RvdW 2025/299:Aanwezig hebben van MDMA in woning van verdachte, art. 2 onder C Opiumwet. Vrijspraak in eerste aanleg. Bewijsklachten, alternatieve scenario’s dat niet verdachte maar ander de in zijn woning aangetroffen drugs aanwezig heeft gehad. HR: Om redenen vermeld in CAG leiden klachten van middel niet tot cassatie. CAG: M.b.t. eerste scenario (in woning aanwezige vriendin van verdachte en haar zoon hebben drugs daar verstopt) geldt dat hof dit als niet aannemelijk heeft beoordeeld gelet op verklaringen van verdachte in eerste aanleg dat zijn vriendin en haar zoon niets met drugs te maken hadden en inhoudelijk gelijkluidende verklaringen van zijn vriendin en haar zoon. ’s Hofs oordeel is niet onbegrijpelijk. Dat verdachte (althans zijn advocaat) in hoger beroep enigszins is teruggekomen op verklaring in e.a., maakt dit niet anders, verweven als dit oordeel is met waarderingen van feitelijke aard. M.b.t. scenario dat een derde de drugs heeft verstopt, kan worden vastgesteld dat klacht berust op verkeerde lezing van arrest. Hof heeft niet ontkend dat verdachte eerder over alarmmelding heeft verteld, maar acht van betekenis dat verdachte pas in h.b. het meldingenrapport heeft overgelegd. Dit laatste wordt in cassatie niet betwist. Verder is kern van verwerping van verweer door hof dat het zonder enig nader aanknopingspunt hoogst onwaarschijnlijk is dat onbekend gebleven derde, die niet op legitieme wijze toegang heeft tot woning van verdachte, daar drugs zou verstoppen (en aldus zelf de beschikkingsmacht hierover zou verliezen). Klachten kunnen dan ook niet tot oordeel leiden dat verwerping van alternatief scenario door hof onbegrijpelijk is. Volgt verwerping. Samenhang met RvdW 2025/300 en RvdW 2025/301.