Procestaal: Roemeens.
HvJ EU, 04-09-2025, nr. C-305/22
ECLI:EU:C:2025:665
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
04-09-2025
- Magistraten
K. Lenaerts, T. von Danwitz, F. Biltgen, K. Jürimäe, C. Lycourgos, M.L. Arastey Sahún, S. Rodin, A. Kumin, N. Jääskinen, D. Gratsias, M. Gavalec, E. Regan, I. Ziemele, Z. Csehi, O. Spineanu-Matei
- Zaaknummer
C-305/22
- Conclusie
J. Richard de la tour
- Roepnaam
C.J. (Exécution d’une condamnation à la suite d’un MAE)
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2025:665, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 04‑09‑2025
ECLI:EU:C:2024:1030, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie, 12‑12‑2024
ECLI:EU:C:2024:508, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie, 13‑06‑2024
Uitspraak 04‑09‑2025
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Ruimte van vrijheid, veiligheid en recht — Justitiële samenwerking in strafzaken — Kaderbesluit 2002/584/JBZ — Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf — Artikel 4, punt 6 — Grond tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel — Voorwaarden voor de overname van de tenuitvoerlegging van die straf door de tenuitvoerleggingsstaat — Artikel 3, punt 2 — Begrip ‘onherroepelijk berecht voor dezelfde feiten’ — Kaderbesluit 2008/909/JBZ — Wederzijdse erkenning van strafvonnissen met het oog op de tenuitvoerlegging ervan in een andere lidstaat — Artikel 25 — Inachtneming van de voorwaarden en de procedure van dit kaderbesluit in het geval dat een lidstaat zich ertoe verbonden heeft om een sanctie ten uitvoer te leggen die is opgelegd bij een vonnis van een rechterlijke instantie van de beslissingsstaat — Vereiste dat de beslissingsstaat toestemming verleent voor de overname door een andere lidstaat van de tenuitvoerlegging van een dergelijke sanctie — Artikel 4 — Mogelijkheid voor de beslissingsstaat om het vonnis en certificaat als bedoeld in dit artikel aan de tenuitvoerleggingsstaat toe te zenden — Gevolgen van het ontbreken van een dergelijke toezending — Beginsel van loyale samenwerking — Artikel 22 — Recht van de beslissingsstaat om die sanctie ten uitvoer te leggen — Handhaving van een Europees aanhoudingsbevel — Verplichting van de uitvoerende rechterlijke autoriteit om het Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen
K. Lenaerts, T. von Danwitz, F. Biltgen, K. Jürimäe, C. Lycourgos, M.L. Arastey Sahún, S. Rodin, A. Kumin, N. Jääskinen, D. Gratsias, M. Gavalec, E. Regan, I. Ziemele, Z. Csehi, O. Spineanu-Matei
Partij(en)
In zaak C-305/22,*
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Curte de Apel București (rechter in tweede aanleg Boekarest, Roemenië) bij beslissing van 11 april 2022, ingekomen bij het Hof op 6 mei 2022, in de procedure met betrekking tot de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel tegen
C.J.,
wijst
HET HOF (Grote kamer),
samengesteld als volgt: K. Lenaerts, president, T. von Danwitz, vicepresident, F. Biltgen, K. Jürimäe, C. Lycourgos, M. L. Arastey Sahún, S. Rodin, A. Kumin, N. Jääskinen (rapporteur), D. Gratsias en M. Gavalec, kamerpresidenten, E. Regan, I. Ziemele, Z. Csehi en O. Spineanu-Matei, rechters,
advocaat-generaal: J. Richard de la Tour,
griffier: R. Şereş, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 13 maart 2024,
gelet op de opmerkingen van:
- —
C.J., die zelf in rechte optreedt,
- —
de Roemeense regering, vertegenwoordigd door M. Chicu en E. Gane als gemachtigden,
- —
de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door L. Halajová, M. Smolek, T. Suchá en J. Vláčil als gemachtigden,
- —
de Franse regering, vertegenwoordigd door B. Dourthe als gemachtigde,
- —
de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door M. K. Bulterman, M. H. S. Gijzen en C. S. Schillemans als gemachtigden,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door H. Leupold en L. Nicolae als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 13 juni 2024,
gezien de beschikking van 13 september 2024 tot heropening van de mondelinge behandeling en na de terechtzitting op 14 oktober 2024,
gelet op de opmerkingen van:
- —
de Roemeense regering, vertegenwoordigd door M. Chicu, E. Gane en L. Liţu als gemachtigden,
- —
de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door L. Halajová, M. Smolek, T. Suchá en J. Vláčil als gemachtigden,
- —
de Franse regering, vertegenwoordigd door B. Dourthe als gemachtigde,
- —
de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door C. S. Schillemans als gemachtigde,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door H. Leupold, L. Nicolae en J. Vondung als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 12 december 2024,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 4, punten 5 en 6, en artikel 8, lid 1, onder c), van kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten (PB 2002, L 190, blz. 1), en van artikel 4, lid 2, artikel 22, lid 1, en artikel 25 van kaderbesluit 2008/909/JBZ van de Raad van 27 november 2008 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op strafvonnissen waarbij vrijheidsstraffen of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregelen zijn opgelegd, met het oog op de tenuitvoerlegging ervan in de Europese Unie (PB 2008, L 327, blz. 27).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een procedure betreffende de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel dat door de Curte de Apel București — Biroul executări penale (rechter in tweede aanleg Boekarest — bureau voor tenuitvoerlegging van straffen, Roemenië) is uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van een aan C. J. opgelegde vrijheidsstraf.
Toepasselijke bepalingen
Internationaal recht
3
Artikel 3 (‘Voorwaarden voor overbrenging’) van het op 21 maart 1983 te Straatsburg ondertekende Europese Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen, bepaalt in lid 1:
‘Een gevonniste persoon kan overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag, slechts onder de navolgende voorwaarden worden overgebracht:
[…]
- f)
indien de Staat van veroordeling en de Staat van tenuitvoerlegging het eens zijn over de overbrenging.’
Unierecht
Kaderbesluit 2002/584
4
Overweging 6 van kaderbesluit 2002/584 luidt:
‘Het Europees aanhoudingsbevel waarin dit kaderbesluit voorziet, vormt de eerste tastbare toepassing op strafrechtelijk gebied van het beginsel van wederzijdse erkenning, welk beginsel de Europese Raad als hoeksteen van de gerechtelijke samenwerking beschouwt.’
5
Artikel 1 (‘Verplichting tot tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel’) van dit kaderbesluit bepaalt:
- ‘1.
Het Europees aanhoudingsbevel is een rechterlijke beslissing die door een lidstaat wordt uitgevaardigd met het oog op de aanhouding en de overlevering door een andere lidstaat van een persoon die gezocht wordt met het oog op strafvervolging of uitvoering van een tot vrijheidsbeneming strekkende straf of maatregel.
- 2.
De lidstaten verbinden zich ertoe om, op grond van het beginsel van wederzijdse erkenning en overeenkomstig de bepalingen van dit kaderbesluit, elk Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen.
[…]’
6
Artikel 3 (‘Gronden tot verplichte weigering van de tenuitvoerlegging’) van dit kaderbesluit luidt als volgt:
‘De rechterlijke autoriteit van de uitvoerende lidstaat, hierna ‘de uitvoerende rechterlijke autoriteit’ genoemd, weigert de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel in de volgende gevallen:
[…]
- 2.
uit de gegevens waarover de uitvoerende rechterlijke autoriteit beschikt, blijkt dat de gezochte persoon onherroepelijk door een lidstaat is berecht voor dezelfde feiten, op voorwaarde dat, in geval van veroordeling, de sanctie is ondergaan of op dat tijdstip wordt ondergaan dan wel niet meer kan worden uitgevoerd volgens het recht van de veroordelende lidstaat;
[…]’
7
Artikel 4 (‘Gronden tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging’) van dit kaderbesluit is geformuleerd als volgt:
‘De uitvoerende rechterlijke autoriteit kan de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel weigeren in de volgende gevallen:
[…]
- 5.
uit de gegevens waarover de uitvoerende rechterlijke autoriteit beschikt, blijkt dat de gezochte persoon door een derde land onherroepelijk is berecht voor dezelfde feiten, op voorwaarde dat, in geval van veroordeling, de sanctie is ondergaan of op dat tijdstip wordt ondergaan dan wel niet meer ten uitvoer kan worden gelegd volgens het recht van de staat van veroordeling;
- 6.
het Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel, terwijl de gezochte persoon verblijft in of onderdaan of ingezetene is van de uitvoerende lidstaat en deze staat zich ertoe verbindt die straf of maatregel overeenkomstig zijn nationale recht zelf ten uitvoer te leggen;
[…]’
8
Artikel 5 (‘Garanties van de uitvaardigende lidstaat in bijzondere gevallen’) van kaderbesluit 2002/584 bepaalt:
‘De tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel door de uitvoerende rechterlijke autoriteit kan door het recht van de uitvoerende lidstaat afhankelijk worden gesteld van een van de volgende voorwaarden:
[…]
- 3.
indien de persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel ter fine van een strafvervolging is uitgevaardigd, onderdaan of ingezetene van de uitvoerende lidstaat is, kan overlevering afhankelijk worden gesteld van de garantie dat de persoon, na te zijn berecht, wordt teruggezonden naar de uitvoerende lidstaat om daar de vrijheidsstraf of de tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel te ondergaan die hem eventueel wordt opgelegd in de uitvaardigende lidstaat.’
9
In artikel 8 (‘Inhoud en vorm van het Europees aanhoudingsbevel’) van dat kaderbesluit is het volgende bepaald:
- ‘1.
In het Europees aanhoudingsbevel worden overeenkomstig het als bijlage bij dit kaderbesluit gevoegde model de navolgende gegevens vermeld:
[…]
- c)
de vermelding dat een voor tenuitvoerlegging vatbaar vonnis, een aanhoudingsbevel of een andere voor tenuitvoerlegging vatbare gelijkwaardige rechterlijke beslissing bestaat, zoals bedoeld in de artikelen 1 en 2;
[…]’
10
Artikel 12 (‘Voortgezette hechtenis van de persoon’) van dat kaderbesluit luidt als volgt:
‘Wanneer een persoon wordt aangehouden op grond van een Europees aanhoudingsbevel, beslist de uitvoerende rechterlijke autoriteit of betrokkene in hechtenis blijft overeenkomstig het recht van de uitvoerende lidstaat. […]’
11
Artikel 26 (‘Verrekening van de periode van vrijheidsbeneming in de uitvoerende staat’) van dat kaderbesluit bepaalt in lid 1:
‘De uitvaardigende lidstaat brengt elke periode van vrijheidsbeneming ten gevolge van de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel in mindering op de totale duur van de vrijheidsbeneming die in de uitvaardigende lidstaat moet worden ondergaan in geval van veroordeling tot een tot vrijheidsstraf of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel.’
Kaderbesluit 2008/909
12
De overwegingen 2, 8 en 12 van kaderbesluit 2008/909 luiden als volgt:
- ‘(2)
Op 29 november 2000 heeft de Raad, overeenkomstig de conclusies van Tampere, zijn goedkeuring gehecht aan een programma van maatregelen om uitvoering te geven aan het beginsel van wederzijdse erkenning van strafrechtelijke beslissingen; hij heeft daarin opgeroepen tot een evaluatie van de behoefte aan modernere mechanismen voor wederzijdse erkenning van onherroepelijke veroordelingen tot een vrijheidsstraf […], en tevens voor uitbreiding van overbrenging van gevonniste personen tot personen die hun verblijfplaats hebben in een lidstaat […] bepleit.
[…]
- (8)
In de gevallen bedoeld in artikel 4, lid 1, onder c), dient vóór de toezending van het vonnis en het certificaat aan de tenuitvoerleggingsstaat overleg plaats te vinden tussen de bevoegde autoriteiten van de beslissingsstaat en van de tenuitvoerleggingsstaat, en dient de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat toestemming voor de toezending te verlenen. […]
[…]
- (12)
Dit kaderbesluit dient overeenkomstig te worden toegepast op de tenuitvoerlegging van sancties in de gevallen, bedoeld in artikel 4, [punt] 6, en artikel 5, [punt] 3, van kaderbesluit [2002/584]. Dit betekent onder meer dat, onverminderd dat kaderbesluit, de lidstaat kan nagaan of er gronden tot weigering van de erkenning en tenuitvoerlegging in de zin van artikel 9 van dit kaderbesluit voorhanden zijn, en meer bepaald dat hij, indien door hem een verklaring in de zin van artikel 7, lid 4, van dit kaderbesluit is afgelegd, in de gevallen bedoeld in artikel 4, [punt] 6, van kaderbesluit [2002/584], alvorens het vonnis te erkennen en ten uitvoer te leggen kan onderzoeken of er sprake is van dubbele strafbaarheid, zodat overlevering van de betrokkene of tenuitvoerlegging van de sanctie kan worden overwogen.’
13
Artikel 3 (‘Doel en werking’) van dat kaderbesluit bepaalt in lid 1:
‘Met dit kaderbesluit wordt beoogd de regels vast te stellen volgens welke een lidstaat, ter bevordering van de reclassering van de gevonniste persoon, een vonnis erkent en de sanctie ten uitvoer legt.’
14
Artikel 4 (‘Criteria voor toezending van het vonnis en een certificaat aan een andere lidstaat’) van dat kaderbesluit is geformuleerd als volgt:
- ‘1.
Mits de gevonniste persoon zich in de beslissingsstaat of in de tenuitvoerleggingsstaat bevindt en hij zijn toestemming heeft verleend voor zover deze krachtens artikel 6 is vereist, kan het vonnis, vergezeld van het certificaat waarvan het model in bijlage I is opgenomen, aan een van de volgende lidstaten worden toegezonden:
- a)
de lidstaat waarvan de gevonniste persoon onderdaan is en waar hij zijn woonplaats heeft, of
- b)
de lidstaat waarvan de gevonniste persoon onderdaan is, maar waar hij niet zijn woonplaats heeft, en waarheen hij, na zijn invrijheidstelling, zal worden uitgewezen […], of
- c)
een andere dan de onder a) of b) bedoelde lidstaten, waarvan de bevoegde autoriteit erin toestemt dat hem het vonnis en het certificaat worden toegezonden.
- 2.
Het vonnis en het certificaat kunnen worden toegezonden wanneer de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat, eventueel na overleg tussen de bevoegde autoriteiten van de beslissingsstaat en van de tenuitvoerleggingsstaat, zich ervan vergewist heeft dat de tenuitvoerlegging van de sanctie door de tenuitvoerleggingsstaat de reclassering van de gevonniste persoon ten goede zal komen.
- 3.
De bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat kan vóór de toezending van het vonnis en het certificaat via passende kanalen overleg plegen met de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat. In de in lid 1, onder c), bedoelde gevallen is overleg verplicht. In die gevallen brengt de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat de beslissingsstaat terstond op de hoogte van haar besluit om al dan niet toe te stemmen in de toezending van het vonnis.
[…]
- 5.
De tenuitvoerleggingsstaat kan uit eigen beweging de beslissingsstaat verzoeken om toezending van het vonnis, vergezeld van een certificaat. […] Een verzoek op grond van dit lid, schept voor de beslissingsstaat geen verplichting om het vonnis, vergezeld van het certificaat, toe te zenden.
- 6.
Ter uitvoering van dit kaderbesluit stellen de lidstaten maatregelen vast die in het bijzonder recht doen aan de beoogde bijdrage tot de reclassering van de gevonniste persoon, en op grond waarvan hun bevoegde autoriteiten besluiten al dan niet in te stemmen met de toezending van het vonnis en het certificaat in de in lid 1, onder c), bedoelde gevallen.
[…]’
15
Artikel 8 (‘Erkenning van het vonnis en tenuitvoerlegging van de sanctie’) van dat kaderbesluit luidt als volgt:
- ‘1.
De bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat erkent een overeenkomstig artikel 4 en volgens de procedure van artikel 5 toegezonden vonnis en neemt onverwijld de maatregelen voor de tenuitvoerlegging van de sanctie, tenzij zij zich beroept op een van de in artikel 9 genoemde gronden tot weigering van de erkenning en de tenuitvoerlegging.
- 2.
Indien de duur van de sanctie onverenigbaar is met het recht van de tenuitvoerleggingsstaat, kan de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat alleen besluiten de sanctie aan te passen voor zover deze zwaarder is dan de maximumsanctie welke naar het recht van die staat op vergelijkbare strafbare feiten is gesteld. De aangepaste sanctie mag niet lager zijn dan de maximumsanctie die krachtens het recht van de tenuitvoerleggingsstaat voor vergelijkbare strafbare feiten geldt.
- 3.
Indien de aard van de sanctie onverenigbaar is met het recht van de tenuitvoerleggingsstaat, kan de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat de sanctie aanpassen aan de sanctie of maatregel die door het nationale recht voor vergelijkbare strafbare feiten is voorgeschreven. Deze sanctie of maatregel stemt zoveel mogelijk overeen met de in de beslissingsstaat opgelegde sanctie en derhalve wordt de sanctie niet gewijzigd in een geldboete.
- 4.
De aangepaste sanctie houdt, naar aard of duur, geen verzwaring van de in de beslissingsstaat opgelegde sanctie in.’
16
In artikel 13 (‘Intrekking van het certificaat’)van kaderbesluit 2008/909 is het volgende bepaald:
‘De beslissingsstaat kan, zolang geen aanvang is gemaakt met de tenuitvoerlegging van de sanctie in de tenuitvoerleggingsstaat, onder opgave van redenen het certificaat intrekken. Zodra het certificaat is ingetrokken, wordt de tenuitvoerlegging van de sanctie in de tenuitvoerleggingsstaat gestaakt.’
17
Artikel 22 (‘Gevolgen van de overbrenging van de gevonniste persoon’) van dit kaderbesluit bepaalt in lid 1:
‘Behoudens lid 2 gaat de beslissingsstaat niet tot de verdere tenuitvoerlegging van de sanctie over, zodra de tenuitvoerlegging in de tenuitvoerleggingsstaat is ingegaan.’
18
Artikel 23 (‘Talen’) van dit kaderbesluit bepaalt in lid 1 het volgende:
‘Het certificaat wordt vertaald in de officiële taal of een der officiële talen van de tenuitvoerleggingsstaat. Elke lidstaat kan, bij de aanneming van dit kaderbesluit of later, in een bij het secretariaat-generaal van de Raad neer te leggen verklaring meedelen dat hij een vertaling in één of meer andere officiële talen van de instellingen van de Europese Unie aanvaardt.’
19
Artikel 25 (‘Tenuitvoerlegging van vonnissen volgend op een Europees aanhoudingsbevel’) van dit besluit luidt:
‘Onverminderd kaderbesluit [2002/584] zijn de bepalingen van het onderhavige kaderbesluit, voor zover verenigbaar met kaderbesluit [2002/584], van overeenkomstige toepassing op de tenuitvoerlegging van vonnissen in het geval dat een lidstaat zich op grond van artikel 4, [punt] 6, van kaderbesluit [2002/584] ertoe verbonden heeft een vonnis ten uitvoer te leggen, dan wel op grond van artikel 5, [punt] 3, van genoemd kaderbesluit als voorwaarde heeft gesteld dat de betrokkene naar de uitvoerende lidstaat zal worden teruggezonden om er de sanctie te ondergaan, zulks teneinde straffeloosheid te voorkomen.’
20
Artikel 26 (‘Verhouding tot andere overeenkomsten en regelingen’) van kaderbesluit 2008/909 bepaalt in lid 1 het volgende:
‘Onverminderd de toepassing ervan tussen de lidstaten en derde landen en de voorlopige toepassing ervan overeenkomstig artikel 28, vervangt dit kaderbesluit met ingang van 5 december 2011 de overeenkomstige bepalingen van de volgende verdragen die in de betrekkingen tussen de lidstaten van toepassing zijn:
- —
het Verdrag […] inzake de overbrenging van gevonniste personen [(Serie Europese Verdragen, nr. 112), ondertekend te Straatsburg op 21 maart 1983] en het aanvullend protocol van 18 december 1997;
- —
het Europees Verdrag inzake de internationale geldigheid van strafvonnissen [(Serie Europese Verdragen, nr. 70), ondertekend te Den Haag op 28 mei 1970];
- —
titel III, hoofdstuk 5, van de Overeenkomst […] ter uitvoering van het [tussen de regeringen van de staten van de Benelux Economische Unie, de Bondsrepubliek Duitsland en de Franse Republiek] te Schengen gesloten akkoord betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen[, ondertekend te Schengen op 19 juni 1990 (PB 2000, L 239, blz. 19)],
- —
het Verdrag tussen de lidstaten van de Europese Gemeenschappen van 13 november 1991 inzake de tenuitvoerlegging van buitenlandse strafvonnissen.’
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
21
Op 25 november 2020 heeft de Curte de Apel București, de verwijzende rechter, een Europees aanhoudingsbevel uitgevaardigd tegen C.J. met het oog op de tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf die hem is opgelegd bij arrest van zijn tweede strafkamer van 27 juni 2017. Dat arrest is onherroepelijk geworden na de uitspraak van een arrest van de strafkamer van de Înaltă Curte de Casație și Justiție (hoogste rechterlijke instantie, Roemenië) van 10 november 2020 (hierna: ‘strafrechtelijke veroordeling’).
22
Op 29 december 2020 is C.J. aangehouden in Italië.
23
Op 31 december 2020 heeft het Ministero della Giustizia (ministerie van Justitie, Italië) de verwijzende rechter in kennis gesteld van deze aanhouding. Op verzoek van dit ministerie werd het tegen C.J. uitgevaardigde Europees aanhoudingsbevel toegezonden aan de Corte d'appello di Roma (rechter in tweede aanleg Rome, Italië), de uitvoerende rechterlijke autoriteit.
24
Op 14 januari 2021 heeft de uitvaardigende rechterlijke autoriteit de Italiaanse autoriteiten de strafrechtelijke veroordeling op hun verzoek toegezonden. De verwijzende rechter heeft daarbij meegedeeld het niet eens te zijn met de erkenning van die veroordeling en de overname van de tenuitvoerlegging van de aan C.J. opgelegde sanctie door Italië.
25
Naar aanleiding van een vraag om verduidelijking van de Italiaanse rechterlijke autoriteiten heeft de Curte de Apel București op 20 januari 2021 meegedeeld dat zij, in geval van een weigering van de tenuitvoerlegging van het tegen C.J. uitgevaardigde Europees aanhoudingsbevel in de zin van artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584, geen toestemming zou verlenen voor de incidentele erkenning van die veroordeling en de overname door de Italiaanse Republiek van de tenuitvoerlegging van de aan C.J. opgelegde straf, en later zou verlangen dat er op grond van kaderbesluit 2008/909 om die erkenning en overname wordt verzocht.
26
Bij beslissing van 6 mei 2021 heeft de Corte d'appello di Roma de overlevering van C.J. geweigerd, de strafrechtelijke veroordeling erkend en de tenuitvoerlegging ervan in Italië gelast (hierna: ‘beslissing tot erkenning en tenuitvoerlegging’). Deze rechter was van oordeel dat die veroordeling in Italië ten uitvoer moest worden gelegd om de kansen op reclassering van C.J., die legaal en daadwerkelijk in Italië woonde, te verhogen.
27
De totale nog uit te zitten straf bedroeg volgens die rechter, na aftrek van de reeds door C.J. ondergane perioden van vrijheidsbeneming van 17 september tot en met 16 december 2019 en van 29 december 2020 tot en met de datum van uitspraak van de beslissing tot erkenning en tenuitvoerlegging, 3 jaar, 6 maanden en 21 dagen.
28
Op 20 mei 2021 werd de beslissing tot erkenning en tenuitvoerlegging aan de verwijzende rechter toegezonden.
29
Vervolgens heeft het bureau voor tenuitvoerlegging van straffen van het parket van Rome aan de Roemeense autoriteiten een certificaat van 11 juni 2021 toegezonden, waaruit blijkt dat op 20 mei 2021 een bevel tot tenuitvoerlegging tegen C.J. werd uitgevaardigd in de vorm van ‘huisarrest, met gelijktijdige opschorting’, en dat de door hem nog uit te zitten straf drie jaar en elf maanden gevangenisstraf is, waarbij het begin van de uitvoering van deze straf is vastgesteld op 29 december 2020 en het einde ervan op 28 november 2024.
30
Bij een aan het ministerie van Justitie en de Corte d'appello di Roma gerichte brief van 28 juni 2021 hebben de Roemeens rechterlijke autoriteiten hun in punt 24 van dit arrest uiteengezette standpunt herhaald en meegedeeld dat, zolang er geen mededeling van het begin van de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf van C.J. is gedaan, zij het recht behouden om de strafrechtelijke veroordeling ten uitvoer te leggen. Zij hebben tevens opgemerkt dat het nationale bevel tot tenuitvoerlegging van de aan C.J. opgelegde gevangenisstraf en het tegen hem uitgevaardigde Europees aanhoudingsbevel niet waren ingetrokken en nog steeds van kracht waren.
31
Op 15 oktober 2021 heeft het bureau voor tenuitvoerlegging van straffen van de tweede strafkamer van de Curte de Apel București bij de verwijzende rechter verzet aangetekend tegen de tenuitvoerlegging met het oog op de strafrechtelijke veroordeling.
32
Om op dit verzet te beslissen moet deze rechter uitspraak doen over de geldigheid van het nationale bevel tot tenuitvoerlegging van de aan C.J. opgelegde gevangenisstraf en het tegen hem uitgevaardigde Europees aanhoudingsbevel.
33
In die omstandigheden heeft de Curte de Apel București de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
- ‘1)
Moet artikel 25 van kaderbesluit [2008/909] aldus worden uitgelegd dat, wanneer de rechter die een Europees aanhoudingsbevel uitvoert, artikel 4, punt 6, van kaderbesluit [2002/584] wenst toe te passen met het oog op de erkenning van de strafrechtelijke veroordeling, hij moet verzoeken om het krachtens kaderbesluit [2008/909] afgegeven vonnis en certificaat en toestemming moet verkrijgen van de veroordelende staat krachtens artikel 4, lid 2, van kaderbesluit [2008/909]?
- 2)
Moet artikel 4, punt 6, van kaderbesluit [2002/584] junctis artikel 4, lid 2, en artikel 25 van kaderbesluit [2008/909] aldus worden uitgelegd dat de weigering om een met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf afgegeven Europees aanhoudingsbevel uit te voeren en de erkenning van de strafrechtelijke veroordeling zonder dat deze daadwerkelijk ten uitvoer wordt gelegd door middel van de hechtenis van de veroordeelde — omdat aan betrokkene gratie is verleend en de tenuitvoerlegging van de straf volgens het recht van de tenuitvoerleggingsstaat is geschorst — en zonder dat in de erkenningsprocedure toestemming van de veroordelende staat is verkregen, ertoe leiden dat de veroordelende staat overeenkomstig artikel 22, lid 1, van kaderbesluit [2008/909] het recht verliest om de straf ten uitvoer te leggen?
- 3)
Moet artikel 8, lid 1, onder c), van kaderbesluit [2002/584] aldus worden uitgelegd dat een vonnis houdende veroordeling tot een vrijheidsstraf op grond waarvan een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd waarvan de tenuitvoerlegging is geweigerd krachtens artikel 4, punt 6, [van dat kaderbesluit], indien het vonnis is erkend, maar niet daadwerkelijk ten uitvoer wordt gelegd door middel van de hechtenis van de veroordeelde — omdat aan betrokkene gratie is verleend en de tenuitvoerlegging van de straf volgens het recht van de tenuitvoerleggingsstaat is geschorst — zonder dat in de erkenningsprocedure toestemming van de veroordelende staat is verkregen, niet meer uitvoerbaar is?
- 4)
Moet artikel 4, punt 5, van kaderbesluit [2002/584] aldus worden uitgelegd dat een beslissing om geen uitvoering te geven aan een Europees aanhoudingsbevel dat is afgegeven met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf, en om de strafrechtelijke veroordeling te erkennen op grond van artikel 4, punt 6, van kaderbesluit [2002/584], maar deze niet daadwerkelijk ten uitvoer te leggen door middel van de hechtenis van de veroordeelde — omdat hem gratie is verleend en de tenuitvoerlegging van de straf volgens het recht van de tenuitvoerleggingsstaat (een lidstaat van de Unie) is geschorst — zonder dat in de erkenningsprocedure toestemming van de veroordelende staat is verkregen, een ‘strafrechtelijke veroordeling door een derde land voor dezelfde feiten’ is?
Indien de vierde vraag bevestigend wordt beantwoord,
- 5)
Moet artikel 4, punt 5, van kaderbesluit [2002/584] aldus worden uitgelegd dat een beslissing om geen uitvoering te geven aan een Europees aanhoudingsbevel dat is afgegeven met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf, en om de strafrechtelijke veroordeling te erkennen op grond van artikel 4, punt 6, van kaderbesluit [2002/584], waarbij de tenuitvoerlegging van de straf volgens het recht van de tenuitvoerleggingsstaat wordt geschorst, een veroordeling is die ten uitvoer wordt gelegd, indien het toezicht op de veroordeelde nog niet is begonnen?’
Procedure bij het Hof
34
Op 23 januari 2024 heeft het Hof besloten de onderhavige zaak naar de Eerste kamer te verwijzen. Op 13 maart 2024 heeft een terechtzitting plaatsgevonden en op 13 juni 2024 heeft de advocaat-generaal conclusie genomen. Vervolgens werd de mondelinge behandeling gesloten.
35
Op verzoek van de Eerste kamer van het Hof, dat is gedaan overeenkomstig artikel 60, lid 3, van zijn Reglement voor de procesvoering, heeft het Hof op 9 juli 2024 besloten om de zaak naar de Grote kamer te verwijzen.
36
Bij beschikking van 13 september 2024, C.J. (Tenuitvoerlegging van een vonnis naar aanleiding van een EAB) (C-305/22, EU:C:2024:783), heeft het Hof, de advocaat-generaal gehoord, overeenkomstig artikel 83 van het Reglement voor de procesvoering de heropening van de mondelinge behandeling gelast. Op 14 oktober 2024 vond een tweede terechtzitting plaats.
37
Op 12 december 2024 heeft de advocaat-generaal een aanvullende conclusie genomen.
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste tot en met derde vraag
38
Met zijn eerste tot en met derde vraag, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584 en de artikelen 4, 22 en 25 van kaderbesluit 2008/909 aldus moeten worden uitgelegd dat:
- —
ten eerste, de weigering door de uitvoerende rechterlijke autoriteit, op basis van de in artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584 genoemde grond tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging, om een persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf over te leveren, veronderstelt dat die rechterlijke autoriteit de voorwaarden en de procedure in acht neemt die zijn vastgesteld in kaderbesluit 2008/909 met betrekking tot de erkenning van de strafrechtelijke veroordeling tot die straf en de overname van de tenuitvoerlegging van die straf, en
- —
ten tweede, de beslissingsstaat in voorkomend geval het recht behoudt om diezelfde straf ten uitvoer te leggen, en dus het Europees aanhoudingsbevel te handhaven in de omstandigheden waarin de uitvoerende rechterlijke autoriteit op basis van die grond heeft geweigerd om dit Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen zonder de voorwaarden en de procedure in acht te nemen die zijn vastgesteld in kaderbesluit 2008/909 met betrekking tot de erkenning van die veroordeling en die overname.
Invloed van kaderbesluit 2008/909 op de toepassing van de in artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584 genoemde grond tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging
39
Meteen dient in herinnering te worden gebracht dat kaderbesluit 2002/584 met de instelling van een vereenvoudigde en efficiëntere regeling voor de overlevering van personen die veroordeeld zijn of ervan verdacht worden strafbare feiten te hebben gepleegd, de justitiële samenwerking beoogt te vergemakkelijken en te bespoedigen, en daardoor bij te dragen tot de verwezenlijking van de opdracht van de Unie om een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht te worden die berust op de hoge mate van vertrouwen die tussen de lidstaten moet bestaan [arrest van 22 februari 2022, Openbaar Ministerie (Bij wet ingesteld gerecht in de uitvaardigende lidstaat), C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, EU:C:2022:100, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
40
Op het door kaderbesluit 2002/584 geregelde gebied komt het beginsel van wederzijdse erkenning, dat blijkens met name overweging 6 daarvan de hoeksteen van de gerechtelijke samenwerking in strafzaken vormt, tot uitdrukking in artikel 1, lid 2, van dit kaderbesluit, waarin de regel is neergelegd dat de lidstaten zich ertoe verbinden om, op grond van het beginsel van wederzijdse erkenning en overeenkomstig de bepalingen van ditzelfde kaderbesluit, elk Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen [zie in die zin arrest van 6 juni 2023, O. G. (Europees aanhoudingsbevel tegen een onderdaan van een derde land), C-700/21, EU:C:2023:444, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
41
Hieruit volgt ten eerste dat de uitvoerende rechterlijke autoriteiten de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel slechts kunnen weigeren om redenen die voortvloeien uit kaderbesluit 2002/584, zoals uitgelegd door het Hof. Ten tweede is de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel de regel en de weigering van de tenuitvoerlegging de uitzondering, die dus strikt moet worden uitgelegd [arrest van 6 juni 2023, O. G. (Europees aanhoudingsbevel tegen een onderdaan van een derde land), C-700/21, EU:C:2023:444, punt 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
42
Met betrekking tot dergelijke redenen noemt dit kaderbesluit in artikel 3 de gronden tot verplichte weigering van de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel, en, in de artikelen 4 en 4 bis, de gronden tot facultatieve weigering van die tenuitvoerlegging.
43
Wat betreft de in artikel 4 van kaderbesluit 2002/584 genoemde gronden tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging, moet voor de toepassing van de in punt 6 van dit artikel vastgestelde grond aan twee voorwaarden zijn voldaan, te weten, ten eerste, de gezochte persoon verblijft in of is onderdaan of ingezetene van de tenuitvoerleggingsstaat en, ten tweede, deze staat verbindt zich ertoe de straf of maatregel waarvoor het Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd overeenkomstig zijn nationale recht ten uitvoer te leggen [arrest van 6 juni 2023, O. G. (Europees aanhoudingsbevel tegen een onderdaan van een derde land), C-700/21, EU:C:2023:444, punt 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
44
Indien de uitvoerende rechterlijke autoriteit vaststelt dat is voldaan aan die twee voorwaarden, moet zij nog beoordelen of de tenuitvoerlegging van de in de uitvaardigende staat opgelegde straf op het grondgebied van de tenuitvoerleggingsstaat door enig rechtmatig belang wordt gerechtvaardigd. Die beoordeling stelt deze autoriteit in staat rekening te houden met de doelstelling van artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584, die er volgens vaste rechtspraak in bestaat de kansen op reclassering van de gezochte persoon te verhogen wanneer hij de straf waartoe hij is veroordeeld, heeft uitgezeten [zie in die zin arrest van 6 juni 2023, O. G. (Europees aanhoudingsbevel tegen een onderdaan van een derde land), C-700/21, EU:C:2023:444, punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
45
Wat betreft de invloed van kaderbesluit 2008/909 op de toepassing van de in artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584 genoemde grond tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging, moet worden opgemerkt dat, net als kaderbesluit 2002/584, kaderbesluit 2008/909 op strafrechtelijk gebied invulling geeft aan de beginselen van wederzijds vertrouwen en wederzijdse erkenning, die met name wat de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht betreft, vereisen dat elke lidstaat, behoudens uitzonderlijke omstandigheden, ervan uitgaat dat de andere lidstaten het Unierecht en, meer in het bijzonder, de door dat recht erkende grondrechten in acht nemen. Laatstgenoemd kaderbesluit breidt dus de justitiële samenwerking uit met betrekking tot de erkenning en tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen wanneer personen in een andere lidstaat zijn veroordeeld tot vrijheidsstraffen of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregelen, ter bevordering van hun reclassering [zie in die zin arrest van 9 november 2023, Staatsanwaltschaft Aachen, C-819/21, EU:C:2023:841, punt 19].
46
Kaderbesluit 2008/909 beoogt, volgens artikel 3, lid 1, ervan, regels vast te stellen volgens welke een lidstaat, ter bevordering van de reclassering van de gevonniste persoon, een vonnis erkent en de door een andere lidstaat opgelegde sanctie ten uitvoer legt. Kaderbesluit 2008/909 vervangt overeenkomstig artikel 26, lid 1, ervan de bepalingen van de verdragen betreffende de overbrenging van gevonniste personen, als bedoeld in dit artikel, die in de betrekkingen tussen de lidstaten van toepassing zijn (zie in die zin arrest van 24 juni 2019, Popławski, C-573/17, EU:C:2019:530, punten 36 en 37).
47
Gelet op de overeenstemming tussen het doel dat wordt nagestreefd door de in artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584 genoemde grond tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging, en het doel dat wordt nagestreefd door de regels van kaderbesluit 2008/909, te weten, het doel om de reclassering van in een andere lidstaat gevonniste personen te bevorderen, moet dus worden geoordeeld dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit van een tenuitvoerleggingsstaat met die regels rekening moet houden wanneer zij deze grond wenst toe te passen.
48
In dat verband moet worden benadrukt dat, zoals de advocaat-generaal in punt 45 van zijn conclusie van 13 juni 2024 heeft uiteengezet, niets erop wijst dat de Uniewetgever voor de erkenning en de tenuitvoerlegging van strafvonnissen twee onderscheiden rechtsregelingen heeft willen invoeren, afhankelijk van de vraag of er al dan niet een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd.
49
Zo bepaalt artikel 25 van kaderbesluit 2008/909, gelezen in het licht van overweging 12 ervan, dat dit kaderbesluit, voor zover verenigbaar met kaderbesluit 2002/584, van overeenkomstige toepassing is op de tenuitvoerlegging van vonnissen in het geval dat een lidstaat zich op grond van artikel 4, punt 6, van dat laatste kaderbesluit ertoe verbonden heeft een vonnis ten uitvoer te leggen. Dat is ook het geval wanneer een lidstaat op grond van artikel 5, punt 3, van laatstgenoemd kaderbesluit voor de tenuitvoerlegging van een met het oog op strafvervolging in de uitvaardigende lidstaat uitgevaardigd Europees aanhoudingsbevel de voorwaarde stelt dat de betrokkene naar de uitvoerende lidstaat wordt teruggezonden om daar de in de uitvaardigende lidstaat opgelegde sanctie te ondergaan.
50
Met betrekking tot deze laatste hypothese, zoals bedoeld in artikel 5, punt 3, van kaderbesluit 2002/584, volgt uit de rechtspraak van het Hof dat de uitvoering van de sanctie wordt geregeld door kaderbesluit 2008/909. Zoals het Hof heeft opgemerkt, moet, wanneer de tenuitvoerlegging van een met het oog op strafvervolging uitgevaardigd Europees aanhoudingsbevel afhankelijk wordt gesteld van de in dit artikel 5, punt 3, genoemde voorwaarde, de tenuitvoerleggingsstaat bij de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf of de tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel die in de beslissingsstaat aan de betrokkene is opgelegd, namelijk de relevante regels van kaderbesluit 2008/909 in acht nemen [zie in die zin arrest van 11 maart 2020, SF (Europees aanhoudingsbevel — Garantie tot terugzending naar de tenuitvoerleggingsstaat), C-314/18, EU:C:2020:191, punt 68].
51
Op dezelfde wijze als voor de in artikel 5, punt 3, van kaderbesluit 2002/584 bedoelde situatie moet worden geoordeeld dat wanneer een uitvoerende rechterlijke autoriteit voornemens is om de tenuitvoerlegging van een met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf uitgevaardigd Europees aanhoudingsbevel te weigeren op basis van de in artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584 genoemde grond tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging, de erkenning van de strafrechtelijke veroordeling tot die sanctie en de overname van de tenuitvoerlegging van die sanctie door kaderbesluit 2008/909 worden geregeld.
52
Een weigering op grond van artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584 om een Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen vooronderstelt namelijk dat de tenuitvoerleggingsstaat zich daadwerkelijk ertoe verbindt om de aan de gezochte persoon opgelegde vrijheidsstraf ten uitvoer te leggen [zie in die zin arrest van 6 juni 2023, O. G. (Europees aanhoudingsbevel tegen een onderdaan van een derde land), C-700/21, EU:C:2023:444, punt 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak]. Aangezien die persoon in de beslissingsstaat is veroordeeld, betekent dit noodzakelijkerwijs dat de autoriteiten van de tenuitvoerleggingsstaat de strafrechtelijke veroordeling waarbij die sanctie aan die persoon wordt opgelegd, erkennen overeenkomstig de bepalingen van kaderbesluit 2008/909.
53
Het is juist dat het Hof uit artikel 25 van kaderbesluit 2008/909 heeft afgeleid dat geen enkele bepaling van dat kaderbesluit afbreuk kan doen aan de strekking of aan de wijze van toepassing van de in artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584 genoemde grond tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging (arrest van 13 december 2018, Sut, C-514/17, EU:C:2018:1016, punt 48).
54
Deze vaststelling houdt echter niet in dat de voorwaarden van kaderbesluit 2008/909 voor de erkenning en tenuitvoerlegging van strafvonnissen niet van toepassing zijn wanneer een lidstaat zich op grond van artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584 ertoe verbonden heeft om een vonnis ten uitvoer te leggen, ook al zou de toepassing van kaderbesluit 2008/909 niet tot enige onverenigbaarheid of incoherentie leiden bij de gecombineerde toepassing van die twee handelingen. Zoals de advocaat-generaal in punt 63 van zijn conclusie van 13 juni 2024 heeft opgemerkt, zijn de voorwaarden van kaderbesluit 2008/909 voor de erkenning en tenuitvoerlegging van strafvonnissen van toepassing wanneer de in artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584 genoemde grond tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging wordt toegepast, voor zover, zoals uitdrukkelijk is bepaald in artikel 25 van kaderbesluit 2008/909 en zoals het Hof zelf heeft opgemerkt in punt 48 van het arrest van 13 december 2018, Sut (C-514/17, EU:C:2018:1016), deze voorwaarden in overeenstemming zijn met de bepalingen van kaderbesluit 2002/584. Hierdoor kan de goede werking van de vereenvoudigde en efficiëntere regeling voor de overlevering van gezochte personen worden gewaarborgd die bij laatstgenoemd kaderbesluit is ingesteld.
55
In dit verband moet worden opgemerkt dat kaderbesluit 2008/909, overeenkomstig artikel 26, lid 1, ervan, met ingang van 5 december 2011 de overeenkomstige bepalingen van het verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen en het aanvullend protocol van 18 december 1997 heeft vervangen.
56
Zoals met name de Franse regering tijdens de pleitzitting van 14 oktober 2024 heeft opgemerkt, bepaalt artikel 3, lid 1, onder f), van dit verdrag dat de staat van veroordeling en de staat van tenuitvoerlegging het eens moeten zijn over de overbrenging van de gevonniste persoon.
57
Dit artikel 3, lid 1, onder f), is na de vaststelling van kaderbesluit 2008/909 vervangen door het vereiste dat de beslissingsstaat toestemming verleent voor de overname van de tenuitvoerlegging van de in die staat opgelegde straf. Deze toestemming wordt uitgedrukt door de toezending, volgens de in artikel 4 van dat kaderbesluit bepaalde voorschriften, van de door een rechterlijke instantie van de beslissingsstaat uitgesproken strafrechtelijke veroordeling aan de tenuitvoerleggingsstaat, vergezeld van het certificaat waarvan het model in bijlage I bij dat kaderbesluit is opgenomen.
58
Uit punt f), van het modelcertificaat in bijlage I bij kaderbesluit 2008/909 blijkt namelijk uitdrukkelijk dat de bepalingen van kaderbesluit 2008/909 juist van toepassing kunnen zijn wanneer de in artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584 genoemde grond tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging wordt ingeroepen, aangezien dit certificaat naar die grond moet verwijzen wanneer die wordt aangevoerd.
59
De noodzaak om de toestemming te verkrijgen van de beslissingsstaat voor de overname van de tenuitvoerlegging van de opgelegde sanctie blijkt ook uit artikel 13 van kaderbesluit 2008/909. Uit dat artikel volgt namelijk dat de beslissingsstaat, zolang geen aanvang is gemaakt met de tenuitvoerlegging van de sanctie in de tenuitvoerleggingsstaat, het bijbehorende certificaat kan intrekken, en dat de tenuitvoerlegging van de sanctie in de tenuitvoerleggingsstaat wordt gestaakt zodra het certificaat is ingetrokken.
60
Wanneer de in artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584 genoemde grond tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging wordt ingeroepen, is de toepassing van de voorwaarden van kaderbesluit 2008/909 voor de erkenning in de tenuitvoerleggingsstaat van de sanctie die aanleiding heeft gegeven tot de uitvaardiging van het Europees aanhoudingsbevel, en voor de overname van de tenuitvoerlegging van de straf door diezelfde lidstaat, in het bijzonder het vereiste dat de beslissingsstaat toestemming verleent voor een dergelijke overname, verenigbaar met het door die bepaling nagestreefde doel om de kansen op reclassering van de gezochte persoon na het einde van de straf te verhogen.
61
Ten eerste volgt namelijk uit de gecombineerde bepalingen van artikel 4, lid 1, onder c), van kaderbesluit 2008/909 en lid 2 van dat artikel, gelezen in het licht van overweging 8 van dat kaderbesluit, dat alleen wanneer de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat zich ervan vergewist heeft dat de tenuitvoerlegging van de sanctie door de tenuitvoerleggingsstaat de reclassering van de gevonniste persoon ten goede zal komen, zij aan de bevoegde autoriteit van die laatste staat de strafrechtelijke veroordeling en het bijbehorende certificaat, waarvan het model is opgenomen in bijlage I bij dat kaderbesluit, kan toezenden.
62
Ten tweede blijkt uit de rechtspraak van het Hof dat het doel om de kansen op reclassering van de gezochte persoon na het einde van de straf waartoe deze is veroordeeld, te verhogen, hoe belangrijk het ook is, geen absoluut karakter heeft, aangezien dat doel in het bijzonder met de wezenlijke regel van artikel 1, lid 2, van kaderbesluit 2002/584, volgens welke de lidstaten zich in beginsel ertoe verbinden om elk Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen, in overeenstemming moet worden gebracht (zie in die zin arrest van 6 oktober 2009, Wolzenburg, C-123/08, EU:C:2009:616, punt 62, en 13 december 2018, Sut, C-514/17, EU:C:2018:1016, punt 46).
63
Zoals de advocaat-generaal in punt 68 van zijn conclusie van 13 juni 2024 heeft opgemerkt, kan de lidstaat waar een persoon is veroordeeld, gelet op de verschillende functies van een straf in de samenleving, dus rechtmatig eigen overwegingen van strafrechtelijk beleid aanvoeren om te rechtvaardigen dat de opgelegde straf op zijn grondgebied ten uitvoer wordt gelegd, en derhalve de toezending weigeren van de strafrechtelijke veroordeling en het certificaat waarvan deze krachtens kaderbesluit 2008/909 vergezeld moet gaan, zelfs wanneer de overwegingen in verband met de reclassering van de gezochte persoon ervoor kunnen pleiten dat deze straf ten uitvoer wordt gelegd op het grondgebied van een andere lidstaat.
64
De beoordelingsmarge van de beslissingsstaat met betrekking tot de in artikel 4, lid 1, onder c), en lid 2, van kaderbesluit 2008/909 bedoelde toestemming, zoals uiteengezet in de punten 61 tot en met 63 van dit arrest, wordt overigens bevestigd door lid 5 van dat artikel, dat bepaalt dat wanneer de tenuitvoerleggingsstaat die eerste staat uit eigen beweging verzoekt om toezending van het vonnis vergezeld van een certificaat, dat verzoek geen verplichting schept voor de beslissingsstaat om daar gevolg aan te geven.
65
Bovendien bevat noch dit kaderbesluit, noch kaderbesluit 2002/584 een bepaling op grond waarvan zou kunnen worden aangenomen dat het feit dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit de in artikel 4, punt 6, van dat kaderbesluit genoemde grond tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging inroept, tot gevolg zou hebben dat aan die beoordelingsmarge van de beslissingsstaat wordt afgedaan.
66
In dat verband getuigt een door een lidstaat met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf uitgevaardigd Europees aanhoudingsbevel er juist van dat deze staat in beginsel voorrang geeft aan de tenuitvoerlegging van de straf op zijn grondgebied boven de toepassing van de regeling van kaderbesluit 2008/909 voor de erkenning en tenuitvoerlegging van strafvonnissen met het oog op een dergelijke tenuitvoerlegging in een andere lidstaat. In die omstandigheden zou, indien de tenuitvoerleggingsstaat in een dergelijk geval op basis van de toepassing van de grond tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging eenzijdig kan afwijken van het beginsel van de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel, zonder dat is voldaan aan de in kaderbesluit 2008/909 gestelde voorwaarden voor erkenning en tenuitvoerlegging van een strafrechtelijke veroordeling, de efficiëntie van de bij kaderbesluit 2002/584 ingestelde regeling voor de overlevering tussen de lidstaten worden ondermijnd.
67
Hieruit volgt dat, in het kader van de toepassing van de in artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584 genoemde grond tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging, de tenuitvoerleggingsstaat de tenuitvoerlegging van de sanctie die in de beslissingsstaat bij de strafrechtelijke veroordeling is opgelegd en die de uitvaardiging van het Europees aanhoudingsbevel heeft gerechtvaardigd, slechts kan overnemen mits de beslissingsstaat daarvoor toestemming heeft verleend overeenkomstig de regels van kaderbesluit 2008/909.
68
Indien de toezending door de beslissingsstaat van de strafrechtelijke veroordeling en het bijbehorende certificaat dus wordt opgevat als een loutere mogelijkheid, ook wanneer de tenuitvoerleggingsstaat de uitvoering van die straf wenst over te nemen door die weigeringsgrond toe te passen, dient eraan te worden herinnerd dat, teneinde met name te verzekeren dat de werking van het Europees aanhoudingsbevel niet wordt verlamd, de in artikel 4, lid 3, eerste alinea, VEU neergelegde verplichting tot loyale samenwerking een dialoog tussen de uitvoerende en de uitvaardigende rechterlijke autoriteiten impliceert. Uit dat beginsel volgt immers dat de lidstaten elkaar respecteren en steunen bij de vervulling van de taken die uit de Verdragen voortvloeien [zie in die zin arrest van 22 februari 2022, Openbaar Ministerie (Bij wet ingesteld gerecht in de uitvaardigende lidstaat), C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, EU:C:2022:100, punt 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
69
Bijgevolg moeten de uitvaardigende en de uitvoerende rechterlijke autoriteiten, teneinde een doeltreffende justitiële samenwerking in strafzaken te waarborgen, ten volle gebruikmaken van de instrumenten waarin kaderbesluiten 2002/584 en 2008/909 voorzien, zoals het overleg voor de toezending van de door een rechterlijke instantie van de beslissingsstaat uitgesproken strafrechtelijke veroordeling en het certificaat waarvan het model in bijlage I bij kaderbesluit 2008/909 is opgenomen, om zo het aan die samenwerking ten grondslag liggende wederzijdse vertrouwen te bevorderen [zie in die zin arrest van 22 februari 2022, Openbaar Ministerie (Bij wet ingesteld gerecht in de uitvaardigende lidstaat), C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, EU:C:2022:100, punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak]. In dat verband dient eraan te worden herinnerd dat een dergelijk overleg overeenkomstig artikel 4, lid 3, van kaderbesluit 2008/909 verplicht is wanneer, zoals in casu, wordt overwogen de sanctie ten uitvoer te leggen in een andere lidstaat dan die waarvan de betrokkene onderdaan is, namelijk in de in artikel 4, lid 1, onder c), van dat kaderbesluit bedoelde omstandigheid.
70
Indien een daadwerkelijke overname van de tenuitvoerlegging van de sanctie door de tenuitvoerleggingsstaat niet mogelijk is om welke reden dan ook, met inbegrip van de niet-inachtneming van de procedure en de voorwaarden van kaderbesluit 2008/909, vloeit uit het beginsel van wederzijdse erkenning voort dat een Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer moet worden gelegd teneinde straffeloosheid van de gezochte persoon te voorkomen. Zoals in punt 41 van dit arrest is opgemerkt, is de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel immers de regel en de weigering ervan de uitzondering, die dus strikt moet worden uitgelegd.
71
Wat de verplichtingen van de beslissingsstaat betreft, moet worden beklemtoond dat deze ervoor moet zorgen dat het hem bij kaderbesluit 2008/909 toegekende recht om de door een van zijn rechters uitgesproken strafrechtelijke veroordeling, alsook het certificaat waarvan het model in bijlage I bij dit kaderbesluit is opgenomen, niet aan de tenuitvoerleggingsstaat toe te zenden, wordt uitgeoefend op een wijze die een doeltreffende justitiële samenwerking in strafzaken tussen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten mogelijk maakt en die verzekert dat de werking van het Europees aanhoudingsbevel en de wederzijdse erkenning van strafvonnissen met het oog op de tenuitvoerlegging ervan in een andere lidstaat niet worden verlamd.
72
Wanneer een uitvoerende rechterlijke autoriteit voornemens is om de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel te weigeren op basis van de in artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584 genoemde grond tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging, kan de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat bijgevolg een dergelijke toezending weigeren indien zij op grond van objectieve omstandigheden vaststelt dat de sanctie in de tenuitvoerleggingsstaat niet daadwerkelijk ten uitvoer zal worden gelegd of dat de tenuitvoerlegging van die sanctie in die staat niet zal bijdragen aan het doel om de kansen op reclassering van de gezochte persoon na het einde van de vrijheidsstraf waartoe deze is veroordeeld, te verhogen. De uitvaardigende rechterlijke autoriteit kan die overname nog weigeren op basis van overwegingen van het eigen strafrechtelijk beleid van de beslissingsstaat.
Het recht van de beslissingsstaat om een vrijheidsstraf ten uitvoer te leggen wanneer de uitvoerende rechterlijke autoriteit de tenuitvoerlegging van een met het oog op de tenuitvoerlegging van die straf uitgevaardigd Europees aanhoudingsbevel heeft geweigerd op basis van artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584, zonder de voorwaarden en de procedure in acht te nemen die zijn vastgesteld in kaderbesluit 2008/909 met betrekking tot de erkenning van de strafrechtelijke veroordeling tot die sanctie en de overname van de tenuitvoerlegging ervan
73
Onderzocht moet worden of in de omstandigheden waarin de uitvoerende rechterlijke autoriteit de tenuitvoerlegging van een met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf uitgevaardigd Europees aanhoudingsbevel heeft geweigerd op basis van de in artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584 genoemde grond tot facultatieve weigering zonder de voorwaarden en de procedure van kaderbesluit 2008/909 in acht te nemen, de beslissingsstaat het recht behoudt om die straf ten uitvoer te leggen.
74
In casu blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit waaraan een Europees aanhoudingsbevel is voorgelegd dat is uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van een aan C.J. opgelegde vrijheidsstraf, van oordeel was dat die straf in Italië ten uitvoer moest worden gelegd om de kansen op reclassering van die persoon te verhogen. Die autoriteit heeft bij de beslissing tot erkenning en tenuitvoerlegging de overlevering van die persoon geweigerd, de strafrechtelijke veroordeling erkend en de tenuitvoerlegging van die sanctie in Italië gelast. Deze beslissing is genomen hoewel de verwijzende rechter de uitvoerende rechterlijke autoriteit in kennis had gesteld van die veroordeling, maar niet van het certificaat waarvan het model in bijlage I bij kaderbesluit 2008/909 is opgenomen, en die rechter had meegedeeld het niet eens te zijn met de erkenning van die veroordeling en de overname van de tenuitvoerlegging van de aan C.J. in Italië opgelegde gevangenisstraf.
75
Zoals blijkt uit de punten 54 tot en met 67 van dit arrest, moeten de erkenning van de door een rechterlijke instantie van de beslissingsstaat uitgesproken strafrechtelijke veroordeling tot een gevangenisstraf en de overname van de tenuitvoerlegging van die straf door de tenuitvoerleggingsstaat in het kader van de toepassing van de in artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584 genoemde grond tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging in dat verband gebeuren met inachtneming van de voorwaarden en de procedure van kaderbesluit 2008/909, hetgeen met name impliceert dat de beslissingsstaat toestemming verleent voor die overname.
76
Vastgesteld dient te worden dat wanneer, zoals in casu, de tenuitvoerlegging van een met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf uitgevaardigd Europees aanhoudingsbevel door de uitvoerende rechterlijke autoriteit werd geweigerd in strijd met de voorwaarden en de procedure van kaderbesluit 2008/909, dit aanhoudingsbevel door de uitvaardigende rechterlijke autoriteit kan worden gehandhaafd. Evenzo behoudt de beslissingsstaat het recht om die sanctie ten uitvoer te leggen.
77
Het Hof heeft namelijk reeds geoordeeld dat de handhaving van een Europees aanhoudingsbevel door de uitvaardigende rechterlijke autoriteit noodzakelijk kan zijn — met name wanneer de beslissing tot weigering niet in overeenstemming was met het Unierecht — teneinde de procedure tot overlevering van een gezocht persoon te voeren en aldus de verwezenlijking van de door dit kaderbesluit nagestreefde doelstelling van bestrijding van straffeloosheid te bevorderen. De enkele omstandigheid dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit heeft geweigerd een Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen, kan dus op zich geen beletsel vormen voor de uitvaardigende rechterlijke autoriteit om dat aanhoudingsbevel te handhaven (zie in die zin arrest van 29 juli 2024, Breian, C-318/24 PPU, EU:C:2024:658, punten 51 en 53).
78
Deze overwegingen gelden mutatis mutandis voor het recht van de beslissingsstaat om de gevangenisstraf die is opgelegd aan de persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd ten uitvoer te leggen in omstandigheden als bedoeld in punt 76 van het onderhavige arrest, en kunnen niet in twijfel worden getrokken vanuit het oogpunt van artikel 22, lid 1, van kaderbesluit 2008/909, dat bepaalt dat de beslissingsstaat niet langer mag overgaan tot de verdere tenuitvoerlegging van de opgelegde sanctie zodra de tenuitvoerlegging ervan in de uitvoerende lidstaat is ingegaan.
79
Deze bepaling is namelijk niet van toepassing wanneer, zoals in casu, de weigering van de overlevering op grond van artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584 door de tenuitvoerleggingsstaat niet in overeenstemming met de regels van kaderbesluit 2008/909 is gebeurd. Zoals de advocaat-generaal in punt 81 van zijn conclusie van 12 december 2024 heeft uiteengezet, wordt de deur opengezet voor omzeiling van de regels van kaderbesluit 2008/909 indien wordt aanvaard dat het begin van de tenuitvoerlegging van de straf in de uitvoerende lidstaat in een dergelijke situatie de uitvaardigende lidstaat de bevoegdheid kan ontnemen om die straf ten uitvoer te leggen.
80
Het feit dat de beslissingsstaat in een dergelijke situatie zijn bevoegdheid verliest om die straf uit te voeren, zou er niet enkel toe leiden dat de regels van kaderbesluit 2008/909 voor de erkenning en tenuitvoerlegging van vonnissen van de beslissingsstaat worden geschonden, maar ook dat er afbreuk wordt gedaan aan de werking van de bij kaderbesluit 2002/584 ingestelde vereenvoudigde en efficiënte regeling voor de overlevering van gezochte personen, waardoor met name kan worden afgedaan aan de door dit kaderbesluit nagestreefde doelstelling van bestrijding van straffeloosheid [zie in die zin arresten van 6 juli 2023, Minister for Justice and Equality (Verzoek tot toestemming — Gevolgen van het oorspronkelijke Europees aanhoudingsbevel), C-142/22, EU:C:2023:544, punt 51, en 29 juli 2024, Breian, C-318/24 PPU, EU:C:2024:658, punt 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
81
Het is juist dat uit de rechtspraak blijkt dat de door de Uniewetgever beoogde samenhang tussen kaderbesluit 2002/584 en kaderbesluit 2008/909 moet bijdragen tot de verwezenlijking van de in punt 46 van het onderhavige arrest bedoelde doelstelling om de reclassering van de betrokkene te vergemakkelijken [arrest van 11 maart 2020, SF (Europees aanhoudingsbevel — Garantie tot terugzending naar de tenuitvoerleggingsstaat), C-314/18, EU:C:2020:191, punt 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
82
Indien de tenuitvoerleggingsstaat, door zich op deze doelstelling te beroepen, de tenuitvoerlegging van een met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf uitgevaardigd Europees aanhoudingsbevel echter mag weigeren zonder dat de beslissingsstaat toestemming heeft verleend voor de overname van die tenuitvoerlegging door die eerste lidstaat, kan dat echter leiden tot een groot risico dat personen die aan de rechtspleging proberen te ontsnappen nadat zij in een staat zijn veroordeeld, onbestraft blijven, en zou dat uiteindelijk afbreuk doen aan de efficiënte werking van de bij kaderbesluit 2002/584 ingestelde vereenvoudigde regeling voor de overlevering tussen de lidstaten.
83
Hieraan moet worden toegevoegd dat de in punt 79 van dit arrest gegeven uitlegging van artikel 22 van kaderbesluit 2008/909 — volgens welke de in artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584 genoemde grond tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging slechts kan worden toegepast mits de beslissingsstaat toestemming verleent om de sanctie in de tenuitvoerleggingsstaat ten uitvoer te leggen — wordt bevestigd door het feit dat, zoals in punt 57 van dit arrest is aangegeven, deze toestemming wordt uitgedrukt door de toezending van de strafrechtelijke veroordeling en het certificaat waarvan het model in bijlage I bij kaderbesluit 2008/909 is opgenomen. Deze documenten, en in het bijzonder dit certificaat, bevatten namelijk belangrijke aanwijzingen om de daadwerkelijke tenuitvoerlegging van de opgelegde sanctie mogelijk te maken. Daartoe bepaalt artikel 23, lid 1, van kaderbesluit 2008/909 overigens dat dit certificaat moet worden vertaald in de officiële taal of een der officiële talen van de tenuitvoerleggingsstaat.
84
Hieruit vloeit voort dat kaderbesluiten 2002/584 en 2008/909 zich er in omstandigheden als die van het hoofdgeding niet tegen verzetten dat het tegen C.J. uitgevaardigde Europees aanhoudingsbevel wordt gehandhaafd en de hem opgelegde straf ten uitvoer wordt gelegd in de beslissingsstaat, namelijk Roemenië.
85
Aangezien een dergelijke handhaving echter een inbreuk kan vormen op de persoonlijke vrijheid van de gezochte persoon, moet nog worden gepreciseerd dat de uitvaardigende rechterlijke autoriteit moet nagaan of die handhaving, gelet op de specifieke omstandigheden van de zaak, evenredig is. In het kader van een dergelijk onderzoek dient die autoriteit met name rekening te houden met de gevolgen voor die persoon van de handhaving van het Europees aanhoudingsbevel dat tegen hem is uitgevaardigd, en met de vooruitzichten betreffende de tenuitvoerlegging van dat aanhoudingsbevel (zie in die zin arrest van 29 juli 2024, Breian, C-318/24 PPU, EU:C:2024:658, punt 54 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
86
Indien de beslissingsstaat na afloop van dat onderzoek zou beslissen om het Europees aanhoudingsbevel te handhaven, moet die staat in voorkomend geval, wanneer de gezochte persoon aan die staat wordt overgeleverd of wanneer die persoon vrijwillig terugkeert naar het grondgebied van die staat, rekening houden met artikel 26, lid 1, van kaderbesluit 2002/584. Deze bepaling, die vereist dat er rekening wordt gehouden met elke periode waarin de gevonniste persoon zich in de tenuitvoerleggingsstaat in hechtenis bevindt, garandeert dat de totale duur van de hechtenis van deze persoon — zowel in de tenuitvoerleggingsstaat als in de uitvaardigende staat — uiteindelijk niet langer is dan de duur van de vrijheidsstraf waartoe hij in de uitvaardigende staat was veroordeeld (zie in die zin arrest van 28 juli 2016, JZ, C-294/16 PPU, EU:C:2016:610, punt 43).
87
Gelet op het voorgaande moet op de eerste tot en met de derde vraag worden geantwoord dat artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584 en de artikelen 4, 22 en 25 van kaderbesluit 2008/909 aldus moeten worden uitgelegd dat:
- —
ten eerste, de weigering door de uitvoerende rechterlijke autoriteit, op basis van de in artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584 genoemde grond tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging, om een persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf over te leveren, veronderstelt dat die rechterlijke autoriteit de voorwaarden en de procedure in acht neemt die zijn vastgesteld in kaderbesluit 2008/909 met betrekking tot de erkenning van de strafrechtelijke veroordeling tot die straf en de overname van de tenuitvoerlegging van die straf, en
- —
ten tweede, de beslissingsstaat het recht behoudt om diezelfde straf ten uitvoer te leggen, en dus het Europees aanhoudingsbevel te handhaven in de omstandigheden waarin de uitvoerende rechterlijke autoriteit op basis van die grond heeft geweigerd om dit Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen zonder de voorwaarden en de procedure in acht te nemen die zijn vastgesteld in kaderbesluit 2008/909 met betrekking tot de erkenning van die veroordeling en die overname.
Vierde vraag
88
Volgens vaste rechtspraak is het, in het kader van de bij artikel 267 VWEU ingestelde procedure van samenwerking tussen de nationale rechterlijke instanties en het Hof, de taak van het Hof om de nationale rechter een nuttig antwoord te geven aan de hand waarvan hij het bij hem aanhangige geschil kan oplossen. Daartoe dient het Hof in voorkomend geval de voorgelegde vragen te herformuleren (arrest van 25 februari 2025, Alphabet e.a., C-233/23, EU:C:2025:110, punt 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
89
Krachtens artikel 4, punt 5, van kaderbesluit 2002/584, waarop de vierde vraag betrekking heeft, kan de uitvoerende rechterlijke autoriteit de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel weigeren wanneer uit de gegevens waarover deze beschikt, blijkt dat de gezochte persoon door een derde land onherroepelijk is berecht voor dezelfde feiten, op voorwaarde dat, in geval van veroordeling, de sanctie is ondergaan of op dat tijdstip wordt ondergaan dan wel niet meer ten uitvoer kan worden gelegd volgens het recht van de staat van veroordeling. In casu blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat de beslissing tot erkenning en tenuitvoerlegging werd vastgesteld door een rechterlijke instantie van een lidstaat van de Unie, namelijk de Italiaanse Republiek.
90
In deze omstandigheden is enkel de in artikel 3, punt 2, van kaderbesluit 2002/584 genoemde grond tot verplichte weigering van de tenuitvoerlegging relevant, die het ne-bis-in-idembeginsel concretiseert, waarvan de lidstaten de eerbiediging moeten waarborgen.
91
Bijgevolg moet worden geoordeeld dat de verwijzende rechter met zijn vierde vraag in essentie wenst te vernemen of artikel 3, punt 2, van kaderbesluit 2002/584 aldus moet worden uitgelegd dat een beslissing waarbij de uitvoerende rechterlijke autoriteit op basis van artikel 4, punt 6, van dat kaderbesluit de overlevering van de persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf heeft geweigerd, de strafrechtelijke veroordeling tot die straf heeft erkend en de tenuitvoerlegging van die straf heeft gelast, een ‘onherroepelijke berechting voor dezelfde feiten’ vormt in de zin van deze bepaling.
92
Overeenkomstig artikel 3, punt 2, van kaderbesluit 2002/584 moet de uitvoerende rechterlijke autoriteit de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel weigeren indien uit de gegevens waarover zij beschikt, blijkt dat de gezochte persoon onherroepelijk door een lidstaat is berecht voor dezelfde feiten, op voorwaarde dat, in geval van veroordeling, de sanctie is ondergaan of op dat tijdstip wordt ondergaan dan wel niet meer kan worden uitgevoerd volgens het recht van de veroordelende lidstaat.
93
Dienaangaande heeft het Hof geoordeeld dat een gezochte persoon wordt geacht al onherroepelijk te zijn berecht ter zake van dezelfde feiten in de zin van dat artikel 3, punt 2, wanneer na een strafprocedure de strafvervolging definitief is beëindigd, of wanneer de rechterlijke instanties van een lidstaat een beslissing hebben genomen waarmee een verdachte definitief wordt vrijgesproken van de hem ten laste gelegde feiten (zie in die zin arrest van 16 november 2010, Mantello, C-261/09, EU:C:2010:683, punt 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
94
Wat meer in het bijzonder een verzoek tot overlevering betreft, blijkt bovendien uit de rechtspraak dat een beslissing van een uitvoerende rechterlijke autoriteit om de tenuitvoerlegging van dat aanhoudingsbevel te weigeren niet kan worden beschouwd als een onherroepelijke berechting voor dezelfde feiten in de zin van artikel 3, punt 2, van kaderbesluit 2002/584. Het onderzoek van een dergelijk verzoek betekent namelijk niet dat de tenuitvoerleggingsstaat strafvervolging instelt tegen de persoon om wiens overlevering wordt verzocht en omvat evenmin een beoordeling van de zaak ten gronde [zie naar analogie arrest van 14 september 2023, Sofiyska gradska prokuratura (Opeenvolgende aanhoudingsbevelen), C-71/21, EU:C:2023:668, punten 52–54].
95
Hetzelfde geldt voor een beslissing, zoals de beslissing tot erkenning en tot tenuitvoerlegging, waarbij een in een andere lidstaat uitgesproken strafrechtelijke veroordeling wordt erkend en waarbij de tenuitvoerlegging van de bij die veroordeling opgelegde sanctie wordt gelast.
96
Zoals blijkt uit de in punt 94 van het onderhavige arrest bedoelde rechtspraak, betekent het in dit kader verrichte onderzoek niet dat er strafvervolging tegen de gevonniste persoon wordt ingesteld en omvat het evenmin een beoordeling van de zaak ten gronde. Een dergelijke beslissing leidt niet tot een nieuwe veroordeling voor dezelfde feiten, maar zorgt ervoor dat de in de beslissingsstaat opgelegde veroordeling ten uitvoer kan worden gelegd in de tenuitvoerleggingsstaat.
97
Een beslissing waarbij de uitvoerende rechterlijke autoriteit de tenuitvoerlegging van een met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf uitgevaardigd Europees aanhoudingsbevel heeft geweigerd op grond van artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584, de strafrechtelijke veroordeling tot die straf heeft erkend en de tenuitvoerlegging van die straf heeft gelast, kan niet worden beschouwd als een ‘onherroepelijke berechting voor dezelfde feiten’ in de zin van artikel 3, punt 2, van dat kaderbesluit.
98
Gelet op het voorgaande moet op de vierde vraag worden geantwoord dat artikel 3, punt 2, van kaderbesluit 2002/584 aldus moet worden uitgelegd dat een beslissing waarbij de uitvoerende rechterlijke autoriteit op grond van artikel 4, punt 6, van dat kaderbesluit de overlevering van de persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf heeft geweigerd, de strafrechtelijke veroordeling tot die straf heeft erkend en de tenuitvoerlegging van die straf in de tenuitvoerleggingsstaat heeft gelast, geen ‘onherroepelijke berechting voor dezelfde feiten’ vormt in de zin van deze bepaling.
Vijfde vraag
99
Gelet op het antwoord op de vierde vraag, hoeft de vijfde prejudiciële vraag niet te worden beantwoord.
Kosten
100
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Grote kamer) verklaart voor recht:
- 1)
Artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten, en de artikelen 4, 22 en 25 van kaderbesluit 2008/909/JBZ van de Raad van 27 november 2008 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op strafvonnissen waarbij vrijheidsstraffen of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregelen zijn opgelegd, met het oog op de tenuitvoerlegging ervan in de Europese Unie,
moeten aldus worden uitgelegd dat
- —
ten eerste, de weigering door de uitvoerende rechterlijke autoriteit, op basis van de in artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584 genoemde grond tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging, om een persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf over te leveren, veronderstelt dat die rechterlijke autoriteit de voorwaarden en de procedure in acht neemt die zijn vastgesteld in kaderbesluit 2008/909 met betrekking tot de erkenning van de strafrechtelijke veroordeling tot die straf en de overname van de tenuitvoerlegging van die straf, en
- —
ten tweede, de beslissingsstaat het recht behoudt om diezelfde straf ten uitvoer te leggen, en dus het Europees aanhoudingsbevel te handhaven in de omstandigheden waarin de uitvoerende rechterlijke autoriteit op basis van die grond heeft geweigerd om dit Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen zonder de voorwaarden en de procedure in acht te nemen die zijn vastgesteld in kaderbesluit 2008/909 met betrekking tot de erkenning van die veroordeling en die overname.
- 2)
Artikel 3, punt 2, van kaderbesluit 2002/584
moet aldus worden uitgelegd dat
een beslissing waarbij de uitvoerende rechterlijke autoriteit op grond van artikel 4, punt 6, van dat kaderbesluit de overlevering van de persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf heeft geweigerd, de strafrechtelijke veroordeling tot die straf heeft erkend en de tenuitvoerlegging van die straf in de tenuitvoerleggingsstaat heeft gelast, geen ‘onherroepelijke berechting voor dezelfde feiten’ vormt in de zin van deze bepaling.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 04‑09‑2025
Conclusie 12‑12‑2024
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Ruimte van vrijheid, veiligheid en recht — Justitiële samenwerking in strafzaken — Kaderbesluit 2002/584/JBZ — Europees aanhoudingsbevel met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf — Grond tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel — Verbintenis van de uitvoerende lidstaat om de aan de gezochte persoon opgelegde vrijheidsstraf zelf ten uitvoer te leggen — Kaderbesluit 2008/909/JBZ — Wederzijdse erkenning van strafvonnissen met het oog op de tenuitvoerlegging ervan in een andere lidstaat — Geen toestemming van de uitvaardigende lidstaat — Recht van de uitvaardigende lidstaat om de straf zelf ten uitvoer te leggen — Handhaving van het Europees aanhoudingsbevel — Verplichting van de uitvoerende rechterlijke autoriteit om het Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen
J. Richard de la tour
Partij(en)
Zaak C-305/221.
C.J.
Strafprocedure
[verzoek van de Curte de Apel București (rechter in tweede aanleg Boekarest, Roemenië) om een prejudiciële beslissing]
I. Inleiding
1.
Gelet op het verband tussen zaak C-305/22 en zaak C-595/23 lijkt het mij ter zake dienend om in deze beide zaken één conclusie te nemen. Het is mijns inziens van belang te wijzen op de problemen die kunnen ontstaan door de manier waarop de Italiaanse rechterlijke autoriteiten uitvoering geven aan de grond tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging die is vermeld in artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten2..
2.
Zaak C-595/23 is namelijk een treffend voorbeeld van het systeemfalen dat zich kan voordoen wanneer de uitvoerende rechterlijke autoriteit in het kader van de toepassing van deze grond tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging voorbijgaat aan de voorschriften van kaderbesluit 2008/909/JBZ van de Raad van 27 november 2008 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op strafvonnissen waarbij vrijheidsstraffen of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregelen zijn opgelegd, met het oog op de tenuitvoerlegging ervan in de Europese Unie3..
A. Zaak C-305/22
3.
Het verzoek om een prejudiciële beslissing in zaak C-305/22 betreft de uitlegging van artikel 4, punten 5 en 6, en artikel 8, lid 1, onder c), van kaderbesluit 2002/584, alsmede van artikel 4, lid 2, artikel 22, lid 1, en artikel 25 van kaderbesluit 2008/909.
4.
Dit verzoek is ingediend in het kader van een nationale procedure waarin de Curte de Apel București (rechter in tweede aanleg Boekarest, Roemenië) zich moet uitspreken over de geldigheid van een nationaal bevel tot tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf die is opgelegd aan C.J., die in Italië verblijft, en over de geldigheid van een tegen hem uitgevaardigd Europees aanhoudingsbevel. De Italiaanse rechterlijke autoriteiten hebben geweigerd dit Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen op basis van de grond tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging als bedoeld in artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/5844.. Deze autoriteiten hebben tegelijkertijd besloten het vonnis te erkennen en de strafrechtelijke veroordeling van C.J. ten uitvoer te leggen, ondanks het door de Roemeense rechterlijke autoriteiten aangetekende verzet tegen de tenuitvoerlegging in Italië van die veroordeling.
5.
Op 23 januari 2024 heeft het Hof besloten zaak C-305/22 naar de Eerste kamer te verwijzen. Op 13 maart 2024 heeft een terechtzitting plaatsgevonden en op 13 juni 2024 heb ik in die zaak een conclusie genomen5., die overeenkomstig het verzoek van het Hof was toegespitst op de eerste, de tweede en de derde prejudiciële vraag van de Curte de Apel București.
6.
In die conclusie heb ik het Hof in overweging gegeven om aan de verwijzende rechter te antwoorden dat artikel 4, punt 6, en artikel 8, lid 1, onder c), van kaderbesluit 2002/584 alsmede artikel 4, leden 2 en 5, artikel 8, lid 1, artikel 22, lid 1, en artikel 25 van kaderbesluit 2008/909 aldus moeten worden uitgelegd dat een rechterlijke autoriteit niet mag weigeren een met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf uitgevaardigd Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen door zich op de in eerstgenoemde bepaling genoemde grond tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging te beroepen, wanneer de strafrechtelijke veroordeling in strijd met de procedure en de voorwaarden van kaderbesluit 2008/909 wordt erkend en ten uitvoer gelegd. In die situatie behoudt de uitvaardigende lidstaat het recht om die straf ten uitvoer te leggen en staat het aan de uitvoerende rechterlijke autoriteit om het Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen door de gezochte persoon aan die lidstaat over te leveren.
7.
Op verzoek van de Eerste kamer, dat is gedaan overeenkomstig artikel 60, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, heeft het Hof op 9 juli 2024 besloten dat zaak C-305/22 naar de Grote kamer wordt verwezen en dat een conclusie wordt genomen die is toegespitst op de eerste, de tweede en de derde prejudiciële vraag.
8.
Derhalve heeft het Hof overeenkomstig artikel 83 van zijn Reglement voor de procesvoering bij beschikking van 13 september 2024, C.J. (Tenuitvoerlegging van een vonnis naar aanleiding van een EAB)6., de heropening van de mondelinge behandeling bevolen en partijen voor een nieuwe terechtzitting opgeroepen. De in artikel 23 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie bedoelde belanghebbenden zijn ter terechtzitting verzocht hun eventuele standpunt kenbaar te maken met betrekking tot de vragen in de bijlage bij die beschikking.
9.
De Roemeense, de Tsjechische, de Franse en de Nederlandse regering alsmede de Europese Commissie hebben deelgenomen aan de terechtzitting van 14 oktober 2024.
10.
Tijdens die terechtzitting zijn de door de deelnemers ter terechtzitting van 13 maart 2024 naar voren gebrachte standpunten herhaald op basis van in wezen identieke argumenten.
11.
Aldus staan er nog steeds twee standpunten lijnrecht tegenover elkaar. Terwijl de Nederlandse regering betoogt dat de in artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584 bedoelde grond tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging buiten het kader van kaderbesluit 2008/909 kan worden toegepast, zijn de andere deelnemers aan de onderhavige procedure het tegengestelde standpunt toegedaan. Wat die andere deelnemers betreft onderscheidt het standpunt van de Tsjechische regering zich van dat van de Roemeense regering, de Franse regering en de Commissie, voor zover zij, anders dan laatstgenoemden, van mening lijkt te zijn dat voor de toepassing van deze grond tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging geen toestemming vereist is van de veroordelende lidstaat, terwijl zij erkent dat de erkenning van het vonnis en de tenuitvoerlegging van de sanctie moeten plaatsvinden overeenkomstig kaderbesluit 2008/909.
12.
Na de standpunten van de deelnemers aan de onderhavige procedure opnieuw te hebben gehoord, blijf ik van mening dat de analyse die ik in mijn conclusie van 13 juni 2024 heb uiteengezet, de enige is op basis waarvan ten eerste de door kaderbesluit 2002/584 nagestreefde doelstelling van bestrijding van straffeloosheid, en ten tweede de doelstelling van het bevorderen van de reclassering van de gevonniste persoon, die wordt nagestreefd zowel in artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584 als in kaderbesluit 2008/909, kunnen worden gewaarborgd. In het bijzonder mag artikel 25 van laatstgenoemd kaderbesluit mijns inziens niet zodanig worden uitgelegd dat afbreuk wordt gedaan aan de doelstelling die ertoe strekt straffeloosheid van de betrokkene te voorkomen, hetgeen impliceert dat de straf zowel wat de aard als wat de duur ervan betreft daadwerkelijk ten uitvoer wordt gelegd.7. Voorts moet worden benadrukt dat deze doelstelling uitdrukkelijk is vermeld in het laatste gedeelte van dat artikel.
13.
Bijgevolg verwijs ik het Hof naar mijn eerdere conclusie, die ik bevestig en volledig herhaal.
B. Zaak C-595/23
14.
Het verzoek om een prejudiciële beslissing in zaak C-595/23 betreft de uitlegging van artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584, artikel 22, lid 1, en artikel 25 van kaderbesluit 2008/909, alsmede overweging 46 en de artikelen 24, 25 en 26 en artikel 55, lid 1, van verordening (EU) 2018/1862 van het Europees Parlement en de Raad van 28 november 2018 betreffende de instelling, de werking en het gebruik van het Schengeninformatiesysteem (SIS) op het gebied van politiële en justitiële samenwerking in strafzaken, tot wijziging en intrekking van besluit 2007/533/JBZ van de Raad en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1986/2006 van het Europees Parlement en de Raad en besluit 2010/261/EU van de Commissie8., zoals gewijzigd bij verordening (EU) 2022/1190 van het Europees Parlement en de Raad van 6 juli 20229..
15.
Dit verzoek is ingediend in het kader van een procedure betreffende de tenuitvoerlegging, in Italië, van een Europees aanhoudingsbevel dat door de Roemeense autoriteiten tegen EDS is uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf.
16.
De achtergrond van de onderhavige zaak is dezelfde als die in zaak C-305/22, namelijk dat de Roemeense en de Italiaanse rechterlijke autoriteiten de voorwaarden waaraan moet worden voldaan bij de toepassing van de in artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584 genoemde grond tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging, op verschillende wijze benaderen.
17.
Dit verschil in benadering ligt ten grondslag aan de problematiek die centraal staat in de onderhavige zaak, namelijk de vraag welke autoriteit bevoegd is om een signalering10. uit SIS te verwijderen met betrekking tot de persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, waarvan de uitvoerende rechterlijke autoriteit de tenuitvoerlegging op grond van deze bepaling weigert, maar daarbij voorbijgaat aan de procedure en de voorwaarden van kaderbesluit 2008/909.
II. Feiten van het hoofdgeding en prejudiciële vragen in zaak C-595/23
18.
Op 10 juli 2017 is EDS in Roemenië veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf jaar en zes maanden.
19.
Op 8 februari 2019 heeft de Curte de Apel București tegen EDS een Europees aanhoudingsbevel uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van die strafrechtelijke beslissing. Tegelijkertijd hebben de bevoegde Roemeense autoriteiten in SIS een signalering opgenomen met het oog op de aanhouding van EDS ten behoeve van zijn overlevering aan Roemenië op grond van dit Europees aanhoudingsbevel.
20.
EDS is op 13 januari 2020 aangehouden in Italië.
21.
Bij uitspraak van 15 september 2020 heeft de verwijzende rechter, te weten de Corte d'appello di Napoli (rechter in tweede aanleg Napels, Italië), de overlevering van EDS met het oog op de tenuitvoerlegging van de in Roemenië opgelegde straf geweigerd op basis van de weigeringsgrond van artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584. Voorts heeft deze rechter de strafrechtelijke veroordeling van de Roemeense rechterlijke autoriteit van 10 juli 2017 erkend, die ten grondslag ligt aan het Europees aanhoudingsbevel, en gelast dat de straf in Italië ten uitvoer wordt gelegd overeenkomstig het nationale recht.11. Met de tenuitvoerlegging van de straf is een aanvang gemaakt op 15 juli 2022.12.
22.
Uit de schriftelijke opmerkingen van de Roemeense regering blijkt dat de Corte d'appello di Napoli op 20 september 2022 op verzoek van de gezochte persoon de Roemeense autoriteiten heeft gevraagd of de tenuitvoerlegging van de straf overeenkomstig de rechtspraak van de Curte Constituțională (grondwettelijk hof, Roemenië)13. inzake de verjaring van de strafrechtelijke aansprakelijkheid werd geacht te zijn verjaard. Op 29 september 2022 hebben de Roemeense autoriteiten meegedeeld dat er geen enkele definitieve rechterlijke beslissing was gegeven waarin was vastgesteld dat de strafrechtelijke aansprakelijkheid was verjaard.
23.
Op 11 oktober 2022 heeft de verwijzende rechter de tenuitvoerlegging van de straf beëindigd en de erkenning van het Roemeense strafrechtelijke veroordeling ingetrokken op grond dat dit vonnis niet langer uitvoerbaar was, waarbij hij zich heeft gebaseerd op de arresten nr. 297/2018 en nr. 358/2022 van de Curte Constituțională.
24.
Op 24 augustus 2022 heeft het Ministero della Giustizia (ministerie van Justitie, Italië) de Roemeense autoriteiten verzocht de signalering uit SIS te verwijderen. De Roemeense autoriteiten hebben op 30 augustus 2022 geantwoord dat het Europees aanhoudingsbevel niet was ingetrokken aangezien er een verzoek om een prejudiciële beslissing was ingediend bij het Hof, zodat de behandeling van de zaak was geschorst.
25.
Bij uitspraak van 2 februari 2023 heeft de Curte de Apel București dit verzoek om een prejudiciële beslissing dat deze rechterlijke instantie in de zaak AR (C-179/22) bij het Hof had ingediend, ingetrokken en het verzoek van EDS tot intrekking van het hem betreffende Europees aanhoudingsbevel en tot verwijdering van de signalering uit SIS, afgewezen.
26.
Bijgevolg heeft het Italiaanse ministerie van Justitie bij de Curte de Apel București en het Ministeru Justiției (ministerie van Justitie, Roemenië) twee verzoeken ingediend op respectievelijk 9 maart 2023 en 9 mei 2023 die ertoe strekken dat de Roemeense autoriteiten het Europees aanhoudingsbevel intrekken en de signalering uit SIS verwijderen.
27.
Bij arrest van 11 maart 2023 heeft de Înaltă Curte de Casație și Justiție (hoogste rechterlijke instantie, Roemenië) het beroep dat EDS had ingesteld tegen de uitspraak van 2 februari 2023 van de Curte de Apel București verworpen en geoordeeld dat, voor zover de Roemeense strafrechtelijke veroordeling met het oog op de tenuitvoerlegging ervan in Italië was erkend, elke kwestie met betrekking tot die tenuitvoerlegging uitsluitend viel onder de bevoegdheid van de Italiaanse uitvoerende rechter, als rechter van de lidstaat waar het erkende vonnis ten uitvoer wordt gelegd.
28.
In die omstandigheden heeft EDS zich tot de verwijzende rechter gewend en met name aangevoerd dat hij alle rechtsmiddelen en beroepsmogelijkheden waarin het Roemeense recht voorziet heeft uitgeput en dat deze feitelijke situatie leidt tot een onrechtmatige beperking van zijn persoonlijke vrijheid en van zijn recht van vrij verkeer, aangezien hij zich, zolang de signalering niet uit SIS is verwijderd, niet naar het grondgebied van een andere lidstaat kan begeven zonder een reëel risico te lopen te worden aangehouden.
29.
In dit verband wijst EDS erop dat hij in augustus 2021, na de uitspraak van de Corte d'appello di Napoli waarbij de overlevering is geweigerd en vóór de aanvang van de tenuitvoerlegging van de erkende straf, op vakantie is gegaan naar Griekenland, waar hij door de politie van het eiland Mikonos is aangehouden ter uitvoering van het op 8 februari 2019 door de Curte de Apel București uitgevaardigde Europees aanhoudingsbevel.
30.
Bijgevolg verzoekt EDS de verwijzende rechter te gelasten dat zijn signalering uit SIS wordt verwijderd en het tegen hem uitgevaardigde Europees aanhoudingsbevel wordt ingetrokken.
31.
Deze rechter zet met het oog op de beslissing op dit verzoek de stand van het Italiaanse recht op dit gebied uiteen.
32.
Zo volgt uit artikel 18 bis, met als opschrift ‘Gronden voor facultatieve weigering van de overlevering’, van legge n. 69 — Disposizioni per conformare il diritto interno alla decisione quadro 2002/584/GAI del Consiglio, del 13 giugno 2002, relativa al mandato d'arresto europeo e alle procedure di consegna tra Stati membri (wet nr. 69 houdende bepalingen tot omzetting van kaderbesluit [2002/584])14. van 22 april 2005, in de op het hoofdgeding toepasselijke versie, dat indien het Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel, de Corte d'appello de overlevering kan weigeren indien de gezochte persoon een Italiaans onderdaan is of onderdaan van een andere lidstaat is die rechtmatig en daadwerkelijk ingezetene is of verblijf heeft in Italië, mits deze rechterlijke instantie gelast dat deze straf of veiligheidsmaatregel in Italië ten uitvoer wordt gelegd overeenkomstig het nationale recht.
33.
Artikel 16 van decreto legislativo n. 161 — Disposizioni per conformare il diritto interno alla Decisione quadro 2008/909/GAI relativa all'applicazione del principio del reciproco riconoscimento alle sentenze penali che irrogano pene detentive o misure privative della libertà personale, ai fini della loro esecuzione nell'Unione europea (wetsbesluit nr. 161/2010 houdende bepalingen tot omzetting van kaderbesluit [2008/909])15. van 7 september 2010, bepaalt dat in geval van erkenning van de buitenlandse rechterlijke beslissing de straf ten uitvoer wordt gelegd overeenkomstig het Italiaanse recht, met inbegrip van de toepasselijke bepalingen inzake kwijtschelding van de straf en gratie.
34.
Voorts blijkt uit artikel 24 van dit wetsbesluit dat de Corte d'appello, wanneer hij de overlevering weigert waarom is verzocht middels een Europees aanhoudingsbevel dat is gebaseerd op een strafrechtelijke veroordeling, en de tenuitvoerlegging van de straf op het Italiaanse grondgebied gelast, tegelijkertijd die aan het Europees aanhoudingsbevel ten grondslag liggende strafrechtelijke veroordeling moet erkennen met het oog op de tenuitvoerlegging ervan in Italië, indien aan de voorwaarden daarvoor is voldaan.
35.
De verwijzende rechter verduidelijkt dat, aangezien aan de voorwaarden ten gunste van EDS was voldaan, drie jaar van de erkende straf — een vrijheidsstraf met een duur van vijf jaar en zes maanden — is kwijtgescholden op grond van legge n. 241 — Concessione di indulto (wet nr. 241 houdende verlening van gratie)16. van 31 juli 2006.
36.
Deze rechter is van oordeel dat EDS als gevolg van de weigering om hem aan de Roemeense autoriteiten over te leveren, de erkenning van het strafvonnis met het oog op de tenuitvoerlegging ervan in Italië en de aanvang van de tenuitvoerlegging van de in Italië erkende straf, er recht op heeft dat het tegen hem uitgevaardigde Europees aanhoudingsbevel wordt ingetrokken en dat de tegelijkertijd in SIS opgenomen signalering wordt gewist.
37.
Die verwijzende rechter merkt evenwel op dat het Italiaanse recht de Italiaanse rechter, als rechter van de uitvoerende lidstaat, niet de bevoegdheid verleent om te gelasten dat het door een andere lidstaat uitgevaardigde Europees aanhoudingsbevel wordt ingetrokken en dat de door de uitvaardigende lidstaat in SIS opgenomen signalering wordt gewist. Hieruit volgt dat het verzoek van EDS niet kon worden ingewilligd op grond van louter het Italiaanse recht.
38.
Bijgevolg moet volgens de verwijzende rechter worden nagegaan of een rechterlijke instantie van de uitvoerende lidstaat krachtens het Unierecht bevoegd kan zijn om te gelasten dat het door een andere lidstaat uitgevaardigde Europees aanhoudingsbevel wordt ingetrokken en dat de door de uitvaardigende lidstaat in SIS opgenomen signalering wordt gewist.
39.
In dit verband citeert deze rechter artikel 55, lid 1, van de SIS-verordening waarin is bepaald dat ‘[s]ignaleringen met het oog op aanhouding ten behoeve van overlevering of uitlevering op grond van artikel 26 worden gewist zodra de betrokken persoon is overgeleverd of uitgeleverd aan de bevoegde autoriteiten van de signalerende lidstaat. Een signalering wordt tevens gewist wanneer de justitiële beslissing die aan de signalering ten grondslag lag, door de bevoegde justitiële autoriteit overeenkomstig het nationaal recht is ingetrokken. Een signalering wordt tevens gewist na het verstrijken van een signalering overeenkomstig artikel 53.’
40.
De verwijzende rechter merkt op dat deze bepaling niet voorziet in het wissen van de in SIS opgenomen signalering wanneer de overlevering is geweigerd op grond van artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584 en de tenuitvoerlegging van de straf op het grondgebied van de uitvoerende lidstaat overeenkomstig het nationale recht is gelast nadat de strafrechtelijke veroordeling was erkend in de zin van artikel 25 van kaderbesluit 2008/909. In een dergelijke situatie zou moeten worden geoordeeld dat het Europees aanhoudingsbevel, net als in de situatie waarin de gezochte persoon is overgeleverd, geen gevolgen meer heeft, zodat de betrokkene niet meer hoeft te worden gezocht en aangehouden in het kader van dat aanhoudingsbevel. Overweging 46 van de SIS-verordening pleit overigens voor verwijdering van de signalering, aangezien daarin staat te lezen dat ‘[e]en signalering […] niet langer [mag] worden bewaard dan nodig is voor het doel waarvoor de signalering is opgenomen’.
41.
Volgens de verwijzende rechter bevat deze verordening dus een leemte die door het Hof dient te worden opgevuld door middel van uitlegging, teneinde de situatie waarin de in artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584 genoemde grond tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging wordt toegepast, uit te breiden tot de situatie waarin de signalering moet worden gewist omdat de overlevering van de gezochte persoon heeft plaatsgevonden.
42.
Bijgevolg is deze rechter van oordeel dat wanneer de uitvaardigende lidstaat, die de signalering overeenkomstig artikel 26 van de SIS-verordening in SIS heeft ingevoerd, deze signalering niet verwijdert overeenkomstig het aldus uitgelegde artikel 55, lid 1, van die verordening, de uitvoerende lidstaat het Sirene-bureau17. van de uitvaardigende lidstaat om die verwijdering kan verzoeken. In dit verband verwijst de verwijzende rechter naar de artikelen 24 en 25 van die verordening, die voorzien in de mogelijkheid voor een lidstaat om de signalerende lidstaat te verzoeken een markering aan te brengen in de signalering.18.
43.
In deze omstandigheden heeft de Corte d'appello di Napoli de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
‘Moeten
- —
artikel 4, punt 6, van kaderbesluit [2002/584],
- —
artikel 22, lid 1, en artikel 25 van kaderbesluit [2008/909],
- —
de artikelen 24, 25 en 26 en artikel 55, lid 1, van [de SIS-verordening], en
- —
overweging 46 van [de SIS-verordening], in hun onderlinge samenhang gelezen,
aldus worden uitgelegd dat
- a)
wanneer de uitvoerende staat de overlevering van de persoon heeft geweigerd waarom de uitvaardigende staat heeft verzocht middels een Europees aanhoudingsbevel dat is uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van een strafvonnis, het vonnis heeft erkend en de tenuitvoerlegging van de straf op zijn grondgebied overeenkomstig zijn nationale recht heeft gelast, en met de tenuitvoerlegging is begonnen, de uitvaardigende staat verplicht is om de in SIS ingevoerde signalering te wissen en het Europees aanhoudingsbevel in te trekken?
- b)
zolang de uitvaardigende staat het Europees aanhoudingsbevel niet heeft ingetrokken en de signalering niet heeft gewist, de rechterlijke autoriteit van de uitvoerende staat bevoegd is om het Sirene-bureau van de uitvaardigende staat te verzoeken om de signalering uit SIS te verwijderen, en dat Sirene-bureau verplicht is om dit verzoek in te willigen?’
44.
De verwijzende rechter heeft verzocht om de prejudiciële spoedprocedure van artikel 107 van het Reglement voor de procesvoering toe te passen. Bij beslissing van 9 oktober 2023 heeft het Hof dit verzoek afgewezen.
45.
Bij afzonderlijk verzoek, neergelegd ter griffie van het Hof op 18 oktober 2023, heeft de verwijzende rechter tevens verzocht om behandeling volgens de versnelde procedure van artikel 105 van het Reglement voor de procesvoering, hetgeen bij beschikking van de president van het Hof van 5 december 2023 is afgewezen.19.
46.
Bij beslissing van de president van het Hof van 24 april 2024 is aan de verwijzende rechter een verzoek om inlichtingen gericht om na te gaan of een signalering betreffende EDS ondanks de tijd die is verstreken nog steeds in SIS was opgenomen en, indien deze vraag ontkennend zou worden beantwoord, of deze rechter zijn verzoek om een prejudiciële beslissing wenste te handhaven.
47.
Na het antwoord van de verwijzende rechter van 3 mei 2024 op dit verzoek om inlichtingen is de procedure bij het Hof hervat.
48.
Op 17 juni 2024 is de behandeling van de onderhavige zaak krachtens artikel 55, lid 1, onder b), van het Reglement voor de procesvoering geschorst in afwachting van de eindbeslissing in zaak C-305/22.
49.
Naar aanleiding van de beslissing van de Eerste kamer om het Hof krachtens artikel 60, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering te verzoeken zaak C-305/22 naar de Grote kamer te verwijzen en de mondelinge behandeling te heropenen overeenkomstig artikel 83 daarvan, is op 18 juli 2024 besloten de schorsing op te heffen en de behandeling van de onderhavige zaak te hervatten.
50.
EDS, de Italiaanse en de Roemeense regering alsmede de Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend en de terechtzitting van 14 oktober 2024 bijgewoond, waarbij zij onder andere hebben geantwoord op de mondelinge vragen van het Hof.
III. Analyse
51.
In zijn verzoek om een prejudiciële beslissing in zaak C-595/23 stelt de verwijzende rechter het Hof twee vragen.
52.
Ten eerste wenst deze rechter in wezen te vernemen of de uitvaardigende lidstaat verplicht is om de in SIS ingevoerde signalering te wissen en het Europees aanhoudingsbevel in te trekken, wanneer een rechterlijke autoriteit van een lidstaat op grond van artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584 heeft geweigerd dit met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf uitgevaardigde Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen en zij het vonnis waarbij die straf is opgelegd heeft erkend en met de tenuitvoerlegging van die straf in die lidstaat is begonnen.
53.
Ten tweede wenst de verwijzende rechter te vernemen of de uitvoerende lidstaat, zolang de uitvaardigende lidstaat het Europees aanhoudingsbevel niet heeft ingetrokken en de signalering niet heeft gewist, een verzoek tot deze uitvaardigende lidstaat kan richten opdat deze de signalering uit SIS verwijdert, en of die lidstaat verplicht is dit verzoek in te willigen.
A. Ontvankelijkheid
54.
In de eerste plaats merkt de Commissie op dat de onderhavige zaak betrekking heeft op een door de Roemeense autoriteiten uitgevaardigd Europees aanhoudingsbevel en een door hen afgegeven signalering, zodat de eerste prejudiciële vraag betrekking heeft op een verplichting die in voorkomend geval op deze autoriteiten rust, en de Italiaanse rechter dienaangaande derhalve niet bevoegd is. Deze vraag is dus een abstracte en hypothetische vraag in het kader van een bij een Italiaanse rechter aanhangige zaak en kan enkel in verband met de tweede vraag van de verwijzende rechter in aanmerking worden genomen.
55.
Mijns inziens kan uit de omstandigheid dat de eerste vraag betrekking heeft op de eventuele verplichting van de uitvaardigende lidstaat om de signalering uit SIS te verwijderen in een situatie als die in het hoofdgeding, niet worden afgeleid dat deze vraag hypothetisch is. Aangezien EDS van de Roemeense rechterlijke autoriteiten niet gedaan had gekregen dat zijn signalering werd gewist, heeft hij zich immers tot de verwijzende rechter gewend, die het Hof terecht vraagt of er sprake is van een dergelijke verplichting teneinde de omvang van zijn eigen bevoegdheid ter zake te bepalen, zodat er mijns inziens geen reden is om aan te nemen dat de eerste vraag niet-ontvankelijk is. Na deze verduidelijking lijkt het mij passend om de twee vragen van de verwijzende rechter gezamenlijk te onderzoeken, voor zover zij ertoe strekken vast te stellen welke verplichtingen en bevoegdheden de bevoegde autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat respectievelijk de bevoegde autoriteiten van de uitvoerende lidstaat hebben met betrekking tot het wissen van een signalering naar aanleiding van een weigering om een Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen op grond van artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584.
56.
In de tweede plaats merk ik op dat het Europees aanhoudingsbevel op 8 februari 2019 tegen EDS is uitgevaardigd en dat de signalering op 11 februari 2019 in SIS is opgenomen op grond van artikel 26, lid 1, van de SIS-verordening.
57.
Overeenkomstig artikel 53, lid 2, van deze verordening is een signalering als die in het hoofdgeding, behoudens verlenging, geldig voor een periode van ten hoogste vijf jaar, en moet binnen deze periode van vijf jaar worden getoetst of de signalering moet worden gehandhaafd. Volgens artikel 53, lid 7, van de SIS-verordening wordt een signalering na afloop van de in de leden 2, 3 en 4 van dat artikel bedoelde toetsingstermijn automatisch gewist, tenzij de signalering overeenkomstig lid 6 van dat artikel is verlengd.
58.
De verwijzende rechter is gevraagd of de signalering ten aanzien van EDS nog steeds actief was dan wel of deze in februari 2024 automatisch was gewist, zodat het verzoek om een prejudiciële beslissing zonder voorwerp zou zijn geraakt. Tevens is aan deze rechter gevraagd of hij zijn verzoek om een prejudiciële beslissing wenste te handhaven ingeval de signalering in SIS ten aanzien van EDS niet meer actief zou zijn.
59.
In zijn brief van 3 mei 2024 heeft deze rechter bevestigd dat hij zijn verzoek om een prejudiciële beslissing wenste te handhaven. Naar aanleiding van het verzoek om informatie van het Hof had de verwijzende rechter de Sirene-afdeling in Italië namelijk verzocht om na te gaan of de signalering van 11 februari 2019 nog steeds in SIS was opgenomen, of zij nog geldig was, of zij was verlengd, en of andere signaleringen met betrekking tot hetzelfde Europees aanhoudingsbevel waren ingevoerd door de Sirene-afdeling in Roemenië.
60.
In haar nota van 2 mei 2024 heeft de Sirene-afdeling in Italië deze rechter geantwoord dat ‘de betrokken signalering nog steeds in de SIS II-gegevensbank is opgenomen. Na de aanhouding van de gezochte persoon is die signalering van een markering (flag) voorzien’.
61.
In die omstandigheden moet ervan worden uitgegaan, zoals de verwijzende rechter opmerkt, dat de signalering ten aanzien van EDS nog steeds actief is. Dit is ter terechtzitting bevestigd door de Roemeense regering, die erop heeft gewezen dat deze signalering was verlengd.
62.
Gelet op het voorgaande ben ik van mening dat de prejudiciële verwijzing ontvankelijk is.
B. Ten gronde
63.
SIS is het mechanisme waarmee de nationale autoriteiten elkaar informatie verstrekken met het oog op de politiële en justitiële samenwerking in strafzaken. Volgens artikel 1 van de SIS-verordening heeft SIS ‘tot doel met behulp van de via dit systeem gecommuniceerde informatie een hoog niveau van veiligheid te garanderen in de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht in de Europese Unie, onder meer door handhaving van de openbare orde en veiligheid en vrijwaring van de veiligheid op het grondgebied van de lidstaten, en heeft [het] eveneens tot doel de toepassing te garanderen van de bepalingen van het derde deel, titel V, hoofdstukken 4 en 5, VWEU inzake het verkeer van personen op het grondgebied van de lidstaten’.
64.
Overeenkomstig artikel 4, lid 1, van de SIS-verordening bestaat SIS onder meer uit een centraal systeem en een nationaal systeem in elke lidstaat, die onderling met elkaar verbonden zijn. Uit artikel 4, lid 2, van deze verordening volgt dat SIS-gegevens door de lidstaten worden ingevoerd, bijgewerkt en gewist en opgezocht via hun eigen nationale systeem.
65.
Het gehele mechanisme voor informatie-uitwisseling is gebaseerd op signaleringen van personen en voorwerpen.
66.
Benadrukt moet worden dat de lidstaat die een signalering in SIS invoert en die de ‘signalerende lidstaat’ in de zin van artikel 3, punt 9, van de SIS-verordening is, een centrale rol speelt.
67.
Overeenkomstig artikel 26, lid 1, van deze verordening worden ‘[s]ignaleringen van personen met het oog op aanhouding ten behoeve van overlevering op basis van een Europees aanhoudingsbevel, of signaleringen van personen met het oog op aanhouding ten behoeve van uitlevering, […] op verzoek van de justitiële autoriteit van de signalerende lidstaat ingevoerd’. Voorts bepaalt artikel 27, lid 1, van die verordening dat ‘[i]ndien een persoon wordt gezocht op basis van een Europees aanhoudingsbevel met het oog op aanhouding ten behoeve van overlevering, […] de signalerende lidstaat een kopie van het originele Europees aanhoudingsbevel in SIS [opneemt]’.
68.
Artikel 59, lid 1, van de SIS-verordening bepaalt dat ‘[e]en signalerende lidstaat […] verantwoordelijk [is] voor de juistheid en actualiteit van de gegevens, alsmede voor de rechtmatige invoering en opslag van de gegevens in SIS’.
69.
Daarnaast bepaalt artikel 59, lid 3, van deze verordening dat ‘[a]lleen de signalerende lidstaat […] bevoegd [is] de door hem in SIS ingevoerde gegevens te wijzigen, aan te vullen, te corrigeren, bij te werken of te wissen’.
70.
Uit deze bepalingen vloeit voort dat alleen de signalerende lidstaat verantwoordelijk is voor het handhaven of het wissen van een signalering. De uitvoerende lidstaat kan het Sirene-bureau van de signalerende lidstaat weliswaar verzoeken die signalering te wissen en de betrokkenen kunnen zich overeenkomstig artikel 67, lid 1, en artikel 68, lid 1, van de SIS-verordening20. weliswaar tot de bevoegde autoriteiten van die lidstaat wenden, maar dit neemt niet weg dat de definitieve beslissing dienaangaande, na een onderzoek van de specifieke omstandigheden van elk individueel geval, bij die lidstaat berust. Voorts moet worden opgemerkt dat de exclusieve verantwoordelijkheid van de signalerende lidstaat in verband met het handhaven of het wissen van een signalering strookt met de exclusieve verantwoordelijkheid van de uitvaardigende rechterlijke autoriteit van die lidstaat in verband met het handhaven of intrekken van een Europees aanhoudingsbevel, dat de basis kan vormen voor een dergelijke signalering.
71.
Wat situaties betreft waarin de signalerende lidstaat de door hem in SIS opgenomen signalering mogelijk moet wissen, merk ik op dat volgens artikel 53, lid 1, van de SIS-verordening ‘[s]ignaleringen van personen […] niet langer [worden] bewaard dan nodig is voor het met de invoering nagestreefde doel’21.. In dit artikel worden ook de toetsingstermijnen voor signaleringen vastgesteld en wordt meer in het bijzonder bepaald dat een signalering die is ingevoerd voor de in artikel 26 van de SIS-verordening genoemde doelstellingen, geldt voor een periode van vijf jaar. De lidstaten kunnen overeenkomstig het nationale recht evenwel kortere toetsingstermijnen vaststellen.22. Vóór het verstrijken van de toetsingstermijn kan de signalerende lidstaat op grond van een uitgebreide individuele beoordeling besluiten de signalering langer dan de toetsingstermijn te handhaven indien dit noodzakelijk blijkt voor en evenredig is aan het met de signalering nagestreefde doel.23.
72.
Voorts herinner ik eraan dat artikel 55, lid 1, van de SIS-verordening bepaalt dat ‘[s]ignaleringen met het oog op aanhouding ten behoeve van overlevering of uitlevering op grond van artikel 26 worden gewist zodra de betrokken persoon is overgeleverd of uitgeleverd aan de bevoegde autoriteiten van de signalerende lidstaat. Een signalering wordt tevens gewist wanneer de justitiële beslissing die aan de signalering ten grondslag lag, door de bevoegde justitiële autoriteit overeenkomstig het nationaal recht is ingetrokken. Een signalering wordt tevens gewist na het verstrijken van een signalering overeenkomstig artikel 53.’
73.
Zoals de verwijzende rechter terecht opmerkt voorziet deze bepaling niet uitdrukkelijk in het wissen van de in SIS opgenomen signalering wanneer de overlevering is geweigerd op grond van artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584 en de tenuitvoerlegging van de straf op het grondgebied van de uitvoerende lidstaat overeenkomstig het nationale recht is gelast nadat de strafrechtelijke veroordeling is erkend krachtens kaderbesluit 2008/909.
74.
Ik ben evenwel van mening dat het overeenkomstig artikel 53, lid 1, van de SIS-verordening aan de signalerende lidstaat staat om na te gaan of, wanneer de in artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584 bedoelde grond tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging door de uitvoerende lidstaat wordt toegepast, het doel waarvoor de signalering van de gezochte persoon in SIS is opgenomen, is verwezenlijkt. Indien dit het geval is, dient de signalerende lidstaat de signalering te wissen.24. De beslissing van die lidstaat zal dan in hoge mate afhangen van het oordeel van de uitvaardigende rechterlijke autoriteit over de vraag of het Europees aanhoudingsbevel ten aanzien van die persoon al dan niet moet worden gehandhaafd.
75.
In dit verband heeft het Hof in het arrest van 29 juli 2024, Breian25., geoordeeld dat ‘[g]een enkele bepaling van kaderbesluit 2002/584 [uitsluit] dat de uitvaardigende autoriteit het verzoek om overlevering op grond van een Europees aanhoudingsbevel handhaaft wanneer de uitvoerende autoriteit van een lidstaat heeft geweigerd dat aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen’26., hoewel een dergelijke weigering de uitvaardigende rechterlijke autoriteit ertoe moet aanzetten oplettend te zijn27..
76.
In het bijzonder kan de handhaving van een Europees aanhoudingsbevel door de uitvaardigende rechterlijke autoriteit noodzakelijk zijn — met name nadat de elementen die hebben geleid tot de weigering van het eerdere verzoek om overlevering zijn weggenomen, of wanneer de beslissing tot weigering niet in overeenstemming was met het Unierecht — teneinde de procedure tot overlevering van een gezochte persoon te voltooien en aldus de verwezenlijking van de door dit kaderbesluit nagestreefde doelstelling van bestrijding van straffeloosheid te bevorderen.28.
77.
Mijns inziens mag een rechterlijke autoriteit niet weigeren een met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf uitgevaardigd Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen door zich op de in artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584 genoemde grond tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging te beroepen, wanneer de strafrechtelijke veroordeling in strijd met de procedure en de voorwaarden van kaderbesluit 2008/909 wordt erkend en ten uitvoer gelegd. In die situatie kan dat Europees aanhoudingsbevel door de uitvaardigende rechterlijke autoriteit worden gehandhaafd en behoudt de uitvaardigende lidstaat het recht om die straf ten uitvoer te leggen en staat het aan de uitvoerende rechterlijke autoriteit om dat Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen door de gezochte persoon aan die lidstaat over te leveren.
78.
In casu merk ik op dat uit het Italiaanse recht volgt dat een weigering tot overlevering op grond van artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584 gepaard gaat met de erkenning van de strafrechtelijke veroordeling waarop het Europees aanhoudingsbevel is gebaseerd, zonder dat toestemming van de veroordelende lidstaat vereist is. Hieruit volgt dat de uitvoerende lidstaat eenzijdig kan beslissen om dat vonnis op zijn grondgebied ten uitvoer te leggen, ook wanneer de veroordelende lidstaat zich daar uitdrukkelijk tegen verzet. In mijn conclusie van 13 juni 2024 in de zaak C.J. (Tenuitvoerlegging van een vonnis naar aanleiding van een EAB)29., waarnaar ik verwijs, heb ik in detail aangegeven waarom ik van mening ben dat, anders dan uit het Italiaanse recht en de praktijk van de Italiaanse rechterlijke autoriteiten voortvloeit, in het kader van de toepassing van de in die bepaling genoemde grond tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging, bij de erkenning en de tenuitvoerlegging van de strafrechtelijke veroordeling door de rechterlijke autoriteiten van de uitvoerende lidstaat de procedure en de voorwaarden van kaderbesluit 2008/909 in acht moeten worden genomen, wat betekent dat de veroordelende lidstaat toestemming moet hebben gegeven voor de overname van de tenuitvoerlegging van de straf door de uitvoerende lidstaat.
79.
Voorts betwijfel ik ten zeerste of de alternatieve maatregel van een proeftijd, die op EDS werd toegepast vanaf 15 juli 2022 en totdat de Corte d'appello di Napoli op 11 oktober 2022 de tenuitvoerlegging van de straf beëindigde en de beslissing tot erkenning van de strafrechtelijke veroordeling introk, verenigbaar is met artikel 22, lid 1, van kaderbesluit 2008/909.
80.
Deze bepaling bevat de regel dat de beslissingsstaat (oftewel de uitvaardigende lidstaat) niet tot de verdere tenuitvoerlegging van de sanctie overgaat, zodra de tenuitvoerlegging in de tenuitvoerleggingsstaat (oftewel de uitvoerende lidstaat) is ingegaan. De toepassing van deze regel veronderstelt mijns inziens dat aan twee voorwaarden is voldaan.
81.
Ten eerste moet de tenuitvoerlegging van de sanctie in de uitvoerende lidstaat hebben plaatsgevonden overeenkomstig de regels van kaderbesluit 2008/909. Dat is niet het geval wanneer een strafrechtelijke veroordeling wordt erkend in strijd met de procedures en voorwaarden van dat kaderbesluit en met name wanneer de uitvaardigende lidstaat het vonnis, vergezeld van het in dat kaderbesluit bedoelde certificaat, niet heeft toegezonden. Indien wordt aanvaard dat het begin van de tenuitvoerlegging van de straf in de uitvoerende lidstaat in een dergelijke situatie de uitvaardigende lidstaat de bevoegdheid kan ontnemen om die straf ten uitvoer te leggen, dan wordt de deur opengezet voor omzeiling van de regels van dat kaderbesluit.
82.
Ten tweede veronderstelt een begin van de tenuitvoerlegging van de sanctie in de zin van artikel 22, lid 1, van kaderbesluit 2008/909 dat de straf, zoals die is vastgesteld door de bevoegde rechterlijke autoriteit van de veroordelende lidstaat, zowel wat de aard als de duur ervan betreft, in de uitvoerende lidstaat ten uitvoer wordt gelegd. Ik merk op dat de tenuitvoerlegging in Italië van de gevangenisstraf die in Roemenië aan EDS is opgelegd, was opgeschort tot en met 15 juli 2022, terwijl die straf geen voorwaardelijke straf was. Bovendien is vanaf die datum niet deze gevangenisstraf ten uitvoer gelegd, maar een alternatieve maatregel van een proeftijd, en wel tot en met 11 oktober 2022, de datum waarop de verwijzende rechter de tenuitvoerlegging van de straf heeft beëindigd en de erkenning van de Roemeense strafrechtelijke veroordeling heeft ingetrokken. Zowel de opschorting van de tenuitvoerlegging van de straf als de wijziging van de aard ervan zijn, afgezien van de in artikel 8, leden 2 tot en met 4, van kaderbesluit 2008/90930. bedoelde gevallen van aanpassing van de sanctie, mijns inziens onverenigbaar met de vaststelling dat in Italië een aanvang is gemaakt met de tenuitvoerlegging van de in Roemenië aan EDS opgelegde gevangenisstraf, overeenkomstig artikel 22, lid 1, van dit kaderbesluit.
83.
Ik benadruk dat de naleving van deze voorwaarden essentieel is om ervoor te zorgen dat de regel dat de weigering om een Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen op grond van artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584 veronderstelt dat de uitvoerende lidstaat zich daadwerkelijk ertoe verbindt om de aan de gezochte persoon31. opgelegde vrijheidsstraf ten uitvoer te leggen, geen dode letter wordt.32.
84.
Voorts zij erop gewezen dat met de verbintenis die van de uitvoerende lidstaat wordt verlangd met het oog op de daadwerkelijke tenuitvoerlegging van de aan de gezochte persoon opgelegde vrijheidsstraf, zowel wat de aard als de duur ervan betreft, onverenigbaar is dat een rechterlijke autoriteit van die lidstaat beslist om de erkenning van de in de uitvaardigende lidstaat uitgesproken strafrechtelijke veroordeling in te trekken op grond dat dit vonnis niet langer uitvoerbaar is. Ik voeg hieraan toe dat, naar analogie met hetgeen het Hof in het arrest van 31 januari 2023, Puig Gordi e.a.33., heeft geoordeeld, de vaststelling door de uitvoerende rechterlijke autoriteit dat de strafrechtelijke aansprakelijkheid in de uitvaardigende lidstaat is verjaard — hoewel deze laatstgenoemde lidstaat heeft aangegeven dat op dit punt geen rechterlijke beslissing is gegeven — in strijd is met het beginsel van wederzijdse erkenning, dat volgens overweging 6 van kaderbesluit 2002/584 de hoeksteen van de gerechtelijke samenwerking vormt.34.
85.
Gelet op het voorgaande en onder voorbehoud van de door de verwijzende rechter te verrichten verificaties, is het mijns inziens uitgesloten dat de signalerende lidstaat in de omstandigheden van het hoofdgeding kan worden geacht verplicht te zijn om de signalering ten aanzien van EDS in SIS te wissen op grond dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit de in artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584 genoemde grond tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging heeft toegepast.
IV. Conclusie
86.
Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging de eerste, de tweede en de derde prejudiciële vraag van de Curte de Apel București in zaak C-305/22 te beantwoorden als volgt:
‘Artikel 4, punt 6, en artikel 8, lid 1, onder c), van kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten, alsmede artikel 4, leden 2 en 5, artikel 8, lid 1, artikel 22, lid 1, en artikel 25 van kaderbesluit 2008/909/JBZ van de Raad van 27 november 2008 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op strafvonnissen waarbij vrijheidsstraffen of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregelen zijn opgelegd, met het oog op de tenuitvoerlegging ervan in de Europese Unie,
moeten aldus worden uitgelegd dat
een rechterlijke autoriteit niet mag weigeren een met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf uitgevaardigd Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen door zich op de in eerstgenoemde bepaling genoemde grond tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging te beroepen, wanneer de strafrechtelijke veroordeling in strijd met de procedure en de voorwaarden van kaderbesluit 2008/909 wordt erkend en ten uitvoer gelegd. In die situatie kan dat Europees aanhoudingsbevel door de uitvaardigende rechterlijke autoriteit worden gehandhaafd, behoudt de uitvaardigende lidstaat het recht om die straf ten uitvoer te leggen en staat het aan de uitvoerende rechterlijke autoriteit om dat Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen door de gezochte persoon aan die lidstaat over te leveren.’
87.
Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vragen van de Corte d'appello di Napoli in zaak C-595/23 te beantwoorden als volgt:
‘Artikel 26, lid 1, artikel 27, lid 1, artikel 53, lid 1, artikel 55, lid 1, en artikel 59, leden 1 en 3, van verordening (EU) 2018/1862 van het Europees Parlement en de Raad van 28 november 2018 betreffende de instelling, de werking en het gebruik van het Schengeninformatiesysteem (SIS) op het gebied van politiële en justitiële samenwerking in strafzaken, tot wijziging en intrekking van besluit 2007/533/JBZ van de Raad en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1986/2006 van het Europees Parlement en de Raad en besluit 2010/261/EU van de Commissie, zoals gewijzigd bij verordening (EU) 2022/1190 van het Europees Parlement en de Raad van 6 juli 2022,
moeten aldus worden uitgelegd dat
wanneer een rechterlijke autoriteit op grond van artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584 weigert een met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf uitgevaardigd Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen, het uitsluitend aan de uitvaardigende lidstaat staat om na te gaan of de doelstelling waarvoor de signalering van de gezochte persoon in SIS is opgenomen, is verwezenlijkt, in welk geval deze signalering moet worden gewist.
Deze lidstaat mag ervan uitgaan dat die doelstelling niet is verwezenlijkt en dat die signalering dus moet worden gehandhaafd wanneer — in het kader van de toepassing door de uitvoerende rechterlijke autoriteit van de in die bepaling genoemde grond tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging — de strafrechtelijke veroordeling in strijd met de procedure en de voorwaarden van kaderbesluit 2008/909 wordt erkend en ten uitvoer gelegd. In die situatie kan de uitvaardigende rechterlijke autoriteit het immers noodzakelijk achten het Europees aanhoudingsbevel, dat de basis vormt voor de signalering van de gezochte persoon, te handhaven.’
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 12‑12‑2024
Oorspronkelijke taal: Frans.
PB 2002, L 190, blz. 1.
PB 2008, L 327, blz. 27.
Volgens deze bepaling kan de uitvoerende rechterlijke autoriteit de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel weigeren indien ‘het Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel, terwijl de gezochte persoon verblijft in of onderdaan of ingezetene is van de uitvoerende lidstaat en deze staat zich ertoe verbindt die straf of maatregel overeenkomstig zijn nationale recht zelf ten uitvoer te leggen’.
Conclusie in zaak C.J. (Tenuitvoerlegging van een vonnis naar aanleiding van een EAB) (C-305/22, EU:C:2024:508).
C-305/22, niet gepubliceerd, EU:C:2024:783.
Zie met name in die zin arrest van 15 april 2021, AV (Verzamelvonnis) (C-221/19, EU:C:2021:278, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Mijns inziens dient punt 48 van het arrest van 13 december 2018, Sut (C-514/17, EU:C:2018:1016), door het Hof zodanig te worden verduidelijkt dat duidelijk wordt aangegeven dat de toepassing van de in artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584 genoemde grond tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging niet ten koste mag gaan van de doelstelling die ertoe strekt de straffeloosheid van de betrokkene te voorkomen, hetgeen veronderstelt dat de procedure en de voorwaarden van kaderbesluit 2008/909 in acht worden genomen.
PB 2018, L 312, blz. 56.
PB 2022, L 185, blz. 1; hierna: ‘SIS-verordening’.
Volgens artikel 3, punt 1, van de SIS-verordening is een signalering ‘een in SIS ingevoerde reeks gegevens aan de hand waarvan de bevoegde autoriteiten een persoon of een voorwerp kunnen identificeren met het oog op het uitvoeren van een specifieke actie’.
In haar schriftelijke opmerkingen verduidelijkt de Roemeense regering dat de Roemeense autoriteiten de Italiaanse autoriteiten hebben meegedeeld dat zij de Italiaanse autoriteiten geen toestemming hadden verleend voor de erkenning van de in Roemenië uitgesproken definitieve strafrechtelijke veroordeling, en dat Roemenië het recht behoudt om die straf op zijn grondgebied ten uitvoer te leggen zolang er aan de Roemeense autoriteiten geen mededeling is gedaan van het begin van de tenuitvoerlegging van de straf in Italië.
In haar schriftelijke opmerkingen wijst de Roemeense regering erop dat geen aanvang is gemaakt met de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf van EDS waartoe deze persoon was veroordeeld, maar wel met de tenuitvoerlegging van de alternatieve maatregel van een proeftijd.
De rechtspraak waarnaar wordt verwezen, bestaat uit de arresten van de Curte Constituțională nr. 297/2018, gepubliceerd in Monitorul Oficial al României nr. 518 van 25 juni 2018, en nr. 358/2022, gepubliceerd in Monitorul Oficial al României nr. 565 van 9 juni 2022, betreffende de exceptie van ongrondwettigheid van artikel 155, lid 1, van de Cod penal (wetboek van strafrecht). Zie over de stuiting van de verjaringstermijn voor strafrechtelijke aansprakelijkheid in zaken betreffende strafbare feiten die de financiële belangen van de Europese Unie schaden, arrest van 24 juli 2023, Lin (C-107/23 PPU, EU:C:2023:606).
GURI nr. 98 van 29 april 2005, blz. 6.
GURI nr. 230 van 1 oktober 2010, blz. 1.
GURI nr. 176 van 31 juli 2006, blz. 4.
SIS bestaat uit één netwerk van nationale bureaus, Sirene-bureaus genaamd, die vierentwintig uur per dag en zeven dagen per week volledig operationeel zijn en die onder andere zorgen voor de uitwisseling en beschikbaarheid van alle aanvullende informatie (zie overweging 5 en artikel 7 van de SIS-verordening).
Dit is met name het geval wanneer een lidstaat van mening is dat gevolg geven aan een signalering onverenigbaar is met zijn nationale recht, internationale verplichtingen of wezenlijke nationale belangen (artikel 24, lid 1), of wanneer de uitvoerende rechterlijke autoriteit de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel heeft geweigerd op basis van een grond voor weigering van de tenuitvoerlegging (artikel 25, lid 1). In artikel 3, punt 8, van de SIS-verordening wordt een markering gedefinieerd als ‘een schorsing van de geldigheid, op nationaal niveau, die op een signalering met het oog op aanhouding, een signalering van vermiste of kwetsbare personen, een signalering met het oog op onopvallende controle, onderzoekscontrole of gerichte controle of een informatiesignalering kan worden aangebracht’.
Zie beschikking van de president van het Hof van 5 december 2023, Cuprea (C-595/23, EU:C:2023:955).
Artikel 67, lid 1, van deze verordening bepaalt dat ‘[d]e betrokkenen […] de rechten [kunnen] uitoefenen die zijn neergelegd in de artikelen 15, 16 en 17 van verordening (EU) 2016/679 [van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PB 2016, L 119, blz. 1, met rectificatie in PB 2018, L 127, blz. 2)] en artikel 14 en artikel 16, leden 1 en 2, van richtlijn (EU) 2016/680 [van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad (PB 2016, L 119, blz. 89)]’. Voorts bepaalt artikel 68, lid 1, van de SIS-verordening dat ‘[o]nverminderd de bepalingen inzake rechtsmiddelen van verordening (EU) 2016/679 en richtlijn (EU) 2016/680 […] eenieder het recht [heeft] om naar aanleiding van een hem betreffende signalering bij elke naar het nationale recht van elke lidstaat bevoegde instantie, waaronder de rechter, beroep in te stellen met het oog op inzage, rectificatie, wissing en op het verkrijgen van informatie of schadevergoeding in verband met zijn signalering’.
Zie ook overweging 46 van deze verordening. Bovendien moet worden opgemerkt dat in punt 2.9 van het Sirene-handboek dat is opgenomen in de bijlage bij uitvoeringsbesluit (EU) 2015/219 van de Commissie van 29 januari 2015 tot vervanging van de bijlage bij uitvoeringsbesluit 2013/115/EU tot vaststelling van het Sirene-handboek en andere uitvoeringsmaatregelen voor het Schengeninformatiesysteem van de tweede generatie (SIS II) (PB 2015, L 44, blz. 75), is vermeld dat ‘[z]odra niet langer wordt voldaan aan de voorwaarden voor het handhaven van de signalering, […] de signalerende lidstaat de signalering onmiddellijk [verwijdert]’.
Zie artikel 53, lid 5, van de SIS-verordening.
Zie artikel 53, lid 6, van de SIS-verordening.
Zie naar analogie arrest van 15 december 2022, Lietuvos Respublikos vidaus reikalų ministerija (Registratie van een gesignaleerd voertuig) (C-88/21, EU:C:2022:982, punten 46 en 47). Ik merk ook op dat in de laatste volzin van artikel 55, lid 1, van de SIS-verordening wordt verwezen naar artikel 53 van die verordening, hetgeen deze uitlegging bevestigt.
C-318/24 PPU, EU:C:2024:658.
Arrest van 29 juli 2024, Breian (C-318/24 PPU, EU:C:2024:658, punt 48).
Zie arrest van 29 juli 2024, Breian (C-318/24 PPU, EU:C:2024:658, punt 49).
Zie arrest van 29 juli 2024, Breian (C-318/24 PPU, EU:C:2024:658, punt 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Het Hof heeft in dat arrest evenwel gepreciseerd dat uit zijn rechtspraak volgt dat wanneer de handhaving van een Europees aanhoudingsbevel waarvan de tenuitvoerlegging in een lidstaat is geweigerd, kan leiden tot de aanhouding in een andere lidstaat van de persoon tegen wie dat bevel is uitgevaardigd, en dus een inbreuk kan vormen op de persoonlijke vrijheid van die persoon, de uitvaardigende rechterlijke autoriteit bovendien moet nagaan of die handhaving, gelet op de specifieke omstandigheden van de zaak, evenredig is. In het kader van een dergelijk onderzoek dient die autoriteit met name rekening te houden met de aard en de ernst van het strafbare feit waarvoor de gezochte persoon wordt vervolgd, met de gevolgen voor die persoon van de handhaving van het Europees aanhoudingsbevel dat tegen hem is uitgevaardigd, en met de vooruitzichten betreffende de tenuitvoerlegging van dat aanhoudingsbevel (punt 54 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
C-305/22, EU:C:2024:508.
Uit de rechtspraak van het Hof volgt dat ‘[i]n artikel 8, leden 2 tot en met 4, van kaderbesluit 2008/909 […] strikte voorwaarden [zijn] opgenomen voor de aanpassing door de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat van de in de beslissingsstaat opgelegde sanctie. Enkel onder die voorwaarden kan een uitzondering worden gemaakt op de krachtens artikel 8, lid 1, van dit kaderbesluit op die autoriteit rustende beginselplicht om het haar toegezonden vonnis te erkennen en onverwijld de maatregelen te nemen voor de tenuitvoerlegging van de sanctie waarvan de duur en aard zijn vastgelegd in het in de beslissingsstaat gewezen vonnis’: zie met name het arrest van 15 april 2021 AV (Verzamelvonnis) (C-221/19, EU:C:2021:278, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Daarnaast volgt uit artikel 12, lid 1, artikel 13, artikel 21, onder e), van kaderbesluit 2008/909, in onderlinge samenhang gelezen, dat de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat verplicht is de beslissingsstaat in kennis te stellen van elk besluit om de sanctie overeenkomstig artikel 8, leden 2 en 3, ervan aan te passen en voorts dat die beslissingsstaat, wanneer hij het niet eens is met een dergelijk aanpassingsbesluit en zolang geen aanvang is gemaakt met de tenuitvoerlegging van de sanctie in de tenuitvoerleggingsstaat, het certificaat kan intrekken (hetgeen veronderstelt dat het certificaat overeenkomstig artikel 4, lid 2, van het kaderbesluit vooraf door de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat is toegezonden). Ik voeg hieraan toe dat de gevallen van aanpassing van de sanctie waarin artikel 8, leden 2 tot en met 4, van kaderbesluit 2008/909 voorziet, moeten worden onderscheiden van de wijze van tenuitvoerlegging van deze sanctie, die overeenkomstig artikel 17, lid 1, van dit kaderbesluit wordt beheerst door het recht van de tenuitvoerleggingsstaat. In dit verband heeft het Hof met name verduidelijkt dat deze laatstgenoemde bepaling ziet op maatregelen voor de waarborging van de materiële tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf: zie arrest van 15 april 2021, AV (Verzamelvonnis) (C-221/19, EU:C:2021:278, punt 39). Dit onderscheid staat centraal in de thans aanhangige zaak, Fira (C-215/24), betreffende de opschorting door een rechterlijke autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat van de gevangenisstraf die is opgelegd door een rechterlijke autoriteit van de beslissingsstaat.
Zie met name arrest van 6 juni 2023, O. G. (Europees aanhoudingsbevel tegen een onderdaan van een derde land) (C-700/21, EU:C:2023:444, punt 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Bovendien moet de uitvoerende rechterlijke autoriteit, alvorens te weigeren een Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen, steeds nagaan of de tenuitvoerlegging van de straf overeenkomstig haar nationale recht daadwerkelijk mogelijk is: zie met name arrest van 24 juni 2019, Popławski (C-573/17, EU:C:2019:530, punt 88 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
De erkenning van de strafrechtelijke veroordeling door de uitvoerende lidstaat impliceert tevens dat, overeenkomstig artikel 19, lid 2, van kaderbesluit 2008/909, ‘[a]lleen de beslissingsstaat kan beschikken op een verzoek tot herziening van het vonnis waarbij de op grond van dit kaderbesluit ten uitvoer te leggen sanctie is opgelegd’.
C-158/21, EU:C:2023:57.
Arrest van 31 januari 2023, Puig Gordi e.a. (C-158/21, EU:C:2023:57, punt 88). Ter terechtzitting heeft de Roemeense regering overigens uitvoerig betwist dat er in casu sprake is van een dergelijke verjaring.
Conclusie 13‑06‑2024
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Ruimte van vrijheid, veiligheid en recht — Justitiële samenwerking in strafzaken — Kaderbesluit 2002/584/JBZ — Europees aanhoudingsbevel — Grond tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel — Verbintenis van de uitvoerende lidstaat om de aan de gezochte persoon opgelegde vrijheidsstraf ten uitvoer te leggen — Kaderbesluit 2008/909/JBZ — Wederzijdse erkenning van strafvonnissen met het oog op de tenuitvoerlegging ervan in een andere lidstaat — Geen toestemming van de uitvaardigende lidstaat — Recht van de uitvaardigende lidstaat om de straf zelf ten uitvoer te leggen — Verplichting van de uitvoerende rechterlijke autoriteit om het Europees aanhoudingsbevel zelf ten uitvoer te leggen
J. Richard de la tour
Partij(en)
Zaak C-305/221.
C.J.
Strafrechtelijke procedure
[verzoek van de Curte de Apel București (rechter in tweede aanleg Boekarest, Roemenië) om een prejudiciële beslissing]
I. Inleiding
1.
Het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 4, punten 5 en 6, en artikel 8, lid 1, onder c), van kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten2., en van artikel 4, lid 2, artikel 22, lid 1, en artikel 25 van kaderbesluit 2008/909/JBZ van de Raad van 27 november 2008 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op strafvonnissen waarbij vrijheidsstraffen of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregelen zijn opgelegd, met het oog op de tenuitvoerlegging ervan in de Europese Unie3..
2.
Dit verzoek is ingediend in het kader van een nationale procedure waarin de Curte de Apel București (rechter in tweede aanleg Boekarest, Roemenië) zich moet uitspreken over de geldigheid van een nationaal bevel tot tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf die is opgelegd aan C.J., die in Italië verblijft, en over de geldigheid van een tegen hem uitgevaardigd Europees aanhoudingsbevel. De Italiaanse rechterlijke autoriteiten hebben geweigerd dit Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen op basis van de grond tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging als bedoeld in artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/5844.. Deze autoriteiten hebben tegelijkertijd tot erkenning van het vonnis en tenuitvoerlegging van de strafrechtelijke veroordeling van C.J. besloten, ondanks het door de Roemeense rechterlijke autoriteiten aangetekende verzet tegen de tenuitvoerlegging van die veroordeling in Italië.
3.
De onderhavige zaak brengt een probleem aan het licht met betrekking tot de samenhang tussen dit kaderbesluit en kaderbesluit 2008/909, die twee essentiële instrumenten van justitiële samenwerking in strafzaken vormen.
4.
In deze conclusie, die overeenkomstig het verzoek van het Hof zal worden toegespitst op de eerste, de tweede en de derde prejudiciële vraag, zal ik betogen dat een rechterlijke autoriteit niet mag weigeren een met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf afgegeven Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen door zich op de in artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584 genoemde grond tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging te beroepen, wanneer de strafrechtelijke veroordeling in strijd met de procedure en de voorwaarden van kaderbesluit 2008/909 wordt erkend en ten uitvoer wordt gelegd. In die situatie behoudt de uitvaardigende lidstaat5. het recht om die straf ten uitvoer te leggen en staat het bijgevolg aan de uitvoerende rechterlijke autoriteit om het Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen door de gezochte persoon aan die lidstaat over te leveren.
II. Feiten van het hoofdgeding en prejudiciële vragen
5.
Bij vonnis van 27 juni 2017 van de Curte de Apel București, dat bij arrest van 10 november 2020 van de Înaltă Curte de Casație și Justiție (hoogste rechterlijke instantie, Roemenië) is herzien en onherroepelijk is geworden, is C.J. wegens meerdere strafbare feiten onherroepelijk veroordeeld tot vier jaar en twee maanden gevangenisstraf en tot het verbod op de uitoefening van enkele rechten gedurende drie jaar (hierna: ‘strafrechtelijke veroordeling’).
6.
Op 20 november 2020 heeft de Curte de Apel București een bevel tot tenuitvoerlegging van de aan C.J. opgelegde gevangenisstraf uitgevaardigd. Op 25 november 2020 heeft deze rechter tegen C.J. een Europees aanhoudingsbevel uitgevaardigd.
7.
Op 31 december 2020 heeft het Ministero della Giustizia (ministerie van Justitie, Italië) de Curte de Apel București in kennis gesteld van de aanhouding van C.J. en gevraagd in het Italiaans een Europees aanhoudingsbevel te sturen. Dit Europees aanhoudingsbevel is aan dit ministerie toegezonden.
8.
Op verzoek van de Italiaanse rechterlijke autoriteiten heeft de Curte de Apel București hun op 14 januari 2021 de strafrechtelijke veroordeling toegezonden. Bij die gelegenheid heeft deze rechter te kennen gegeven het niet eens te zijn met een eventuele erkenning van dat vonnis door de Italiaanse rechterlijke autoriteiten met het oog op de tenuitvoerlegging ervan in Italië.
9.
Naar aanleiding van een vraag om verduidelijking van de Italiaanse rechterlijke autoriteiten heeft de Curte de Apel București op 20 januari 2021 meegedeeld dat er, in geval van een weigering van de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel in de zin van artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584, geen toestemming zou worden verleend voor de incidentele erkenning van dat vonnis en de overname van de tenuitvoerlegging van de straf door de Italiaanse Republiek, en zou worden verlangd dat er op grond van kaderbesluit 2008/909 om die erkenning en overname wordt verzocht.
10.
Vervolgens hebben de Roemeense autoriteiten de Italiaanse rechterlijke autoriteiten overeenkomstig artikel 22 van kaderbesluit 2002/584 verzocht om informatie over de beslissing tot tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel.
11.
Bij vonnis van 6 mei 2021 heeft de Corte d'appello di Roma (rechter in tweede aanleg Rome, Italië) de overlevering van C.J. geweigerd, de strafrechtelijke veroordeling erkend en de tenuitvoerlegging ervan in Italië gelast. Voornoemde rechter was van oordeel dat, aangezien C.J. legaal en daadwerkelijk verblijf had in Italië, er geen redenen waren om te eisen dat hij zijn straf in Roemenië zou ondergaan, gegeven het feit dat de tenuitvoerlegging van die straf in Italië meer in overeenstemming was met de doelstelling om zijn reclassering te bevorderen. De totale nog uit te zitten straf, bedroeg volgens die rechter, na aftrek van de reeds ondergane perioden van vrijheidsbeneming 3 jaar, 6 maanden en 21 dagen.
12.
Op 20 mei 2021 werd er van dit vonnis van de Corte d'appello di Roma kennisgegeven aan de Curte de Apel București. Vervolgens hebben de Roemeense autoriteiten van het bureau voor tenuitvoerlegging van straffen van het parket van Rome een certificaat van 11 juni 2021 ontvangen, waaruit blijkt dat C.J. overeenkomstig het Italiaanse recht onder huisarrest staat. Uit dit certificaat blijkt met betrekking tot het stadium van de tenuitvoerlegging ook dat het gaat om een bevel tot tenuitvoerlegging met gelijktijdige opschorting, in de vorm van huisarrest, en dat de straf die nog moet worden ondergaan drie jaar en elf maanden gevangenisstraf is, waarbij de tenuitvoerlegging van de straf begint op 29 december 2020 en eindigt op 28 november 2024.6.
13.
Bij brief van 28 juni 2021 hebben de Roemeense rechterlijke autoriteiten hun in punt 9 van deze conclusie aangegeven standpunt herhaald en meegedeeld dat, zolang er geen mededeling is gedaan van het begin van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf door de gevangenneming van C.J., zij naar hun mening het recht behouden om de strafrechtelijke veroordeling van 27 juni 2017 ten uitvoer te leggen op grond van artikel 22, lid 1, van kaderbesluit 2008/909. Zij hebben daaraan toegevoegd dat het nationale bevel tot tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf en het internationale opsporingsbevel niet zijn ingetrokken en nog steeds van kracht zijn.
14.
Op 15 oktober 2021 heeft het executiebureau van de tweede strafkamer van de Curte de Apel București bij de verwijzende rechter verzet aangetekend tegen de tenuitvoerlegging van de strafrechtelijke veroordeling.
15.
Deze rechter geeft aan dat hij zich moet uitspreken over de geldigheid van het nationale bevel tot tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf en van het Europees aanhoudingsbevel, gelet op het feit dat de Roemeense en de Italiaanse rechterlijke autoriteiten met name de samenhang tussen kaderbesluit 2002/584 en kaderbesluit 2008/909 op verschillende wijze uitleggen. Dit betekent dat de verwijzende rechter moet beslissen of dit door de Roemeense autoriteiten uitgevaardigde nationale bevel nietig moet worden verklaard indien wordt geoordeeld dat de Italiaanse autoriteiten de strafrechtelijke veroordeling uitvoeren en dat de tenuitvoerlegging ervan aan de gang is.
16.
Derhalve rijst de vraag of de erkenning van een vonnis in het kader van een procedure tot tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel die heeft geleid tot een weigering door de uitvoerende rechterlijke autoriteit om dat vonnis ten uitvoer te leggen op grond van artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584, de toestemming van de uitvaardigende lidstaat vereist op grond van artikel 4, lid 2, en artikel 25 van kaderbesluit 2008/909 en of de toezending van de strafrechtelijke veroordeling door de uitvaardigende lidstaat aan de uitvoerende lidstaat kan gelden als toestemming. Ook rijst de vraag of een dergelijke procedure, die in strijd met artikel 4, lid 2, en artikel 25 van dit kaderbesluit zou worden gevoerd, rechtsgevolgen voor de strafrechtelijke veroordeling kan hebben wat de tenuitvoerlegging ervan op het Roemeense grondgebied betreft. Bovendien moet worden bepaald of de uitvaardigende lidstaat krachtens artikel 22, lid 1, van dit kaderbesluit ten volle het recht behoudt om de op zijn grondgebied gewezen vonnissen ten uitvoer te leggen zolang er geen mededeling is gedaan van het begin van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf door de gevangenneming van de veroordeelde persoon.
17.
Daarop heeft de Curte de Apel București de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
- ‘1)
Moet artikel 25 van kaderbesluit [2008/909] aldus worden uitgelegd dat, wanneer de rechter die een Europees aanhoudingsbevel uitvoert, artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584/JBZ wenst toe te passen met het oog op de erkenning van de strafrechtelijke veroordeling, hij moet verzoeken om het krachtens kaderbesluit [2008/909] afgegeven vonnis en certificaat en toestemming moet verkrijgen van de veroordelende staat krachtens artikel 4, lid 2, van kaderbesluit [2008/909]?
- 2)
Moet artikel 4, punt 6, van kaderbesluit [2002/584] junctis artikel 4, lid 2, en artikel 25 van kaderbesluit [2008/909] aldus worden uitgelegd dat de weigering om een met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf afgegeven Europees aanhoudingsbevel uit te voeren en de erkenning van de strafrechtelijke veroordeling zonder dat deze daadwerkelijk ten uitvoer wordt gelegd door middel van de hechtenis van de veroordeelde — omdat aan betrokkene gratie is verleend en de tenuitvoerlegging van de straf volgens het recht van de tenuitvoerleggingsstaat is geschorst — en zonder dat in de erkenningsprocedure toestemming van de veroordelende staat is verkregen, ertoe leiden dat de veroordelende staat overeenkomstig artikel 22, lid 1, van kaderbesluit [2008/909] het recht verliest om de straf ten uitvoer te leggen?
- 3)
Moet artikel 8, lid 1, onder c), van kaderbesluit [2002/584] aldus worden uitgelegd dat een vonnis houdende veroordeling tot een vrijheidsstraf op grond waarvan een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd waarvan de tenuitvoerlegging is geweigerd krachtens artikel 4, punt 6, [van dat kaderbesluit], indien het vonnis is erkend, maar niet daadwerkelijk ten uitvoer wordt gelegd door middel van de hechtenis van de veroordeelde — omdat aan betrokkene gratie is verleend en de tenuitvoerlegging van de straf volgens het recht van de tenuitvoerleggingsstaat is geschorst — zonder dat in de erkenningsprocedure toestemming van de veroordelende staat is verkregen, niet meer uitvoerbaar is?
- 4)
Moet artikel 4, punt 5, van kaderbesluit [2002/584] aldus worden uitgelegd dat een beslissing om geen uitvoering te geven aan een Europees aanhoudingsbevel dat is afgegeven met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf, en om de strafrechtelijke veroordeling te erkennen op grond van artikel 4, punt 6, van kaderbesluit [2002/584], maar deze niet daadwerkelijk ten uitvoer te leggen door middel van de hechtenis van de veroordeelde — omdat hem gratie is verleend en de tenuitvoerlegging van de straf volgens het recht van de tenuitvoerleggingsstaat (een lidstaat van de Unie) is geschorst — zonder dat in de erkenningsprocedure toestemming van de veroordelende staat is verkregen, een strafrechtelijke veroordeling door een derde land voor dezelfde feiten is?
- 5)
Indien de vierde vraag bevestigend wordt beantwoord: moet artikel 4, punt 5, van kaderbesluit [2002/584] aldus worden uitgelegd dat een beslissing om geen uitvoering te geven aan een Europees aanhoudingsbevel dat is afgegeven met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf, en om de strafrechtelijke veroordeling te erkennen op grond van artikel 4, punt 6, van kaderbesluit [2002/584], waarbij de tenuitvoerlegging van de straf volgens het recht van de tenuitvoerleggingsstaat wordt geschorst, een veroordeling is die ten uitvoer wordt gelegd, indien het toezicht op de veroordeelde nog niet is begonnen?’
18.
C.J., de Roemeense, de Tsjechische en de Nederlandse regering, en de Europese Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend. Deze partijen, met uitzondering van C.J., hebben net als de Franse regering deelgenomen aan de terechtzitting van 13 maart 2024, waarop zij met name hebben geantwoord op de mondelinge vragen van het Hof.
III. Analyse
A. Opmerkingen vooraf
19.
In zijn schriftelijke opmerkingen heeft C.J. aangegeven dat de Tribunale di sorveglianza di Roma (rechter van toezicht Rome, Italië) op 7 februari 2023 de tenuitvoerlegging van het restant van de straf in de vorm van huisarrest had gelast. Daarop heeft het Hof een verzoek om inlichtingen aan de verwijzende rechter gericht met de vraag of die informatie van invloed kon zijn op zijn prejudiciële vragen.
20.
Deze rechter heeft op 22 november 2023 geantwoord dat hij die informatie niet kon bevestigen, aangezien de Italiaanse rechterlijke autoriteiten sinds 2021 geen enkel document betreffende C.J. hadden overgelegd. Hij heeft voorts gepreciseerd dat indien de informatie over de ontwikkelingen in de Italiaanse procedure zou kloppen, een antwoord op de eerste vier vragen nog steeds nuttig zou zijn. Alleen de vijfde vraag zou niet meer van belang zijn.
21.
Gelet op het voorgaande ben ik van mening dat hieronder moet worden uitgegaan van de feiten zoals die zijn uiteengezet in de verwijzingsbeslissing7., namelijk dat de situatie met betrekking tot de tenuitvoerlegging in Italië van de aan C.J. opgelegde vrijheidsstraf neerkomt op een nationaal bevel tot tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf met gelijktijdige opschorting, in de vorm van huisarrest, in afwachting van een beslissing van de Italiaanse rechterlijke autoriteiten over een alternatieve maatregel voor de gevangenisstraf.
B. Eerste, tweede en derde prejudiciële vraag
22.
Met zijn eerste, tweede en derde vraag, die ik tezamen zal behandelen, wenst de verwijzende rechter in wezen van het Hof te vernemen of artikel 4, punt 6, en artikel 8, lid 1, onder c), van kaderbesluit 2002/584 en artikel 4, leden 2 en 5, artikel 8, lid 1, artikel 22, lid 1, en artikel 25 van kaderbesluit 2008/909 aldus moeten worden uitgelegd dat een rechterlijke autoriteit rechtsgeldig kan weigeren een met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf afgegeven Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen door zich op de in eerstgenoemde bepaling bedoelde grond tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging te beroepen, wanneer de strafrechtelijke veroordeling in strijd met de procedure en de voorwaarden van kaderbesluit 2008/909 wordt erkend en ten uitvoer gelegd. Bovendien wenst die rechter te vernemen of de uitvaardigende lidstaat in die situatie het recht behoudt om die straf ten uitvoer te leggen en of het aan de uitvoerende rechterlijke autoriteit staat om het Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen door de gezochte persoon aan die lidstaat over te leveren.
23.
Bij de beantwoording van deze vragen staan twee standpunten lijnrecht tegenover elkaar. Terwijl de Nederlandse regering betoogt dat de in artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584 bedoelde grond tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging buiten het kader van kaderbesluit 2008/909 kan worden toegepast, zijn de andere deelnemers aan de onderhavige procedure het tegengestelde standpunt toegedaan. Laatstbedoeld standpunt acht ik het meest overtuigend.
24.
In herinnering zij gebracht dat kaderbesluit 2002/584 met de instelling van een vereenvoudigde en efficiëntere regeling voor de overlevering van personen die veroordeeld zijn of ervan worden verdacht strafbare feiten te hebben gepleegd, beoogt de justitiële samenwerking te vergemakkelijken en te bespoedigen, en daardoor bij te dragen tot de verwezenlijking van de opdracht van de Unie om een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht te worden die berust op de hoge mate van vertrouwen die tussen de lidstaten moet bestaan.8.
25.
Op het door dit kaderbesluit geregelde gebied komt het beginsel van wederzijdse erkenning, dat blijkens overweging 6 daarvan de hoeksteen van de justitiële samenwerking in strafzaken vormt, tot uitdrukking in artikel 1, lid 2, van dit kaderbesluit, waarin de regel is neergelegd dat de lidstaten zich ertoe verbinden om, op grond van het beginsel van wederzijdse erkenning en overeenkomstig de bepalingen van ditzelfde kaderbesluit, elk Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen.9.
26.
Hieruit volgt ten eerste dat de uitvoerende rechterlijke autoriteiten de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel slechts kunnen weigeren om redenen die voortvloeien uit kaderbesluit 2002/584, zoals uitgelegd door het Hof. Ten tweede is de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel de regel en de weigering van de tenuitvoerlegging de uitzondering, die strikt moet worden uitgelegd.10.
27.
Dit kaderbesluit noemt, in artikel 3, de gronden tot verplichte weigering van de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel en, in de artikelen 4 en 4 bis, de gronden tot facultatieve weigering van die tenuitvoerlegging.11.
28.
Hoewel de systematiek van kaderbesluit 2002/584 dus steunt op het beginsel van wederzijdse erkenning, impliceert deze erkenning evenwel niet dat de tenuitvoerlegging van het uitgevaardigde aanhoudingsbevel een absolute verplichting is.12. Dit kaderbesluit biedt de bevoegde autoriteiten van de lidstaten immers de mogelijkheid om in specifieke gevallen te beslissen dat een in de uitvaardigende lidstaat opgelegde straf ten uitvoer moet worden gelegd op het grondgebied van de uitvoerende lidstaat.13.
29.
Wat de in artikel 4 van kaderbesluit 2002/584 genoemde gronden tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel betreft, blijkt uit de rechtspraak van het Hof dat de lidstaten bij de omzetting van dat kaderbesluit in hun nationale recht over een beoordelingsmarge beschikken. Het staat hun dus vrij om deze gronden al dan niet in hun nationale recht om te zetten. Zij kunnen er ook voor kiezen de situaties te beperken waarin de uitvoerende rechterlijke autoriteit kan weigeren een Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen, waardoor in overeenstemming met het in artikel 1, lid 2, van dat kaderbesluit vastgelegde beginsel van wederzijdse erkenning de overlevering van gezochte personen wordt gefaciliteerd.14.
30.
Een van de gronden tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel is artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584, waarin wordt bepaald dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel kan weigeren wanneer dit is uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel, terwijl de gezochte persoon verblijft in of onderdaan of ingezetene is van de uitvoerende lidstaat en deze staat zich ertoe verbindt die straf of maatregel overeenkomstig zijn nationale recht zelf ten uitvoer te leggen.
31.
Voor de toepassing van de in deze bepaling vastgestelde grond tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel moet dan ook aan twee voorwaarden zijn voldaan, te weten, ten eerste, de gezochte persoon verblijft in of is onderdaan of ingezetene van de uitvoerende lidstaat en, ten tweede, deze staat verbindt zich ertoe de straf of maatregel waarvoor het Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd overeenkomstig zijn nationale recht ten uitvoer te leggen.15.
32.
Wat de eerste voorwaarde betreft, heeft het Hof reeds voor recht verklaard dat een gezochte persoon ‘ingezetene’ is van de uitvoerende lidstaat wanneer hij zijn werkelijke verblijfplaats aldaar heeft gevestigd, en er ‘verblijft’ wanneer hij, op grond van een duurzaam verblijf in deze lidstaat gedurende een bepaalde periode, een band met deze staat heeft opgebouwd die vergelijkbaar is met die van een ingezetene.16.
33.
Wat de tweede voorwaarde betreft, volgt uit de bewoordingen van artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584 dat de weigering om een Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen vooronderstelt dat de uitvoerende lidstaat zich daadwerkelijk ertoe verbindt om de aan de gezochte persoon opgelegde vrijheidsstraf ten uitvoer te leggen.17. De enkele omstandigheid dat deze staat zich ‘bereid’ verklaart om deze straf ten uitvoer te leggen kan dus niet worden geacht een dergelijke weigering te rechtvaardigen. Daaruit volgt dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit, alvorens te weigeren een Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen, steeds moet nagaan of de tenuitvoerlegging van de straf overeenkomstig haar nationale recht daadwerkelijk mogelijk is.18.
34.
Aldus moet worden verzekerd dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit de haar verleende mogelijkheid om de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel te weigeren slechts uitoefent indien de daadwerkelijke tenuitvoerlegging in de uitvoerende lidstaat van de aan de gezochte persoon opgelegde straf gegarandeerd is, zodat tot een oplossing wordt gekomen die in overeenstemming is met de doelstelling van kaderbesluit 2002/584.19.
35.
Indien de uitvoerende rechterlijke autoriteit vaststelt dat is voldaan aan de twee voorwaarden die ik zojuist in herinnering heb gebracht, moet zij nog beoordelen of de tenuitvoerlegging van de in de uitvaardigende lidstaat opgelegde straf op het grondgebied van de uitvoerende lidstaat door enig rechtmatig belang wordt gerechtvaardigd. Deze beoordeling stelt deze autoriteit in staat rekening te houden met de doelstelling van artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584, die er volgens vaste rechtspraak van het Hof in bestaat de kansen op reclassering van de gezochte persoon te verhogen wanneer hij de straf waartoe hij is veroordeeld, heeft uitgezeten.20. De uitvoerende rechterlijke autoriteit moet dan ook over de nodige beoordelingsmarge beschikken om te beslissen of zij, in het licht van het genoemde doel van reclassering, de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel al dan niet weigert.21.
36.
De vraag of de tenuitvoerlegging van de in de uitvaardigende lidstaat opgelegde straf of maatregel op het grondgebied van de uitvoerende lidstaat wordt gerechtvaardigd door enig rechtmatig belang, moet door de uitvoerende rechterlijke autoriteit worden onderzocht aan de hand van een algehele beoordeling van alle concrete elementen die de situatie van de gezochte persoon kenmerken en aan de hand waarvan kan worden nagegaan of er tussen deze persoon en de uitvoerende lidstaat een band bestaat op grond waarvan kan worden vastgesteld dat die persoon in die staat voldoende is geïntegreerd en de tenuitvoerlegging in de uitvoerende lidstaat van de hem in de uitvaardigende lidstaat opgelegde vrijheidsstraf of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel bijgevolg zal bijdragen tot de verwezenlijking van het door artikel 4, punt 6, nagestreefde doel van reclassering.22.
37.
Het Hof heeft verduidelijkt dat in deze context rekening dient te worden gehouden met kaderbesluit 2008/909. In het bijzonder bevat overweging 9 van dit kaderbesluit een niet-limitatieve lijst van factoren aan de hand waarvan een rechterlijke autoriteit de zekerheid kan verkrijgen dat de tenuitvoerlegging van de sanctie door de uitvoerende lidstaat zal bijdragen tot de reclassering van de betrokkene. Tot die factoren behoren in wezen de verbondenheid van de betrokkene met de uitvoerende lidstaat en de omstandigheid dat deze lidstaat het centrum van zijn gezinsleven en zijn belangen vormt, waarbij met name rekening wordt gehouden met zijn familiale, taalkundige, culturele, sociale, economische of andere banden met die staat.23.
38.
Tussen kaderbesluit 2002/584 en kaderbesluit 2008/909 is bijgevolg sprake van een wisselwerking, waarvan het Hof het bestaan heeft benadrukt door erop te wijzen dat, aangezien de met artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584 nagestreefde doelstelling identiek is aan die welke in overweging 9 wordt genoemd en wordt nagestreefd met artikel 25 van kaderbesluit 2008/909, dat verwijst naar de grond tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging bedoeld in dat artikel 4, punt 6, deze factoren ook relevant zijn voor de algehele beoordeling die de uitvoerende rechterlijke autoriteit bij de toepassing van deze grond moet verrichten.24.
39.
De wisselwerking tussen kaderbesluit 2002/584 en kaderbesluit 2008/909 gaat echter verder dan de beoordeling van de vraag of de tenuitvoerlegging van de in de uitvaardigende lidstaat opgelegde straf of maatregel op het grondgebied van de uitvoerende lidstaat wordt gerechtvaardigd door enig rechtmatig belang. In artikel 25 van kaderbesluit 2008/909 wordt immers veel algemener bepaald dat dit kaderbesluit van toepassing is op de tenuitvoerlegging van vonnissen wanneer een lidstaat besluit zich te beroepen op de in artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584 bedoelde grond tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging.
40.
Zo is in artikel 25 van kaderbesluit 2008/909 het volgende bepaald:
‘Onverminderd kaderbesluit [2002/584] zijn de bepalingen van het onderhavige kaderbesluit, voor zover verenigbaar met kaderbesluit [2002/584], van overeenkomstige toepassing op de tenuitvoerlegging van vonnissen in het geval dat een lidstaat zich op grond van artikel 4, [punt] 6, van kaderbesluit [2002/584] ertoe verbonden heeft een vonnis ten uitvoer te leggen, dan wel op grond van artikel 5, [punt] 3, van genoemd kaderbesluit als voorwaarde heeft gesteld dat de betrokkene naar de uitvoerende lidstaat zal worden teruggezonden om er de sanctie te ondergaan, zulks teneinde straffeloosheid te voorkomen.’
41.
Mijns inziens volgt uit artikel 25 van kaderbesluit 2008/909 dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit de in artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584 bedoelde grond tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging slechts kan toepassen indien de procedure en de voorwaarden van kaderbesluit 2008/909 voor de erkenning en tenuitvoerlegging van een strafvonnis in een andere lidstaat dan de veroordelende lidstaat zijn nageleefd.25. Verschillende elementen pleiten daarvoor.
42.
Ten eerste moet worden verwezen naar overweging 12 van kaderbesluit 2008/909, waarin het volgende te lezen staat:
‘Dit kaderbesluit dient overeenkomstig te worden toegepast op de tenuitvoerlegging van sancties in de gevallen, bedoeld in artikel 4, [punt] 6, en artikel 5, [punt] 3, van kaderbesluit [2002/584]. Dit betekent onder meer dat, onverminderd dat kaderbesluit, de lidstaat kan nagaan of er gronden tot weigering van de erkenning en tenuitvoerlegging in de zin van artikel 9 van dit kaderbesluit voorhanden zijn, en meer bepaald dat hij, indien door hem een verklaring in de zin van artikel 7, lid 4, van dit kaderbesluit is afgelegd, in de gevallen bedoeld in artikel 4, [punt] 6, van kaderbesluit [2002/584], alvorens het vonnis te erkennen en ten uitvoer te leggen kan onderzoeken of er sprake is van dubbele strafbaarheid, zodat overlevering van de betrokkene of tenuitvoerlegging van de sanctie kan worden overwogen.’
De Uniewetgever mag dan bij wijze van voorbeeld wel benadrukken dat de uitvoerende lidstaat moet nagaan of er gronden tot weigering van de erkenning en tenuitvoerlegging in de zin van artikel 9 van kaderbesluit 2008/909 voorhanden zijn, maar mijns inziens sluit dit geenszins uit dat de andere voorwaarden moeten worden onderzocht.
43.
Ook in deel f) van het modelcertificaat in bijlage I bij kaderbesluit 2008/909 wordt het verband tussen de procedures van kaderbesluit 2002/584 en kaderbesluit 2008/909 bij de toepassing van de in artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584 genoemde grond tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging bevestigd. Dit certificaat wordt samen met het vonnis toegezonden met het oog op de erkenning en tenuitvoerlegging van dat vonnis, en moet naar die grond verwijzen wanneer daarop een beroep wordt gedaan. Hieruit volgt dat de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel slechts op deze grond kan worden geweigerd wanneer de veroordelende lidstaat het vonnis en het certificaat overeenkomstig de regels van dit kaderbesluit heeft toegezonden.
44.
Ten tweede liggen de bepalingen van het recht van de uitvoerende lidstaat ter omzetting van kaderbesluit 2008/909 volgens mij vervat in de voorwaarde dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit, alvorens te weigeren een Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen op de aan artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584 ontleende grond, steeds moet nagaan of de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf overeenkomstig haar nationale recht daadwerkelijk mogelijk is.26. Overeenkomstig het bepaalde in artikel 25 van kaderbesluit 2008/909 en teneinde de daadwerkelijke tenuitvoerlegging van een dergelijke straf te waarborgen, moet de uitvoerende rechterlijke autoriteit bijgevolg de procedure en de voorwaarden naleven die in dat kaderbesluit zijn vastgesteld voor de erkenning en tenuitvoerlegging van een in de veroordelende lidstaat gewezen vonnis.
45.
Ten derde wijst, zoals de Roemeense regering ter terechtzitting terecht heeft opgemerkt, niets erop dat de Uniewetgever voor de erkenning en de tenuitvoerlegging van strafvonnissen twee onderscheiden rechtsregelingen heeft willen invoeren afhankelijk van de vraag of er al dan niet een Europees aanhoudingsbevel voorhanden is.
46.
Ten vierde volgt uit het arrest SF (Europees aanhoudingsbevel — Garantie tot terugzending naar de tenuitvoerleggingsstaat)27. van 11 maart 2020 dat wanneer een uitvoerende rechterlijke autoriteit een persoon op grond van een Europees aanhoudingsbevel wil overleveren met het oog op vervolging door deze overlevering krachtens artikel 5, punt 3, van kaderbesluit 2002/584 afhankelijk te stellen van de voorwaarde dat de persoon naar de uitvoerende lidstaat wordt teruggezonden om daar de hem in de uitvaardigende lidstaat opgelegde straf te ondergaan, de tenuitvoerlegging van die straf in de uitvoerende lidstaat wordt geregeld door kaderbesluit 2008/90928.. Mijns inziens moet dit naar analogie ook gelden voor de grond tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging zoals bedoeld in artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584.
47.
Uit deze elementen volgt dat de grond tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel als bedoeld in artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584 slechts kan worden toegepast indien de aan de gezochte persoon opgelegde sanctie wordt erkend en ten uitvoer gelegd overeenkomstig de procedure en de voorwaarden van kaderbesluit 2008/909.
48.
Dit brengt mij tot de overweging dat de aan de gezochte persoon opgelegde straf niet daadwerkelijk ten uitvoer kan worden gelegd in de uitvoerende lidstaat wanneer die lidstaat die procedure en die voorwaarden niet in acht neemt. Om zich ertoe te kunnen verbinden de aan de gezochte persoon opgelegde vrijheidsstraf ten uitvoer te leggen door na te gaan of de tenuitvoerlegging van de straf overeenkomstig zijn nationale recht daadwerkelijk mogelijk is29., en aldus elk gevaar van straffeloosheid van die persoon uit te sluiten, zoals artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584 vereist, moet de uitvoerende lidstaat dus het recht hebben om de tenuitvoerlegging van die straf over te nemen met inachtneming van de regels van kaderbesluit 2008/909.
49.
Deze regels dienen nu te worden verduidelijkt.
50.
In dit verband herinner ik eraan dat kaderbesluit 2008/909, net als kaderbesluit 2002/584, op strafrechtelijk gebied concreet gestalte geeft aan de beginselen van wederzijds vertrouwen en wederzijdse erkenning. Kaderbesluit 2008/909 breidt de justitiële samenwerking uit op het gebied van de erkenning en tenuitvoerlegging van strafvonnissen wanneer personen in een andere lidstaat zijn veroordeeld tot vrijheidsstraffen of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregelen, en doet dit ter bevordering van hun reclassering.30.
51.
Volgens artikel 3, lid 1, van kaderbesluit 2008/909 wordt met dit kaderbesluit beoogd de regels vast te stellen volgens welke een lidstaat, ter bevordering van de reclassering van de gevonniste persoon, een vonnis erkent en de door een rechter van een andere lidstaat opgelegde sanctie ten uitvoer legt.
52.
Daartoe bepaalt artikel 8 van kaderbesluit 2008/909 dat de bevoegde autoriteit van de uitvoerende lidstaat in beginsel moet instemmen met het verzoek tot erkenning van een vonnis en tot tenuitvoerlegging van een in een andere lidstaat opgelegde vrijheidsstraf of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel, wanneer zij overeenkomstig de artikelen 4 en 5 van dat kaderbesluit een dergelijk verzoek toegezonden krijgt. Zij kan in beginsel slechts weigeren gevolg te geven aan het verzoek op grond van de in artikel 9 van dit kaderbesluit limitatief opgesomde gronden tot weigering van de erkenning en tenuitvoerlegging.31.
53.
In artikel 8, leden 2 tot en met 4, van kaderbesluit 2008/909 zijn bovendien strikte voorwaarden opgenomen voor de aanpassing door de bevoegde autoriteit van de uitvoerende lidstaat van de in de uitvaardigende lidstaat opgelegde sanctie. Enkel onder die voorwaarden kan een uitzondering worden gemaakt op de krachtens artikel 8, lid 1, van dit kaderbesluit op die autoriteit rustende beginselplicht om het haar toegezonden vonnis te erkennen en onverwijld de maatregelen te nemen voor de tenuitvoerlegging van de sanctie waarvan de duur en aard zijn vastgelegd in het in de uitvaardigende lidstaat gewezen vonnis.32.
54.
Artikel 4, lid 1, van kaderbesluit 2008/909 voorziet in de mogelijkheid dat de veroordelende lidstaat, die gewoonlijk de stappen onderneemt om een op zijn grondgebied gewezen strafvonnis in een andere lidstaat te laten erkennen en ten uitvoer leggen, aan die andere lidstaat een dergelijk vonnis toezendt, vergezeld van het certificaat waarvan het model in bijlage I bij dit kaderbesluit is opgenomen.
55.
Volgens artikel 4, lid 2, van dat kaderbesluit ‘[kunnen] [h]et vonnis en het certificaat […] worden toegezonden wanneer de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat, eventueel na overleg tussen de bevoegde autoriteiten van de beslissingsstaat en van de tenuitvoerleggingsstaat, zich ervan vergewist heeft dat de tenuitvoerlegging van de sanctie door de tenuitvoerleggingsstaat de reclassering van de gevonniste persoon ten goede zal komen’.
56.
Voorts bepaalt artikel 4, lid 5, van kaderbesluit 2008/909 het volgende:
‘De tenuitvoerleggingsstaat kan uit eigen beweging de beslissingsstaat verzoeken om toezending van het vonnis, vergezeld van een certificaat. […] Een verzoek op grond van dit lid, schept voor de beslissingsstaat geen verplichting om het vonnis, vergezeld van het certificaat, toe te zenden.’
57.
Artikel 5 van het kaderbesluit beschrijft de procedure voor toezending van het vonnis en het certificaat.
58.
Uit deze bepalingen leid ik in de eerste plaats af dat de toezending door de veroordelende lidstaat van het vonnis en het certificaat als bedoeld in kaderbesluit 2008/909 noodzakelijk is voor de erkenning van dat vonnis en de tenuitvoerlegging van de sanctie, waarbij de toezending de toestemming van de veroordelende lidstaat uitdrukt met de overname van de tenuitvoerlegging van de straf door de uitvoerende lidstaat. De erkenning van het vonnis en de tenuitvoerlegging van de sanctie vinden dan plaats op basis van de informatie in het certificaat. Dit certificaat kan overigens door de veroordelende lidstaat worden ingetrokken onder de voorwaarden van artikel 13 van dit kaderbesluit33., met name indien de voorgenomen aanpassing van de straf voor hem niet passend is.
59.
In de tweede plaats is de veroordelende lidstaat niet verplicht tot een dergelijke toezending.34. Doet hij dat wel, dan stemt hij ermee in dat de betrokken sanctie in de uitvoerende lidstaat ten uitvoer wordt gelegd. Hieruit volgt dat, indien het vonnis en certificaat als bedoeld in dat kaderbesluit niet worden toegezonden, de uitvoerende lidstaat niet bevoegd is om op zijn grondgebied een in de veroordelende lidstaat opgelegde sanctie ten uitvoer te leggen, aangezien laatstgenoemde lidstaat daarmee niet heeft ingestemd. Dit geldt tevens in het kader van de in artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584 genoemde grond tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging.
60.
Bijgevolg kan de uitvoerende lidstaat de tenuitvoerlegging van de straf alleen overnemen in het door kaderbesluit 2008/909 aangegeven kader, dat vereist dat nauw en actief met de veroordelende lidstaat wordt samengewerkt35. en dat die lidstaat met name de toestemming geeft voor de tenuitvoerlegging van de straf in de uitvoerende lidstaat. Wanneer het vonnis in het kader van de procedure voor de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel door de veroordelende lidstaat aan de uitvoerende lidstaat wordt toegezonden, wordt niet aan deze voorwaarde voldaan indien, zoals in casu, dat vonnis niet vergezeld gaat van het in dit kaderbesluit bedoelde certificaat en de veroordelende lidstaat zich bovendien ondubbelzinnig verzet tegen de tenuitvoerlegging van de opgelegde straf in de uitvoerende lidstaat.
61.
De toepassing van de procedure van kaderbesluit 2008/909 kan aldus het wederzijdse vertrouwen tussen de bevoegde autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat en de uitvoerende lidstaat versterken door voorafgaand overleg, dat het beginsel van loyale samenwerking tot uitdrukking brengt. Indien de veroordelende lidstaat de overdracht van de tenuitvoerlegging van de straf weigert, kan de uitvoerende lidstaat zich niet eenzijdig de bevoegdheid toe-eigenen om die straf ten uitvoer te leggen en zich niet beroepen op de in artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584 genoemde grond tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging.
62.
Anders dan de Nederlandse regering in de onderhavige procedure heeft gesteld, doet de noodzaak om de toestemming van de veroordelende lidstaat te verkrijgen mijns inziens geen afbreuk aan het nuttig effect van de grond tot facultatieve weigering zoals bedoeld in artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584. Door dit vereiste is de weigering van de tenuitvoerlegging waarin deze bepaling voorziet, immers slechts verbonden aan bepaalde voorwaarden, maar kan zij niet worden geacht niet te kunnen worden toegepast. In dit stadium kan er niet van worden uitgegaan dat de veroordelende lidstaat zal weigeren om het vonnis, vergezeld van het certificaat, toe te zenden. Die lidstaat kan immers, net als de uitvoerende lidstaat, de mening zijn toegedaan dat de tenuitvoerlegging van de sanctie op het grondgebied van de uitvoerende lidstaat de reclassering van de gevonniste persoon ten goede zal komen.
63.
Het is overigens juist dat het Hof uit artikel 25 van kaderbesluit 2008/909 heeft afgeleid dat geen enkele bepaling van dat kaderbesluit afbreuk kan doen aan de strekking of aan de wijze van toepassing van de in artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584 genoemde grond tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging.36. Dit betekent echter niet dat de voorwaarden voor erkenning en tenuitvoerlegging van strafvonnissen niet van toepassing zijn wanneer deze grond tot weigering van de tenuitvoerlegging wordt toegepast, maar veeleer dat die voorwaarden slechts gelden voor zover verenigbaar met dat kaderbesluit.37. De Uniewetgever heeft aldus blijk gegeven van zijn wil om het doel van dit kaderbesluit, te weten de overlevering van personen tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, niet af te zwakken.
64.
Mijns inziens valt geen onverenigbaarheid met de bepalingen van kaderbesluit 2002/584 te bespeuren wat betreft het vereiste dat de veroordelende lidstaat toestemming geeft alvorens de in artikel 4, punt 6, van dat kaderbesluit genoemde grond tot facultatieve weigering kan worden toegepast. Aangezien een dergelijke voorwaarde een beperking inhoudt van de mogelijkheid voor een uitvoerende rechterlijke autoriteit om de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel te weigeren, helpt zij daarentegen de bij dit kaderbesluit ingestelde overleveringsregeling te versterken ten gunste van een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht.38. In het bijzonder blijft de toepassing van deze grond tot weigering van de tenuitvoerlegging in de eerste plaats onderworpen aan het vereiste dat de aan de gezochte persoon opgelegde vrijheidsstraf daadwerkelijk in die lidstaat ten uitvoer kan worden gelegd.39.
65.
Het klopt bovendien dat het Hof heeft aangeven dat de door de Uniewetgever voorziene samenhang tussen kaderbesluit 2002/584 en kaderbesluit 2008/909 moet bijdragen tot de verwezenlijking van de doelstelling om de reclassering van de betrokkene te vergemakkelijken en dat een dergelijke reclassering niet alleen in het belang van de betrokkene, maar tevens in dat van de Europese Unie in het algemeen is.40. Het Hof heeft echter ook geoordeeld dat ofschoon de in artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584 genoemde grond tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging het onder meer mogelijk moet maken dat bijzonder gewicht wordt toegekend aan de mogelijkheid om de kansen op reclassering van de gezochte persoon na het einde van de straf waartoe deze is veroordeeld, te verhogen, dit doel, hoe belangrijk het ook is, niet kan uitsluiten dat de lidstaten bij de uitvoering van dit kaderbesluit, in de zin van de wezenlijke regel van artikel 1, lid 2, daarvan, de gevallen beperken waarin het mogelijk moet zijn de overlevering van een binnen de werkingssfeer van bedoeld artikel 4, punt 6, vallende persoon te weigeren.41.
66.
Uit het voorgaande volgt dat de doelstelling om de kansen op reclassering van de gezochte persoon na het einde van de straf waartoe deze is veroordeeld, te verhogen, geen absoluut karakter heeft en geen voorrang kan hebben op die van de invoering van een doeltreffende regeling van overlevering tussen de lidstaten.
67.
Bovendien moeten, zoals de Franse regering ter terechtzitting terecht heeft opgemerkt, krachtens artikel 4 van kaderbesluit 2008/909 zowel de bevoegde autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat als die van de uitvoerende lidstaat ervan overtuigd zijn dat de procedure van wederzijdse erkenning in de betrokken situatie beantwoordt aan de doelstelling om de reclassering van de gevonniste persoon te bevorderen. Dit consensusvereiste druist dan ook lijnrecht in tegen de opvatting dat de uitvoerende lidstaat op grond van artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584 eigenhandig zou kunnen bepalen of de tenuitvoerlegging van de straf op zijn grondgebied gerechtvaardigd is. Ook de uitvaardigende lidstaat moet de mening zijn toegedaan dat de tenuitvoerlegging van de straf op het grondgebied van de uitvoerende lidstaat de reclassering van de gevonniste persoon zou bevorderen en dat deze doelstelling belangrijker is dan de doelstelling dat de straf in de uitvaardigende lidstaat ten uitvoer wordt gelegd. De tegengestelde opvatting zou ertoe leiden dat in strijd met het bepaalde in artikel 25 van kaderbesluit 2008/909 een dubbele regeling voor de wederzijdse erkenning van strafrechtelijke veroordelingen wordt gecreëerd. Terwijl beide lidstaten buiten de context van een Europees aanhoudingsbevel de mening zouden moeten zijn toegedaan dat is voldaan aan de doelstelling om de reclassering te bevorderen, zou die beoordeling binnen de context van de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel alleen door de uitvoerende lidstaat kunnen worden gemaakt. Zoals ik echter eerder heb aangegeven, was het volgens mij niet de bedoeling van de Uniewetgever om een dergelijke dubbele regeling in het leven te roepen.
68.
Mijns inziens kan de doelstelling om de kansen op reclassering van de gevonniste persoon te bevorderen evenmin leiden tot het verdwijnen van de eventuele rechtmatige belangen van de lidstaat waar een straf is opgelegd om die straf op zijn grondgebied ten uitvoer gelegd te zien worden. Gelet op de verschillende functies van een straf in de samenleving kan de veroordelende lidstaat vanwege overwegingen van strafrechtelijk beleid die specifiek zijn voor elke lidstaat, immers wensen dat de opgelegde straf op zijn grondgebied ten uitvoer wordt gelegd, zelfs indien overwegingen in verband met de reclassering van de gezochte persoon daartegen ingaan.42. In dit verband kunnen bijvoorbeeld veroordelingen wegens terrorisme worden aangehaald.
69.
Wanneer een lidstaat ervoor opteert om een Europees aanhoudingsbevel uit te vaardigen met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf, dan wil die lidstaat volgens mij dat de gezochte persoon wordt overgeleverd zodat deze de straf op zijn grondgebied kan ondergaan. Indien die lidstaat in eerste instantie de mogelijkheid had overwogen dat die straf in een andere lidstaat ten uitvoer zou worden gelegd, zou hij de in kaderbesluit 2008/909 neergelegde regeling voor de erkenning en tenuitvoerlegging van strafvonnissen hebben toegepast.
70.
In die situatie, waarbij wordt verzocht om erkenning van een vonnis en om tenuitvoerlegging van een in de uitvaardigende lidstaat uitgesproken strafrechtelijke veroordeling, is het doel van deze procedure juist dat de betrokkene niet aan de autoriteiten van die lidstaat wordt overgeleverd, maar in de uitvoerende lidstaat blijft om daar zijn straf te ondergaan.43.
71.
Ingeval de veroordelende lidstaat er echter de voorkeur aan geeft om een Europees aanhoudingsbevel uit te vaardigen in plaats van de in kaderbesluit 2008/909 neergelegde regeling van overbrenging toe te passen, heeft het beginsel van wederzijdse erkenning andere gevolgen: het brengt dan immers met zich mee dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit het haar overgelegde Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer moet leggen.
72.
Door de toestemming van de veroordelende lidstaat te verkrijgen, kan de vrije keuze worden geëerbiedigd die deze lidstaat tussen beide instrumenten van justitiële samenwerking in strafzaken moet hebben. Zoals ik reeds heb uitgelegd, is deze lidstaat geenszins verplicht het in kaderbesluit 2008/909 bedoelde certificaat af te geven. Aangezien deze lidstaat de soevereine keuze heeft gemaakt om de voorkeur te geven aan het Europees aanhoudingsbevel, moet die keuze worden gerespecteerd. Derhalve kan er niet van worden uitgegaan dat die lidstaat bereid zou zijn om bij weigering van de tenuitvoerlegging van dit bevel, af te zien van de tenuitvoerlegging van de straf op zijn grondgebied. Integendeel, juist door een Europees aanhoudingsbevel uit te vaardigen, drukt hij de wens uit de straf op zijn grondgebied ten uitvoer gelegd te zien worden.
73.
Het standpunt van de Nederlandse regering dat de toepassing van artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584 zou neerkomen op de erkenning van de strafrechtelijke veroordeling, waardoor het overbodig wordt om de toestemming van de veroordelende lidstaat te verkrijgen, leidt tot de volgende paradox: wanneer een rechterlijke autoriteit een Europees aanhoudingsbevel uitvaardigt met het oog op de tenuitvoerlegging van een straf, impliceert dit dat zij aanvaardt dat die straf eventueel in een andere lidstaat ten uitvoer kan worden gelegd, in welk geval de uitvaardigende lidstaat afziet van de eigen bevoegdheid om deze straf ten uitvoer te leggen. Het Europees aanhoudingsbevel heeft echter in de eerste plaats ten doel om de gezochte persoon over te leveren aan de rechterlijke autoriteit die een dergelijk bevel uitvaardigt. Bij het uitvaardigen van een Europees aanhoudingsbevel is het met andere woorden niet de bedoeling om de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van een straf over te dragen aan een andere lidstaat.
74.
De uitvaardigende lidstaat die zijn tenuitvoerleggingsbevoegdheid wil behouden, schendt het beginsel van wederzijds vertrouwen hierdoor niet. De uitvoerende lidstaat is er immers in beginsel toe gehouden om gevolg te geven aan het verzoek tot samenwerking dat voortvloeit uit de uitvaardiging van een Europees aanhoudingsbevel. Zoals de Franse regering ter terechtzitting terecht heeft opgemerkt, kan dit beginsel in een dergelijke situatie geen grond tot erkenning en tenuitvoerlegging van een vonnis door een andere lidstaat zijn wanneer die erkenning en tenuitvoerlegging noch gevraagd, noch gewenst is.
75.
Elke andere uitlegging zou ertoe leiden dat de uitvoerende lidstaat de bevoegdheid kan verkrijgen om de sanctie ten uitvoer te leggen, zelfs indien de lidstaat waar deze sanctie is opgelegd geen afstand heeft gedaan van de uitoefening van die bevoegdheid, zoals blijkt uit het feit dat een Europees aanhoudingsbevel met het oog op de tenuitvoerlegging van de sanctie is uitgevaardigd. Dit zou indruisen tegen het beginsel van wederzijds vertrouwen dat in dit soort situaties in de eerste plaats met zich meebrengt dat de uitvoerende lidstaat het Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer legt. Zoals de Commissie ter terechtzitting heeft aangegeven, doet artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584 als uitzondering op het beginsel van overlevering en gelet op het facultatieve karakter van de daarin opgenomen grond tot weigering van de tenuitvoerlegging, geen recht op overbrenging voor de veroordeelde persoon ontstaan, maar louter een mogelijkheid. Die mogelijkheid kan zich alleen voordoen onder naleving van bepaalde voorwaarden.
76.
Het is dus niet mogelijk zich te onttrekken aan het door kaderbesluit 2008/909 vastgestelde kader, aangezien — ongeacht de omstandigheden waaronder de erkenning van een strafrechtelijke veroordeling wordt overwogen — een billijk evenwicht dat de rechten van de veroordelende lidstaat beschermt alleen kan voortvloeien uit de naleving van de door dat kaderbesluit vastgestelde regels.
77.
In het kader van onderhavige zaak staat vast dat de procedure en voorwaarden van kaderbesluit 2008/909 met het oog op de erkenning en tenuitvoerlegging van de strafrechtelijke veroordeling van C.J. niet zijn nageleefd. De Italiaanse rechterlijke autoriteiten hebben immers geweigerd het tegen C.J. uitgevaardigde Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen, maar hebben de strafrechtelijke veroordeling erkend en de tenuitvoerlegging ervan in Italië gelast, ook al hadden de Roemeense rechterlijke autoriteiten zich verzet tegen een dergelijke erkenning en tenuitvoerlegging buiten het Roemeense grondgebied.
78.
De Italiaanse rechterlijke autoriteiten hebben dus niet gehandeld in overeenstemming met het beginsel van wederzijdse erkenning, zoals neergelegd in kaderbesluit 2008/909, en kunnen dit beginsel dus niet inroepen ten opzichte van de uitvaardigende lidstaat, waardoor deze laatste het recht behoudt om het betrokken vonnis op zijn grondgebied ten uitvoer te leggen. Artikel 22, lid 1, van kaderbesluit 2008/909 bepaalt weliswaar dat die lidstaat niet langer mag overgaan tot de verdere tenuitvoerlegging van de sanctie zodra de tenuitvoerlegging ervan in de uitvoerende lidstaat is ingegaan, maar die tenuitvoerlegging moet wel plaatsvinden overeenkomstig de regels van dit kaderbesluit. Dat is niet het geval wanneer een strafvonnis wordt erkend in strijd met de procedures en voorwaarden van dat kaderbesluit en met name wanneer de uitvaardigende lidstaat het vonnis, vergezeld van het in dat kaderbesluit bedoelde certificaat, niet heeft toegezonden. Indien wordt aanvaard dat het begin van de tenuitvoerlegging van de straf in de uitvoerende lidstaat in een dergelijke situatie de uitvaardigende lidstaat de bevoegdheid kan ontnemen om die straf ten uitvoer te leggen, dan wordt de deur opengezet voor omzeiling van de regels van kaderbesluit 2008/909.
79.
Daaraan voeg ik toe dat zelfs als het vonnis, vergezeld van het certificaat als bedoeld in dat kaderbesluit, zou zijn toegezonden, het twijfelachtig is of een nationaal bevel tot tenuitvoerlegging van de straf met gelijktijdige opschorting, in de vorm van huisarrest, in afwachting van een beslissing van de Italiaanse rechterlijke autoriteiten over een alternatieve maatregel voor de gevangenisstraf, kan worden beschouwd als een begin van de tenuitvoerlegging van die straf in de zin van artikel 22, lid 1, van dat kaderbesluit. Het lijkt me echter niet nodig om in het kader van de onderhavige zaak op dit aspect in te gaan, aangezien de procedure en de voorwaarden van dat kaderbesluit hoe dan ook niet zijn nageleefd.44.
80.
Aangezien het besluit van de uitvoerende rechterlijke autoriteit om de tenuitvoerlegging van het tegen C.J. uitgevaardigde Europees aanhoudingsbevel te weigeren bovendien niet strookt met het Unierecht, kan de uitvaardigende rechterlijke autoriteit de overleveringsprocedure voor die persoon voortzetten door dat bevel te handhaven of een nieuw bevel uit te vaardigen om de verwezenlijking van de door kaderbesluit 2002/584 nagestreefde doelstelling van bestrijding van straffeloosheid te bevorderen.45. Met andere woorden, er kan niet van worden uitgegaan dat het betrokken Europees aanhoudingsbevel zonder voorwerp is geraakt of geen effect meer sorteert. Het vonnis dat in de uitvaardigende lidstaat is gewezen, waarop dit bevel is gebaseerd en waarnaar artikel 8, lid 1, onder c), van kaderbesluit 2002/584 verwijst, blijft daarenboven uitvoerbaar. Zoals de Roemeense regering ter terechtzitting heeft aangegeven, moet de uitvaardigende lidstaat, zodra de overlevering heeft plaatsgevonden, indien nodig rekening houden met artikel 26, lid 1, van dat kaderbesluit. Zoals het Hof reeds heeft geoordeeld, garandeert deze bepaling, die vereist dat er rekening wordt gehouden met elke periode waarin de veroordeelde persoon in de uitvoerende lidstaat in hechtenis heeft gezeten, namelijk dat die persoon geen hechtenis ondergaat waarvan de totale duur — zowel in de uitvoerende lidstaat als in de uitvaardigende lidstaat — uiteindelijk langer zou zijn dan de duur van de vrijheidsstraf waartoe deze in de uitvaardigende lidstaat was veroordeeld.46.
IV. Conclusie
81.
Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging de eerste, de tweede en de derde prejudiciële vraag van de Curte de Apel București te beantwoorden als volgt:
‘Artikel 4, punt 6, en artikel 8, lid 1, onder c), van kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten, en artikel 4, leden 2 en 5, artikel 8, lid 1, artikel 22, lid 1, en artikel 25 van kaderbesluit 2008/909/JBZ van de Raad van 27 november 2008 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op strafvonnissen waarbij vrijheidsstraffen of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregelen zijn opgelegd, met het oog op de tenuitvoerlegging ervan in de Europese Unie,
moeten aldus worden uitgelegd dat
een rechterlijke autoriteit niet mag weigeren een met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf uitgevaardigd Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen door zich op de in eerstgenoemde bepaling genoemde grond tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging te beroepen, wanneer de strafrechtelijke veroordeling in strijd met de procedure en de voorwaarden van kaderbesluit 2008/909 wordt erkend en ten uitvoer gelegd. In die situatie behoudt de uitvaardigende lidstaat het recht om die straf ten uitvoer te leggen en staat het aan de uitvoerende rechterlijke autoriteit om het Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen door de gezochte persoon aan die lidstaat over te leveren.’
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 13‑06‑2024
Oorspronkelijke taal: Frans.
PB 2002, L 190, blz. 1.
PB 2008, L 327, blz. 27.
Volgens deze bepaling kan de uitvoerende rechterlijke autoriteit de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel weigeren ‘[indien] het Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel, terwijl de gezochte persoon verblijft in of onderdaan of ingezetene is van de uitvoerende lidstaat en deze staat zich ertoe verbindt die straf of maatregel overeenkomstig zijn nationale recht zelf ten uitvoer te leggen’.
In deze conclusie kan de uitvaardigende lidstaat ook de veroordelende lidstaat worden genoemd.
Dit certificaat is aangevuld met een ander certificaat, dat op 14 juli 2021 aan de Roemeense rechterlijke autoriteiten is meegedeeld en de volgende vermelding bevat: ‘Wat betreft de staat van het huisarrest is men in afwachting van een beslissing van de toezichthoudende rechter met betrekking tot een alternatieve maatregel.’
Volgens vaste rechtspraak is het aan de nationale rechter om het feitelijke en wettelijke kader van het verzoek om een prejudiciële beslissing te schetsen: zie met name arrest van 30 november 2023, Ministero dell'Istruzione en INPS (C-270/22, EU:C:2023:933, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie met name arrest van 6 juni 2023, O. G. (Europees aanhoudingsbevel tegen een onderdaan van een derde land) (C-700/21, EU:C:2023:444, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak; hierna: ‘arrest O. G.’).
Zie met name arrest O.G. (punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie met name arrest O.G. (punt 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie met name arrest O.G. (punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie met name arrest van 11 maart 2020, SF (Europees aanhoudingsbevel — Garantie tot terugzending naar de tenuitvoerleggingsstaat) (C-314/18, EU:C:2020:191, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie met name arrest van 11 maart 2020, SF (Europees aanhoudingsbevel — Garantie tot terugzending naar de tenuitvoerleggingsstaat) (C-314/18, EU:C:2020:191, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie met name arrest O.G. (punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie met name arrest O.G. (punt 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie met name arrest O.G. (punt 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie met name arrest O.G. (punt 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie met name arrest van 24 juni 2019, Popławski (C-573/17, EU:C:2019:530, punt 88 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie met name arrest van 24 juni 2019, Popławski (C-573/17, EU:C:2019:530, punt 92 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Zoals advocaat-generaal Bot in zijn conclusie in de zaak Popławski (C-579/15, EU:C:2017:116) heeft opgemerkt, ‘moet op grond van de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning en de noodzaak om ieder risico op straffeloosheid te vermijden, worden aangenomen dat het Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer moet worden gelegd wanneer de uitvoerende lidstaat de tenuitvoerlegging van de straf om welke reden dan ook niet kan overnemen’ (punt 57).
Zie met name arrest O.G. (punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie arrest O.G. (punt 53).
Zie met name arrest O.G. (punten 60 en 61 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie met name arrest O.G. (punt 62 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie arrest O.G. (punt 63).
Zie in dit verband ook mededeling van de Commissie — Handboek voor het uitvaardigen van een Europees aanhoudingsbevel (PB C, C/2023/1270), punten 2.5.2 en 5.4.2, waaruit volgt dat in het in artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584 bedoelde geval kaderbesluit 2008/909 moet worden toegepast om de overdracht van de sanctie naar de lidstaat waar de straf ten uitvoer wordt gelegd, mogelijk te maken.
Zie in die zin mededeling van de Commissie — Handboek inzake de overbrenging van gevonniste personen en vrijheidsstraffen in de Europese Unie (PB 2019, C 403, blz. 2) waarin in punt 11.1 staat: ‘Volgens artikel 25 en overweging 12 van […] kaderbesluit [2008/909] is in gevallen dat artikel 4, [punt] 6, en artikel 5, [punt] 3, van kaderbesluit 2002/584 wordt toegepast, de nationale wetgeving tot uitvoering van […] kaderbesluit [2008/909] van overeenkomstige toepassing en voor zover verenigbaar met kaderbesluit 2002/584, op de tenuitvoerlegging van het vonnis.’ In dat punt wordt ook verklaard dat ‘[h]et verband tussen […] kaderbesluit [2008/909] en kaderbesluit 2002/584 is vastgelegd in artikel 25 en overweging 12 van […] kaderbesluit [2008/909]’ en dat ‘een weigering om een [Europees aanhoudingsbevel] uit te voeren overeenkomstig artikel 4, [punt] 6, van kaderbesluit 2002/584 moet worden voorafgegaan door een beoordeling door de uitvoerende rechterlijke autoriteit of het daadwerkelijk mogelijk is om de sanctie ten uitvoer te leggen overeenkomstig het nationale recht tot uitvoering van […] kaderbesluit [2008/909]’ (cursivering van mij).
C-314/18, EU:C:2020:191.
Zie arrest van 11 maart 2020, SF (Europees aanhoudingsbevel — Garantie tot terugzending naar de tenuitvoerleggingsstaat) (C-314/18, EU:C:2020:191, punten 49 e.v.).
Zie met name arrest van 24 juni 2019, Popławski (C-573/17, EU:C:2019:530, punt 88 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie arrest van 9 november 2023, Staatsanwaltschaft Aachen (C-819/21, EU:C:2023:841, punt 19).
Zie arrest van 9 november 2023, Staatsanwaltschaft Aachen (C-819/21, EU:C:2023:841, punt 20).
Zie onder meer arrest van 15 april 2021, AV (Verzamelvonnis) (C-221/19, EU:C:2021:278, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
In deze bepaling is het volgende vastgesteld: ‘De beslissingsstaat kan, zolang geen aanvang is gemaakt met de tenuitvoerlegging van de sanctie in de tenuitvoerleggingsstaat, onder opgave van redenen het certificaat intrekken. Zodra het certificaat is ingetrokken, wordt de tenuitvoerlegging van de sanctie in de tenuitvoerleggingsstaat gestaakt.’
Zie in dit verband het in voetnoot 26 van deze conclusie aangehaalde handboek, waarin in punt 1.1 wordt verklaard dat kaderbesluit 2008/909 ‘[d]e beslissingsstaat […] echter niet verplicht om een vonnis toe te zenden voor de erkenning en tenuitvoerlegging ervan in een andere lidstaat’ en dat ‘[d]e beslissingsstaat […] het laatste woord [heeft] over de overbrenging, indien hij akkoord is met de aanpassing van de sanctie en de modaliteiten van de tenuitvoerlegging daarvan’. Bovendien wordt in punt 3.1 van dit handboek verduidelijkt dat in beide door artikel 4, lid 5, van kaderbesluit 2008/909 beoogde scenario's ‘de beslissingsstaat echter niet verplicht [is] om te voldoen aan het verzoek om toezending van het vonnis. Dit vloeit logischerwijs voort uit het feit dat de beslissingsstaat de enige partij blijft die op grond van een daartoe strekkende soevereine bevoegdheid vonnis heeft gewezen naar aanleiding van een strafbaar feit. Als zodanig behoudt de beslissingsstaat de vrijheid om een verzoek van de tenuitvoerleggingsstaat en/of de gevonniste persoon eigenstandig te beoordelen.’
De uitvoerende lidstaat is met name verplicht om de veroordelende lidstaat bepaalde informatie te verstrekken, zoals die welke wordt genoemd in de artikelen 12 en 21 van kaderbesluit 2008/909.
Zie arrest van 13 december 2018, Sut (C-514/17, EU:C:2018:1016, punt 48).
Zie arrest van 13 december 2018, Sut (C-514/17, EU:C:2018:1016, punt 48).
Zie met name arrest van 13 december 2018, Sut (C-514/17, EU:C:2018:1016, punten 43 en 44 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie met name arrest van 13 december 2018, Sut (C-514/17, EU:C:2018:1016, punt 49).
Zie arrest van 11 maart 2020, SF (Europees aanhoudingsbevel — Garantie tot terugzending naar de tenuitvoerleggingsstaat) (C-314/18, EU:C:2020:191, punt 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie met name arrest van 13 december 2018, Sut (C-514/17, EU:C:2018:1016, punt 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Zoals advocaat-generaal Pikamäe in zijn conclusie in de zaak SF (Europees aanhoudingsbevel — Garantie tot terugzending naar de tenuitvoerleggingsstaat) (C-314/18, EU:C:2019:427) met betrekking tot artikel 5, punt 3, van kaderbesluit 2002/584 heeft opgemerkt ‘[heeft] [d]e doelstelling de sociale re-integratie van de gevonniste persoon te bevorderen, […] dus geen absoluut karakter en kan [zij] worden afgewogen tegen andere vereisten’ (punt 61).
Zie dienaangaande het in voetnoot 26 van deze conclusie aangehaalde handboek, waarin in punt 3.1 staat: ‘De beslissingsstaat kan de gevonniste persoon bijvoorbeeld niet wensen over te brengen omdat in de tenuitvoerleggingsstaat een kortere sanctie geldt, rekening houdend met de bepalingen inzake vervroegde en voorwaardelijke invrijheidstelling die van toepassing zijn in die staat. Ook kan de beslissingsstaat, bij het nemen van een beslissing over de staat waar de gevonniste persoon het best de sanctie kan ondergaan, rekening houden met de belangen van het slachtoffer of de slachtoffers. Een lidstaat kan ook onwillig zijn om een persoon over te brengen indien die overbrenging een terugkeer in het criminele milieu in de thuisstaat van die persoon met zich mee zou brengen en niet in het belang van de reclassering van de persoon zou zijn.’ In dat punt wordt ook het volgende verduidelijkt: ‘De volledige beslissingsbevoegdheid van de beslissingsstaat wordt ook geïllustreerd door artikel 13 van […] kaderbesluit [2008/909], waarin wordt bepaald dat zolang geen aanvang is gemaakt met de tenuitvoerlegging van de sanctie in de tenuitvoerleggingsstaat, de beslissingsstaat onder opgave van redenen het certificaat kan intrekken. Zie in dit verband ook artikel 17, lid 3.’ Voorts wordt opgemerkt dat ‘[d]e lidstaten […] zich er steeds beter van bewust [zijn] dat bij de tenuitvoerlegging van een sanctie die is opgelegd aan een gevonniste persoon ook de mening van het slachtoffer of de slachtoffers ertoe doet. Zowel in de tenuitvoerleggingsstaat als in de beslissingsstaat kunnen slachtoffers wonen. Veel lidstaten hebben een procedure vastgesteld die slachtoffers de gelegenheid biedt om te worden geraadpleegd over een eventuele overbrenging, waarna rekening moet worden gehouden met hun mening. Dat betekent echter niet dat slachtoffers het recht hebben om een overbrenging tegen te houden.’
Zie arrest van 9 november 2023, Staatsanwaltschaft Aachen (C-819/21, EU:C:2023:841, punt 39).
In dit verband merk ik op dat in de zaak Fira (C-215/24) met name de vraag wordt opgeworpen of de uitvoerende lidstaat, die op grond van artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584 de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel dat was uitgevaardigd met het oog op tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf heeft geweigerd, de uitvoering van die straf daarna kan opschorten.
Zie in die zin arrest van 31 januari 2023, Puig Gordi e.a. (C-158/21, EU:C:2023:57, punt 141).
Zie in die zin arrest van 28 juli 2016, JZ (C-294/16 PPU, EU:C:2016:610, punt 43).