Uit: Forensisch psychologisch onderzoek naar [de man] (pagina 36)
Rb. Den Haag, 08-08-2022, nr. C/09/620567 / JE RK 21-2683
ECLI:NL:RBDHA:2022:10058
- Instantie
Rechtbank Den Haag
- Datum
08-08-2022
- Zaaknummer
C/09/620567 / JE RK 21-2683
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBDHA:2022:10058, Uitspraak, Rechtbank Den Haag, 08‑08‑2022; (Eerste aanleg - meervoudig)
Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2022:2172
Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2022:2171
ECLI:NL:RBDHA:2022:504, Uitspraak, Rechtbank Den Haag, 14‑01‑2022; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
Uitspraak 08‑08‑2022
Inhoudsindicatie
Verlenging MUHP voor de duur van 2 maanden, afwijzing overige termijn. NIFP-onderzoek. De vader moet in staat worden geacht de verzorging en opvoeding van de minderjarige op korte termijn weer zelf te kunnen dragen
Partij(en)
Rechtbank DEN HAAG
Team Jeugd- en Zorgrecht
Zaakgegevens: C/09/620567 / JE RK 21-2683
Datum uitspraak: 8 augustus 2022
Beschikking van de meervoudige kamer
Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak naar aanleiding van het op 11 november 2021 ingekomen verzoekschrift van:
Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland (verder: de gecertificeerde instelling),
betreffende:
- [minderjarige], geboren op [geboortedag] 2017 te [geboorteplaats]
hierna te noemen: [minderjarige] .
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
[de man]
hierna te noemen: de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. E.M. Buijs-van Bemmel te Krimpen aan den IJssel,
[de vrouw] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. E.W. van der Voet te Rotterdam,
[pleegouders]
hierna te noemen: de pleegouders,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
Het procesverloop
- Bij beschikking van 14 januari 2022 van de kinderrechter in deze rechtbank is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd van 18 januari 2022 tot 8 januari 2023 met behoud van de Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland als gecertificeerde instelling die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling;
- Bij dezelfde beschikking is de aan Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland verleende machtiging om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg van 18 januari 2022 tot 8 juli 2022 verlengd, waarbij de behandeling van het verzoek voor het overige werd aangehouden tot de terechtzitting van 1 juli 2022;
- Bij beschikking van 1 juli 2022 van de kinderrechter in deze rechtbank is de aan Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland verleende machtiging om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg verlengd van 8 juli 2022 tot 8 augustus 2022;
- Bij dezelfde beschikking is de behandeling van het verzoek voor het overige aangehouden en verwezen naar de meervoudige kamer.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder thans ook:
- voornoemde beschikkingen van 14 januari 2022 en 1 juli 2022;
- het verzoekschrift;
- het NIFP-rapport van 4 juli 2022;
- de brief van de gecertificeerde instelling van 15 juli 2022;
- het verweerschrift van de zijde van de vader van 27 juli 2022;
- het verweerschrift van de zijde van de moeder van 28 juli 2022.
Op 29 juli 2022 is de behandeling van de zaak ter zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij zijn verschenen:
- [vertegenwoordiger van de GI 1] en [vertegenwoordiger van de GI 2] , namens de gecertificeerde instelling;
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat.
Opgeroepen en niet verschenen zijn:
- de pleegouders.
Verzoek en verweer
Het verzoek strekt tot verlenging van de machtiging uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg voor de nog resterende vijf maanden, zijnde de duur van de ondertoezichtstelling. De gecertificeerde instelling heeft dit verzoek als volgt gemotiveerd. Er is nog geen perspectiefbesluit genomen en terugplaatsing naar huis is op dit moment niet haalbaar. In de komende periode wil de gecertificeerde instelling kijken naar eventuele opbouw van de omgang en het inzetten van hulpverlening gericht op de bij [minderjarige] geconstateerde PTSS en hechtingsproblematiek. De gecertificeerde instelling heeft er geen verklaring voor dat nog geen speltherapie is opgestart maar gaat ervan uit dat dit te maken heeft gehad met het nog niet afgerond zijn van het NIFP-onderzoek. De vraag of het perspectief bij de ouders of in het pleeggezin ligt zal in de komende periode in een multidisciplinair overleg beantwoord moeten worden. De conclusie van het NIFP is duidelijk, namelijk dat het perspectief niet bij een van de ouders ligt. De gecertificeerde instelling houdt echter alle opties nog open. De omgangsuitbreiding hangt hiermee samen. Een verlenging van de uithuisplaatsing is dus nog noodzakelijk om zorgvuldig te gaan onderzoeken wat de volgende stappen zijn.
Door en namens de moeder is verweer gevoerd. De moeder kan zich niet verenigen met de bevindingen en het advies van het NIFP om [minderjarige] te laten opgroeien in een pleeggezin. Zij verzoekt afwijzing en te bepalen dat [minderjarige] aan de moeder wordt toevertrouwd, subsidiair de uithuisplaatsing met twee maanden te verlengen, met aanhouding van het overige. De moeder is teleurgesteld dat de gecertificeerde instelling nog geen standpunt heeft ingenomen over het perspectief van [minderjarige] naar aanleiding van het rapport van het NIFP. Zij begrijpt dat thuisplaatsing niet van de ene op de andere dag kan plaatsvinden maar vindt wel dat hier naartoe gewerkt moet worden. De conclusies in het NIFP-rapport doen geen recht aan de persoon van de moeder en de huidige, in positieve zin gewijzigde omstandigheden van beide ouders. Onder verwijzing naar het namens de moeder ingediende verweerschrift en de daarin gegeven voorbeelden van onjuistheden, constateert zij dat de conclusie dat [minderjarige] niet bij de moeder zou kunnen opgroeien niet houdbaar is. Meer subsidiair verzoekt de moeder dan ook om een contra-expertise, althans in elk geval een nieuw persoonlijkheidsonderzoek en een aanzienlijk uitgebreider observatieonderzoek, waarbij de huidige situatie beoordeeld wordt. Hierbij dient niet meer de “vechtscheiding” tot uitgangspunt te worden genomen, die ten tijde van de aanvraag van het onderzoek anderhalf jaar geleden speelde. Die vechtscheiding is namelijk tot een einde gekomen. Naast dit aanvullende onderzoek heeft de moeder verzocht om uitbreiding van de omgang met [minderjarige] . Sinds de aanvraag van het NIFP-onderzoek is er niets gebeurd, terwijl [minderjarige] haar ouders ernstig mist en graag thuis wil wonen. Er is op geen enkele manier bekeken hoe zij naar huis zou kunnen, of co-ouderschap tot de mogelijkheden behoort en welke hulp alvast opgestart kan worden. De moeder heeft op deze manier niet de kans gekregen te laten zien hoe zij zich als ouder heeft kunnen ontwikkelen.
Door en namens de vader is verweer gevoerd en gevraagd om het verzoek af te wijzen en te bepalen dat [minderjarige] aan hem wordt toevertrouwd. Subsidiair heeft de vader gevraagd het verzoek tot verlenging van de uithuisplaatsing af te wijzen voor zover het de duur van drie maanden te boven gaat en te bepalen dat [minderjarige] daarna aan hem wordt toevertrouwd en meer subsidiair de omgangsregeling tussen vader en [minderjarige] uit te breiden tot twee weekenden per maand. In aanvulling op het schriftelijk ingediende verweerschrift heeft de vader geconcludeerd dat de gecertificeerde instelling niets heeft gedaan met de aanwijzing van de kinderrechter in de beschikking van 7 mei 2022 dat goed gekeken moest worden naar de omgangsregeling en de mogelijke uitbreiding daarvan. In plaats daarvan is zowel de communicatie tussen de gecertificeerde instelling en de vader als zijn contact met [minderjarige] op een laag pitje komen te staan. Alles lijkt als het ware te zijn stilgezet in afwachting van het NIFP-onderzoek. Dit geldt bijvoorbeeld ook voor het opstarten van speltherapie, wat de gecertificeerde instelling al naar aanleiding van het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 19 januari 2020 heeft toegezegd te zullen doen. De vader betreurt de afwachtende houding van de gecertificeerde instelling en vindt het niet acceptabel dat nu nog vijf maanden nodig zouden zijn om vervolgstappen te zetten. Bij [minderjarige] is sprake van hechtingsproblematiek en juist dan zou het contact met haar ouders uitgebreid moeten worden. De bevindingen en conclusies in het NIFP-rapport bevreemden de vader, aangezien vooral veel wordt gekeken naar wat in het verleden allemaal is gebeurd in het kader van de echtscheiding. Er is te weinig aandacht voor het feit dat de vader toen volledig uitgeput was en zich daarna heeft herpakt. Over de omgang van de vader met [minderjarige] zijn louter positieve bevindingen te lezen, maar de conclusie luidt vervolgens dat de observatiemomenten geen goed beeld geven. Tegelijkertijd worden de contactmomenten op geen enkele manier uitgebreid, zodat de vader geen eerlijke kans heeft gekregen om te laten zien dat hij geschikt is als vader voor [minderjarige] . De vader is niet meer dezelfde persoon die hij was bij aanvang van de uithuisplaatsing. Zo is hij opgenomen geweest en nog steeds onder behandeling, heeft hij een stabiele relatie en een positief steunend netwerk opgebouwd en is hij weerbaar geworden. Zijn werkgever is van het hele proces op de hoogte en bereid flexibel om te gaan met zijn werktijden zodat [minderjarige] bij de vader thuis zou kunnen wonen. De situatie is weer vergelijkbaar met die ten tijde van de toenmalige beschikking waarbij [minderjarige] als voorlopige voorziening aan de vader werd toevertrouwd.
De pleegouders hebben geen verweer gevoerd.
Beoordeling
De rechtbank is, gelet op hetgeen uit het dossier en ter terechtzitting naar voren is gekomen, van oordeel dat de in artikel 1:265b, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek genoemde gronden voor een machtiging tot uithuisplaatsing thans nog aanwezig zijn, maar dat moet worden toegewerkt naar terugplaatsing van [minderjarige] bij de vader.
Daarbij overweegt de rechtbank in het bijzonder dat een kind op grond van artikel 7, eerste lid van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) in beginsel verzorgd dient te worden door zijn eigen ouders. Uit artikel 20, derde lid van het IVRK vloeit voort dat kinderen die bij pleegouders verblijven recht hebben op duidelijkheid omtrent hun opvoedingsperspectief, continuïteit in de opvoedingssituatie en een ongestoorde hechting in het pleeggezin. [minderjarige] verblijft sinds januari 2021 in het pleeggezin en in februari 2021 is het NIFP-onderzoek aangevraagd. Het doel van een ondertoezichtstelling met een machtiging uithuisplaatsing brengt de positieve verplichting van de staat met zich mee om maatregelen te treffen om het gezinsleven tussen ouders en kinderen te faciliteren. Zolang er sprake is van een ondertoezichtstelling met een machtiging tot uithuisplaatsing, is het uitgangspunt dat er moet worden gewerkt aan thuisplaatsing. Dat volgt ook uit de vaste lijn van uitspraken van het EHRM waarbij de herenigingsdoelstelling (tussen kind en ouders) voorop staat en zorgvuldige en frequente evaluatie van de mogelijkheden tot hereniging en het voldoende investeren in de banden tussen ouders en kind geboden zijn. De kinderbeschermingsmaatregelen kunnen worden benut om de periode van een onderzoek naar en een beslissing over een eventuele verderstrekkende maatregel te overbruggen. In dat geval is gelet op de aanvaardbare termijn voortvarendheid geboden. Van voortvarend handelen is echter in onderhavige zaak volgens de rechtbank geen sprake geweest. De rechtbank is van oordeel dat sinds januari 2021 niet alles in het werk is gesteld om binnen de aanvaardbare termijn tot een duidelijke conclusie te komen over de mate waarin de ouders zelf in staat zijn om de verzorging en opvoeding van [minderjarige] op zich te nemen. Enerzijds heeft het NIFP-onderzoek erg lang op zich laten wachten en anderzijds is door de gecertificeerde instelling in afwachting daarvan niet de nodige voortvarendheid en zorgvuldigheid betracht om de band tussen [minderjarige] en haar ouders in stand te houden en de optie van terugplaatsing levend te houden. Zo is aan [minderjarige] niet de benodigde (spel)therapie aangeboden zodra de noodzaak daarvan duidelijk werd en heeft het er alle schijn van dat de gecertificeerde instelling een (te) afwachtende houding heeft aangenomen om alle verdere beslissingen en maatregelen te laten afhangen van de uitkomsten van het NIFP-onderzoek. Deze voorzichtige en in sommige zaken begrijpelijke houding heeft echter tot gevolg gehad dat de ouders door de hierdoor zeer beperkt gebleven omgangsmomenten met [minderjarige] niet de kans hebben gekregen zich te bewijzen als ouder en een positieve ontwikkeling te laten zien.
Overwegingen ten aanzien van de vader
In het NIFP-rapport is een groot aantal sterke kanten van de vader naar voren gekomen. Er wordt omschreven dat hij tijdens de tweewekelijkse onbegeleide omgangsmomenten goed kijkt naar de signalen die zijn dochter afgeeft en dat hij alles in het werk stelt om in haar behoeften te voorzien. “Hij kan met geduld op haar reageren en is geneigd hierin zijn eigen behoeftes naar de achtergrond te schuiven, alles is erop gericht het bezoek gezellig te maken. En op het moment zelf lukt het hem, ook wanneer [minderjarige] sterk ontregeld is, om in verbinding te blijven en indien nodig haar te kalmeren en haar aandacht te richten. Hierbij toont hij geduld, rust en volharding. [minderjarige] accepteert deze nabijheid en structurering van haar vader en zoekt zijn contact ook op gedurende de omgangsmomenten. Tijdens de omgangsmomenten biedt hij voldoende structuur en begrenzingen aan [minderjarige] . Hij plant leeftijdsadequate activiteiten en structureert door haar te vertellen wat ze gaan doen, hoe het omgangsmoment eruit ziet. Ook het stellen van grenzen lukt hem, hij doet dit op een voorzichtige manier en bij weerstand vanuit [minderjarige] kan hij wat onzeker worden, toch handhaaft hij de grenzen en weet hij [minderjarige] voldoende veilige begrenzingen te bieden. Tussen [minderjarige] en vader is een liefdevol, gezellig en ontspannen contact zichtbaar, waarin wederkerigheid en gedeeld plezier doorgaans centraal staan. Binnen de omstandigheden van de omgangsregeling worden dus meer krachten dan zorgen gezien in het ouderschap van vader.”1.
Daarnaast overweegt het NIFP omtrent “goed genoeg ouderschap” het volgende. “Als vervolgens gekeken wordt naar de voorwaarden voor goed genoeg ouderschap dan kan geconcludeerd worden dat vader in staat is om de basale zorg voor [minderjarige] te bieden. Hij zou kunnen voorzien in onderdak, kleding en persoonlijke spullen en dus het bieden van een fysiek veilige en kindvriendelijk omgeving. Ook kan vader een affectief veilig klimaat bieden voor [minderjarige] , hierover zijn geen zorgen. Vader is tevens in staat om zolang er geen onverwachte gebeurtenissen plaatsvinden die de stress bij hem doen toenemen (waarbij gedacht kan worden aan conflicten met moeder, maar ook gewone life-events zoals een ziek kind of een zieke partner of een relatiebreuk) voldoende regelmaat aan te brengen in het leven van alledag. Zijn partner zal hem hierin ondersteunen, net als de rest van zijn netwerk. Ook zal vader [minderjarige] passend bij haar leeftijd laten exploreren. Met behulp van hulpverlening en betrokken netwerk zal vader voldoende begrenzing en structuur kunnen bieden aan zijn dochter.”2.
Alles afwegende komt het NIFP desondanks tot de conclusie dat [minderjarige] niet bij de vader kan opgroeien. “De grootste zorg is dat vader vanwege zijn forse persoonlijkheidsproblematiek bij oplopende stress onvoldoende in staat is om zichzelf te reguleren en emotioneel beschikbaar te zijn voor zijn kind en haar de stabiliteit te bieden die zij nodig heeft om zich veilig te kunnen ontwikkelen. Bovendien kunnen ouders niet met elkaar samenwerken en is moeder eerder stressverhogend voor vader dan helpend. Het lukt vader niet, ondanks de op ouders gerichte begeleiding die is ingezet na de uithuisplaatsing, om zijn stemming niet te laten bepalen door zijn ex-vrouw. Hierdoor zal [minderjarige] op die momenten dat het met vader niet goed gaat, niet vanzelfsprekend terug kunnen vallen op de zorg van vader, maar op zichzelf aangewezen zijn. Dit heeft derhalve dermate veel invloed op zijn opvoederschap dat [minderjarige] niet volledig bij haar vader kan opgroeien.”3.
De rechtbank acht deze conclusie te voorbarig en neemt deze niet over. Ten tijde van het verblijf van [minderjarige] in het pleeggezin heeft de vader een positieve ontwikkeling doorgemaakt en hij lijkt momenteel te beschikken over een voldoende steunend netwerk en stabiele factoren in zijn leven. De risico’s waar het NIFP op doelt zijn niet per definitie groter dan bij andere ouders in vergelijkbare situaties en hebben met name te maken met de strijd tussen de ouders ten tijde van de uithuisplaatsing. Sindsdien zijn - ook volgens de moeder - de verhoudingen tot rust gekomen, de strijdbijl lijkt begraven en beide ouders lijken nu meer in staat om vanuit het belang van [minderjarige] te denken en handelen. De rechtbank is, gelet op het zwaarwegende belang van [minderjarige] om bij (een van) haar ouders op te groeien, van oordeel dat de vader in staat is om via een uitbreiding van de omgang met een opbouw regeling weer volledig de verzorging van [minderjarige] op zich te nemen.
Overwegingen ten aanzien van de moeder
Ten aanzien van de moeder komt in het NIFP-rapport naar voren dat zij op dit moment niet in staat wordt geacht de volledige verzorging en opvoeding van [minderjarige] op zich te nemen. “Classificerend volgens DSM-5 is er mede op grond van de diagnose van Rivierduinen sprake van een ongespecificeerde trauma- of stressorgerelateerde stoornis. Het persoonlijkheidsbeeld van moeder grenst wel aan een persoonlijkheidsstoornis. Alhoewel er weinig aanwijzingen zijn voor ontwikkelingsinterferenties in haar jeugd zijn er toch ernstige, pathologische beperkende persoonlijkheidstrekken van narcisme en impulsiviteit en het moeilijk kunnen bewaken van haar eigen grenzen. Daarnaast is er de moeizame samenwerking met anderen, het weinig openstaan voor de mening van anderen die de begeleiding van moeder in de zal weg staan. Ze zal om haar eigen gelijk te halen anderen kunnen inzetten zoals is gebleken bij de coalitie met haar cliënt en het moedwillig jokken over feiten, waar de Rechtbank over viel (blijkens de beschikking Rechtbank d.d. 8 januari 2021 waarin de informatie van moeder onbetrouwbaar wordt geacht) (…) Als het aan moeder ligt wordt [minderjarige] aan haar toegewezen en wordt er een omgangsregeling met vader vastgelegd van 1 dag per week op woensdag en om het weekend. Moeder maakt zich minder zorgen over vader dan destijds, het gaat nu beter met hem verwacht ze en een nieuwe partner doet hem ook goed. 4.
Ten aanzien van deze wens van de moeder overweegt het NIFP: “Alles tegen elkaar afwegend wordt geadviseerd om [minderjarige] niet bij haar moeder te laten opgroeien. Zij heeft namelijk een ouder nodig die een positief rolmodel kan zijn en die kan voelen wat er in [minderjarige] omgaat zodat ze met een combinatie van nabijheid en enige distantie haar kind kan begeleiden.” (…) en: “Dit alles overwegend wordt een wijziging van de omgangsregeling met moeder op dit moment niet in het belang van [minderjarige] geacht, dus geadviseerd wordt om de omgang met moeder begeleid te laten plaatsvinden.”5.
Vooralsnog neemt de rechtbank deze conclusies over, maar merkt daarbij op dat gelet op het belang van [minderjarige] bij een goede band met haar moeder ook zij de kans moet krijgen om te laten zien dat zij weer kan toewerken naar onbegeleide omgang en op termijn wellicht naar de door haar gewenste vorm van co-ouderschap. Hierbij wijst de rechtbank op hetgeen het NIFP hierover heeft opgemerkt: “Moeder heeft voldoende vaardigheden om de begeleide omgang vorm te geven, er wordt niet geadviseerd om naast de huidige begeleiding in de vorm van toezicht uit te breiden naar een vorm waarin ook moeder andere vaardigheden aangeleerd wordt. Er kan wel gekeken worden naar uitbreiding in de toekomst na de traumabehandeling van [minderjarige] , mits er zeer strikte en duidelijke afspraken gehanteerd worden waarbij er bij iedere vorm van belasting van [minderjarige] voorkomen moet worden, want dan moet de omgang teruggebracht wordt naar begeleide omgang. Gedacht wordt aan wanneer [minderjarige] buitensporige stress laat zien voorafgaand of na afloop van een omgang met haar moeder of er weer ruis ontstaat of ze geheimen moet bewaren, dan moet de omgang met moeder teruggebracht worden naar begeleide omgang, waarbij dan in de nabije toekomst geen mogelijkheden gezien worden dit verder te verruimen. Dit omdat er in het verleden dermate veel incidenten rondom moeder zijn geweest die hebben geleid tot ontregeling bij [minderjarige] . Dit kan en mag niet meer voorkomen.”6.
Conclusie
De rechtbank acht het - gelet op hetgeen hiervoor is overwogen - op dit moment nog noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] dat zij in het pleeggezin blijft en dat vanuit die stabiele basis wordt toegewerkt naar thuisplaatsing bij de vader. De rechtbank stelt vast dat de vader in staat moet worden geacht om de verzorging en opvoeding van [minderjarige] op korte termijn weer zelf te kunnen dragen en zal de maatregel daarom met twee maanden verlengen. Hierbij gaat de rechtbank ervan uit dat de moeder zich neerlegt bij de plaatsing bij de vader en dat de gecertificeerde instelling zo spoedig mogelijk de benodigde hulp zal opstarten. Tevens dient bekeken te worden of en op welke manier de omgang van [minderjarige] met de moeder kan worden uitgebreid. De rechtbank hecht hierbij grote waarde aan de indruk die ter zitting is ontstaan dat beide ouders nu in staat zijn om in het belang van [minderjarige] te handelen. Aan de gecertificeerde instelling wordt de suggestie gegeven een hulpverlenende instantie zoals Enver opdracht te geven te bezien of een traject van ouderschapsondersteuning kan worden ingezet. Dit zou parallel solo ouderschap kunnen zijn maar uiteindelijk ook kunnen resulteren in co-ouderschap, afhankelijk van de inzet van ouders en de draagkracht van [minderjarige] . Bij de terugplaatsing van [minderjarige] bij de vader gaat de rechtbank ervan uit dat de gecertificeerde instelling rekening houdt met en gevolg geeft aan het advies dat het NIFP voor die situatie heeft gegeven, hetgeen er samengevat op neerkomt dat alle hulp gericht moet zijn op het minimaliseren van factoren die voor spanning zullen zorgen bij de vader.7.Zo dient onder meer de eigen hulpverlening van de vader gecontinueerd te worden en er dient een goed uitgewerkt terugvalpreventieplan te zijn. Daarnaast moet direct ambulante hulpverlening ingezet worden gericht op het versterken van de opvoedvaardigheden van de vader en partner en dient het sociale netwerk van vader actief te worden betrokken. Zodra er vertrouwen is dat de (situatie bij) vader stabiel is en blijft kan het contact tussen ouders (begeleid) vorm gaan krijgen.
Het door de moeder meer subsidiair gedane verzoek tot contra-expertise zal de rechtbank afwijzen, nu de rechtbank dit niet in het belang van [minderjarige] vindt. Middels de door de rechtbank voorgestelde route krijgt de moeder de kans haar rol als moeder verder uit te breiden. De tijd die met een contra-expertise gemoeid is zou deze route te zeer doorkruisen.
Derhalve zal als volgt worden beslist.
Beslissing
De rechtbank:
verlengt de aan Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland verleende machtiging [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg van 8 augustus 2022 tot 8 oktober 2022;
verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 8 augustus 2022 door mr. C.M. Koole, mr. M.P. Meeuwisse en mr. J. Visser, kinderrechters, bijgestaan door mr. K.M.M. Bertrand als griffier. | ||
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld: - door de verzoeker en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, - door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof Den Haag. | ||
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 08‑08‑2022
Uit: Forensisch psychologisch onderzoek naar [de man] (pagina 36-37)
Uit: Forensisch psychologisch onderzoek naar [de man] (pagina 43)
Forensisch psychologisch onderzoek [de vrouw] (pagina’s 20 en 28)
Forensisch psychologisch onderzoek [de vrouw] (pagina’s 44 en 46)
Forensisch psychologisch onderzoek [de vrouw] (pagina 47)
pagina 45 van het NIFP- rapport over de vader bij beantwoording van vraag 14
Uitspraak 14‑01‑2022
Inhoudsindicatie
De kinderrechter oordeelt dat de gronden voor een ondertoezichtstelling (art. 1:255 lid 1 BW) en machtiging uithuisplaatsing (art. 1:265b lid 1 BW) nog onverkort aanwezig zijn. De kinderrechter vindt het betreurenswaardig dat de start van het NIFP-onderzoek zo lang op zich laat wachten. Gelet op de problematiek van de minderjarige vindt de kinderrechter het echter niet passend om de minderjarige nu thuis te plaatsen. Er dient eerst duidelijkheid te zijn over de opvoedbehoeften van de minderjarige en de opvoedvaardigheden en persoonlijkheidsstructuur van de ouders. Tot er duidelijkheid is over het opvoedperspectief dient de minderjarige in het pleeggezin te blijven. De kinderrechter vindt het niet in het belang van de minderjarige, die al signalen van een verstoorde hechting laat zien, dat hij/zij bij (een van) de ouders wordt geplaatst en deze beslissing mogelijk later moet worden teruggedraaid.
Partij(en)
Rechtbank DEN HAAG
Team Jeugd- en Zorgrecht
Zaaksgegevens: C/09/620567 / JE RK 21-2683
Datum uitspraak: 14 januari 2022
Beschikking van de kinderrechter
Verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak naar aanleiding van het op 11 november 2021 ingekomen verzoekschrift van:
Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
betreffende:
[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2017 te [geboorteplaats]
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de man] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
bijgestaan door advocaat: mr. E.M. Buijs-van Bemmel te Krimpen aan den IJssel,
[de vrouw]
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
bijgestaan door advocaat: mr. E.W. van der Voet te Rotterdam.
[pleegouders] ,
hierna te noemen: de pleegouders.
Het procesverloop
Bij beschikking van 31 december 2021 heeft de kinderrechter in deze rechtbank de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd van 8 januari 2022 tot 18 januari 2022 en voor dezelfde duur machtiging verleend om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg. Het verzoek is voor het overige aangehouden tot de mondelinge behandeling ter zitting.
De kinderrechter heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder thans ook:
- voornoemde beschikking d.d. 31 december 2021;
- het verweerschrift van de zijde van de vader d.d. 13 januari 2021.
Op 14 januari 2022 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld. Daarbij zijn verschenen:
- mevrouw [vertegenwoordiger van de GI] namens de gecertificeerde instelling;
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat.
De pleegouders zijn, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.
Verzoek en verweer
Het verzoek strekt tot verlenging van de ondertoezichtstelling voor de periode van één jaar, alsmede tot verlenging van de machtiging uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van de ondertoezichtstelling.
De gecertificeerde instelling heeft het verzoek als volgt gemotiveerd. [minderjarige] verblijft sinds januari 2021 bij de pleegouders. Zij heeft veel meegemaakt in haar thuissituatie, waaronder de conflictueuze echtscheiding van de ouders. Er zijn zorgen over de hechtingsontwikkeling van [minderjarige] . Ook vertoont zij kindsignalen, zoals schrikkerige reacties en hyperalert gedrag. Inmiddels is bekend dat [minderjarige] kan starten met speltherapie om de dingen uit het verleden een plek te geven. De gecertificeerde heeft in februari 2021 een NIFP-onderzoek aangevraagd, zodat er een advies zou komen over onder meer het opvoedperspectief van [minderjarige] en de interactie tussen de ouders. Hoewel het NIFP in de zomer van 2021 zou starten met het onderzoek, is dat tot op heden niet gebeurd. Ter zitting heeft de gecertificeerde instelling toegelicht dat er in februari 2022 gestart gaat worden met het onderzoek. De gecertificeerde instelling acht dit onderzoek noodzakelijk voor het nemen van een beslissing over het opvoedperspectief van [minderjarige] . Het is niet in het belang van [minderjarige] dat ze nu thuis wordt geplaatst en later blijkt dat dit teruggedraaid moet worden. De gecertificeerde instelling verzoekt dan ook om de machtiging uithuisplaatsing te verlengen voor de periode van één jaar. Verder vindt de gecertificeerde instelling de betrokkenheid van een jeugdbeschermer noodzakelijk. Er zijn nog veel zorgen over [minderjarige] en het is belangrijk dat er een jeugdbeschermer is die toezicht houdt op de ontwikkeling van [minderjarige] en zorgt dat de juiste hulpverlening wordt ingezet. De gecertificeerde instelling merkt tevens op dat de vader en de moeder één keer in de twee weken omgang hebben met [minderjarige] . Daarbij zijn de bezoeken van de vader onbegeleid en van de moeder begeleid. In de weken dat er geen omgang plaatsvindt, is er een belmoment. In reactie op het betoog van de vader geeft de gecertificeerde instelling aan dat het op dit moment niet in het belang van [minderjarige] is om de omgang uit te breiden. De omgangsmomenten leveren veel stress op bij [minderjarige] , waarbij het enige tijd duurt voor zij weer zichzelf is na een bezoek. Ook voor de uitbreiding van de omgangsregeling wil de gecertificeerde instelling het NIFP-onderzoek afwachten, zodat er eerst duidelijkheid is over het opvoedperspectief van [minderjarige] .
Door en namens de vader is geen verweer gevoerd tegen de verlenging van de ondertoezichtstelling, maar wel tegen de verlenging van de machtiging uithuisplaatsing. De
vader verzoekt de kinderrechter primair om de machtiging tot uithuisplaatsing af te wijzen en te bepalen dat [minderjarige] aan de vader wordt toevertrouwd. Daartoe wordt door de vader aangevoerd dat hij het afgelopen jaar flinke stappen heeft gezet. De vader heeft behandeling gevolgd bij GGZ Rivierduinen en geeft aan hier veel baat bij te hebben gehad. Hij voelt zich stabiel, is weer fulltime aan het werk en heeft een ondersteunend netwerk om zich heen. De vader meent dan ook dat hij in staat is om de zorg voor [minderjarige] op zich te nemen en een stabiele en veilige basis voor haar te bieden. Subsidiair verzoekt de vader om de machtiging uithuisplaatsing voor vier maanden te verlengen en te bepalen dat de omgangsregeling wordt uitgebreid. De vader voert daartoe aan dat het onbegrijpelijk is dat het NIFP-onderzoek nog steeds niet gestart is. Hoewel de gecertificeerde instelling heeft aangegeven dat het onderzoek in februari kan starten, is niet duidelijk of er eerst onderzoek wordt gedaan naar de opvoedbehoeften van [minderjarige] of naar de opvoedvaardigheden en persoonlijkheidsstructuur van de ouders. Om druk op de ketel te zetten, dient de machtiging uithuisplaatsing niet langer dan vier maanden verlengd te worden. Verder verzoekt de vader om de omgangsregeling in duur en frequentie uit te breiden. De onbegeleide bezoeken verlopen goed en het is zaak dat [minderjarige] niet verder vervreemd raakt van de vader. In reactie op het betoog van de gecertificeerde instelling dat de omgang veel stress bij [minderjarige] bezorgt, geeft de vader aan dit ook veroorzaakt kan worden door het feit dat de bezoeken zo kort zijn.
Door en namens de moeder is geen verweer gevoerd tegen de verlenging van de ondertoezichtstelling, maar wel tegen de duur van de machtiging uithuisplaatsing. De moeder verzoekt om de machtiging uithuisplaatsing te verlengen voor vier maanden en het overige aan te houden. Daartoe is aangevoerd dat het belangrijk is om een vinger aan de pols te houden, aangezien een uithuisplaatsing niet langer mag duren dan strikt noodzakelijk is. Het NIFP-onderzoek heeft ontzettend lang op zich laten wachten. De moeder is het wel met de gecertificeerde instelling eens dat het NIFP-onderzoek eerst gestart moet worden, zodat duidelijk wordt wat [minderjarige] precies nodig heeft. Hoewel het onderzoek misschien nog niet is afgerond binnen vier maanden, kan dan al wel beslist worden dat het onderzoek vanuit de thuissituatie – eventueel met opvoedondersteuning – kan worden voortgezet. De moeder geeft verder aan dat zij [minderjarige] het liefst bij zich wil hebben, maar zij begrijpt dat de vader dezelfde wens heeft. Zij staat er dan ook voor open dat er mogelijk in de toekomst een co-ouderschapsregeling wordt opgesteld. Daarnaast wil de moeder benadrukken dat zij de afgelopen tijd een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt. De moeder beschikt inmiddels over een eigen woning, heeft een baan en voert gesprekken met een psycholoog. Ook is de moeder bij de GZZ geweest, maar die zagen geen aanknopingspunten om haar verder te behandelen. Ten aanzien van de omgangsmomenten met [minderjarige] merkt de moeder op dat het contact goed verloopt. Het feit dat de bezoeken begeleid zijn, doet niets af aan de kwaliteit van de omgang. De moeder zou [minderjarige] het liefst meer willen zien, maar zij ziet hoe zwaar de bezoeken voor [minderjarige] zijn en dat maakt het lastig.
Beoordeling
De kinderrechter is, gelet op hetgeen uit het dossier en ter zitting naar voren is gekomen, van oordeel dat de in artikel 1:255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek genoemde gronden voor ondertoezichtstelling nog aanwezig zijn en dat het noodzakelijk is de ondertoezichtstelling te verlengen als verzocht. Verder is de kinderrechter van oordeel dat de in artikel 1:265b, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek genoemde gronden voor een machtiging tot uithuisplaatsing nog aanwezig zijn.
De kinderrechter overweegt daartoe als volgt. Het is betreurenswaardig dat de start van het NIFP-onderzoek zo lang op zich laat wachten. Gelet op de problematiek van [minderjarige] vindt de kinderrechter het echter niet passend om [minderjarige] nu thuis te plaatsen. Er dient eerst duidelijkheid zijn over de opvoedbehoeften van [minderjarige] en de opvoedvaardigheden en persoonlijkheidsstructuur van de ouders. Tot er duidelijkheid is over het opvoedperspectief van [minderjarige] dient zij in het pleeggezin te blijven. Het is niet in het belang van [minderjarige] , die al signalen van een verstoorde hechting laat zien, dat zij bij (een van) de ouders wordt geplaatst en deze beslissing mogelijk later moet worden teruggedraaid. De kinderrechter zal het verzoek tot de verlenging van de machtiging uithuisplaatsing toewijzen voor de duur van zes maanden en voor het overige aanhouden. Binnen deze termijn komt er hopelijk duidelijkheid voor [minderjarige] en de ouders. Over zes maanden zal dan opnieuw naar de situatie van [minderjarige] worden gekeken. Ongeacht de uitkomst van het onderzoek, vindt de kinderrechter de betrokkenheid van de jeugdbeschermer noodzakelijk. Er zijn genoeg zorgen die rechtvaardigen dat er toezicht wordt gehouden op de ontwikkeling van [minderjarige] . De kinderrechter zal het verzoek tot de verlenging van de ondertoezichtstelling toewijzen voor de verzochte duur. De kinderrechter wil de gecertificeerde instelling wel meegeven dat er goed gekeken moet worden naar de huidige omgangsregeling en de mogelijke uitbreiding daarvan naar meer dan een halve dag per twee weken. Het is immers belangrijk dat de band tussen de [minderjarige] en de ouders intact blijft en dat deze zo stevig mogelijk is.
Daarom zal als volgt worden beslist.
Beslissing
De kinderrechter:
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] van 18 januari 2022 tot 8 januari 2023 met behoud van de Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland als gecertificeerde instelling die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling;
en
verlengt de aan Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland verleende machtiging om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg van 18 januari 2022 tot 8 juli 2022;
verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan tot een nader te bepalen zitting, gelegen vóór 8 juli 2022;
verzoekt de gecertificeerde instelling om uiterlijk twee weken voorafgaand aan voornoemde zitting een voortgangsverslag te overleggen en haar standpunt ten aanzien van het aangehouden deel van het verzoek kenbaar te maken;
gelast de griffier tegen voormelde zitting op te roepen:
- Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland;
- de vader;
- de advocaat van de vader: mr. E.M. Buijs-van Bemmel te Krimpen aan den IJssel;
- de moeder;
- de advocaat van de moeder: mr. E.W. van der Voet te Rotterdam;
- de pleegouders.
Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2022 door mr. M.F. Baaij, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. J.M. Dreef als griffier. | ||
De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 27 januari 2022. | ||
Voor zover in deze beschikking eindbeslissingen staan, kan hoger beroep tegen deze beschikking worden ingesteld: - door de verzoeker en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, - door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof Den Haag. | ||