HR, 07-10-2008, nr. 07/10836
ECLI:NL:HR:2008:BD6386
- Instantie
Hoge Raad (Strafkamer)
- Datum
07-10-2008
- Zaaknummer
07/10836
- LJN
BD6386
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:PHR:2008:BD6386, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 07‑10‑2008
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2008:BD6386
ECLI:NL:HR:2008:BD6386, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 07‑10‑2008; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2008:BD6386
Beroepschrift, Hoge Raad, 24‑10‑2007
- Vindplaatsen
Conclusie 07‑10‑2008
Inhoudsindicatie
Geklaagd wordt dat in de nadere bewijsoverweging in het bevestigde vonnis, houdende de gemotiveerde verwerping van een verweer, niet met voldoende duidelijkheid is vermeld aan welke bewijsmiddelen de daarin genoemde f&o zijn ontleend. HR verwijst naar conclusie AG die inhoudt dat verdachte geen belang heeft bij die klacht, nu verdachte dat verweer bij het Hof onmiskenbaar heeft laten varen.
Nr. 07/10836
Mr. Vellinga
Zitting: 24 juni 2008
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. Het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch heeft bevestigd het vonnis van de Rechtbank te Roermond waarbij verdachte wegens "opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 aanhef en onder C van de Opiumwet gegeven verbod" is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden waarvan zes voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.
2. Er bestaat samenhang tussen de zaken 07/10834 en 07/10836. In beide zaken zal ik vandaag concluderen.
3. Namens de verdachte hebben de mrs. G.P. Hamer en B.P. de Boer, advocaten te Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.
4. Het eerste middel bevat de klacht dat de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed, omdat het Hof zich in een nadere bewijsoverweging heeft beroepen op redengevende feiten en omstandigheden die niet uit de gebezigde bewijsmiddelen volgen en het Hof evenmin met voldoende mate van nauwkeurigheid heeft aangegeven aan welke wettige bewijsmiddelen het die feiten en omstandigheden heeft ontleend. Gelet op de toelichting hebben de stellers van het middel het oog op de overweging dat is komen vast te staan dat ook twee andere door verdachtes leverancier [medeverdachte 1] geleverde partijen drugs bij onderzoek amfetamine bleken te bevatten.
5. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
"hij op 03 september 2005, in de gemeente Den Helder opzettelijk aanwezig heeft gehad, 1 kilogram van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I".
6. Het bevestigde vonnis houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:
"7. Bewezenverklaring
(...)
De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting aangevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem ten laste gelegde nu [in] het dossier enig bewijs ontbreekt dat sprake was van amfetamine.
(...)
De rechtbank overweegt daaromtrent als volgt. Blijkens de verklaring van [medeverdachte 1] (klapper E pagina 3553) en verdachte (klapper E pagina 3560) in samenhang met de getapte telefoongesprekken op 3 september 2005 heeft verdachte op 3 september 2005 een partij drugs ontvangen van [medeverdachte 1]. [Medeverdachte 1] heeft met betrekking tot de herkomst van de aan verdachte geleverde drugs verklaard dat hij deze heeft ontvangen van zijn leverancier (klapper E pagina 3554). Voorts heeft [medeverdachte 1] verklaard dat hij de drugs altijd heeft afgenomen van dezelfde leverancier (klapper E pagina 3312).
Op 22 december 2005 is [medeverdachte 1] aangehouden met ongeveer 3 kilo aan drugs. Deze partij drugs was, volgens de verklaring van [medeverdachte 1], wederom geleverd door zijn leverancier (klapper E pagina 3440).
Het rapport van het NFI die de in beslag genomen partij drugs heeft onderzocht, heeft uitgewezen dat sprake was van amfetamine (klapper E pagina 3424).
Ook ten aanzien van twee andere door [medeverdachte 1] op bestelling geleverde en door de politie afgevangen partijen amfetamine is bij onderzoek komen vast te staan dat de door [medeverdachte 1] op bestelling geleverde amfetamine inderdaad amfetamine was.
Gelet op deze feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte op 3 september 2005 amfetamine aanwezig heeft gehad."
7. Ten aanzien van genoemde twee andere door [medeverdachte 1] op bestelling geleverde en door de politie afgevangen partijen amfetamine kan uit de bewijsmiddelen niet worden afgeleid dat bij onderzoek is komen vast te staan dat deze inderdaad amfetamine bevatten. Evenmin is duidelijk aan welk (niet in de aanvulling opgenomen) wettig bewijsmiddel het Hof dit gegeven heeft ontleend.(1) Daarmee voldoet de bewijsoverweging niet aan de in HR 23 oktober 2007, NJ 2008, 69 en 70, m.nt. Borgers nog eens geformuleerde eisen.
8. Tot cassatie behoeft dit echter niet te leiden. De bewijsmiddelen houden in verklaringen van [medeverdachte 1] (bewijsm. 1 en 2) inhoudende dat hij op verzoek van de verdachte amfetamine voor hem heeft besteld bij zijn vaste leverancier van amfetamine en de bestelde amfetamine aan de verdachte heeft geleverd, alsmede bewijsmiddelen inhoudende dat onder [medeverdachte 1] op 22 december 2005 plastic zakken werden aangetroffen, die bij onderzoeksporen amfetamine bleken te bevatten. Gelet op [medeverdachte 1]s aldus blijkende betrokkenheid bij en deskundigheid in de amfetaminehandel kan uit deze bewijsmiddelen zonder meer worden afgeleid dat de door [medeverdachte 1] aan de verdachte geleverde kilogram amfetamine bevatte.(2) De bewijsmiddelen kunnen dus zelfstandig het oordeel dragen dat het door [medeverdachte 1] aan de verdachte geleverde pakket amfetamine bevatte.
9. Voor het geval het voorgaande anders zou zijn, diene het volgende. De Rechtbank had de in het middel gewraakte bewijsoverweging opgenomen als antwoord op het in eerste aanleg gevoerde verweer dat het dossier geen bewijs bevat dat sprake was van amfetamine. Dit verweer is in hoger beroep niet opnieuw gevoerd. In de aan het proces-verbaal in hoger beroep gehechte kopie van de aldaar overgelegde pleitnota staat weliswaar getypt dat de eerste reden voor het hoger beroep "de bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit" is, waarna een uiteenzetting volgt waarom niet bewezenverklaard kan worden dat de bij de verdachte aangetroffen stof amfetamine bevatte, maar dit onderdeel van de pleitnota is doorgestreept. In het gedeelte dat het kopje "Strafmaat" draagt is doorgestreept dat de strafmaat "onder meer" reden vormde om hoger beroep in te stellen. Ik begrijp een en ander zo dat de strafmaat (bij nader inzien) de enige reden vormde om te appelleren en dat de verdediging er welbewust voor gekozen heeft om in hoger beroep niet opnieuw het verweer te voeren dat niet bewezen kon worden dat het om amfetamine ging. Dat strookt ook met de verklaring van de verdachte in hoger beroep, inhoudende dat hij bekent een hoeveelheid van 1 kilogram amfetamine aanwezig te hebben gehad. De verdachte heeft zijn verweer dus onmiskenbaar laten varen. Daarom valt niet in te zien welk belang hij heeft bij een klacht over een overweging houdende de gemotiveerde verwerping van dat verweer.
10. Het middel is tevergeefs voorgedragen.
11. Het tweede middel klaagt over de onbegrijpelijkheid van de strafmotivering. Na de opmerking in de toelichting dat het Hof hetgeen de verdediging naar voren had gebracht deels buiten beschouwing heeft gelaten vallen de stellers van het middel in het bijzonder over hetgeen het Hof overweegt over de zogenoemde oriëntatiepunten straftoemeting van het Landelijk Overleg van Voorzitters van de Strafsectoren van de Gerechtshoven en de Rechtbanken (LOVS).(3) Daarnaast wordt in de toelichting op het middel geklaagd dat het Hof enerzijds overweegt dat de verdachte bij een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden waarschijnlijk zijn bedrijf zal verliezen, terwijl het Hof anderzijds wel een gevangenisstraf met een onvoorwaardelijk deel van zes maanden oplegt.
12. Het bestreden arrest houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:
"Motivering op te leggen straf
Verdachte heeft op 3 september 2005 opzettelijk 1 kilogram amfetamine aanwezig gehad.
Verdachte is door de rechtbank voor dit feit veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, alsmede tot het verrichten van een werkstraf voor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis.
De raadsvrouw heeft aansluiting gezocht bij de eis van de advocaat-generaal, en heeft een taakstraf van lange duur in combinatie met een hogere doch voorwaardelijke gevangenisstraf met een lange proeftijd, bepleit. Dit op grond van de feiten dat verdachte niet eerder veroordeeld is voor Opiumwetdelicten, er geen kans op herhaling bestaat, verdachte direct opening van zaken heeft gegeven over zijn betrokkenheid bij het feit dat hem ten laste is gelegd en hij door een langdurige gevangenisstraf zijn bedrijf zal kwijtraken.
Het hof overweegt het volgende.
Volgens inmiddels in de strafrechtspleging ontwikkelde, als leidraad voor een consistent landelijk straftoemetingsbeleid dienende, oriëntatiepunten straftoemeting, zou voor het opzettelijk aanwezig hebben van 1 kilogram amfetamine een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden als passend kunnen worden beschouwd. Hierbij is rekening gehouden met:
- de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;
- de omstandigheid dat verdachte, aldus zijn verklaring ter terechtzitting in hoger beroep, de drugs wilde verkopen terwijl hard drugs als de onderhavige, eenmaal in handen van gebruikers, grote gevaren voor de gezondheid van die gebruikers opleveren en gebruikers hun verslaving vaak door diefstal of ander crimineel handelen trachten te bekostigen, waardoor aan de samenleving ernstige schade wordt berokkend.
De omstandigheid dat verdachte handelde puur uit financieel gewin is een omstandigheid die strafverhogend uitwerkt. Het hof zal echter geen hogere straf opleggen omdat verdachte niet eerder veroordeeld is voor een Opiumwetdelict, en het hof het aannemelijk acht dat het hier een eenmalige misstap van verdachte betreft.
In de persoonlijke omstandigheden dat verdachte niet eerder voor Opiumwetdelicten veroordeeld is, dat het hof de kans op herhaling eigenlijk niet aanwezig acht en dat verdachte bij een gevangenisstraf van 12 maanden waarschijnlijk zijn bedrijf zal verliezen, ziet het hof reden 6 maanden van de 12 maanden gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen, met een proeftijd."
13. Bij de bespreking van het middel dient te worden vooropgesteld dat de feitenrechter vrij is in de keuze van de straf en in de waardering van de factoren die hij daartoe van belang acht. Daartoe kunnen ook genoemde oriëntatiepunten behoren, ook al vormen deze geen recht in de zin van art. 79 Wet RO(4) en is de rechter er dus niet aan gebonden.(5) In cassatie kan niet worden onderzocht of de juiste straf is opgelegd en evenmin of de straf beantwoordt aan alle daarvoor in aanmerking komende factoren.(6)
14. Ter toelichting op de klacht over de verwijzing van het Hof naar genoemde oriëntatiepunten wordt gesteld dat het Hof zich ter motivering van de opgelegde straf vrijwel volledig beroept op de oriëntatiepunten voor de straftoemeting en dat de overwegingen van het Hof zo gelezen moeten worden dat niet kan worden volstaan met de door de Advocaat-Generaal geëiste straf (twaalf maanden voorwaardelijk plus een werkstraf) omdat de oriëntatiepunten nu eenmaal een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twaalf maanden voorschrijven.
15. De enkele omstandigheid dat bedoelde oriëntatiepunten geen recht in de zin van art. 79 Wet RO zijn en de rechter er dus niet aan gebonden is, brengt niet mee dat een verwijzing naar de inhoud van die oriëntatiepunten voor het oordeel over de begrijpelijkheid van de strafmotivering niet van belang is. De inhoud van die oriëntatiepunten is door de rechter kennelijk meegewogen bij de bepaling van de aard en de hoogte van de straf en draagt aldus bij aan de op haar begrijpelijkheid te beoordelen motivering van de straf.
16. In genoemde oriëntatiepunten staat bij art. 2, onder B, "Opiumwet dealen van harddrugs van uit een pand en/of op straat" vermeld: "De uitgangspunten kunnen met de nodige terughoudendheid ook worden gehanteerd voor gevallen waarin verkopen/afleveren/verstrekken niet tenlastegelegd of te bewijzen is, maar dealen wel aannemelijk is." In aanmerking genomen dat het Hof voorts overweegt dat bij de hantering van de oriëntatiepunten rekening is gehouden met "de omstandigheid dat verdachte, aldus zijn verklaring ter terechtzitting in hoger beroep, de drugs wilde verkopen terwijl hard drugs als de onderhavige, eenmaal in handen van gebruikers, grote gevaren voor de gezondheid van die gebruikers opleveren en gebruikers hun verslaving vaak door diefstal of ander crimineel handelen trachten te bekostigen, waardoor aan de samenleving ernstige schade wordt berokkend" maakt de verwijzing naar die oriëntatiepunten de strafmotivering niet onbegrijpelijk. Dat geldt ook voor de verwijzing naar "de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd" omdat deze kennelijk moet worden gelezen in verband met de daarna genoemde omstandigheid dat de verdachte voornemens was de bij hem aangetroffen drugs te verkopen.
17. Bij de bepaling van de straf heeft het Hof niet met zoveel woorden in aanmerking genomen de door de verdediging aangedragen omstandigheden dat het bewezenverklaarde feit er mede debet aan is geweest dat verdachtes huwelijk op de klippen is gelopen en dat de verdachte in detentie wellicht niet aan zijn vaste lasten - waarmee kennelijk mede werd gedoeld op zijn alimentatieverplichtingen - zou kunnen voldoen. In aanmerking genomen dat de feitenrechter vrij is in de keuze van de straf en in de waardering van de factoren die hij daartoe van belang acht, behoeft dit geen motivering.
18. In de toelichting op het middel wordt ten slotte wordt geklaagd dat onbegrijpelijk is dat het Hof overweegt dat bij een gevangenisstraf van twaalf maanden verdachtes bedrijf waarschijnlijk ter ziele zal gaan maar vervolgens wel een gevangenisstraf voor een onvoorwaardelijk deel van zes maanden oplegt. Kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft het Hof genoemde omstandigheden niet van wezenlijk belang geacht bij de bepaling van aard en duur van de opgelegde straf.
19. Kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft het Hof de kans dat verdachtes bedrijf bij een gevangenisstraf met een onvoorwaardelijk deel van zes maanden zou overleven groter geacht dan die kans zou zijn ingeval de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van een jaar zou zijn opgelegd. Daaraan doet niet af dat op grond van art. 15 lid 1 Sr het verschil in te verwachten werkelijk te ondergane straf twee maanden bedraagt. Hoe langer immers de verdachte in zijn bedrijf moet worden vervangen, hoe moeilijker het voor de verdachte zal zijn zijn bedrijf te behouden.
20. Het middel faalt.
21. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Het aan de Hoge Raad gezonden dossier bestaat uit tien dozen. Ik trof daarin twee mappen E aan (deel 1 en deel 2), welke doorgenummerd zijn van p. 1 t/m 1079 (met uitzondering van de pagina's E 131 tot en met E 200, hetgeen op p. 2, handelend over de opbouw van het dossier, uitdrukkelijk wordt vermeld). Het rapport van het NFI dat zich volgens de Rechtbank op p. 3424 van klapper E bevindt trof ik aan in klapper E, deel 2, p. 800 en 801. Dit rapport, door de Rechtbank deels gebezigd als bewijsmiddel 8, vermeldt niets over een ander onderzoek dan dat van de op 22 december 2005 inbeslaggenomen partij drugs.
2 Vgl. HR 15 november 2005, LJN AU3482 en HR 5 juni 2006, LJN AZ8803 t.a.v. de samenstelling van XTC-pillen.
3 Deze oriëntatiepunten worden gepubliceerd op de voor een ieder toegankelijke website www.rechtspraak.nl. De thans gepubliceerde versie van de oriëntatiepunten is bijgewerkt tot 2 januari 2008 en vermeldt bij ieder vastgesteld "LOVS-besluit" de datum van vaststelling (bijv. "art. 141, sr, openlijke geweldpleging (15-9-2000)"). Terzijde wijs ik op HR 6 november 2007, NJ 2007, 602, waarin de Hoge Raad overwoog dat het Hof niet gehouden was nader uiteen te zetten dat "het" (Hof) voor overtreding van art. 162, derde lid, van de Wegenverkeerswet in beginsel twee weken gevangenisstraf pleegt op te leggen. Anders dan in de onderhavige zaak had het Hof zich in die zaak niet beroepen op richtlijnen/oriëntatiepunten.
4 HR 3 december 2002, NJ 2003, 570.
5 Het LOVS mist iedere wettelijke grondslag c.q. status.
6 Van Dorst, Cassatie in strafzaken, 5e, p. 220.
Uitspraak 07‑10‑2008
Inhoudsindicatie
Geklaagd wordt dat in de nadere bewijsoverweging in het bevestigde vonnis, houdende de gemotiveerde verwerping van een verweer, niet met voldoende duidelijkheid is vermeld aan welke bewijsmiddelen de daarin genoemde f&o zijn ontleend. HR verwijst naar conclusie AG die inhoudt dat verdachte geen belang heeft bij die klacht, nu verdachte dat verweer bij het Hof onmiskenbaar heeft laten varen.
7 oktober 2008
Strafkamer
nr. 07/10836
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 13 juni 2007, nummer 20/003392-06, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep bevestigd een vonnis van de Rechtbank te Roermond van 1 september 2006, waarbij de verdachte ter zake van "opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 aanhef en onder C van de Opiumwet gegeven verbod" is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben mr. G.P. Hamer en mr. B.P. de Boer, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het eerste middel
3.1. Het middel komt op tegen de nadere bewijsoverweging waarin een omstandigheid is genoemd die niet in de bewijsmiddelen is opgenomen en waarvan de herkomst in de overwegingen evenmin voldoende nauwkeurig is aangegeven.
3.2. Het middel kan niet tot cassatie leiden aangezien de verdachte belang mist bij zijn klacht op de grond die is vermeld in de aan dit arrest gehechte conclusie van de Advocaat-Generaal onder 9.
4. Beoordeling van het tweede middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
5. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J.M. Corstens als voorzitter, en de raadsheren W.A.M. van Schendel en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.J. Verhoeven, en uitgesproken op 7 oktober 2008.
Beroepschrift 24‑10‑2007
De Hoge Raad der Nederlanden
te 's‑Gravenhage
griffienummer: S 07/10836
SCHRIFTUUR IN CASSATIE
Datum betekening: 25 september 2007
Geacht College,
Ondergetekenden,
mr G.P. Hamer en mr B.P. de Boer, advocaten te Amsterdam,
kantoorhoudende te Amsterdam aan het Van der Helstplein 3, Cleerdin & Hamer Advocaten, (Postbus 51143, 1007 EC),
die in deze zaak bijzonderlijk gevolmachtigd zijn door rekwirant in cassatie:
de heer [rekwirant],
geboren op [geboortedatum] 1966 te [geboorteplaats],
wonende op het adres [adres] te [woonplaats],
hebben hierbij de eer aan uw College te doen toekomen een schriftuur in cassatie ten vervolge op het tijdig ingestelde beroep in cassatie tegen het arrest, alsmede de tussenuitspraken van het Gerechtshof te 's‑Hertogenbosch, gewezen tegen rekwirant in de zaak met parketnummer 20/003392-06.
In deze zaak heeft het Gerechtshof te 's‑Hertogenbosch, bij arrest van 13 juni 2007, rekwirant ter zake van overtreding van art. 2 aanhef en onder C Opiumwet een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, opgelegd.
Rekwirant voert de navolgende middelen van cassatie aan:
I. Schending van art. 2 aanhef en onder C Opiumwet en/of de artt. 350, 358, 359 en 415 Sv, althans en in elk geval schending en/of onjuiste toepassing van het recht en/of verzuim van vormen
Meer in het bijzonder is de bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen omkleed, nu het Hof zich (middels de bevestiging van het vonnis van de rechtbank) in een aan het feit gewijde nadere bewijsoverweging beroept op bepaalde (redengevende) feiten en omstandigheden die niet uit de gebezigde bewijsmiddelen volgen, terwijl in die nadere bewijsoverweging ook niet met voldoende mate van nauwkeurigheid is aangegeven aan welke wettige bewijsmiddelen die feiten en omstandigheden wel zouden kunnen worden ontleend.
Toelichting
Het Hof heeft, behoudens de motivering van de opgelegde straf, het vonnis van de rechtbank bevestigd en overwogen dat het Hof zich verenigt met dat vonnis en de redengeving waarop dit berust. Daaruit volgt dat het Hof voor wat betreft de motivering van de bewezenverklaring de daaraan door de rechtbank, naar aanleiding van hetgeen namens rekwirant in eerste aanleg naar voren was gebracht, gewijde nadere bewijsoverweging eveneens heeft overgenomen en de bewezenverklaring mede daarop heeft gebaseerd. In de genoemde bewijsoverweging heeft de rechtbank overwogen:
‘De raadsman verdachte heeft ter terechtzitting aangevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem ten laste gelegde nu het dossier enig bewijs ontbreekt dat sprake was van amfetamine.
De rechtbank overweegt daaromtrent als volgt. Blijkens de verklaring van [medeverdachte 1] (klapper E pagina 3553) en verdachte (klapper E pagina 3560) in samenhang met de getapte telefoongesprekken op 3 september 2005 heeft verdachte op 3 september 2005 een partij drugs ontvangen van [medeverdachte 1]. [medeverdachte 1] heeft met betrekking tot de herkomst van de aan verdachte geleverde drugs verklaard dat hij deze heeft ontvangen van zijn leverancier (klapper E pagina 3554). Voorts heeft [medeverdachte 1] verklaard dat hij de drugs altijd heeft afgenomen van dezelfde leverancier (klapper E pagina 3312).
Op 22 december 2005 is [medeverdachte 1] aangehouden met ongeveer 3 kilo aan drugs. Deze partij drugs was, volgens de verklaring van [medeverdachte 1], wederom geleverd door zijn leverancier (klapper E pagina 3440).
Het rapport van het NFI die de in beslag genomen partij drugs heeft onderzocht, heeft uitgewezen dat sprake was van amfetamine (klapper E pagina 3424).
Ook ten aanzien van twee andere door [medeverdachte 1] op bestelling geleverde en door de politie afgevangen partijen amfetamine is bij onderzoek komen vast te staan dat de door [medeverdachte 1] op bestelling geleverde amfetamine inderdaad amfetamine was.
Gelet op deze feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte op 3 september 2005 amfetamine aanwezig heeft gehad.’
Indien het gaat om (redengevende) feiten of omstandigheden die door de rechter redengevend worden geacht voor de bewezenverklaring, dient de rechter die zich aldus — al dan niet in reactie op een bewijsverweer — beroept op bepaalde niet in de bewijsmiddelen vermelde gegevens, met voldoende mate van nauwkeurigheid in zijn overweging
- (a)
die feiten of omstandigheden aan te duiden, en
- (b)
het wettige bewijsmiddel aan te geven waaraan die feiten of omstandigheden zijn ontleend
.
Daarnaast geldt dat ingeval het feiten of omstandigheden betreft die zijn vervat in processen-verbaal, verslagen van deskundigen of andere schriftelijke bescheiden, die stukken ter terechtzitting dienen te zijn voorgelezen of daarvan aldaar de korte inhoud moet zijn medegedeeld
(vgl. HR 24 juni 2003, NJ 2004, 165, HR 5 december 2006, LJN AZ0662, HR 6 februari 2007, LJN AZ 4752, HR 11 september 2007, NJ 2007, 494 en HR 23 oktober 2007, LJN BA5858).
Het Hof heeft door bevestiging van het vonnis in navolging van de rechtbank verzuimd in de hiervoor weergegeven overweging met voldoende mate van nauwkeurigheid de bewijsmiddelen aan te geven waaraan is ontleend dat ‘ook ten aanzien van twee andere door [medeverdachte 1] op bestelling geleverde en door de politie afgevangen partijen amfetamine bij onderzoek is komen vast te staan dat de door [medeverdachte 1] op bestelling geleverde amfetamine inderdaad amfetamine was.’
Dit klemt te meer nu juist ook dit deel van de nadere bewijsoverweging van groot belang is om te kunnen concluderen dat de partij vermeende drugs zoals die door rekwirant in ontvangst is genomen — maar welke partij nooit in beslag genomen is — daadwerkelijk amfetamine betrof of in ieder geval amfetamine bevatte.
De nadere bewijsoverweging van het Hof voldoet gelet op het hiervoor overwogene niet aan de daaraan op grond van HR 24 juni 2003, NJ 2004, 165 te stellen eisen. De bewezenverklaring is niet naar de eis der wet met redenen omkleed. Daaraan doet niet af dat er in hoger beroep geen verweer is gevoerd op dit punt nu nadere bewijsoverwegingen als hier aan de orde moeten voldoen aan de eisen zoals die hierboven en in laatstgenoemd arrest zijn geformuleerd, of die bewijsoverwegingen nu zijn gegeven naar aanleiding van een verweer of niet.
Nu een deugdelijke motivering, zeker ook op dit punt, van wezenlijk belang is, leidt het eerder geconstateerde gebrek in de verantwoording van de nadere bewijsoverweging tot nietigheid van het arrest van het Hof (zie annotatie Reijntjes bij eerder genoemd arrest, waarin hij verwijst naar HR 24 oktober 1932, NJ 1933 p.13 en HR 12 december 1961, NJ 1962. 85, hetgeen is bevestigd door uw College in HR 5 december 2006, LJN AZ0662, HR 6 februari 2007, LJN AZ 4752 en HR 11 september 2007, NJ 2007, 494). Het arrest van het Hof kan daarom niet in stand blijven.
II. Schending van de artt. 359 lid 5 en lid 6 en 415 Sv, althans en in elk geval schending en/of onjuiste toepassing van het recht en/of verzuim van vormen
Meer in het bijzonder heeft het Hof ten onrechte nagelaten voldoende (begrijpelijk) te responderen op het in hoger beroep gevoerde strafmaatverweer, althans is de motivering van de aan rekwirant opgelegde (deels vrijheidsbenemende) straf onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd gelet op de eis van de advocaat-generaal, hetgeen door de verdediging was aangevoerd, maar ook gelet op hetgeen het Hof ter motivering van de opgelegde straf heeft overwogen, waarbij met name de verwijzing naar de ‘oriëntatiepunten straftoemeting’ en de overweging betreffende de mogelijkheid dat rekwirant zijn bedrijf verliest zonder nadere toelichting niet begrijpelijk zijn. De strafmotivering in het arrest geeft daardoor niet voldoende (begrijpelijk) de redenen op die de keuze voor de aan rekwirant opgelegde vrijheidsstraf hebben bepaald en daardoor lijdt het arrest van het Hof aan nietigheid.
Toelichting
Art. 359 lid 6 Sv, welk artikel blijkens art. 415 Sv ook in hoger beroep van toepassing is, bepaalt dat het arrest van het Hof in het bijzonder de redenen opgeeft die tot de keuze voor een vrijheidsbenemende straf of maatregel hebben geleid. Daarnaast moet de rechter op grond van dat artikellid zoveel mogelijk de omstandigheden aangeven waarop bij de vaststelling van de duur van de vrijheidsbenemende straf of maatregel is gelet. Lid 5 van art. 359 Sv bevat een meer algemene motiveringseis met betrekking tot welke strafsoort dan ook.
In de onderhavige zaak heeft het Hof ter motivering van de aan rekwirant opgelegde straf het navolgende overwogen:
‘Motivering op te leggen straf
Verdachte heeft op 3 september 2005 opzettelijk 1 kilogram amfetamine aanwezig gehad. Verdachte is door de rechtbank voor dit feit veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, alsmede tot het verrichten van een werkstraf voor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis.
De raadsvrouw heeft aansluiting gezocht bij de eis van de advocaat-generaal, en heeft een taakstraf van lange duur in combinatie met een hogere doch voorwaardelijke gevangenisstraf met een lange proeftijd, bepleit. Dit op grond van de feiten dat verdachte niet eerder veroordeeld is voor Opiumwetdelicten, er geen kans op herhaling bestaat, verdachte direct opening van zaken heeft gegeven over zijn betrokkenheid bij het feit dat hem ten laste is gelegd en hij door een langdurige gevangenisstraf zijn bedrijf zal kwijtraken.
Het hof overweegt het volgende.
Volgens inmiddels in de strafrechtspleging ontwikkelde, als leidraad voor een consistent landelijk straftoemetingsbeleid dienende, oriëntatiepunten straftoemeting, zou voor het opzettelijk aanwezig hebben van 1 kilogram amfetamine een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden als passend kunnen worden beschouwd. Hierbij is rekening gehouden met:
de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;
de omstandigheid dat verdachte, aldus zijn verklaring ter terechtzitting in hoger beroep, de drugs wilde verkopen terwijl hard drugs als de onderhavige, eenmaal in handen van gebruikers, grote gevaren voor de gezondheid van die gebruikers opleveren en gebruikers hun verslaving vaak door diefstal of ander crimineel handelen trachten te bekostigen, waardoor aan de samenleving ernstige schade wordt berokkend.
De omstandigheid dat verdachte handelde puur uit financieel gewin is een omstandigheid die strafverhogend uitwerkt. Het hof zal echter geen hogere straf opleggen omdat verdachte niet eerder veroordeeld is voor een Opiumwetdelict, en het hof het aannemelijk acht dat het hier een eenmalige misstap van verdachte betreft.
In de persoonlijke omstandigheden dat verdachte niet eerder voor Opiumwetdelicten veroordeeld is, dat het hof de kans op herhaling eigenlijk niet aanwezig acht en dat verdachte bij een gevangenisstraf van 12 maanden waarschijnlijk zijn bedrijf zal verliezen, ziet het hof reden 6 maanden van de 12 maanden gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen, met een proeftijd.’
Wat opvalt aan de strafmotivering zoals die door het Hof is gegeven is allereerst dat het Hof hetgeen door en namens rekwirant was aangevoerd deels buiten beschouwing laat. Het gaat dan om de omstandigheid dat het onderhavige strafbare feit er uiteindelijk (mede) debet aan is dat het huwelijk van rekwirant op de klippen is gelopen. Ook worden er door het Hof geen woorden vuil gemaakt aan de door rekwirant genoemde alimentatieverplichtingen als gevolg van eerder genoemde echtscheiding en de mogelijkheden daaraan te voldoen tijdens detentie.
Belangrijker is echter dat het Hof zich ter motivering van de (niet door de advocaat-generaal geëiste) deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf klaarblijkelijk vrijwel volledig beroept op de zogenaamde ‘oriëntatiepunten straftoemeting’ zoals die zijn ontwikkeld door het Landelijk Overleg van Voorzitters van de Strafsectoren van de Gerechtshoven en de Rechtbanken (LOVS). Deze oriëntatiepunten zijn onder meer gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.
De overwegingen van het Hof moeten kennelijk zo worden gelezen dat niet kan worden volstaan met de door de advocaat-generaal geëiste straf (te weten een combinatie van een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van 12 maanden in combinatie met de maximale werkstraf) omdat de genoemde oriëntatiepunten nu eenmaal een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden ‘voorschrijven’. Gelet daarop acht het Hof een straf van 12 maanden waarvan slechts 6 maanden voorwaardelijk aangewezen, ook al gaat het Hof ervan uit dat het onderhavige delict een eenmalige misstap van rekwirant betreft en er geen recidivegevaar aanwezig is.
De oriëntatiepunten waarop het Hof zich beroept (de versie zoals die op dit moment is gepubliceerd op rechtspraak.nl dateert van maart 2007) behelzen echter in het geheel geen richtlijnen met betrekking tot het opzettelijk aanwezig hebben van harddrugs. Wel staan daarin richtlijnen met betrekking tot overtreding van art. 2 aanhef en onder A van de Opiumwet, te weten betreffende de in- of uitvoer van middelen die vermeld staan op lijst I. Die richtlijnen houden inderdaad in dat voor een ‘standaard verdachte’ een straf van 12 maanden (onvoorwaardelijk) gevangenisstraf gangbaar is. Het gaat daar dan echter om een strafbaar feit waarop een maximale gevangenisstraf staat die tweemaal zo hoog is als de straf die kan worden opgelegd voor het enkele opzettelijk aanwezig hebben, het delict waarvoor rekwirant is veroordeeld. Daar waar art. 10 lid 3 Opiumwet het opzettelijk aanwezig hebben van harddrugs bedreigt met een gevangenisstraf van ten hoogste 6 jaren, wordt blijkens art. 10 lid 5 Opiumwet ter zake de in- of uitvoer van dergelijke verdovende middelen een gevangenisstraf van ten hoogste 12 jaren opgelegd. Dat maakt nogal een verschil. Als dan ook nog eens wordt bezien dat het Hof expliciet overweegt dat er bij de 12 maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf die passend zou zijn voor het feit waarvoor rekwirant is veroordeeld mede rekening is gehouden met de ernst van het bewezenverklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het daarop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, moet worden geconcludeerd dat het Hof bij het bepalen van de aan rekwirant op te leggen straf er kennelijk ten onrechte van is uitgegaan dat de door de oriëntatiepunten straftoemeting gegeven richtlijnen (mede) zien op het enkele opzettelijk aanwezig hebben van verdovende middelen. Het Hof is dan ook bij het bepalen van de aan rekwirant op te leggen straf uitgegaan van niet-toepasselijke richtlijnen, terwijl het Hof die richtlijnen kennelijk voor de strafoplegging en de motivering daarvan van doorslaggevend belang heeft geacht. Dat maakt dat de aan rekwirant opgelegde straf niet voldoende begrijpelijk is gemotiveerd, zoals dat bijvoorbeeld ook het geval is daar waar de rechter zich beroept op eerdere veroordelingen die niet blijken uit de documentatie van de verdachte. Ook hier is het Hof immers uitgegaan van een verkeerde veronderstelling en heeft het Hof mede op basis van die verkeerde veronderstelling gekozen voor een deels onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf.
Tot slot is de strafmotivering zonder nadere motivering niet begrijpelijk voor zover het de overweging van het Hof betreft dat rekwirant bij een (onvoorwaardelijke) gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden waarschijnlijk zijn bedrijf zal verliezen, maar dat dat naar het oordeel van het Hof kennelijk bij een onvoorwaardelijk strafdeel van 6 maanden niet het geval is.
Blijkens het proces-verbaal terechtzitting d.d. 30 mei 2007 heeft rekwirant ter zake zijn persoonlijke omstandigheden onder meer aangevoerd een eigen bedrijf te hebben. Zijn bedrijf is gespecialiseerd in het stofferen, het leggen van tapijt en het ophangen van gordijnen. Hoewel hij laatstelijk 7 mensen heeft moeten ontslaan gaat het inmiddels beter met zijn bedrijf, zo stelde hij. Zijn bedrijf telt 8 personeelsleden. Rekwirant's raadsvrouwe heeft expliciet aangegeven dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf tot gevolg zal hebben dat rekwirant zijn goed lopende bedrijf kwijt zal raken.
Dat laatste heeft het Hof kennelijk aannemelijk geacht, in ieder geval indien aan rekwirant een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden zou worden opgelegd (zoals richtlijnen volgens het Hof voorschrijven). Waarom het Hof van oordeel is dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden niet hetzelfde gevolg heeft, is zonder nadere toelichting niet begrijpelijk. Gelet op de regeling van de vervroegde invrijheidsstelling zoals die kan worden afgeleid uit art. 15 Sr is het ‘netto’ verschil tussen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 12 maanden en een onvoorwaardelijke straf van 6 maanden immers maar 2 maanden. Iemand die een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden heeft opgelegd gekregen wordt normaal gesproken na 8 maanden in vrijheid gesteld. Zo bezien heeft het Hof dus aannemelijk geacht dat rekwirant bij een 8 maanden durende detentie zijn bedrijf zal verliezen en heeft het Hof daarom afgezien van de oplegging van onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, maar zag het Hof wel reden om rekwirant voor de duur van 6 maanden te laten opsluiten. Als je ervan uit gaan dat rekwirant bij een 8 maanden durende detentie zijn bedrijf zal verliezen, dan moet er toch van worden uitgegaan dat zijn bedrijf bij een 6 maanden durende detentie toch op zijn minst op sterven na dood is. Zonder nadere toelichting valt in ieder geval niet in te zien welk cruciaal verschil die 2 maanden minder maken voor de mogelijkheden voor rekwirant zijn nu nog goed lopende bedrijf met 7 personeelsleden te behouden. Ook hierom is de strafmotivering van het Hof onvoldoende begrijpelijk.
De strafmotivering in de onderhavige zaak voldoet niet aan de daaraan op grond van art. 359 lid 5 en lid 6 Sv te stellen eisen en blijkens art. 359 lid 8 Sv is dat verzuim met nietigheid bedreigd. Het arrest van het Hof kan dan ook niet in stand blijven.
Het is op bovengenoemde gronden dat rekwirant uw College eerbiedig verzoekt om het arrest zoals op 13 juni 2007 gewezen door het Gerechtshof te 's‑Hertogenbosch te vernietigen en de zaak te verwijzen naar een ander Hof, althans een zodanige uitspraak te doen als uw College juist en noodzakelijk voorkomt.
De bijzonderlijk gevolmachtigden,
mr G.P. Hamer
mr B.P. de Boer
Amsterdam, 24 oktober 2007