Gerechtshof Amsterdam 28 november 2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:3387.
HR, 22-04-2025, nr. 22/04613
ECLI:NL:HR:2025:627
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
22-04-2025
- Zaaknummer
22/04613
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Materieel strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:627, Uitspraak, Hoge Raad, 22‑04‑2025; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2022:3387
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:342
ECLI:NL:PHR:2025:342, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 18‑03‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:627
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2025-0159
Uitspraak 22‑04‑2025
Inhoudsindicatie
Mishandeling, art. 300.1 Sr. Vrijspraak in eerste aanleg. Noodweer, art. 41.1 Sr. HR: Om redenen vermeld in CAG leiden middelen niet tot cassatie. CAG: Hof is o.b.v. de uit bewijsmiddelen volgende feiten en omstandigheden tot oordeel gekomen dat verdachte de aangever in zijn gezicht heeft geslagen en dat feitelijke toedracht van beroep op noodweer niet aannemelijk is geworden. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd, in aanmerking genomen dat hof gemotiveerd uiteen heeft gezet dat en waarom het geen geloof hecht aan verklaring van verdachte dat aangever met zijn vinger in richting van zijn oog bewoog en dat verdachte zich hiertegen moest verdedigen. Volgt verwerping.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/04613
Datum 22 april 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 28 november 2022, nummer 23-002800-20, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat B. Wernik bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel
2.1
De cassatiemiddelen komen op tegen de verwerping van het beroep op noodweer.
2.2
De cassatiemiddelen leiden niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal.
3. Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde taakstraf van tachtig uren volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 april 2025.
Conclusie 18‑03‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie plv. AG. Veroordeling wegens mishandeling (art. 300 lid 1 Sr). Jaddoe. De twee middelen over de verwerping van het beroep op noodweer falen. Conclusie strekt tot verwerping.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 22/04613
Zitting 18 maart 2025
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994,
hierna: de verdachte.
Inleiding
1.1
De verdachte is bij arrest van 28 november 20221.door het gerechtshof Amsterdam wegens "mishandeling", veroordeeld tot tachtig uur taakstraf, subsidiair veertig dagen hechtenis.2.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en B. Wernik, advocaat in Haarlem, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
Het eerste en tweede middel
2.1
Het eerste middel en tweede middel komen beide op tegen de verwerping van het beroep op noodweer. De middelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.
2.2
Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:
“hij op 12 september 2020 te Zandvoort [aangever] heeft mishandeld door die [aangever] in het gezicht te slaan.”
2.3
Het bestreden arrest bevat de volgende bewijsoverweging:
“Bewijsoverweging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem tenlastegelegde, zoals de politierechter heeft beslist. Daartoe is - kort gezegd - aangevoerd dat de verdachte de aangever niet heeft geslagen. Wel heeft de verdachte de aangever bij zijn jas gepakt en hem een ‘gooi’ dan wel ‘worp’ gegeven. Hierbij was echter sprake van noodweer. De verdachte moest zich verdedigen tegen de aangever, die dicht op hem stond en zijn vinger richting zijn oog bewoog en hem daar ook raakte.
Het hof overweegt dat uit de bewijsmiddelen, die na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest, blijkt dat de verdachte de aangever in het gezicht heeft geslagen. Het hof ziet geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de verklaringen van de aangever [aangever] en de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] op dit punt.
Ten aanzien van het beroep op noodweer overweegt het hof als volgt. De aangever en met name de getuige [getuige 1] hebben verklaard dat de aangever uit het niets, zonder reden werd geslagen. De verklaring van de verdachte dat de aangever met zijn vinger richting zijn oog bewoog en dat de verdachte zich hiertegen moest verdedigen, vindt geen steun in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting. Daarbij overweegt het hof dat de verdachte tijdens zijn politieverhoor op 12 september 2020 heeft verklaard dat de aangever - van wie hem toen een letselfoto is getoond - niet de jongen is die in zijn oog heeft geprikt. Eerst ter terechtzitting in eerste aanleg en hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat de aangever wél die jongen is.
Het hof hecht geen geloof aan de verklaringen van de verdachte. Daarbij wijst het hof er op dat volgens de verklaring van de zoon van de eigenaar van een nabijgelegen café, afgelegd direct na het incident het juist de verdachte was die agressief was; de verdachte schreeuwde tegen de aangever en de getuigen. De aangever en de getuigen waren volgens deze verklaring niet agressief richting de verdachte.
Nu niet aannemelijk is geworden dat sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding waartegen de verdachte zich mocht verdediging, faalt zijn beroep op noodweer bij gebrek aan feitelijke grondslag. Dat betekent dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling.”
2.4
Het eerste middel bevat de klacht dat het hof het beroep op noodweer heeft verworpen aan de hand van een onjuiste maatstaf. De toelichting op het middel houdt echter geen rechtsklacht in. Wel wordt een aantal argumenten aangevoerd waarom de overweging van het hof dat het beroep op noodweer faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag, onbegrijpelijk is dan wel ontoereikend is gemotiveerd. De steller van het middel voert in dat verband aan dat (i) de verklaring van getuige [getuige 3] wel degelijk steun geeft aan de verklaring van de verdachte en (ii) dat het hof aan de verklaring van de aangever meer geloof heeft gehecht dan aan de verklaring van de verdachte en de getuige [getuige 3] zonder dit nader te motiveren. Het tweede middel houdt in dat het hof de verwerping van het noodweerverweer ontoereikend, althans onbegrijpelijk heeft gemotiveerd. Daartoe worden in de toelichting op het tweede middel min of meer dezelfde argumenten aangevoerd als in de toelichting op het eerste middel.
2.5
Het hof heeft op basis van de bewijsmiddelen vastgesteld dat de aangever en getuige [getuige 1] hebben verklaard dat de aangever uit het niets, zonder reden werd geslagen. Uit hun in de bewijsmiddelen opgenomen verklaringen blijkt inderdaad dat de verdachte de aangever uit het niets c.q. zonder reden in zijn gezicht heeft geslagen (bewijsmiddel 1, verklaring aangever [aangever] en bewijsmiddel 2, verklaring getuige [getuige 1]). Daarnaast blijkt uit een proces-verbaal van bevindingen dat een omstander aan een verbalisant ter plaatse heeft verklaard dat hij het incident niet heeft gezien, maar wel zag dat de verdachte aan het schreeuwen was tegen de aangever en de getuigen, dat hij agressief zou overkomen en dat de aangever en getuigen niet agressief richting de verdachte waren (bewijsmiddel 4).
2.6
Dat het hof op basis van deze uit de bewijsmiddelen volgende feiten en omstandigheden tot het oordeel is gekomen dat de verdachte de aangever in zijn gezicht heeft geslagen en dat de feitelijke toedracht van het beroep op noodweer niet aannemelijk is geworden, acht ik niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Daarbij neem ik in aanmerking dat het hof gemotiveerd uiteen heeft gezet dat en waarom het geen geloof hecht aan de verklaring van de verdachte dat de aangever met zijn vinger in de richting van zijn oog bewoog en dat de verdachte zich hiertegen moest verdedigen.
Afronding
3.1
Het eerste en tweede middel falen. De middelen gaan over een feit waarvan de verdachte in eerste aanleg is vrijgesproken en daarom ligt afdoening op de voet van art. 81 lid 1 RO niet voor de hand.3.
3.2
Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaar is verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep, zodat de redelijke termijn in cassatie als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM is overschreden. In het licht van de opgelegde taakstraf van tachtig uur, kan worden volstaan met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.4.
3.3
Verder heb ik ambtshalve geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
3.4
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
plv. AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 18‑03‑2025
De verdachte is bij vonnis van 1 december 2020 door de politierechter in de rechtbank Noord-Holland vrijgesproken van de tenlastegelegde mishandeling.
HR 24 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:40.
HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, rov. 3.6.2..