NJB 2025/2700
Voordeelsontneming en vaststelling dat ‘voldoende aanwijzingen’ bestaan dat de betrokkene andere strafbare feiten in de zin van art. 36e lid 2 Sr heeft begaan: die vaststelling moet binnen het eigen kader voor het bewijs in de ontnemingsprocedure in overeenstemming zijn met de onschuldpresumptie. De in art. 36e lid 2 Sr bedoelde ‘voldoende aanwijzingen’ mogen daarom niet door de rechter worden aangenomen als niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat andere strafbare feiten door de betrokkene zijn begaan. Dat geldt ook als de rechter met toepassing van art. 36e lid 2 (oud) Sr, zoals dat gold tot 1 juli 2011, tot het oordeel komt dat voldoende aanwijzingen bestaan dat de betrokkene ‘soortgelijke feiten of feiten waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd’ heeft begaan. De Hoge Raad zet de eisen uiteen die gelden bij toepassing berekeningswijze van eenvoudige kasopstelling bij art. 36e lid 2 Sr alsmede de eisen bij toepassing van art. 36e lid 3 Sr. Anders dan het tweede lid stelt het derde lid van art. 36e Sr niet de eis dat die ‘andere strafbare feiten’ door de betrokkene zijn begaan; voldoende is dat aannemelijk wordt dat de betrokkene uit die strafbare feiten wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Als uit een kasopstelling blijkt dat het bewezenverklaarde misdrijf “of andere strafbare feiten” hebben geleid tot wederrechtelijk voordeel, hoeft de rechter niet te concretiseren welke “andere strafbare feiten” op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat de betrokkene het op basis van de kasopstelling geschatte wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. In casu is het hof ontoereikend gemotiveerd tot het oordeel gekomen dat de betrokkene voor de bewezenverklaarde periode soortgelijke feiten heeft begaan. CAG: anders.
HR 11-11-2025, ECLI:NL:HR:2025:1679
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
11 november 2025
- Magistraten
Mrs. M.J. Borgers, C. Caminada, R. Kuiper
- Zaaknummer
23/04079 P
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2025:1679, Uitspraak, Hoge Raad, 11‑11‑2025
ECLI:NL:PHR:2025:871, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 09‑09‑2025
- Wetingang
(art. 36e Sr)
Essentie
Voordeelsontneming en vaststelling dat ‘voldoende aanwijzingen’ bestaan dat de betrokkene andere strafbare feiten in de zin van art. 36e lid 2 Sr heeft begaan: die vaststelling moet binnen het eigen kader voor het bewijs in de ontnemingsprocedure in overeenstemming zijn met de onschuldpresumptie. De in art. 36e lid 2 Sr bedoelde ‘voldoende aanwijzingen’ mogen daarom niet door de rechter worden aangenomen als niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat andere strafbare feiten door de betrokkene zijn begaan. Dat geldt ook als de rechter met toepassing van art. 36e lid 2 (oud) Sr, ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.