Einde inhoudsopgave
Bestuurdersaansprakelijkheid uit onrechtmatige daad (R&P nr. InsR11) 2019/6.8.1
6.8.1 Algemeen
mr. A. Karapetian, datum 01-01-2019
- Datum
01-01-2019
- Auteur
mr. A. Karapetian
- JCDI
JCDI:ADS346121:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Materieel strafrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Een kredietbeoordeling kan worden uitgevoerd door een bank, een rating agency (al dan niet in opdracht van de schuldeiser-vennootschap) en de schuldeiser-vennootschap. De beoordeling kan betrekking hebben op de algehele vermogenspositie van de onderneming, maar het is ook mogelijk dat de kredietwaardigheid van de onderneming wordt beoordeeld met het oog op een specifieke transactie.
Zie paragraaf 2.3.1 in hoofdstuk 2. Uit de analyse in die paragraaf blijkt dat het adjectief ‘persoonlijk’ duidt op subjectieve schuld, hoewel in het kader van de Beklamel-norm voor de vaststelling van aansprakelijkheid in de rechtspraak in elk geval voor de vaststelling van de normschending een objectief vergelijkingstype wordt gebruikt met inachtneming van de aard van de functie van bestuurder. Anders: Strik 2010, p. 40-47 die hieruit afleidt dat in deze situaties in feite wordt toegerekend op grond van de verkeersopvattingen.
Op deze wijze wordt schuld als verwijt in het algemeen gedefinieerd. Zie Asser/Hartkamp en Sieburgh 6-IV 2015, nr. 106.
Zie pragraaf 2.8.3.3. Men kan zich afvragen of bij de hier genoemde gevallen sprake is van feitelijke dwaling in eigenlijke zin. Ten tijde van de beslaglegging en de executie van het vonnis wordt er immers niet gedwaald over enig feit. Niettemin worden deze gevallen in de literatuur geschaard onder feitelijke dwaling, die behalve ten aanzien van een feitelijke omstandigheid ook betrekking kan hebben op een bevoegdheid (al dan niet voortvloeiend uit een subjectief recht) tot handelen. Zie Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-IV 2015/110; Van Rossum 1990, die evenwel het onderwerp bij de figuur van de rechtsdwaling behandelt), p. 21 e.v.; Heemskerk 1988, p. 80 e.v.; Drion 1972, p. 55-58.
Bestuurders zullen zich in hun besluitvorming niet zelden verlaten op door derden verstrekte informatie. Vooral bij grote ondernemingen met complexe producten (en productiemechanismen) en/of dienstverlening zal het vaak voorkomen dat een bestuurder alvorens hij een beslissing neemt informatie inwint bij een derde. Dat kan een ondergeschikte zijn, maar het is ook mogelijk dat de informatie extern wordt betrokken. Bij beslissingen inzake het in het kader van de normale bedrijfsvoering sluiten van overeenkomsten kan het derhalve voorkomen dat een bestuurder afgaat op door ondergeschikten verstrekte financiële informatie over de onderneming of dat hij zich laat leiden door een kredietbeoordeling door een (externe) financieel deskundige.1 De inlichtingen zijn vanzelfsprekend niet beperkt tot financiële zaken, maar kunnen ook betrekking hebben op informatie over andere aspecten van de te sluiten overeenkomst. Gedacht kan worden aan informatie over de aard en de eigenschappen van de aangeboden producten en/of diensten. In het hiernavolgende ligt het zwaartepunt bij door de bestuurder ontvangen financiële informatie over de onderneming, maar het gestelde is – tenzij anders aangegeven – mutatis mutandis van toepassing op andersoortige informatie. Uiteindelijk draait het om de vraag of de bestuurder een verwijt kan worden gemaakt van zijn gebrekkige wetenschap.
Voor aansprakelijkheid van de bestuurder van een rechtspersoon is schuld in de vorm van (een persoonlijk) verwijt vereist.2 Toerekening van de gedraging op grond van de verkeersopvattingen (art. 6:163 lid 3 BW) is derhalve niet aan de orde. Verschoonbare dwaling heeft tot gevolg dat de handelende geen verwijt kan worden gemaakt omdat het oordeel luidt dat hij niet anders had kunnen en moeten handelen.3 Het ontbreken van een rechtens relevant verwijt laat onverlet dat de vermogensrechtelijke gevolgen van dwaling op grond van art. 6:162 lid 3 BW voor risico van de dwalende kunnen zijn. Deze redenering wordt in de literatuur onder meer gevolgd bij de situatie waarin beslag is gelegd waarvan achteraf blijkt dat dit ten onrechte is geschied en bij het executeren van een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis dat later wordt vernietigd.4 In hoofdstuk 2 werd uiteengezet dat in de literatuur reeds in het midden van de twintigste eeuw werd onderkend dat een risico-aansprakelijkheid bij dwaling niet opgaat voor de bestuurder van een rechtspersoon aangezien zijn aansprakelijkheid uitsluitend op een (persoonlijk) verwijt kan berusten. Verschoonbare dwaling, waarbij het verwijt ontbreekt, kan derhalve consequenties hebben voor de positie van de bestuurder die wordt aangesproken uit onrechtmatige daad.