NJB 2024/2683:Horen, verhoren of ondervragen van personen door middel van videoconferentie, waarbij een directe beeld- en geluidsverbinding tot stand komt, art. 131a Sv: de beslissing of gebruik wordt gemaakt van videoconferentie, wordt voor zover het de behandeling van de zaak op de terechtzitting betreft genomen door de rechter die de zaak behandelt of, bij de behandeling door een meervoudige kamer, door de voorzitter. Daartegen staat geen rechtsmiddel open (zie art. 131a lid 3 Sv). Verdedigingsverzoek om de verdachte via videoconferentie te laten deelnemen aan het onderzoek op de terechtzitting: de afwijzing van dit verzoek door de voorzitter is genomen in het kader van de orde op de terechtzitting. Nog daargelaten dat art. 131a lid 3 Sv geen rechtsmiddel openstelt tegen de beslissing of gebruik wordt gemaakt van videoconferentie, betreft zo’n beslissing van de voorzitter in het kader van de orde op de terechtzitting een handeling waartegen geen hoger beroep of cassatieberoep openstaat.