest van 18 januari 2022, Thelen Technopark Berlin, C-261/20, EU:C:2022:33, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
82
Zo kunnen met een richtlijn op zich geen verplichtingen worden opgelegd aan particulieren en kan een richtlijn als zodanig dus niet tegenover een particulier worden ingeroepen voor een nationale rechter. Krachtens artikel 288, derde alinea, VWEU bestaat het verbindende karakter van een richtlijn, dat de grondslag vormt voor de mogelijkheid om zich daarop te beroepen, immers slechts ten aanzien van ‘elke lidstaat waarvoor zij bestemd is’, aangezien de Unie alleen bevoegd is om algemeen en abstract met onmiddellijke werking verplichtingen op te leggen aan particulieren wanneer haar de bevoegdheid is toegekend om verordeningen vast te stellen. Een nationale rechter mag derhalve niet op grond van een bepaling van een richtlijn, zelfs al is deze duidelijk, nauwkeurig en onvoorwaardelijk, een hiermee strijdige bepaling van zijn nationale recht buiten toepassing laten indien aldus een extra verplichting wordt opgelegd aan een particulier (arrest van 18 januari 2022, Thelen Technopark Berlin, C-261/20, EU:C:2022:33, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
83
Een nationale rechter is derhalve niet verplicht om louter op grond van het Unierecht een bepaling van nationaal recht die in strijd is met een Unierechtelijke bepaling buiten toepassing te laten indien die bepaling geen rechtstreekse werking heeft, evenwel onverminderd de mogelijkheid voor deze rechter en voor elke bevoegde nationale administratieve instantie om op basis van het nationale recht elke bepaling van nationaal recht buiten toepassing te laten die in strijd is met een Unierechtelijke bepaling die geen rechtstreekse werking heeft (arrest van 18 januari 2022, Thelen Technopark Berlin, C-261/20, EU:C:2022:33, punt 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
84
Gelet op een en ander moet op de derde en de vierde vraag worden geantwoord dat de nationale rechter die moet oordelen in een geding tussen particulieren over de vraag of de aan rechthebbenden betaalde vergoeding voor de uitzending van voor commerciële doeleinden uitgegeven fonogrammen, berekend op de bij de nationale regeling vastgestelde wijze, dient na te gaan of deze vergoeding billijk of passend is in de zin van artikel 8, lid 2, van richtlijn 2006/115 en artikel 16, lid 2, tweede alinea, van richtlijn 2014/26, namelijk dat zij het evenwicht waarborgt tussen het belang van de rechthebbenden en het belang van de gebruikers van deze fonogrammen. Indien het niet mogelijk is om deze vergoeding vast te stellen op basis van die nationale regeling, kunnen de bepalingen van deze richtlijnen niet worden ingeroepen om die regeling buiten toepassing te laten, tenzij het nationale recht anders bepaalt.
Kosten
85
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Zesde kamer) verklaart voor recht:
- 1)
Artikel 8, lid 2, van richtlijn 2006/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende het verhuurrecht, het uitleenrecht en bepaalde naburige rechten op het gebied van intellectuele eigendom, artikel 16, lid 2, tweede alinea, van richtlijn 2014/26/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het collectieve beheer van auteursrechten en naburige rechten en de multiterritoriale licentieverlening van rechten inzake muziekwerken voor het online gebruik ervan op de interne markt, alsmede artikel 17, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, gelezen in het licht van artikel 52, lid 1, van het Handvest,
moeten aldus worden uitgelegd dat
zij zich niet verzetten tegen een nationale regeling waarbij geen forfaitaire minimumvergoeding wordt toegekend aan producenten van fonogrammen voor de uitzending van voor commerciële doeleinden uitgegeven fonogrammen en waarbij de bepalingen inzake forfaitaire minimumvergoedingen voor uitzendingen die zijn vastgesteld volgens een voorheen geldende methode met ingang van negentig dagen na de bekendmaking van die regeling worden ingetrokken, zonder evenwel de criteria voor de berekening van de vergoeding te wijzigen en zonder een termijn te bepalen voor de vaststelling van een nieuwe methode om de hoogte van die vergoeding te bepalen, mits die wetgeving de billijkheid of de passendheid van de aan de rechthebbenden betaalde vergoeding waarborgt en in overeenstemming is met het evenredigheidsbeginsel.
- 2)
De nationale rechter die moet oordelen in een geding tussen particulieren over de vraag of de aan rechthebbenden betaalde vergoeding voor de uitzending van voor commerciële doeleinden uitgegeven fonogrammen, berekend op de bij de nationale regeling vastgestelde wijze, dient na te gaan of deze vergoeding billijk of passend is in de zin van artikel 8, lid 2, van richtlijn 2006/115 en artikel 16, lid 2, tweede alinea, van richtlijn 2014/26, namelijk dat zij het evenwicht waarborgt tussen het belang van de rechthebbenden en het belang van de gebruikers van deze fonogrammen. Indien het niet mogelijk is om deze vergoeding vast te stellen op basis van die nationale regeling, kunnen de bepalingen van deze richtlijnen niet worden ingeroepen om die regeling buiten toepassing te laten, tenzij het nationale recht anders bepaalt.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 10‑07‑2025