Einde inhoudsopgave
De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer (Verzekeringsrecht) 2010/4.8.7.2
4.8.7.2 De omzetting van art. 24 van de Richtlijn
mr. F.J. Blees, datum 29-04-2010
- Datum
29-04-2010
- Auteur
mr. F.J. Blees
- JCDI
JCDI:ADS400699:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Met uitsluiting van particuliere en sociale verzekeraars en andere instanties die door vergoeding van de schade in de rechten van de benadeelde en zijn rechtverkrijgenden zijn getreden. Zie hierna par. 4.8.6.4.
De Wam spreekt over het Instellen van een rechtsvordering'. Dat is inderdaad duidelijker dan de formulering van de Richtlijn, die slechts spreekt van het Instellen van een vordering'.
Kamerstukken II, 2002/03, 28 636, nr. 3, pag. 4.
De situatie wordt er niet duidelijker door, nu art. 27o lid 1 onderdelen c en d, waarin de verantwoordelijkheden van het Schadevergoedingsorgaan in de situaties van art. 25 van de Richtlijn worden geregeld, gelezen in samenhang met de begripsomschrijving van art. 27j - ten onrechte - niet de beperking aanbrengt dat het Schadevergoedingsorgaan geen rol heeft bij ongevallen in derde landen.
Kamerstukken II, 2002/03, 28 636, nr. 3, pag. 22. Verwezen wordt daar slechts naar de bespreking van de betreffende richtlijnbepalingen in het algemene deel van de toelichting.
Besluit van 23 november 1972 tot uitvoering van art. 3 lid 3 Wet aansprakelijkheidverzekering motorrijtuigen (aanwijzing van landen en gebieden), Stb. 618, zoals dit besluit laatsteljk is gewijzigd bij Besluit van 16 oktober 2007, Stb. 400.
In art. 27j Wam worden met behulp van de begrippen 'schade' en 'benadeelde' de gevallen ingekaderd waarin het Nederlandse Schadevergoedingsorgaan in zijn hoedanigheid van regelende instantie dient op te treden. Deze twee onderdelen van art. 27j Wam zijn als volgt samen te vatten:
De schade dient:
— te zijn geleden door personen met woonplaats in Nederland en hun rechtverkrijgenden1;
— zich te hebben voorgedaan in een andere lidstaat dan Nederland, dan wel in een staat (buiten de EU) die is aangesloten bij het groenekaartstelsel;
— te zijn veroorzaakt door een motorrijtuig dat gewoonlijk is gestald en verzekerd in een andere lidstaat dan Nederland.
Blijkens art. 27o Wam kan deze benadeelde - onder voorwaarde dat er burgerrechtelijke aansprakelijkheid voor de schade bestaat - een verzoek tot schadevergoeding bij het Schadevergoedingsorgaan indienen, als:
— de verzekeraar of diens schaderegelaar hem binnen drie maanden na het indienen van het verzoek om schadevergoeding geen met redenen omkleed antwoord op dat verzoek heeft gegeven;
— de verzekeraar heeft nagelaten om in Nederland een schaderegelaar aan te stellen.
In overeenstemming met de Richtlijn bepaalt het tweede lid van art. 27o dat de benadeelde zich niet tot het Schadevergoedingsorgaan kan wenden als de verzekeraar weliswaar geen schaderegelaar heeft aangesteld, maar de benadeelde zich rechtstreeks tot de (in het buitenland gevestigde) verzekeraar heeft gewend en van deze binnen drie maanden een gemotiveerde reactie heeft ontvangen. Evenmin heeft de benadeelde toegang tot het Schadevergoedingsorgaan als hij de verzekeraar rechtstreeks in rechte heeft aangesproken:2
Ten aanzien van de regeling van ongevallen buiten de EU, maar binnen het gebied van het groenekaartstelsel valt nog een opmerking te plaatsen. Bij de bespreking van de schaderegelaar (paragraaf 4.2.7.2) is reeds opgemerkt, dat de toepassing van de Richtlijn op ongevallen die zich in derde landen voordoen en die zijn veroorzaakt door gewoonlijk op het grondgebied van een der lidstaten gestalde motorrijtuigen geen uitbreiding van de verplichte territoriale dekking van de verzekering inhoudt.
Met andere woorden: de Richtlijn brengt niet mee dat de dekking zich zou moeten uitstrekken tot andere landen dan die waar de verzekering op grond van art. 2 van de Richtlijn dekking moet verlenen: de lidstaten van de EU en de overige drie EER-landen waar de Richtlijn eveneens van kracht is (IJsland, Liechtenstein en Noorwegen).
De Wam neemt de bewoordingen van art. 24 van de Richtlijn over, maar dat er geen uitbreiding van het dekkingsgebied beoogd wordt, blijkt uit de toelichting op de wijziging van de Wam nergens. Slechts bij de beschrijving in het algemene gedeelte van de MvT van de inhoud van de Richtlijn is dit terug te vinden.3 De bewoordingen van de art 27j en 27o Wam, noch de MvT op deze artikelen maken met zoveel woorden duidelijk dat de benadeelde van een ongeval in een derde land dat bij het groenekaartstelsel is aangesloten en dat is veroorzaakt door een gewoonlijk in een lidstaat gestald motorrijtuig dat weliswaar is verzekerd, maar geen dekking heeft in het derde land, zich niet tot het Nederlandse Schadevergoedingsorgaan zou kunnen wenden.4 Wel blijkt uit de toelichting bij art. 27o dat de wetgever de bedoeling heeft gehad de Richtlijn zonder meer over te nemen.5 Verzekeraars zijn dus niet verplicht hun dekking uit te breiden tot andere bij het groenekaartstelsel aangesloten landen dan die bedoeld in de AMvB ex art. 3 lid 3 Wam.6
Het Schadevergoedingsorgaan dat optreedt omdat de verzekeraar in Nederland geen schaderegelaar heeft aangesteld, of omdat de verzekeraar of de schaderegelaar binnen drie maanden geen gemotiveerd antwoord op het verzoek om schadevergoeding heeft gegeven, zal daarom ook niet kunnen worden aangesproken als niet komt vast te staan dat de polis in het betrokken derde land dekking biedt.
De Nederlandse benadeelde van een ongeval in Wit-Rusland dat is veroorzaakt door een gewoonlijk in België gestald motorrijtuig, waarvan het IVB verlopen was ten tijde van het ongeval, heeft dus geen toegang tot het Nederlandse Schadevergoedingsorgaan.
De vraag blijft echter onbeantwoord op wie de bewijslast van het bestaan van die dekking zou liggen, als de verzekeraar niet binnen de door art. 27p Wam gestelde termijn van twee maanden op de aanschrijving door het Schadevergoedingsorgaan reageert. De grondregel 'wie stelt, bewijst' lijkt hier weinig bevredigend. In eerste instantie zal de benadeelde de verzekeraar van het voertuig aanschrijven. Deze zal dan in zijn gemotiveerde antwoord moeten aangeven, dat en waarom hij geen dekking verleent in het land van het ongeval. Maar reageert de verzekeraar niet, dan zal de benadeelde toch moeten aantonen dat de aansprakelijke dekking had in het derde land van het ongeval.