Ingevolge art. 31, vierde lid, Uitleveringswet is de opgeëiste persoon die cassatieberoep heeft ingesteld op straffe van niet-ontvankelijkheid verplicht vóór de dienende dag bij de Hoge Raad door zijn raadsman een schriftuur te doen indienen, houdende zijn middelen van cassatie. De rechtsdag bij de Hoge Raad was 6 juni 2023.
HR, 29-08-2023, nr. 22/04689
ECLI:NL:HR:2023:1138
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
29-08-2023
- Zaaknummer
22/04689
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht (V)
Internationaal strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2023:1138, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 29‑08‑2023; (Artikel 81 RO-zaken, Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2023:645
ECLI:NL:PHR:2023:645, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 04‑07‑2023
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2023:1138
- Vindplaatsen
RvdW 2023/870
Uitspraak 29‑08‑2023
Inhoudsindicatie
Vervolgingsuitlevering van opgeëiste persoon (Roemeense nationaliteit) naar Moldavië t.z.v. mensenhandel. 1. Ontbrekende pleitnota? 2. Verweer dat ter zitting verschenen persoon niet opgeëiste persoon is. HR: art. 81.1 RO.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/04689 U
Datum 29 augustus 2023
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 5 december 2022, nummer […], op verzoek van Moldavië tot uitlevering
van
[opgeëiste persoon],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,
hierna: de opgeëiste persoon.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de opgeëiste persoon. Namens deze heeft P.D. Popescu, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur en aanvullende schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schrifturen zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep.
2. Beoordeling van de cassatiemiddelen
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van de rechtbank beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 augustus 2023.
Conclusie 04‑07‑2023
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Vervolgingsuitlevering aan Moldavië. Het eerste middel klaagt dat de uitspraak van de rechtbank nietig is, omdat het proces-verbaal van de inhoudelijke zitting in eerste aanleg en de bij die gelegenheid overgelegde pleitnota zich niet bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevinden. De AG concludeert dat de raadsman deze stukken niet conform art. 4.3.6.3. van het Procesreglement van de Hoge Raad tijdig via de rolraadsheer heeft opgevraagd, zodat het middel om die reden niet tot cassatie kan leiden. Overigens is aan het middel de feitelijke grondslag komen te ontvallen, nu die stukken met instemming van de rolraadsheer op verzoek van de AG (met het oog op het tweede middel) aan de Hoge Raad zijn toegezonden. Het tweede middel, dat zich met een motiveringsklacht keert tegen de verwerping van het verweer dat de ter zitting aanwezige persoon niet de opgeëiste persoon is, faalt volgens de AG. De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 22/04689 U
Zitting 4 juli 2023
CONCLUSIE
E.J. Hofstee
In de zaak
[opgeëiste persoon] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,
hierna: de opgeëiste persoon
Inleiding
- 1.
De rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlemmermeer, heeft bij uitspraak van 5 december 2022 de uitlevering van de opgeëiste persoon aan Moldavië toelaatbaar verklaard ter fine van “strafvervolging ter zake van de feiten als omschreven in de ‘Ordinance of accusation’”.
- 2.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de opgeëiste persoon. Namens de opgeëiste persoon heeft P.D. Popescu, advocaat te Amsterdam, tijdig bij schriftuur van 28 mei 2023 twee middelen van cassatie voorgesteld.1.Na daartoe door de rolraadsheer in de gelegenheid te zijn gesteld door verlening van een nadere termijn, heeft P.D. Popsecu (de toelichting op) het tweede middel bij aanvullende schriftuur van 28 juni 2023 aangevuld.
Het eerste middel en de bespreking daarvan
3. Het eerste middel behelst de klacht dat de bestreden uitspraak nietig is, omdat het proces-verbaal van de zitting van de rechtbank van 21 november 2022 en de bij die gelegenheid door de toenmalige raadsvrouw aan de rechtbank overgelegde pleitnota zich niet bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevinden.
4. Een raadsman die bevindt dat de processtukken niet volledig zijn, moet – voordat hij in een middel over die onvolledigheid wenst te klagen – binnen de in art. 437, tweede lid, Sv bedoelde termijn schriftelijk een verzoek om aanvulling indienen bij de rolraadsheer (art. 4.3.6.3. van het Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden).2.Niet is gebleken dat de raadsman met betrekking tot de in het middel bedoelde stukken een dergelijk verzoek heeft ingediend, zodat het middel reeds om die reden niet tot cassatie kan leiden.3.
5. Overigens zou anders aan het middel de feitelijke grondslag zijn komen te ontvallen. Met het oog op mijn bespreking van het tweede middel heb ik met instemming van de rolraadsheer op 21 juni 2023 het proces-verbaal van de zitting van de rechtbank van 21 november 2022 en de toen aan de rechtbank overgelegde pleitnota van de toenmalige raadsvrouw opgevraagd. Deze stukken zijn op 21 juni 2023 aan de Hoge Raad toegezonden en bij de stukken gevoegd. De rolraadsheer heeft P.D. Popescu voornoemd daarvan op de hoogte gebracht en hem de in randnummer 2 genoemde nadere termijn verleend om eventueel de eerder ingediende schriftuur te wijzigen, aan te vullen dan wel een of meer middelen in te trekken met betrekking tot hetgeen door mij was opgevraagd.
6. Het eerste middel is ongegrond.
Het tweede middel en de bespreking daarvan
7. Het tweede middel keert zich met een motiveringsklacht tegen de verwerping van de rechtbank van het door de verdediging gevoerde verweer dat de ter zitting verschenen persoon niet de opgeëiste persoon is. In de aanvullende schriftuur van 28 juni 2023 heeft de steller van het middel bij dat standpunt gepersisteerd.
8. Blijkens het proces-verbaal van de zitting van 21 november 2022 is door de toenmalige raadsvrouw van de opgeëiste persoon overeenkomstig de op die zitting overgelegde pleitnota, voor zover hier relevant, het volgende verweer gevoerd:
“Cliënt heeft van meet af aan beweerd niet schuldig te zijn aan de beschuldigingen geuit door de autoriteiten van Moldavië. Hij heeft aangegeven nimmer in Moldavië te zijn geweest. Die bewering heeft cliënt onverwijld gedaan, op het eerste moment waarop hem vragen zijn gesteld met betrekking tot het uitgevaardigde arrestatiebevel.
Dit kan hij door zijn detentie niet onverwijld aantonen, maar het werpt wel de nodige vragen op. Te meer als cliënt aangeeft dat het door de autoriteiten van Moldavië vermelde CNP (de Roemeense BSN) incorrect is. Waarom is de CNP van belang? Omdat dit een uniek nummer is dat gekoppeld is aan Roemeense burgers. Het eerste cijfer 1 staat voor een man geboren tussen 1900 en 1999, terwijl het eerste cijfer 2 voor een vrouw staat. Cliënt is een man geboren tussen 1900 en 1999, reden waarom een 1 als eerste vermeld staat.
De twee volgende cijfers staan voor het geboortejaar. Cliënt is geboren in 1989, reden waarom het eerste cijfer 1 gevolgd wordt door de cijfers 89. En zo gaat het maar door.
Vergelijk in dit geval de navolgende informatie uit: https://www.oecd.org/tax/automatic-exchange/crs-implementation-and-assistance/tax-identification-numbers/Romania-TIN.pdf4.
De beweringen van cliënt hadden op zijn minst onderzocht moeten worden. Want let wel:
Het zijn feiten die in 2012-2013 zouden zijn gepleegd in Moldavië en Griekenland.
De woonplaats van cliënt is [plaats] , zijnde een stad die heel erg dicht is bij de grens tussen Roemenië en Moldavië. Met andere woorden: de persoon van cliënt en zijn verblijfplaats hadden eenvoudigweg onderzocht kunnen worden.
Uit de informatie die de autoriteiten van Moldavië hebben verstrekt blijkt niet wie cliënt aangewezen zou hebben als vermeende dader. Het is van essentieel belang in het kader van de redelijke verdenking van schuld om te weten wie cliënt aangewezen heeft. Als de aangeefster cliënt heeft aangewezen, dan kan ik me voorstellen dat u zou kunnen aannemen dat er gesproken kan worden van een redelijk vermoeden van schuld. Feit is echter dat we helemaal niets weten over de zaak anders dan dat gesteld wordt dat de personalia van cliënt door de autoriteiten van Moldavië worden vermeld terwijl cliënt aangeeft daar nog nooit te zijn geweest.”
9. Het proces-verbaal van de zitting van 21 november 2022 houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
“De opgeëiste persoon, ter zitting aanwezig, antwoordt op vragen van de voorzitter te zijn genaamd:
[opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats] ,
[…]
De opgeëiste persoon, ter zitting ondervraagd, verklaart- zakelijk weergegeven - als volgt:
Het gaat goed met mij en ik heb begrepen waar deze zitting over gaat. Graag wil ik u vertellen dat ik niet de persoon ben die gezocht wordt. Ook tijdens een vorige behandeling van mijn zaak is hierover gesproken. Ik ben echt niet de door justitie gezochte persoon.
De officier van justitie voert het woord
Op basis van de zich in het dossier bevindende stukken stel ik mij op het standpunt dat het verzoek - afkomstig van de Moldavische autoriteiten tot uitlevering van de opgeëiste persoon - voldoet aan de daartoe in het toepasselijke verdrag gestelde eisen. Hoewel in het arrestatie bevel een ander BSN nummer is vermeld en er derhalve twijfel was ontstaan omtrent de identiteit van de aangehouden persoon is deze twijfel thans weggenomen. Dit nu het nummer van het onder de verdachte inbeslaggenomen identiteitsbewijs overeenkomt met het nummer als vermeld in het uitleveringsverzoek. Voorts blijkt uit de bijlagen bij het uitleveringsverzoek dat de daarin vermelde naam, voornaam, geboortedatum en adres van de opgeëiste persoon overeenkomen met de gegevens die staan vermeld op het onder de verdachte inbeslaggenomen identiteitsbewijs.
Er is dan ook geen sprake van een kennelijke vergissing ten aanzien van de identiteit van de opgeëiste persoon.
[…]
De raadsvrouw voert het woord ter verdediging aan de hand van een overgelegde pleitnota welke als bijlage I aan dit proces-verbaal is gehecht.
De officier van justitie voert het woord
Het is begrijpelijk dat het voor een opgeëiste persoon in een uitleveringszaak lastig is bepaalde dingen aan te tonen. Ik geef dan ook geen oordeel of de opgeëiste persoon al dan niet schuldig is. In een uitleveringszaak gaat het er enkel om of het verzoek tot uitlevering aan de daartoe gestelde vereisten voldoet.
Het nummer bij de pasfoto van de opgeëiste persoon, als opgenomen in het uitleveringsverzoek, komt overeen met het nummer van het identiteitsbewijs welke onder de opgeëiste persoon in beslag is genomen. Voorts hebben de Moldavische autoriteiten foto’s meegezonden van de persoon waarvan zij de uitlevering verzoeken. Deze foto’s betreffen foto's van de persoon die thans voor mij zit. Dat in het arrestatiebevel een ander nummer wordt genoemd is weliswaar verwarrend maar uit nader onderzoek is gebleken dat dit nummer behoort bij een vrouwspersoon. De beschuldigingen zijn echter niet gericht tot een vrouw.
[…]
De voorzitter toont de zich in het dossier bevindende foto's van de opgeëiste persoon (digitale dossierpagina 10 e.v.).
De opgeëiste persoon geeft aan dat dit een foto van hem betreft en het aldaar vermelde adres zijn adres is.
De opgeëiste persoon voert het woord.
Als u aan achterkant van het paspoort kijkt dan ziet u dat daar het jaartal 2011 staat vermeld. In 2012 was ik mijn paspoort verloren. Hiervan heb ik op 27 december 2012 aangifte gedaan. Het meisje heeft verklaard dat ik op de 29e met haar ben vertrokken. Hoe kan dat als ik op dat moment geen paspoort in mijn bezit had. Iemand heeft mijn gegevens gebruikt.
Op vragen van de oudste rechter antwoordt de opgeëiste persoon als volgt.
Het klopt dat er een ander nummer in de stukken is opgenomen omdat iemand misbruik heeft gemaakt van mijn paspoort. U houdt mij voor dat dit nummer met een 2 begint en mijn raadsvrouw heeft uitgelegd dat dit nummer dan toebehoort aan een vrouw. Tja, misschien heeft iemand mijn paspoort vervalst.
De raadsvrouw voert het woord.
De nummers van documenten veranderen bij een nieuwe afgifte. Voorts blijkt niet welk paspoort is gebruikt bij het plegen van de feiten waardoor niet de conclusie kan worden getrokken dat het meneer is die het document heeft gebruikt. Het nummer kan geen nummer van het voormalig paspoort zijn. Het betreft een BSN-nummer van een andere persoon die het paspoort van meneer heeft gebruikt.
[…]
De opgeëiste persoon voert het laatste woord.
Zowel in Nederland als in het buitenland heb ik geen strafblad. Het document waar mijn gegevens op staan betreft een door de Moldavische autoriteiten bij de Roemeense autoriteiten opgevraagd document. Het is dan ook logisch dat de Roemeense autoriteiten mijn juiste gegevens met bijbehorende foto opsturen. Ik begrijp de officier van justitie niet dat er sprake zou zijn van enig vluchtgevaar nu ik niet over mijn identiteitsbewijs beschik.”
10. De rechtbank heeft in de bestreden uitspraak, voor zover van belang, het volgende overwogen:
“2.1. De identiteit van de opgeëiste persoon.
De raadsvrouw heeft ter zitting aangevoerd dat haar cliënt niet de persoon is van wie de uitlevering wordt verzocht. Daartoe heeft zij aangevoerd dat het door de autoriteiten van Moldavië in de stukken vermelde CPN-nummer (het Roemeense BSN-nummer) niet overeenkomt met het CPN-nummer van haar cliënt. Daarnaast heeft zij aangevoerd dat uit de informatie afkomstig uit Moldavië niet kan worden afgeleid wie haar cliënt heeft aangewezen als de vermeende dader. Het staat dan ook onvoldoende vast dat er een redelijk vermoeden van schuld is dat haar cliënt zich schuldig heeft gemaakt aan de feiten waarvoor de uitlevering wordt gevraagd.
De rechtbank ziet geen aanleiding om aan te nemen dat de persoon van wie uitlevering wordt verzocht niet de persoon is die ter zitting is verschenen. Uit de bijlagen bij het uitleveringsverzoek blijkt dat de daarin vermelde naam, voornaam, geboortedatum en adres van de opgeëiste persoon overeenkomen met de gegevens die staan vermeld op het onder de ter zitting verschenen persoon inbeslaggenomen identiteitsbewijs. Voorts heeft de ter zitting verschenen persoon bevestigd dat de op zijn identiteitsbewijs genoemde gegevens correct zijn en hij die persoon is.
Op grond van voorgaande stelt de rechtbank vast dat de ter zitting verschenen persoon [opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats] , is, dat hij de Roemeense nationaliteit bezit en dat hij degene is van wie de uitlevering wordt verzocht.”
11. Ik begrijp de toelichting op het middel in de schriftuur en de nadere schriftuur aldus, dat de rechtbank zou hebben miskend “dat bevestigen dat “de op ['je eigen] identiteitsbewijs genoemde gegevens correct zijn en hij die persoon is" niet betekent dat dit een bevestiging is van hetgeen vermeld wordt in de 'Ordinance of accusation' met betrekking tot diegene wiens uitlevering wordt verzocht” en de rechtbank niet is ingegaan op het verweer dat de gegevens niet afkomstig zijn van de Moldavische, maar van de Roemeense autoriteiten.
12. De rechtbank heeft bij de beoordeling van het door de raadsvrouw gevoerde verweer overwogen dat (i) de op de bijlagen bij het uitleveringsverzoek vermelde naam, voornaam, geboortedatum en adres van de opgeëiste persoon overeenkomen met de gegevens die staan vermeld op het onder de ter zitting verschenen persoon inbeslaggenomen identiteitsbewijs en (ii) de ter zitting verschenen persoon heeft bevestigd dat de op zijn identiteitsbewijs genoemde gegevens correct zijn en hij die persoon is. Op grond daarvan heeft de rechtbank met verwerping van het verweer geoordeeld dat de ter zitting verschenen persoon de opgeëiste persoon in de onderhavige zaak is. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Daarbij heb ik mede in aanmerking genomen dat de voorzitter op de zitting van de rechtbank de zich in het dossier bevindende foto’s van de opgeëiste persoon aan de ter zitting verschenen persoon heeft getoond en dat deze persoon in reactie daarop heeft aangegeven dat dit een foto van hem betreft en het aldaar vermelde adres zijn adres is. Dat de rechtbank, zoals bij aanvullende schriftuur naar voren is gebracht, niet expliciet is ingegaan op het door de opgeëiste persoon ter zitting naar voren gebrachte punt, in de woorden van de steller van het middel “inhoudende dat de gegevens niet afkomstig zijn van de Moldavische autoriteiten, maar van de Roemeense autoriteiten”, maakt dit niet anders. Daarbij laat ik daar dat blijkens het proces-verbaal van deze zitting de opgeëiste persoon in dit verband (in het laatste woord) enkel heeft opgemerkt dat het document waar zijn gegevens op staan “een door de Moldavische autoriteiten bij de Roemeense autoriteiten opgevraagd document [betreft]”.
13. Het tweede middel faalt.
Slotsom
14. Het eerste middel is ongegrond. Het tweede middel faalt. Beide middelen kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.
15. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
16. Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 04‑07‑2023
Dit voorschrift is ook van toepassing in uitleveringszaken, nu art. 4.1.1.1. van het genoemde Procesreglement bepaalt dat het hoofdstuk over strafzaken betrekking heeft op de wijze van procederen en de voortgang van het geding in alle zaken waarvan de tweede meervoudige kamer (strafkamer) van de Hoge Raad kennisneemt. Van het beroep in cassatie in en de verdere behandeling van zaken als bedoeld in art. 31 van de Uitleveringswet neemt de tweede meervoudige kamer (strafkamer) kennis (art. 1.1.7 onder g van het Procesreglement).
Vgl. HR 6 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:159 (HR: art. 81 RO).
Deze link verwijst naar een Index 1 met een afbeelding “A. ROMANIA TIN1 NATURAL PERSONS (ISSUED BY THE MINISTRY OF INTERNAL AFFAIRS)” en een afbeelding “B. ROMANIA TIN2 NATURAL PERSONS (ISSUED BY THE TAX ADMINISTRATION)“. Beide afbeeldingen zijn in de pleitnota weergegeven.