Einde inhoudsopgave
De procesovereenkomst (BPP nr. XIII) 2012/1.1
1.1 Aanleiding voor het onderzoek
M.W. Knigge, datum 24-10-2012
- Datum
24-10-2012
- Auteur
M.W. Knigge
- JCDI
JCDI:ADS389538:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie Asser, Groen & Vranken 2003, p. 21; Van der Wiel 2004, p. 1.
Zie hierover ook Dommering 1983, p. 189-191.
Zo ook Van der Wiel 2004, p. 2, 351.
Asser, Groen & Vranken 2003, p. 77 e.v.
Zie bijv. Eshuis 2007, o.a. p. 51, 123, 181, 200-202, 277-278, 287, 288; oudere literatuur betreft Leijten 2000, p. 32-34; Hammerstein 1996, p. 65-66; De Lange-Tegelaar 1995, p. 1503; Barendrecht 1995, p. 74; Mollema 1995, p. 1203; Rapport Gemengde Commissie 1995, m.n. p. 1, 4, 9,11,14,18.
Snijders 1987, p. 1493-1496; Duk 2003, p. 65; Parl. Gesch. Burg. Procesrecht, Van Mierlo/Bart, p. 643.
Zie bijv. Asser, Groen & Vranken 2003, p. 149; Snijders 1987, p. 1489-1490.
Zie bijv. Snijders 1987, p. 1493-1496; Duk 2003, p. 65.
Asser 1999, p. 24 e.v.
Parl. Gesch. Burg. Procesrecht, Van Mierlo/Bart, p. 367-368; zie Asser 1999, p. 24 e.v.
Parl. Gesch. Burg. Procesrecht, Van Mierlo/Bart, p. 643.
Zie over het belang van een onderzoek naar procesovereenkomsten ook Flach 1995, p. 2643.
Over het burgerlijk proces wordt veel geklaagd: procedures zouden te lang duren, kosten zouden te hoog zijn en het proces te formalistisch.1 Deze klachten lijken van alle tijden.2 Er wordt dan ook voortdurend gezocht naar mogelijke verbeteringen. De oplossing wordt de laatste jaren met name gezocht in een beperking van de partij-autonomie en een verschuiving van bevoegdheden naar de rechter.3 Zo hebben de onderzoekers van de Commissie fundamentele herbezinning Nederlands burgerlijk procesrecht ervoor gepleit de partijautonomie als grondslag voor het proces los te laten en in plaats daarvan als uitgangspunt de gezamenlijke verantwoordelijkheid van rechter en partijen te nemen. De partijautonomie zou namelijk als gevolg hebben dat het proces wordt opgevat als strijdtoneel, hetgeen zou leiden tot tactisch gedrag vanuit het eigen belang en verwaarlozing van het processuele belang van de wederpartij.4
Zelfs indien partijen hun autonomie gebruiken om samen te werken, wordt het resultaat niet altijd als wenselijk ervaren. Zo wordt vaak beweerd dat partijen te gemakkelijk akkoord gaan met verzoeken tot uitstel van de wederpartij. Dit zou een belangrijke oorzaak zijn waarom procedures zo lang duren.5
Wordt de autonomie van partijen dus meestal ervaren als een probleem, door sommigen wordt hierin ook een mogelijke oplossing gezien. Partijen zouden namelijk, door procesafspraken te maken, kunnen zorgen voor een procedure op maat.6 De gedachte is dat verschillende typen zaken verschillende procedures vereisen. Differentiatie van procedures door de wetgever heeft echter als nadeel dat het procederen gecompliceerder wordt. Immers, hoe meer onderscheidingen het procesrecht kent, des te meer debat er ontstaat over procedurele kwesties.7 De oplossing hiervoor zou zijn om partijen zelf de procedure vast te laten stellen. Zo kan de procedure worden afgestemd op de behoeften in een specifieke zaak.8 Door Asser is bovendien opgemerkt dat een voordeel van procesovereenkomsten boven wetgeving is dat partijen zich wellicht eerder houden aan afspraken die zij zelfgemaakt hebben. Het proces zou hierdoor voorspelbaarder worden.9
De autonomie van partijen hoeft dus niet steeds een probleem te zijn, maar kan wellicht juist bijdragen aan een snel en efficiënt verloop van de procedure. Door de wetgever is daarom, in aansluiting op een pleidooi van Asser om meer gebruik te maken van bindende procesafspraken, in artikel 191 Rv een regeling opgenomen om het maken van dergelijke afspraken tussen partijen te faciliteren.10 In het eerste lid van dit artikel is bepaald dat de rechter na afloop van een voorlopig getuigenverhoor een comparitie kan bevelen. Daarbij kan, blijkens het tweede lid, ook de verdere wijze van behandeling van geschillen worden besproken. Afspraken dienaangaande worden, wanneer een partij dat verlangt, in een proces-verbaal vastgelegd. Volgens toenmalig minister Korthals wordt hiermee een aanzet gegeven tot een meer algemene erkenning van procesafspraken.11
Hoewel de wetgever dus wil stimuleren dat partijen bindende afspraken maken, bestaat over dergelijke overeenkomsten nog veel onduidelijkheid. In welke gevallen is een dergelijke afspraak bijvoorbeeld mogelijk? Kunnen partijen ook afwijken van het procesrecht indien dit niet uitdrukkelijk in de wet is aangegeven? Welke gevolgen hebben dergelijke afspraken? Indien een partij de overeenkomst schendt, kan de wederpartij dan schadevergoeding vorderen wegens wanprestatie? Welk recht is van toepassing op deze overeenkomsten?
Gezien de nuttige rol die procesovereenkomsten (wellicht) zouden kunnen spelen in civiele procedures, is meer duidelijkheid over dergelijke vragen gewenst. Om deze reden worden procesovereenkomsten aan een onderzoek onderworpen.12