Hof Amsterdam, 21-02-2023, nr. 200.276.603/01
ECLI:NL:GHAMS:2024:3405
- Instantie
Hof Amsterdam
- Datum
21-02-2023
- Zaaknummer
200.276.603/01
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHAMS:2024:3405, Uitspraak, Hof Amsterdam, 10‑12‑2024; (Hoger beroep)
ECLI:NL:GHAMS:2023:451, Uitspraak, Hof Amsterdam, 21‑02‑2023; (Hoger beroep, Tussenuitspraak)
ECLI:NL:GHAMS:2021:845, Uitspraak, Hof Amsterdam, 23‑03‑2021; (Hoger beroep)
ECLI:NL:GHAMS:2020:3246, Uitspraak, Hof Amsterdam, 24‑11‑2020; (Hoger beroep)
Uitspraak 10‑12‑2024
Inhoudsindicatie
Vervolg op ECLI:NL:GHAMS:2023:451. Heeft de onrechtmatige melding van strafrechtelijke persoonsgegevens bij het fraudeloket van het Verbond van Verzekeraars tot de door appellant gestelde schade geleid?
Partij(en)
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.276.603/01
zaaknummers rechtbank Amsterdam : C/13/640516 / HA ZA 17-1367 en
C/13/661001 / HA ZA 19-116
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 10 december 2024
inzake
[appellant] ,
wonend te [plaats 1] , Turkije,
appellant,
tevens incidenteel geïntimeerde,
advocaat: mr. M. Dorgelo te Amsterdam,
tegen
1. ABN AMRO BANK N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
geïntimeerde,
advocaat: mr. J.W. Achterberg te Amsterdam,
2. ABN AMRO SCHADEVERZEKERING N.V.,
gevestigd te Zwolle,
geïntimeerde,
advocaat: mr. W.A.M. Rupert te Rotterdam.
Partijen worden hierna [appellant] , AAB en AAS genoemd.
1. De zaak in het kort
In een tussenarrest is geoordeeld dat AAS ten onrechte een melding heeft gedaan bij het fraudeloket van het Verbond van Verzekeraars nadat zij had geconcludeerd dat [appellant] betrokken was geweest bij een brand in zijn woning. [appellant] is in de gelegenheid gesteld om zijn schade nader te concretiseren en onderbouwen. In dit arrest beoordeelt het hof de door [appellant] gestelde schadeposten.
2. Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
Op 21 februari 2023 heeft dit hof een tussenarrest (hierna: het tussenarrest) gewezen. Daarin is het procesverloop tot aan dat arrest beschreven.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- akte van [appellant] met producties,
- antwoordakte van AAS met producties.
[appellant] en AAS hebben de zaak ter zitting van 2 april 2024 laten toelichten, [appellant] door zijn advocaat en AAS door mrs. M. Keijzer-de Korver en B.V. Rozema, advocaten te Rotterdam, aan de hand van spreekaantekeningen die aan het hof zijn overgelegd. Voorafgaand aan de mondelinge behandeling heeft [appellant] producties overgelegd. Anders dan aangekondigd heeft hij de producties 34, 35, 38 t/m 40, 42 t/m 45 en 47 bij zijn akte niet in het geding gebracht.
Na de zitting hebben partijen tevergeefs getracht een minnelijke regeling te bereiken.
Ten slotte is arrest gevraagd. [appellant] heeft daarbij zijn verzoek om getuigen te horen herhaald.
3. De verdere beoordeling
3.1.
Het gaat in deze zaak kort gezegd om het volgende. AAS, bij wie [appellant] een inboedel- en woonhuisverzekering had afgesloten, heeft nadat zij had geconcludeerd dat [appellant] betrokken was geweest bij een brand in zijn woning, de gegevens van [appellant] opgenomen in haar ‘intern signaleringssysteem’ en een melding gedaan bij het fraudeloket van het Verbond van Verzekeraars (hierna: de melding).
In het tussenarrest is geoordeeld dat de vorderingen tegen AAB niet toewijsbaar zijn. In de zaak tegen AAS is geoordeeld dat – anders dan de rechtbank had beslist – de vorderingen van [appellant] jegens AAS niet zijn verjaard. Voorts is geoordeeld dat AAS onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld waaruit volgt dat is voldaan aan de in deze zaak voor de melding te hanteren maatstaf van een zwaardere verdenking dan een redelijk vermoeden van schuld aan brandstichting door [appellant] . AAS heeft daarom [appellant] ten onrechte op 2 mei 2006 gemeld bij het fraudeloket en zijn gegevens zijn daar ten onrechte tot 2 oktober 2008 vermeld geweest. AAS heeft door de melding onrechtmatig gehandeld jegens [appellant] . De vordering van [appellant] over het maken van excuses door AAS is naar haar aard niet toewijsbaar.
Tot slot zijn partijen, eerst [appellant] , in de gelegenheid gesteld om zich nader uit te laten over de schade die [appellant] als gevolg van de melding heeft geleden, waarbij [appellant] een daarop betrekking hebbende eis kon formuleren, in plaats van de door hem gevorderde verwijzing naar de schadestaatprocedure. [appellant] heeft een akte genomen en AAS een antwoordakte.
3.2.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [appellant] het hof gevraagd om terug te komen van de bindende eindbeslissingen in het tussenarrest dat de vordering over excuses niet toewijsbaar is en dat AAB en AAS niet kunnen worden vereenzelvigd. Niet blijkt dat bedoelde beslissingen berusten op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag. Het correctiemechanisme van het terugkomen van een bindende eindbeslissing is niet bedoeld om partijen de mogelijkheid te bieden het debat te heropenen over een door het hof afgedaan punt. Dit verzoek wordt dan ook afgewezen. De door [appellant] gevraagde rectificatie van de feitenvaststelling onder 3.1 betreft voorts geen voor de beoordeling relevant feit.
3.3.
[appellant] heeft acht, door AAS gemotiveerd betwiste schadeposten gesteld, te weten:
(1) € 21.299,55 aan dwangsommen die [appellant] stelt te hebben moeten betalen aan zijn ex-echtgenote omdat hij niet kon voldoen aan zijn verplichtingen uit hoofde van het echtscheidingsconvenant als gevolg van de melding die ertoe leidde dat geen enkele hypotheekverstrekker bereid bleek om aan [appellant] een nieuwe hypotheek te verstrekken;
(2) advocaat- en expertkosten die [appellant] stelt te hebben gemaakt in verband met de op onjuiste gronden gestoelde ontbinding van de inboedel- en woonhuisverzekeringsovereenkomst;
(3) de bedragen van WAM-boetes die [appellant] opgelegd heeft gekregen en een vergoeding voor vervangende hechtenis. [appellant] stelt dat hij vanwege de melding geen motorrijtuigenverzekering kon afsluiten, waardoor hij niet voldeed aan zijn WAM-verplichting en daarvoor boetes opgelegd kreeg en vervangende hechtenis heeft moeten ondergaan;
(4) schade die is ontstaan door de executoriale verkoop van de woning waarvoor AAS volgens [appellant] aansprakelijk is;
(5) schade omdat [appellant] stelt dat hij gedwongen was twee huizen in Turkije, [plaats 2] en [plaats 3] te verkopen;
(6) immateriële schade als gevolg van de onterechte beschuldiging van brandstichting en het 29 maanden moeten leven als een bij het fraudeloket gemelde brandstichter waardoor volgens [appellant] zijn eer en goede naam zijn aangetast;
(7) wettelijke rente en (8) buitengerechtelijke incassokosten.
3.4.
Alle door [appellant] opgevoerde schadeposten stoelen (uiteindelijk) op zijn stelling dat de melding ertoe heeft geleid dat hij geen verzekeringen en (mede daardoor) geen hypotheek kon afsluiten en/of dat de melding een rol heeft gespeeld bij de beslissing op de verzoeken van [appellant] om zijn ex-echtgenote te ontslaan uit de hoofdelijkheid van de hypotheek. Volgens [appellant] is hij hierdoor (verder) in de problemen gekomen, met deze schadeposten als gevolg.
AAS voert onder meer gemotiveerd en onderbouwd aan dat:
- -
de melding geen rol zal hebben gespeeld bij de beslissing over ontslag uit de hoofdelijkheid van de hypotheek;
- -
in de brief van 2 mei 2006 waarin AAS aan [appellant] laat weten dat de melding is gedaan alleen staat dat AAS geen verzekeringen met hem meer wil afsluiten (‘Dit betekent dat u in de toekomst geen verzekeringen bij ons [onderstreping hof] kunt afsluiten.’);
- -
de afdelingen Acceptatie van andere verzekeraars bij het fraudeloket geen informatie kunnen opvragen over personen, zodat de melding niet in de weg kan staan aan het afsluiten van een verzekering bij anderen dan AAS;
- -
het voor [appellant] mogelijk moet zijn geweest zich te verzekeren, zelfs in het zich hier niet voordoende geval dat zijn gegevens in het extern verwijzingsregister zouden zijn geplaatst;
- -
met betrekking tot schadepost (6): de melding kan niet worden geraadpleegd door vrienden, familie en bekenden van [appellant] en wordt evenmin anderszins aan hen bekendgemaakt.
Daarnaast voert AAS aan dat de door [appellant] gestelde schadeposten door andere feiten en omstandigheden dan de onterechte melding zijn veroorzaakt en betoogt zij dat schadepost (3) volledig te wijten is aan eigen schuld van [appellant] , die zelf ervoor heeft gekozen om te (blijven) rijden in een onverzekerd voertuig.
3.5.
Het hof is van oordeel dat [appellant] ook in hoger beroep geen concrete feiten en omstandigheden stelt waaruit zijn andersluidende standpunten volgen. Verder wordt in de schriftelijke verklaring van zijn assurantietussenpersoon waarop [appellant] wijst niet concreet toegelicht of onderbouwd waarom [appellant] als gevolg van de melding geen verzekering of hypotheek kon afsluiten terwijl dat in het licht van de betwisting van AAS wel had gemoeten, en stelt AAS met betrekking tot schadepost (6) terecht dat de niet door vrienden, familie en bekenden van [appellant] te raadplegen melding niet gelijk gesteld kan worden met het uiten van een verdenking in een televisieuitzending zoals in de door [appellant] aangehaalde zaak ECLI:NL:HR:2022:590. Aan bewijslevering wordt daarom niet toegekomen.
3.6.
De slotsom luidt dat de schadeposten (1) tot en met (6) niet toewijsbaar zijn. Schadepost (7) deelt dit lot. Voor schade post (8) geldt voorts dat [appellant] deze grondt op art. 6:96 lid 4 tot en met 8 BW die niet van toepassing zijn in deze zaak en dat niet blijkt van kosten die niet zijn begrepen in de proceskostenveroordeling.
3.7.
Bij (verdere) bespreking van de grieven bestaat geen belang. Afgezien van de proceskostenveroordeling in de zaak tussen [appellant] en AAS zal het bestreden vonnis worden bekrachtigd. Omdat [appellant] en AAS over en weer op punten in het ongelijk zijn gesteld, zullen de proceskosten in hun zaak in beide instanties worden gecompenseerd. Het bestreden vonnis zal in zoverre worden vernietigd. In de zaak tegen AAB zal [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij in hoger beroep worden veroordeeld in de proceskosten.
4. Beslissing
Het hof:
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep, afgezien van de proceskostenveroordeling in de zaak tussen [appellant] en AAS;
compenseert de proceskosten in de zaak tussen [appellant] en AAS in beide instanties;
veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van AAB vastgesteld op € 760 aan verschotten en € 8.856 aan advocatenkosten en op € 178 voor nasalaris, te vermeerderen met € 92 voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt;
verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. L. Alwin, J.M. van den Berg en M. Snoep en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 10 december 2024.
Uitspraak 21‑02‑2023
Inhoudsindicatie
Onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld die melding van strafrechtelijke persoonsgegevens bij het fraudeloket van het Verbond van Verzekeraars kunnen rechtvaardigen. Rechtsvordering tot vergoeding van schade als gevolg van die melding is niet verjaard. Beperkte lezing stuitingsbrief doet geen recht aan de strekking van die brief, die voor de verzekeraar redelijkerwijs kenbaar moet zijn geweest.
Partij(en)
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.276.603/01
zaak- en rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/640516 / HA ZA 17 – 1367 enC/13/661001 / HA ZA 19 – 116
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 21 februari 2023
inzake
[appellant] ,
wonende te [woonplaats] ( [land] ),
appellant,
tevens verweerder in het incident tot zekerheidsstelling,
advocaat: mr. M. Dorgelo te Amsterdam,
tegen
1. ABN AMRO BANK N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
geïntimeerde,
tevens eiseres in het incident tot zekerheidsstelling,
advocaat: mr. J.W. Achterberg te Amsterdam,
2. ABN AMRO SCHADEVERZEKERING N.V.,
gevestigd te Zwolle,geïntimeerde,
tevens eiseres in het incident tot zekerheidsstelling,
advocaat: mr. W.A.M. Rupert te Rotterdam.
Partijen worden hierna [appellant] , AAB en AAS genoemd.
1. De zaak in het kort
[appellant] heeft een inboedel- en woonhuisverzekering afgesloten bij AAS. In 2006 heeft een brand plaatsgevonden in de woning van [appellant] . AAS heeft de toedracht van de brand onderzocht en geconcludeerd dat [appellant] betrokken was geweest bij het ontstaan van de brand. AAS heeft uitkering aan [appellant] uit hoofde van de verzekering geweigerd en de gegevens van [appellant] gemeld bij het fraudeloket van het Verbond van Verzekeraars. [appellant] heeft vergoeding gevorderd van schade als gevolg van de in zijn ogen onterecht gedane melding bij het fraudeloket en excuses gevorderd. De rechtbank heeft geoordeeld dat de vorderingen van [appellant] zijn verjaard. In hoger beroep beoordeelt het hof de vorderingen van [appellant] opnieuw.
2. Het geding in hoger beroep
[appellant] is bij dagvaarding van 4 december 2019 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Amsterdam van 4 september 2019, in de zaak met zaak- en rolnummer C/13/640516 / HA ZA 17 – 1367 gewezen tussen [appellant] als eiser en, voor zover in hoger beroep van belang, AAB als gedaagde en, zoals het hof hierna in rov. 4.5 nader zal toelichten, tevens in de zaak met zaak- en rolnummer C/13/661001 / HA ZA 19 – 116 gewezen tussen [appellant] als eiser en AAS als gedaagde.
Voor het verloop van de procedure in hoger beroep tot 23 maart 2021 wordt verwezen naar het arrest in het incident van die datum. Partijen hebben daarna de volgende stukken gediend:
- memorie van antwoord van AAS;
- akte van [appellant] , met producties;
- antwoordakte van AAB;
- antwoordakte van AAS, met productie.
Vervolgens is opnieuw arrest gevraagd.
[appellant] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en
– uitvoerbaar bij voorraad – zijn vorderingen alsnog zal toewijzen, met veroordeling van AAB en AAS in de kosten van het geding in beide instanties met nakosten.
AAB heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met
– uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep met nakosten.AAS heeft eveneens geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met
– uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep met nakosten en rente.
Alle partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.
3. Feiten
In de zaak tegen AAB en in de zaak tegen AAS
De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 3.1 tot en met 3.6 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende.
3.1
In december 2004 heeft [appellant] samen met zijn toenmalige echtgenote een hypothecaire geldlening afgesloten bij AAB voor de aankoop van een woning aan de [straatnaam] te [plaats] (hierna: de woning). In het voorjaar van 2006 heeft AAB de openbare verkoop van de woning aangezegd. Uiteindelijk heeft de veiling van de woning plaatsgevonden op 25 september 2008.
3.2
Met ingang van 4 maart 2005 heeft [appellant] een inboedel- en woonhuisverzekering afgesloten bij AAS voor de woning. Op 14 maart 2006 heeft er een brand plaatsgevonden in de woning. [appellant] heeft bij AAS uitkering onder de verzekering geclaimd. AAS heeft op 15 maart 2006 aan [bedrijf] B.V. (hierna: [bedrijf] ) opdracht gegeven onderzoek te doen naar de toedracht van de brand. In haar rapport van 6 april 2006 heeft [bedrijf] , voor zover relevant, geschreven:
“(…) Verklaarbare oorzaken voor het ontstaan van de brand werden niet aangetroffen. (…) Samengevat kan worden gesteld, dat de brand in de woning van verzekerde is ontstaan door het opzettelijk bijbrengen van vuur, waarbij thinner als brandversnellend middel is gebruikt. Aangezien geen sporen van braak werden aangetroffen kan worden gesteld, dat een sleutelhouder in negatieve zin bij het ontstaan van deze brand betrokken moet zijn. Gelet op de waarneming van de buren, dat de verzekerde nog ongeveer twintig minuten voor het ontdekken van de brand bij de woning is gezien kan niet worden uitgesloten, dat hij degene is geweest die de brand heeft gesticht.”
3.3
AAS heeft [appellant] bij brief van 2 mei 2006 meegedeeld niet tot uitkering onder de verzekering over te gaan, omdat uit onderzoek was gebleken dat [appellant] negatief betrokken was bij de brand en omdat de verzekering wegens wanbetaling reeds per
10 maart 2006 was beëindigd, waardoor [appellant] vanaf die datum sowieso geen rechten meer aan de verzekering kon ontlenen. AAS heeft [appellant] verder meegedeeld de schade te melden bij het fraudeloket van het Verbond van Verzekeraars (hierna: het fraudeloket).
3.4
Naar aanleiding van de uitkomsten van het onderzoek van [bedrijf] heeft AAS bij brief van 2 mei 2006 aangifte gedaan bij de politie van opzettelijke brandstichting en poging tot oplichting. Bij beslissing van 11 mei 2007 heeft de officier van justitie besloten de zaak tegen [appellant] te seponeren wegens onvoldoende wettig bewijs.
3.5
[appellant] heeft AAS gedagvaard voor de rechtbank Zwolle-Lelystad en uitkering uit hoofde van de verzekering gevorderd. Bij vonnis van 2 september 2008 heeft de rechtbank het beroep van AAS op vernietiging van de verzekering wegens schending van de mededelingsplicht van [appellant] bij het aangaan van de verzekering gehonoreerd en de vorderingen van [appellant] afgewezen. De rechtbank heeft daarbij erop gewezen dat AAS gedurende de procedure haar verweer heeft ingetrokken dat de brand moet zijn aangestoken, dat [appellant] daarin de hand heeft gehad en dat als gevolg daarvan de grond aan de melding van [appellant] bij het fraudeloket is komen te vervallen.
3.6
AAS heeft de registratie van [appellant] bij het fraudeloket per 2 oktober 2008 laten doorhalen.
3.7
Mr. B.C.A. Reijnders (hierna: mr. Reijnders), heeft namens [appellant] AAS bij brief van 25 april 2009, voor zover relevant, het volgende medegedeeld:
“(…) Cliënt stelde mij ter hand het dossier waaruit ik opmaak dat tussen u en cliënt een civielrechtelijke procedure aanhangig is gemaakt wegens een vordering die cliënt heeft op uw maatschappij. Zijn woning aan de [straatnaam] is op 14 maart 2006 uitgebrand en uw maatschappij weigert de schade te vergoeden. (…)
Uw maatschappij heeft aanvankelijk cliënt verweten zelf de brand te hebben gesticht, daarvan aangifte gedaan bij de Politie en op basis daarvan geweigerd tot uitbetaling over te gaan. In een later stadium heeft uw maatschappij andere weigeringsgronden aangevoerd. Het OM heeft de aangifte geseponeerd en in rechte heeft u die weigeringsgrond ingetrokken bij akte d.d. 4 maart 2008.
Op basis van die valse aangifte heeft cliënt echter schade geleden waarvoor hij uw maatschappij aansprakelijk stelt. Immers is hij dientengevolge ten onrechte gemeld bij het fraudeloket van het Verbond van Verzekeraars, heeft hij daarom geen verzekeringspolis meer of nieuwe hypotheek ten behoeve van de woning kunnen afsluiten en dientengevolge schade leden. Immers bleek zijn motorvoertuig onverzekerbaar en is herhaaldelijk geconstateerd dat cliënt dus niet voldeed aan de verplichtingen uit de WAM. Dat leidt uiteraard tot boetes.
Een nieuwe hypothecaire schuld kreeg cliënt evenmin, zodat hij niet in staat was zijn ex-echtgenote “uit te kopen”. Sterker nog, door onderhavige valse beschuldigingen stapelde de schuldenlast zich op en is uiteindelijk zijn woning zelfs executoriaal verkocht. (…)
Ik verzoek en voorzoveel nodig sommeer u dan ook om binnen 14 dagen na heden- schriftelijke excuses aan te bieden aan cliënt wegens het bovenstaande- cliënts naam terstond te zuiveren bij het Verbond van verzekeraars (…)
- aansprakelijkheid te erkennen voor de geleden schade door de onterechte beschuldiging. (…)”
3.8
Bij brief van 17 april 2014 heeft mr. M.C. Van Stekelenburg (hierna: mr. Van Stekelenburg) namens [appellant] , aan AAS, voor zover relevant, als volgt bericht:
“(…) Cliënt stelt een vordering op ABN AMRO schadeverzekering N.V. te hebben uit hoofde van niet nakoming van de verzekeringsovereenkomst met bovenstaand polisnummer, alsmede een vordering uit hoofde van onrechtmatig handelen wegens het veilen van zijn woning.
Reeds eerder heeft cliënt u aansprakelijk gesteld voor alle schade die verband houdt met bovengenoemde. Nadrukkelijk handhaaft cliënt zijn vordering op u. Deze brief dient u te beschouwen als een handeling om de verjaring te stuiten. (…)”
3.9
Bij brief van 1 september 2016 heeft mr. M. Dorgelo (hierna: mr. Dorgelo) namens [appellant] aan AAS laten weten, voor zover relevant:
“(…) Namens cliënt de heer [appellant] (…) verzoek ik u vriendelijk om aan mij te bevestigen dat cliënt niet bij u geregistreerd staat als een persoon die fraude heeft gepleegd. Ook verzoek ik u om uw reactie op de aansprakelijkstelling die eerder is ingediend door mr. B.C.A. Reijnders. (…)”
4. Beoordeling
4.1
[appellant] heeft in eerste aanleg in de zaak met zaak- en rolnummer C/13/640516 / HA ZA 17 – 1367 een verklaring voor recht gevorderd dat, voor zover in hoger beroep van belang, AAB aansprakelijk is voor schade die hij heeft geleden vanwege onrechtmatig handelen van AAB, op te maken bij staat, en een veroordeling tot het aanbieden van excuses, dit alles met rente en kosten. In de zaak met zaak- en rolnummer C/13/661001 / HA ZA 19 – 116, aanhangig gemaakt bij de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, heeft hij jegens AAS hetzelfde gevorderd. De rechtbank Amsterdam heeft beide zaken gevoegd behandeld, en geoordeeld dat de vorderingen van [appellant] jegens AAB en AAS zijn verjaard. Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [appellant] met twee grieven op.
In de zaak tegen AAB
4.2
Tussen partijen is niet in geschil dat [appellant] geen grief heeft gericht tegen het oordeel van de rechtbank in het bestreden vonnis dat de vorderingen van [appellant] jegens AAB zijn verjaard, zodat dit in hoger beroep vaststaat. Voor zover [appellant] met zijn betoog dat AAB en AAS als één organisatie moeten worden beschouwd omdat zij samen optrekken en zich met hetzelfde logo en briefpapier presenteren, heeft willen aanvoeren dat de brieven die de gemachtigden van [appellant] aan AAS hebben gestuurd (zie 3.7 – 3.9) moeten worden beschouwd als brieven aan AAB, gaat dat niet op. AAB en AAS zijn zelfstandige juridische entiteiten, met ieder eigen activiteiten, hetgeen ook blijkt uit hun naamsaanduiding. Voor vereenzelviging van AAB en AAS in deze zaak, zijn onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld.
Vordering tot maken van excuses niet toewijsbaar
4.3
Met betrekking tot de door [appellant] gevorderde verklaring voor recht dat AAB hem excuses dient te maken, oordeelt het hof dat deze vordering, voor zover zij al niet is verjaard, naar haar aard niet toewijsbaar is. Excuses zijn te beschouwen als een uiting van moraal en fatsoen, waartoe een partij niet veroordeeld kan worden. De stellingen die [appellant] aan deze vordering ten grondslag heeft gelegd worden daarom niet besproken.
4.4
Dit betekent dat de grieven voor zover betreffende AAB falen en het bestreden vonnis in zoverre zal worden bekrachtigd. Het bewijsaanbod van [appellant] wordt gepasseerd, nu hij geen feiten te bewijzen heeft aangeboden, die, indien bewezen, tot een andere beslissing kunnen leiden.
[appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het geding in hoger beroep voor zover betreffende de zaak tegen AAB worden veroordeeld.
In de zaak van [appellant] tegen AAS
4.5
AAS heeft erop gewezen dat (het petitum van) de dagvaarding in hoger beroep van [appellant] geen verwijzing bevat naar de zaak met zaak- en rolnummer C/13/661001 / HA ZA 19 – 116. Anders dan AAS heeft aangevoerd, brengt dit niet mee dat [appellant] in hoger beroep niet-ontvankelijk is in zijn vorderingen jegens AAS, althans dat deze alleen al daarom moeten worden afgewezen. De dagvaarding in hoger beroep is ook gericht tegen AAS als partij en de zaken vertonen nauwe samenhang. De dagvaarding in hoger beroep bevat bovendien geen aanwijzing dat [appellant] zou hebben beoogd het hoger beroep te beperken tot de zaak tegen AAB. AAS heeft ook zonder vermelding van het betreffende zaak- en rolnummer redelijkerwijs moeten begrijpen dat het hoger beroep zich richt tegen het gehele vonnis, voor zover daartegen grieven zijn gericht. Uit de stelling van AAS in haar memorie van antwoord dat zij aanneemt dat het de bedoeling van [appellant] was ook de procedure jegens haar in het hoger beroep te betrekken, blijkt dat zij de dagvaarding in hoger beroep ook aldus heeft begrepen.
Vorderingen van [appellant] jegens AAS zijn niet verjaard
4.6
Met grief 1 keert [appellant] zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de vordering van [appellant] op AAS is verjaard. Deze grief slaagt. Het hof is van oordeel dat [appellant] de verjaring van zijn vorderingen op AAS tijdig heeft gestuit. Ter toelichting dient het volgende.
4.7
Tussen [appellant] en AAS staat vast dat met de brief van 25 april 2009 van mr. Reijnders de verjaring van de vorderingen van [appellant] op AAS die onderwerp zijn van de onderhavige procedure rechtsgeldig is gestuit. De kernvraag is of de daaropvolgende brief van 17 april 2014 van mr. Stekelenburg kwalificeert als mededeling waarin [appellant] zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming heeft voorbehouden in de zin van artikel 3:317 lid 1 BW. Het gaat er daarbij om of deze brief een voldoende duidelijke waarschuwing aan AAS inhield dat zij ermee rekening dient te houden dat zij de beschikking houdt over haar gegevens en bewijsmateriaal, opdat zij zich tegen een mogelijkerwijs alsnog door [appellant] ingestelde vordering behoorlijk kan verweren. Bij de beoordeling of de mededeling aan de in art. 3:317 lid 1 BW gestelde eisen voldoet, dient niet alleen te worden gelet op de formulering daarvan, maar ook op de context waarin de mededeling wordt gedaan en op de overige omstandigheden van het geval, waarbij onder omstandigheden ook betekenis kan toekomen aan de verdere correspondentie tussen partijen (HR 18 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2741).
4.8
AAS wil de brief van 17 april 2014 aldus lezen dat [appellant] daarin slechts zijn (vermeende) vorderingen tot nakoming van de verzekeringsovereenkomst en tot schadevergoeding wegens onrechtmatig veilen van zijn woning heeft gestuit. Die lezing doet echter geen recht aan de strekking van de brief, die voor AAS redelijkerwijs kenbaar moet zijn geweest.
4.9
In de brief van 17 april 2014 is door [appellant] vermeld dat deze is bedoeld als stuitingsbrief. In de brief wordt verder voor de omschrijving van de te stuiten vorderingen verwezen naar een “reeds eerder” namens [appellant] gestuurde aansprakelijkstelling aan AAS. Aansluitend vervolgt de brief dat [appellant] zijn vordering nadrukkelijk handhaaft. Dat met die eerdere aansprakelijkstelling waarnaar verwezen wordt de brief van 25 april 2009 bedoeld is, heeft AAS niet betwist. Tussen [appellant] en AAS is niet in geschil dat in de brief van 25 april 2009 AAS door [appellant] onder andere aansprakelijk is gesteld voor zijn schade als gevolg van de onterechte aanmelding bij het frauderegister. Die aanmelding door AAS stond bovendien in nauw verband met haar weigering om de verzekeringsovereenkomst na te komen.
De brief van 17 april 2014 biedt dan ook geen, althans onvoldoende steun voor de beperkte lezing van AAS en zij mocht die brief destijds in redelijkheid dan ook niet zo begrijpen. Dat in de brief met de zinsnede “voor alle schade die verband houdt met bovengenoemde” taalkundig wordt aangesloten bij de tweede alinea van die brief is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen.
4.10
Uit het bovenstaande volgt dat [appellant] terecht heeft geklaagd over de beslissing van de rechtbank dat zijn vorderingen jegens AAS zijn verjaard. Dat betekent dat het hof, gelet op de devolutieve werking van het hoger beroep, de overige in hoger beroep niet prijsgegeven stellingen en weren van AAS uit de eerste aanleg dient te beoordelen. Het hof zal eerst de rechtmatigheid van de melding van de gegevens van [appellant] bij het fraudeloket beoordelen. Anders dan AAS kennelijk meent, dient ook hetgeen [appellant] hierover in eerste aanleg heeft aangevoerd in aanmerking te worden genomen.
Onterechte melding bij het fraudeloket
4.11
Tussen partijen staat vast dat AAS de gegevens van [appellant] zowel heeft geregistreerd bij het externe fraudeloket, als op haar interne signaallijst. AAS heeft gesteld dat deze registratie op grond van de artikelen 4.1, 5.2 en 6.2 en van het Protocol Incidentenwaarschuwing Financiële Instellingen 2005 (hierna: PIFI 2005) terecht was. Zij heeft aangevoerd dat zij mag afgaan op de conclusies van de door haar ingeschakelde expert en dat de uitkomsten van het onderzoek van [bedrijf] maakten dat aan de opnamecriteria voor registratie in het fraudeloket was voldaan. AAS heeft hierbij gewezen op feiten over de toedracht van de brand genoemd in het rapport van [bedrijf] , waaronder een indicatie van de aanwezigheid van een brandversnellend middel bij de brandhaard in de badkamer, de benarde financiële situatie van [appellant] , de voorgenomen echtscheiding en verkoop van de woning, het gegeven dat de elektriciteit was afgesloten en een aanzienlijk deel van de inboedel was verkocht en de vermelding dat buren [appellant] ongeveer twintig minuten voor de brand in de omgeving van de woning hebben gezien.
4.12
Nu AAS [appellant] heeft gemeld bij het fraudeloket in verband met (een vermoeden van) brandstichting, waarvan zij ook aangifte bij de politie heeft gedaan, dient de melding naar het oordeel van het hof te worden getoetst aan het voor strafrechtelijke persoonsgegevens geldende kader. Voor zover AAS heeft betoogd dat voor opname van de gegevens van [appellant] een ander, lichter, toetsingskader geldt, wordt dat niet gevolgd nu in de stelling van AAS dat sprake is van brandstichting besloten ligt dat het gaat om strafrechtelijke persoonsgegevens. Het toetsingskader houdt in dat de strafrechtelijke aard van de te verwerken persoonsgegevens meebrengt dat deze gegevens in voldoende mate moeten vaststaan. Het moet gaan om zodanig concrete feiten en omstandigheden dat zij een als strafbaar feit te kwalificeren bewezenverklaring in de zin van artikel 350 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) kunnen dragen. Een strafrechtelijke veroordeling is niet vereist, maar de enkele verdenking van betrokkenheid bij een strafbaar feit in de zin van een vermoeden van schuld, zoals dat kan blijken uit een aangifte, is niet voldoende. Als maatstaf heeft te gelden of de vastgestelde gedragingen een ‘zwaardere verdenking dan een redelijk vermoeden van schuld’ opleveren, in die zin dat de te verwerken strafrechtelijke persoonsgegevens in voldoende mate moeten vaststaan (HR 29 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH4720).
4.13
Naar het oordeel van het hof heeft AAS onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld die een zwaardere verdenking opleveren dan een redelijk vermoeden van schuld aan brandstichting door [appellant] , zodat AAS [appellant] ten onrechte heeft gemeld bij het fraudeloket. De conclusie uit het rapport van [bedrijf] is slechts dat niet kon worden uitgesloten dat [appellant] de brand in de woning had gesticht. Dit is onvoldoende grond voor de melding, ook indien deze wordt bezien in samenhang met de feitelijke omstandigheden die in het rapport zijn genoemd over de toedracht van de brand. De voor de registratie bij het fraudeloket vereiste zwaardere verdenking dan een redelijk vermoeden van schuld aan brandstichting kon op basis daarvan niet worden vastgesteld. Deze stond dus onvoldoende vast om een vermelding in het frauderegister te kunnen rechtvaardigen.
4.14
Uit het bovenstaande volgt dat AAS onrechtmatig heeft gehandeld jegens [appellant] door de gegevens van [appellant] bij het fraudeloket te melden.
Geen verwijzing naar schadestaatprocedure
4.15
[appellant] heeft gesteld dat hij materiële en immateriële schade heeft geleden en heeft verwijzing verzocht naar de schadestaatprocedure; AAS heeft betwist dat [appellant] als gevolg van de inschrijving schade heeft geleden. Het hof ziet aanleiding de zaak niet te verwijzen naar de schadestaatprocedure, maar aan zich te houden. Het debat tussen partijen over schade is echter naar het oordeel van het hof nog onvoldoende gevoerd. Partijen zullen daarom in de gelegenheid worden gesteld hun stellingen die op de schade betrekking hebben nader aan te vullen. [appellant] , die daarbij vertegenwoordigd moet zijn door een advocaat, wordt als eerste in de gelegenheid gesteld tot het nemen van een akte, waarin hij een op zijn schade betrekking hebbende eis kan formuleren en met stukken kan onderbouwen en nader kan ingaan op de reeds door AAS gevoerde verweren, waaronder het verweer dat causaal verband ontbreekt tussen de door [appellant] tot nog toe gestelde schade en de onterechte inschrijving in het frauderegister. Vervolgens wordt AAS in de gelegenheid gesteld tot het nemen van een antwoordakte. Het staat partijen vanzelfsprekend ook vrij in overleg te treden over een minnelijke regeling.
Vordering tot maken van excuses niet toewijsbaar
4.16
Met betrekking tot de door [appellant] gevorderde verklaring voor recht AAS hem excuses dienen te maken, oordeelt het hof, zoals onder 4.3 ook al is overwogen in de zaak tegen AAB, dat deze vordering naar haar aard niet toewijsbaar is.
Geen schriftelijk pleidooi
4.17
Het verzoek van [appellant] te worden toegelaten tot schriftelijk pleidooi wordt afgewezen. Nog daargelaten dat dit hof op grond van (artikel 4.12 van) het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven geen mogelijkheid tot schriftelijke toelichting – voorheen schriftelijk pleidooi – biedt, hebben procespartijen geen aanspraak op schriftelijk pleidooi en heeft [appellant] met twee schriftelijke rondes, te weten memorie van grieven en een akte, voldoende gelegenheid gehad zijn hoger beroep toe te lichten.
5. Beslissing
Het hof:
verwijst de zaak naar de rol van 18 april 2023 voor het nemen van een akte als omschreven onder 4.15 door [appellant] ;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.W.M. Tromp, R.M. de Winter en
J.M. van den Berg en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 21 februari 2023.
Uitspraak 23‑03‑2021
Inhoudsindicatie
Incident ex artikel 224 Rv tot zekerheidsstelling voor proceskosten. Eindarrest in incident. Uitzondering van artikel 224 lid 2 aanhef en onder a Rv. Artikel 17 van het Haags Rechtsvorderingsverdrag 1954 is van toepassing: uit na tussenarrest overgelegde stukken blijkt dat in Turkije woonachtige appellant Nederlandse nationaliteit heeft. Geen misbruik van recht. Zie ECLI:NL:GHAMS:2020:3246
Partij(en)
arrest
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.276.603/01
zaak-/rolnummers rechtbank Amsterdam : C/13/640516 / HA ZA 17-1367 en
C/13/661001 / HA ZA 19-116
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 23 maart 2021
inzake
[appellant] ,
wonend te [woonplaats] (Turkije),
appellant in de hoofdzaak,
verweerder in het incident,
advocaat: mr. M. Dorgelo te Amsterdam,
tegen:
1. ABN AMRO SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,
gevestigd te Zwolle,
advocaat: mr. W.A.M. Rupert te Rotterdam,
2. ABN AMRO BANK N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
advocaat: mr. J.W. Achterberg te Amsterdam,
geïntimeerden in de hoofdzaak,
eiseressen in het incident.
Partijen worden hierna wederom [appellant] , AAS en ABN Amro genoemd.
1. Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
Het hof heeft op 24 november 2020 een tussenarrest gewezen. Voor het verloop van het geding in hoger beroep tot die datum wordt naar dat arrest verwezen. Bij dat arrest heeft het hof de zaak naar de rol verwezen voor het nemen van een akte door [appellant] als onder 2.4 van het arrest vermeld en bepaald dat ABN Amro en AAS daarop bij akte zullen mogen reageren.
[appellant] heeft vervolgens een akte, met producties, genomen.
ABN Amro en AAS hebben daarna ieder een antwoordakte genomen.
Ten slotte is wederom arrest in het incident gevraagd.
2. Beoordeling
in het incident
2.1.
Het hof heeft in genoemd tussenarrest overwogen dat uit artikel 17 lid 1 van het Verdrag voortvloeit dat [appellant] vrijgesteld zal zijn van het stellen van zekerheid voor proceskosten in Nederland in het geval dat hij de Nederlandse en/of Turkse nationaliteit heeft, want behalve dat [appellant] domicilie heeft in Turkije, is hij dan immers ook onderdaan van Nederland en/of Turkije in de zin van het Verdrag. [appellant] is vervolgens door het hof in de gelegenheid gesteld om zich – gestaafd met een paspoort of ander identiteitsbewijs – uit te laten over de vraag of hij de Nederlandse en/of Turkse nationaliteit heeft.
2.2.
Bij zijn na het tussenarrest genomen akte heeft [appellant] betoogd dat uit de door hem bij die akte overgelegde kopieën van een Nederlands paspoort (productie 1) en een Turks identiteitsbewijs (productie 2) blijkt dat hij zowel over de Turkse als de Nederlandse nationaliteit beschikt. Volgens [appellant] dient hij daarom op grond van artikel 17 lid 1 van het Verdrag te worden vrijgesteld van het stellen van zekerheid voor de proceskosten.
2.3.
Het hof stelt vast dat [appellant] als productie 1 bij zijn akte een foto van zijn Nederlandse paspoort heeft overgelegd. Hieruit blijkt, zo erkennen ook ABN Amro en AAS in hun antwoordaktes, dat [appellant] de Nederlandse nationaliteit heeft. Daarmee staat vast dat [appellant] onderdaan van Nederland in de zin van het Verdrag is, zodat hij op grond van artikel 17 lid 1 van het Verdrag vrijgesteld zal zijn van het stellen van zekerheid voor proceskosten in Nederland. Hieraan doet niet af dat het hof met ABN Amro en AAS van oordeel is dat op basis van de als productie 2 overlegde (onduidelijke) foto van een document, zeker zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet kan worden vastgesteld dat [appellant] tevens de Turkse nationaliteit heeft.
2.4.
ABN Amro heeft in haar antwoordakte nog aangevoerd dat het hof er bij het wijzen van het tussenarrest kennelijk voetstoots vanuit is gegaan dat [appellant] in [plaats] , Turkije, woont en dus domicilie heeft in Turkije, maar dat [appellant] dit, terwijl dat wel op zijn weg had gelegen, op geen enkele wijze heeft aangetoond. Dat [appellant] in [plaats] , Turkije, woont, is door ABN Amro onder randnummers 7 en 13 van haar memorie van antwoord, tevens houdende incidentele vordering tot zekerheidsstelling, echter erkend en was juist de reden voor ABN Amro om zekerheidsstelling te vragen. Ook AAS heeft zekerheidsstelling gevraagd, omdat, zo staat in randnummer 13 van haar incidentele memorie, [appellant] blijkens appeldagvaarding nog steeds in [plaats] , Turkije, woont. Nu de door [appellant] in de appeldagvaarding genoemde woonplaats door geen van eiseressen in het incident werd betwist, kon daarvan, zonder (nadere) bewijslevering aan de zijde van [appellant] , worden uitgegaan. Voor zover ABN Amro die woonplaats thans wel betwist, overweegt het hof dat, daargelaten of daarvoor in dit stadium van de procedure nog plaats is, ABN Amro die betwisting niet heeft onderbouwd. Het hof ziet dan ook geen aanleiding om op dit punt terug te komen van het tussenarrest.
2.5.
AAS heeft zich in haar antwoordakte op het standpunt gesteld dat [appellant] misbruik van recht maakt door wel te blijven procederen, maar niet de daaruit voortvloeiende financiële consequenties van een proceskostenveroordeling te dragen. Hij heeft immers stelselmatig nagelaten om, ook na sommaties, de proceskosten waarin hij is veroordeeld te voldoen. Volgens haar kan en mag het niet de bedoeling van het Verdrag zijn dat [appellant] met gebruikmaking van de faciliteiten van dit verdrag daarmee doorgaat. Het hof volgt AAS hierin niet. Het feit dat [appellant] niet vrijwillig voldoet aan de proceskostenveroordeling is onvoldoende grond voor het aannemen van misbruik van recht en het om die reden buiten toepassing laten van het Verdrag.
2.6.
Op grond van hetgeen in het tussenarrest is overwogen en het voorgaande komt het hof tot de slotsom dat zich in deze zaak de uitzondering van artikel 224 lid 2 aanhef en onder a Rv voordoet. De incidentele vordering tot zekerheidstelling van ABN Amro en AAS zal daarom worden afgewezen.
2.7.
ABN Amro en AAS zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, bij het eindarrest in de hoofdzaak worden veroordeeld in de kosten van dit incident.
in de hoofdzaak
2.8.
De hoofdzaak zal naar de rol worden verwezen voor het nemen van een memorie van antwoord door AAS.
3. Beslissing
Het hof:
in het incident:
wijst de vordering af;
houdt de beslissing over de proceskosten van dit incident aan tot het eindarrest in de hoofdzaak;
in de hoofdzaak:
verwijst de zaak naar de rol van 4 mei 2021 voor memorie van antwoord door AAS;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.C.W. Rang, R.J.M. Smit en J.W. Hoekzema en is door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 23 maart 2021.
Uitspraak 24‑11‑2020
Inhoudsindicatie
Incident ex artikel 224 Rv tot zekerheidsstelling voor proceskosten. Tussenarrest. Uitzondering van artikel 224 lid 2 aanhef en onder a Rv: is artikel 17 van het Haags Rechtsvorderingsverdrag 1954 van toepassing? Uitlating bij akte over nationaliteit van in Turkije woonachtige appellant. Zie ECLI:NL:GHAMS:2021:845.
Partij(en)
arrest
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.276.603/01
zaak-/rolnummers rechtbank Amsterdam : C/13/640516 / HA ZA 17-1367 en
C/13/661001 / HA ZA 19-116
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 24 november 2020
inzake
[appellant] ,
wonend te [woonplaats] (Turkije),
appellant in de hoofdzaak,
verweerder in het incident,
advocaat: mr. M. Dorgelo te Amsterdam,
tegen:
1. ABN AMRO SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,
gevestigd te Zwolle,
advocaat: mr. W.A.M. Rupert te Rotterdam,
2. ABN AMRO BANK N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
advocaat: mr. J.W. Achterberg te Amsterdam,
geïntimeerden in de hoofdzaak,
eiseressen in het incident.
Partijen worden hierna [appellant] , AAS en ABN Amro genoemd.
1. Het geding in hoger beroep
[appellant] is bij dagvaarding van 4 december 2019 in hoger beroep gekomen van - naar het hof begrijpt - het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 4 september 2019 dat is gewezen tussen [appellant] als eiser en, in de zaak met zaak-/rolnummer C/13/640516 / HA ZA 17-1367, (onder andere) ABN Amro als gedaagde, en, in de zaak met zaak-/rol- nummer C/13/661001 / HA ZA 19-116, AAS als gedaagde.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven van [appellant] ;
- memorie van antwoord, tevens houdende incidentele vordering tot zekerheidsstelling ex artikel 224 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), met producties, van ABN Amro;
- incidentele memorie strekkende tot zekerheidsstelling ex artikel 224 Rv, met producties, van AAS;
- memorie van antwoord in het incident van [appellant] .
Vervolgens is arrest in het incident gevraagd.
ABN Amro heeft incidenteel gevorderd dat het hof [appellant] zal bevelen zekerheid te stellen voor de proceskosten tot betaling waarvan hij in de onderhavige procedure veroordeeld zou kunnen worden door het stellen van een onherroepelijke afroepgarantie van een gerenommeerde Nederlandse bank op de gebruikelijke garantievoorwaarden, met veroordeling van [appellant] in de kosten van dit incident, uitvoerbaar bij voorraad.
AAS heeft incidenteel gevorderd dat het hof [appellant] zal bevelen zekerheid te stellen voor de proceskosten tot betaling waarvan hij in de onderhavige procedure in hoger beroep veroordeeld zou kunnen worden, met veroordeling van [appellant] in de kosten van dit incident, uitvoerbaar bij voorraad.
[appellant] heeft geconcludeerd dat het hof de incidentele vorderingen zal afwijzen, met
- uitvoerbaar bij voorraad - veroordeling van ABN Amro en AAS in de kosten van het incident, te vermeerderen met de wettelijke rente.
2. Beoordeling
in het incident
2.1.
ABN Amro en ASS hebben ieder op de voet van artikel 224 Rv zekerheidsstelling voor de proceskosten verzocht. Op grond van artikel 224 lid 1 Rv dient degene die, zonder woonplaats of gewone verblijfplaats in Nederland, bij een Nederlandse rechter een vordering instelt, op vordering van de wederpartij zekerheid te stellen voor de proceskosten tot betaling waarvan hij in die procedure veroordeeld zou kunnen worden, tenzij een van de in artikel 224 lid 2 Rv genoemde uitzonderingen van toepassing is. Deze bepaling is op grond van artikel 353 lid 1 Rv in hoger beroep van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat - zo volgt uit het tweede lid van dat artikel - in hoger beroep van de oorspronkelijk gedaagde geen zekerheid kan worden gevorderd, ook niet als deze in hoger beroep (principaal of incidenteel) appellant is.
2.2.
[appellant] woont in [plaats] (Turkije) en was in eerste aanleg eisende partij. Dit betekent dat hij ingevolge het bepaalde in artikel 224 lid 1 Rv in beginsel verplicht is tot het stellen van zekerheid voor de proceskosten. In deze zaak doet zich echter mogelijk de uitzondering voor van artikel 224 lid 2 aanhef en onder a Rv dat geen verplichting tot het stellen van zekerheid bestaat, indien dit voortvloeit uit een verdrag of EG-verordening.
2.3.
Zowel Turkije als Nederland is partij bij het - door het hof ambtshalve toe te passen - Verdrag betreffende de burgerlijke rechtsvordering van 1 maart 1954 (Haags Rechtsvorderingsverdrag 1954, Trb. 1954, 40: hierna: het Verdrag). Artikel 17 lid 1 van het Verdrag luidt:
“Geen zekerheidstelling of dépôt, onder welke benaming ook, kan op grond hetzij van hun hoedanigheid van vreemdelingen, hetzij van gemis van domicilie of verblijfplaats in het land, worden opgelegd aan de onderdanen van een der verdragsluitende Staten, die in een dier Staten hun domicilie hebben, wanneer zij als eiseres of tussenkomende partij voor de rechtbanken van een andere dier Staten optreden.”
2.4.
Uit dit artikel vloeit voort dat [appellant] vrijgesteld zal zijn van het stellen van zekerheid voor proceskosten in Nederland in het geval dat hij de Nederlandse en/of Turkse nationaliteit heeft. Behalve dat [appellant] domicilie heeft in Turkije, is hij dan immers ook onderdaan van Nederland en/of Turkije in de zin van het Verdrag. Het hof zal de zaak naar de rol verwijzen opdat [appellant] zich bij akte – gestaafd met een paspoort of ander identiteitsbewijs – uitlaat over de vraag of hij de Nederlandse en/of Turkse nationaliteit heeft. Vervolgens zullen ABN AMRO en ASS daarop mogen reageren.
3. Beslissing
Het hof:
in het incident:
verwijst de zaak naar de rol van 8 december 2020 voor het nemen van een akte door [appellant] , als hiervoor onder 2.4 vermeld, waarna ABN AMRO en ASS daarop bij akte zullen mogen reageren;
houdt iedere verdere beslissing aan;
in de hoofdzaak:
houdt iedere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.C.W. Rang, R.J.M. Smit en J.W. Hoekzema en is door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 24 november 2020.