Procestaal: Hongaars.
HvJ EU, 06-03-2025, nr. C-211/24
ECLI:EU:C:2025:648
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
06-03-2025
- Magistraten
C. Lycourgos, S. Rodin, N. Piçarra, O. Spineanu-Matei, N. Fenger
- Zaaknummer
C-211/24
- Conclusie
M. Szpunar
- Roepnaam
LEGO (Notion d’utilisateur averti d’un dessin ou modèle)
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2025:648, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 04‑09‑2025
ECLI:EU:C:2025:153, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie, 06‑03‑2025
Uitspraak 04‑09‑2025
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Gemeenschapsmodel — Verordening (EG) nr. 6/2002 — Artikel 8, lid 3 — Model dat tot doel heeft binnen een modulair systeem de meervoudige samenvoeging of verbinding van onderling verwisselbare voortbrengselen mogelijk te maken — Draagwijdte van de door een dergelijk model verleende bescherming — Artikel 10 — Begrip ‘geïnformeerde gebruiker’ — Artikel 89, lid 1 — Sancties ter zake van inbreuken — Bijzondere redenen waarom de nationale rechter de in die bepaling genoemde maatregelen niet hoeft te gelasten — Inbreuk op onderdelen van een bouwspel die kwantitatief weinig talrijk zijn in verhouding tot het totale aantal onderdelen van dit spel
C. Lycourgos, S. Rodin, N. Piçarra, O. Spineanu-Matei, N. Fenger
Partij(en)
In zaak C-211/24,*
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Fővárosi Törvényszék (rechter in eerste aanleg Boedapest, Hongarije) bij beslissing van 5 maart 2024, ingekomen bij het Hof op 18 maart 2024, in de procedure
LEGO A/S
tegen
Pozitív Energiaforrás Kft.,
wijst
HET HOF (Derde kamer),
samengesteld als volgt: C. Lycourgos, kamerpresident, S. Rodin, N. Piçarra, O. Spineanu-Matei (rapporteur) en N. Fenger, rechters,
advocaat-generaal: M. Szpunar,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
- —
LEGO A/S, vertegenwoordigd door Á. György, P. Lukácsi, K. Szamosi, ügyvédek, V. von Bomhard en L. von Gerlach, Rechtsanwälte,
- —
Pozitív Energiaforrás Kft., vertegenwoordigd door A. Lendvai, ügyvéd,
- —
de Hongaarse regering, vertegenwoordigd door M. Z. Fehér en R. Kissné Berta als gemachtigden,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door P. Němečková en A. Tokár als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 6 maart 2025,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 8, lid 3, artikel 10 en artikel 89, lid 1, van verordening (EG) nr. 6/2002 van de Raad van 12 december 2001 betreffende Gemeenschapsmodellen (PB 2002, L 3, blz. 1).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen LEGO A/S (hierna: ‘Lego’) en Pozitív Energiaforrás Kft. over een vermeende inbreuk door laatstgenoemde op twee Gemeenschapsmodellen waarvan Lego de houder is.
Toepasselijke bepalingen
3
Verordening nr. 6/2002 is gewijzigd bij verordening (EU) 2024/2822 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2024 (PB L, 2024/2822). Gelet op de datum van de aan het hoofdgeding ten grondslag liggende feiten, moet de onderhavige prejudiciële verwijzing evenwel worden onderzocht in het licht van de oorspronkelijke versie van verordening nr. 6/2002.
4
De overwegingen 7, 10, 11 en 14 van verordening nr. 6/2002 luiden als volgt:
- ‘(7)
Een betere bescherming van industriële vormgeving bevordert niet alleen de bijdrage van individuele ontwerpers aan de vooraanstaande rol van de Gemeenschap op dit gebied, maar moedigt […] ook innovatie, ontwikkeling van nieuwe voortbrengselen en investering in de productie ervan aan.
[…]
- (10)
De technologische innovatie mag niet worden gehinderd door modelbescherming te bieden aan kenmerken die uitsluitend door een technische functie worden bepaald. Hieruit mag niet worden afgeleid dat een model esthetische waarde moet bezitten. Evenmin mag de interoperabiliteit van voortbrengselen van verschillend fabricaat […] worden gehinderd door de bescherming uit te breiden tot de vormgeving van mechanische samenvoegingen of verbindingen. Bijgevolg mag met kenmerken van een model die om deze redenen van bescherming worden uitgesloten, geen rekening worden gehouden bij het beoordelen of andere kenmerken van het model aan de voorwaarden voor bescherming voldoen.
- (11)
Voorzieningen voor mechanische samenvoeging of verbinding bij modulaire voortbrengselen kunnen daarentegen een belangrijk aspect van het innoverend karakter van die voortbrengselen en een belangrijk verkoopargument vormen en moeten bijgevolg voor bescherming in aanmerking kunnen komen.
[…]
- (14)
Het criterium voor de beoordeling van het eigen karakter van een model moet het duidelijke verschil zijn tussen de algemene indruk die wordt gewekt bij een geïnformeerde gebruiker die het model bekijkt, en die welke bij hem wordt gewekt door het vormgevingserfgoed, met inachtneming van de aard van het voortbrengsel waarop het model wordt toegepast of waarin het is verwerkt en in het bijzonder van de bedrijfstak waarmee het verbonden is en de mate van vrijheid van de ontwerper bij de ontwikkeling van het model.’
5
Artikel 3 van deze verordening, met als opschrift ‘Definities’, luidt:
‘In deze verordening wordt verstaan onder:
- a)
‘model’: de verschijningsvorm van een voortbrengsel of een deel ervan, die wordt afgeleid uit de kenmerken van met name de lijnen, de omtrek, de kleuren, de vorm, de textuur en/of de materialen van het voortbrengsel zelf en/of de versiering ervan;
- b)
‘voortbrengsel’: elk op industriële of ambachtelijke wijze vervaardigd voorwerp, met inbegrip van onder meer onderdelen die zijn bestemd om tot een samengesteld voortbrengsel te worden samengevoegd, verpakkingen, uitvoering, grafische symbolen en typografische lettertypen, doch niet computerprogramma's;
- c)
‘samengesteld voortbrengsel’: een voortbrengsel dat bestaat uit meerdere onderdelen die vervangen kunnen worden, zodat het voortbrengsel uit elkaar gehaald en weer in elkaar gezet kan worden.’
6
Artikel 4, lid 1, van deze verordening bepaalt:
‘Een model wordt als Gemeenschapsmodel beschermd voor zover het nieuw is en een eigen karakter heeft.’
7
Artikel 5 (‘Nieuwheid’) van deze verordening luidt als volgt:
- ‘1.
Een model wordt als nieuw beschouwd, indien geen identiek model voor het publiek beschikbaar is gesteld:
- a)
bij een niet-ingeschreven Gemeenschapsmodel, vóór de datum waarop het model waarvoor bescherming wordt aangevraagd voor het eerst voor het publiek beschikbaar is gesteld;
- b)
bij een ingeschreven Gemeenschapsmodel, vóór de datum van indiening van de aanvrage om inschrijving van het model waarvoor bescherming wordt gevraagd of, wanneer aanspraak op voorrang wordt gemaakt, vóór de datum van voorrang.
- 2.
Modellen worden geacht identiek te zijn, indien de kenmerken ervan slechts in onbelangrijke details verschillen.’
8
In artikel 6 van verordening nr. 6/2002 met als opschrift ‘Eigen karakter’, is bepaald:
- ‘1.
Een model wordt geacht een eigen karakter te hebben, indien de algemene indruk die het bij de geïnformeerde gebruiker wekt, verschilt van de algemene indruk die bij die gebruiker wordt gewekt door modellen die voor het publiek beschikbaar zijn gesteld:
- a)
bij een niet-ingeschreven Gemeenschapsmodel, vóór de datum waarop het model waarvoor bescherming wordt aangevraagd voor het eerst voor het publiek beschikbaar is gesteld;
- b)
bij een ingeschreven Gemeenschapsmodel, vóór de datum van indiening van de aanvrage om inschrijving of, wanneer aanspraak op voorrang wordt gemaakt, vóór de datum van voorrang.
- 2.
Bij de beoordeling van het eigen karakter wordt rekening gehouden met de mate van vrijheid van de ontwerper bij de ontwikkeling van het model.’
9
Artikel 8 van deze verordening heeft als opschrift ‘Modellen die bepaald zijn door hun technische functie en modellen van verbindingen’ en is als volgt geformuleerd:
- ‘1.
Een recht op een Gemeenschapsmodel geldt niet voor de uiterlijke kenmerken van een voortbrengsel die uitsluitend door de technische functie worden bepaald.
- 2.
Een Gemeenschapsmodel geldt niet voor de uiterlijke kenmerken van een voortbrengsel die noodzakelijkerwijs in precies dezelfde vorm en afmetingen gereproduceerd moeten worden om het voortbrengsel waarin het model verwerkt is of waarop het toegepast is, mechanisch met een ander voortbrengsel te kunnen verbinden of om het in, rond of tegen een ander voortbrengsel te kunnen plaatsen, zodat elk van beide voortbrengselen zijn functie kan vervullen.
- 3.
In afwijking van lid 2 kan een model dat tot doel heeft binnen een modulair systeem de meervoudige samenvoeging of verbinding van onderling verwisselbare voortbrengselen mogelijk te maken, onder de in de artikelen 5 en 6 gestelde voorwaarden als Gemeenschapsmodel worden beschermd.’
10
Artikel 10 van die verordening, met als opschrift ‘Draagwijdte van de bescherming’, luidt:
- ‘1.
De door een Gemeenschapsmodel verleende bescherming omvat elk model dat bij de geïnformeerde gebruiker geen andere algemene indruk wekt.
- 2.
Bij het beoordelen van de draagwijdte van de bescherming wordt rekening gehouden met de mate van vrijheid van de ontwerper bij de ontwikkeling van het model.’
11
Artikel 19 van deze verordening draagt het opschrift ‘Aan het Gemeenschapsmodel verbonden rechten’ en bepaalt in lid 1:
‘Een ingeschreven Gemeenschapsmodel verleent aan de houder ervan het uitsluitende recht om het te gebruiken en om derden aan wie hij daartoe geen toestemming heeft gegeven, te beletten het te gebruiken. Onder dit gebruik wordt met name verstaan het vervaardigen, aanbieden, in de handel brengen, invoeren, uitvoeren of gebruiken van een voortbrengsel waarin het model is verwerkt of waarop het is toegepast, alsmede het voor deze doeleinden in voorraad hebben van dat voortbrengsel.’
12
Artikel 89 van verordening nr. 6/2002, met het opschrift ‘Sancties terzake van inbreuken’, is als volgt verwoord:
- ‘1.
Wanneer een rechtbank voor het Gemeenschapsmodel in een procedure betreffende een inbreuk of dreigende inbreuk van oordeel is dat de gedaagde inbreuk op een Gemeenschapsmodel heeft gemaakt of heeft gedreigd te maken, gelast zij, tenzij er bijzondere redenen zijn om dit niet te doen, de volgende maatregelen:
- a)
een verbod aan de gedaagde de handelingen te verrichten die inbreuk hebben gemaakt of zouden maken op het Gemeenschapsmodel;
- b)
inbeslagname van de inbreukmakende voortbrengselen;
- c)
inbeslagname van de materialen en gereedschappen die voornamelijk worden gebruikt voor de vervaardiging van de inbreukmakende voortbrengselen, indien de eigenaar ervan op de hoogte is van het doel waarvoor deze materialen en gereedschappen worden gebruikt of indien dit doel duidelijk uit de omstandigheden blijkt;
- d)
oplegging van andere passende sancties waarin wordt voorzien in het recht, met inbegrip van het internationaal privaatrecht, van de lidstaat waar de handelingen die inbreuk maken of dreigen te maken, zijn verricht.
- 2.
De rechtbank voor het Gemeenschapsmodel treft tevens maatregelen overeenkomstig het nationale recht om de in de lid 1 genoemde bevelen te doen naleven.’
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
13
Lego is de houder van met voorrangsdatum 22 november 2011 ingeschreven gemeenschapsmodel nr. 001950981-0001, dat betrekking heeft op een verbindingsonderdeel voor een bouwspel. Dit verbindingsonderdeel bestaat uit een naaf met verdiepte rand en twee kruisassen die loodrecht ten opzichte van elkaar op de naaf staan, waarbij de assen met de naaf verbonden zijn door middel van een cilindrische basis. Dit gemeenschapsmodel ziet er als volgt uit:

14
Zij is tevens de houder van gemeenschapsmodel nr. 002137190-0002, dat is ingeschreven met voorrangsdatum 16 november 2012 (hierna samen met het in het vorige punt bedoelde gemeenschapsmodel: ‘Lego-modellen’). Het betreft een modulair onderdeel van een bouwspel, in de vorm van een bouwsteen met bolle noppen aan de bovenkant, twee holtes aan de onderkant en twee holle noppen aan een zijkant. Dit Gemeenschapsmodel ziet er als volgt uit:

15
Het bouwspeelgoed waarvan deze twee elementen deel uitmaken, bestaat uit modulaire systemen waarin de verschillende kunststofbouwelementen gemakkelijk op elkaar kunnen worden aangesloten en weer kunnen worden losgemaakt, waardoor naar eigen wens bouwstructuren met verschillende vormen kunnen worden gecreëerd en gedemonteerd.
16
Pozitív Energiaforrás was voornemens onder het merk Qman in Hongarije bouwspeelgoed in te voeren dat bestaat uit modulaire kunststofelementen (hierna: ‘betrokken speelgoed’), waaronder een of meer van de bouwonderdelen die hieronder zijn weergegeven (hierna: ‘betrokken bouwonderdelen’):

17
Na een klacht van Lego heeft de Nemzeti Adó- és Vámhivatal Veszprém Megyei Adó- és Vámigazgatósága (belasting- en douanedienst van Veszprém, ressorterend onder de nationale belasting- en douanedienst, Hongarije) de inbeslagname van het betrokken speelgoed gelast en vervolgens een inbreukprocedure ingeleid tegen de bedrijfsleider van Pozitív Energiaforrás wegens verdenking van inbreuk op intellectuele-eigendomsrechten van Lego.
18
Op 22 juni 2022 heeft Lego krachtens de artikelen 10 en 89 van verordening nr. 6/2002 bij de Fővárosi Törvényszék (rechter in eerste aanleg Boedapest, Hongarije) verzocht om een voorlopige maatregel tot handhaving van die inbeslagname.
19
Deze rechter heeft dit verzoek bij beschikking afgewezen. Hij was van oordeel dat de Lego-modellen onder de bescherming van artikel 8, lid 3, van verordening nr. 6/2002 vielen en dat de vorm van de door deze modellen beschermde verbindingselementen uitsluitend door de technische functie ervan werd bepaald, zodat zij noodzakelijkerwijs in precies dezelfde vorm en afmetingen gereproduceerd moesten worden om hun functie als verbindingsstukken te vervullen in het bouwspeelgoed waarvan zij deel uitmaakten, waardoor de mate van vrijheid van de ontwerper bij de ontwikkeling van een dergelijke vorm zeer beperkt was. Daar deze rechter meende dat de ‘geïnformeerde gebruiker’ die bij de beoordeling van de omvang van de bescherming in aanmerking moest worden genomen, de gebruiker was die dergelijke modellen bekijkt met een bijzonder scherpe blik voor de kleinste details, was hij op basis van een vergelijking tussen de ingeschreven afbeeldingen van de Lego-modellen en de fotografische afbeeldingen van de betrokken bouwonderdelen van oordeel dat deze onderdelen bij de geïnformeerde gebruiker een andere algemene indruk wekten dan die welke door de Lego-modellen werd gewekt.
20
Wat het in punt 13 van dit arrest bedoelde gemeenschapsmodel nr. 001950981-0001 betreft, is in die beschikking vastgesteld dat de verschillen tussen de cilindrische bases, de verbindingsvlakken, de vorm van de kruizen en bepaalde lijnen tot verschillen leidden in de algemene indruk die bij de geïnformeerde gebruiker wordt gewekt. Wat het in punt 14 van dit arrest bedoelde gemeenschapsmodel nr. 002137190-0002 betreft, werd vastgesteld dat de door Pozitív Energiaforrás ingevoerde bouwstenen, met de gebogen achterwand en de afgeronde vormen ervan in plaats van de rechte hoeken van de Legostenen, bij de geïnformeerde gebruiker eveneens een andere algemene indruk wekten.
21
De Fővárosi Ítélőtábla (rechter in tweede aanleg Boedapest, Hongarije), waarbij Lego hoger beroep had ingesteld, heeft die beschikking gewijzigd en de inbeslagname van het betrokken speelgoed gelast op grond dat de Lego-modellen bij de geïnformeerde gebruiker geen andere algemene indruk wekten dan de betrokken bouwonderdelen.
22
Deze beslissing is bevestigd door de Kúria (hoogste rechterlijke instantie, Hongarije), waarbij Pozitív Energiaforrás cassatieberoep had ingesteld. Met name in het licht van de rechtspraak van het Hof heeft deze rechter geoordeeld dat, anders dan de rechter in eerste aanleg had geoordeeld, van de geïnformeerde gebruiker die in aanmerking moet worden genomen bij de beoordeling van de draagwijdte van de door de Lego-modellen verleende bescherming, geen zodanig concentratieniveau kan worden verwacht dat daarbij een nauwkeurige observatie met aandacht voor de kleinste details van de conflicterende voortbrengselen vereist is. Bijgevolg heeft de Kúria geoordeeld dat de betrokken bouwonderdelen bij de geïnformeerde gebruiker geen andere algemene indruk wekten dan de Lego-modellen, aangezien zij wegens hun omvang of ontwerp geen significante verschillen vertoonden.
23
Lego heeft vervolgens bij de Fővárosi Törvényszék, de verwijzende rechter, een vordering wegens inbreuk ingesteld tegen Pozitív Energiaforrás.
24
Volgens de verwijzende rechter vallen de Lego-modellen onder de uitzondering van artikel 8, lid 3, van verordening nr. 6/2002, aangezien zij tot doel hebben binnen een modulair systeem de meervoudige samenvoeging of verbindingen van onderling verwisselbare voortbrengselen mogelijk te maken.
25
Volgens deze rechter maakt artikel 8, lid 3, van verordening nr. 6/2002 het immers mogelijk om bescherming te verlenen als gemeenschapsmodel aan de uiterlijke kenmerken van een voortbrengsel die uitsluitend door de technische functie ervan worden bepaald, en om aan de houder van een dergelijk model rechten te waarborgen die gelijkwaardig zijn aan die welke normaliter door een octrooi worden verleend. Een dergelijke situatie zou er echter toe kunnen leiden dat deze houder, door zich te baseren op opeenvolgende gemeenschapsmodellen die zijn verkregen na het verstrijken van het octrooi dat zijn product beschermt, erin slaagt concurrenten te beletten een voortbrengsel aan te bieden dat bepaalde functionele kenmerken van zijn voortbrengsel bevat, of de mogelijke technische oplossingen te beperken. Dat is overigens het geval met Lego, die zich in het hoofdgeding beroept op de bij wijze van uitzondering verkregen bescherming voor modellen die worden beschermd door vervallen octrooien en die zijn ontwikkeld door routinematige technische ontwerpwerkzaamheden, om zich te verzetten tegen de invoer van het betrokken speelgoed op grond dat het onderdelen bevat ten aanzien waarvan de Fővárosi Ítélőtábla en de Kúria hebben geoordeeld dat zij bij de geïnformeerde gebruiker geen andere algemene indruk wekken dan de Lego-modellen.
26
De verwijzende rechter vraagt zich af welke vaardigheden de in artikel 10 van verordening nr. 6/2002 bedoelde ‘geïnformeerde gebruiker’ moet worden geacht te bezitten wanneer de algemene indruk die dergelijke modellen bij hem wekken moet worden beoordeeld. In het bijzonder wenst hij te vernemen of de draagwijdte van dit begrip, zoals deze met name voortvloeit uit het arrest van 20 oktober 2011, PepsiCo/Grupo Promer Mon Graphic (C-281/10 P, EU:C:2011:679), te weten een gebruiker die geen deskundige of vakman is die in staat is in detail de minieme verschillen die mogelijkerwijs tussen de conflicterende modellen bestaan, te onderscheiden, kan worden toegepast in de context van artikel 8, lid 3, van verordening nr. 6/2002. Volgens deze rechter kan niet worden uitgesloten dat een dergelijke gebruiker, gelet op het feit dat de door artikel 8, lid 3, van verordening nr. 6/2002 verleende bescherming een uitzondering vormt, moet worden beschouwd als iemand die over technische kennis en observatie- en analysecapaciteiten beschikt die vergelijkbaar zijn met die welke in het octrooirecht gelden wanneer de inventieve aard van een activiteit moet worden beoordeeld.
27
In dit verband is de verwijzende rechter van mening dat indien het begrip ‘geïnformeerde gebruiker’ in de zin van artikel 8, lid 3, van verordening nr. 6/2002 niet zou moeten worden gedefinieerd aan de hand van met name het vermogen van een dergelijke gebruiker om, gelet op zijn technische deskundigheid, in detail de conflicterende modellen waar te nemen en de minieme verschillen te ontwaren die eventueel tussen deze modellen bestaan, dit ertoe zou kunnen leiden dat ervan uit wordt gegaan dat dergelijke verschillen niet kunnen worden ontwaard in het kader van een algemene perceptie van deze modellen, zodat de gemeenschapsmodellen die deze modellen beschermen de facto onontkoombaar worden.
28
De verwijzende rechter vraagt zich ook af wat de draagwijdte is van het begrip ‘algemene indruk’ die bij de geïnformeerde gebruiker wordt gewekt door het model waarvan de kenmerken uitsluitend door de technische functie ervan worden bepaald en geen enkel element met een zuiver esthetische functie bevatten. In dit verband is hij van mening dat het visuele effect van een dergelijk model van ondergeschikt belang is ten opzichte van de functionele kenmerken ervan. De gelijkenissen en verschillen tussen dergelijke modellen kunnen immers niet worden ontwaard door observatie en door concepten te hanteren die tot de visuele indruk behoren, maar door een analyse en een redenering uit technisch oogpunt. Derhalve zou kunnen worden overwogen om het begrip ‘algemene indruk’ uit te breiden teneinde daaronder niet alleen de visuele perceptie van de verschijningsvorm van het model maar ook de technische opvatting van de vakman te laten vallen.
29
Daarnaast betreft het verzoek om een prejudiciële beslissing de uitlegging van artikel 89, lid 1, van verordening nr. 6/2002 en meer in het bijzonder de strekking van het begrip ‘bijzondere redenen’ op grond waarvan een rechtbank voor het gemeenschapsmodel er in voorkomend geval van kan afzien om een van de in die bepaling bedoelde maatregelen te gelasten.
30
In de context van de bij hem aanhangige zaak vraagt de verwijzende rechter zich aldus af of hij, mocht hij tot de vaststelling komen dat Pozitív Energiaforrás inbreuk heeft gemaakt op de Lego-modellen, kan beslissen om de vordering van de houder van het model slechts in beperkte mate toe te wijzen of zelfs af te wijzen gelet op, ten eerste, het feit dat het slechts om een gedeeltelijk inbreuk gaat, aangezien deze geen betrekking heeft op het gehele betrokken speelgoed, maar uitsluitend op de betrokken bouwonderdelen, die dat speelgoed slechts in geringe hoeveelheden bevat, en, ten tweede, de doelstelling om het ontstaan van onnodige belemmeringen voor het legitieme handelsverkeer te voorkomen.
31
Daarop heeft de Fővárosi Törvényszék de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
- ‘1)
Verdraagt het zich in een geval als dat in het hoofdgeding — waarin een houder van een Gemeenschapsmodel zich op een uit hoofde van artikel 8, lid 3, van [verordening nr. 6/2002] beschermd model beroept ten aanzien van een of meer bouwstenen van een bouwspel van de gedaagde die net als de bouwstenen in het model van de eiser bedoeld zijn om samenvoeging mogelijk te maken — met het Unierecht dat de rechterlijke instanties, bij het — in de zin van artikel 10 van de verordening — beoordelen van de draagwijdte van de bescherming van het model van de eiser:
- —
uitgaan van een geïnformeerde gebruiker die, waar het gaat om de functie van het model en de functie van het voortbrengsel, over de technische kennis beschikt die van een vakman mag worden verwacht;
- —
een geïnformeerde gebruiker beschouwen als iemand die het model van de eiser en het voortbrengsel van de gedaagde vergelijkt door middel van een grondig, technisch en methodisch onderzoek, en
- —
aannemen dat deze geïnformeerde gebruiker zijn algemene indruk van het model en van het voortbrengsel voornamelijk vanuit technisch oogpunt vormt?
- 2)
Indien in het hierboven beschreven geval de door het model van de eiser verleende bescherming zich uitstrekt tot een of enkele bouwstenen van het bouwspeelgoed van de gedaagde, maar het slechts om een gering aantal gaat in verhouding tot het totale aantal, verdraagt het zich dan met het Unierecht dat de rechter de vordering om de verdere invoer van het bouwspeelgoed in het land te verbieden kan afwijzen na rekening te hebben gehouden met het feit dat het om een gedeeltelijke inbreuk gaat, met de beperkte ernst en omvang daarvan ten opzichte van de waar in haar geheel en met het belang dat bestaat bij de onbelemmerde handel in een grotendeels niet ter discussie staand bouwspel, welke redenen worden aangemerkt als ‘bijzondere redenen’ in de zin van artikel 89, lid 1, van de verordening?’
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Ontvankelijkheid
32
Lego betoogt dat de twee prejudiciële vragen niet-ontvankelijk kunnen worden verklaard, aangezien de in het verzoek om een prejudiciële beslissing voorgestelde uitlegging van verordening nr. 6/2002 niet alleen berust op schending van de relevante bepalingen van deze verordening en van de daaraan ten grondslag liggende beginselen, maar ook op schending van de vaste rechtspraak van het Hof.
33
In dit verband moet eraan worden herinnerd dat het in het kader van de bij artikel 267 VWEU ingestelde procedure uitsluitend een zaak is van de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid draagt voor de te geven rechterlijke beslissing, om, gelet op de bijzonderheden van het geval, zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis te beoordelen, als de relevantie van de vragen die hij aan het Hof voorlegt. Wanneer de vragen betrekking hebben op de uitlegging van Unierecht, is het Hof derhalve in beginsel verplicht daarop te antwoorden. Op vragen betreffende het Unierecht rust bijgevolg een vermoeden van relevantie. Het Hof kan een verzoek van een nationale rechter dan ook enkel afwijzen wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging van het Unierecht geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, het vraagstuk van hypothetische aard is, of wanneer het Hof niet beschikt over de feitelijke en juridische gegevens die noodzakelijk zijn om een zinvol antwoord te geven op de gestelde vragen (arrest van 29 juli 2024, LivaNova, C-713/22, EU:C:2024:642, punt 53 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
34
In casu moet de verwijzende rechter, bij wie een vordering wegens inbreuk aanhangig is gemaakt, met het oog op de beoordeling van de gegrondheid van die vordering de draagwijdte bepalen van de bescherming die de houder van de in artikel 8, lid 3, van verordening nr. 6/2002 bedoelde modellen geniet en, in voorkomend geval, de marge waarover hij beschikt met betrekking tot de sancties waarin deze verordening voorziet, mocht een inbreuk worden vastgesteld. Daartoe vraagt deze rechter zich af hoe artikel 8, lid 3, artikel 10 en artikel 89, lid 1, van die verordening moeten worden uitgelegd.
35
Bijgevolg blijkt niet dat de bepalingen van het Unierecht waarvan de verwijzende rechter om uitlegging verzoekt, geen verband houden met het voorwerp van het hoofdgeding of dat de door die vragen opgeworpen kwesties niet relevant zijn voor de beslechting van dat geding.
36
In die omstandigheden heeft het bezwaar dat de verwijzende rechter de strekking van het Unierecht heeft miskend, geen betrekking op de ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing, maar is het onlosmakelijk verbonden met het antwoord dat op de gestelde vragen moet worden gegeven en kan het bijgevolg niet tot niet-ontvankelijkheid van deze vragen leiden (zie naar analogie arresten van 28 juni 1984, Moser, 180/83, EU:C:1984:233, punt 10, en 15 juli 2021, Latvijas dzelzceļš (Spoordienstvoorzieningen), C-60/20, EU:C:2021:610, punt 27).
37
Dientengevolge zijn de vragen ontvankelijk.
Ten gronde
Eerste vraag
38
Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 10 van verordening nr. 6/2002 aldus moet worden uitgelegd dat de draagwijdte van de door een gemeenschapsmodel krachtens artikel 8, lid 3, van deze verordening verleende bescherming moet worden beoordeeld op basis van de perceptie van een geïnformeerde gebruiker die, aangezien hij over technische kennis beschikt die vergelijkbaar is met die welke van een vakman kan worden verwacht, het betrokken model tot in de kleinste details onderzoekt en wiens algemene indruk hoofdzakelijk op overwegingen van technische aard berust.
39
In dit verband moet er vooraf aan worden herinnerd dat een model in artikel 3, onder a), van verordening nr. 6/2002 wordt gedefinieerd als ‘de verschijningsvorm van een voortbrengsel of een deel ervan, die wordt afgeleid uit de kenmerken van met name de lijnen, de omtrek, de kleuren, de vorm, de textuur en/of de materialen van het voortbrengsel zelf en/of de versiering ervan’. Hieruit volgt dat in de regeling waarin deze verordening voorziet de verschijningsvorm het doorslaggevende element is (arresten van 21 september 2017, Easy Sanitary Solutions en EUIPO/Group Nivelles, C-361/15 P en C-405/15 P, EU:C:2017:720, punt 62, en 2 maart 2023, Papierfabriek Doetinchem, C-684/21, EU:C:2023:141, punt 19).
40
Volgens artikel 10 van verordening nr. 6/2002 omvat het in artikel 19 ervan bedoelde uitsluitende recht dat door een gemeenschapsmodel wordt verleend, elk model dat bij de ‘geïnformeerde gebruiker’ geen andere ‘algemene indruk’ wekt dan die welke dit gemeenschapsmodel wekt. Bij het beoordelen van de draagwijdte van de bescherming wordt rekening gehouden met de ‘mate van vrijheid van de ontwerper bij de ontwikkeling van het model’.
41
In artikel 8 van verordening nr. 6/2002 worden van deze bescherming uitgesloten de uiterlijke kenmerken die uitsluitend door de technische functie van het voortbrengsel worden bepaald (lid 1) en de uiterlijke kenmerken die noodzakelijkerwijs in precies dezelfde vorm en afmetingen gereproduceerd moeten worden om het voortbrengsel waarin het model verwerkt is of waarop het toegepast is, mechanisch met een ander voortbrengsel te kunnen verbinden of om het in, rond of tegen een ander voortbrengsel te kunnen plaatsen, zodat elk van beide voortbrengselen zijn functie kan vervullen (lid 2).
42
Overeenkomstig artikel 8, lid 3, van verordening nr. 6/2002 wordt evenwel in afwijking van artikel 8, lid 2, van deze verordening een model dat tot doel heeft binnen een modulair systeem de meervoudige samenvoeging of verbinding van onderling verwisselbare voortbrengselen mogelijk te maken, beschermd op voorwaarde dat het voldoet aan de in de artikelen 5 en 6 van deze verordening gestelde vereisten inzake nieuwheid en eigen karakter.
43
De verwijzende rechter wenst te vernemen of de uitlegging, zoals deze voortvloeit uit de rechtspraak van het Hof, van het begrip ‘geïnformeerde gebruiker’, dat is gebruikt in artikel 10 van verordening nr. 6/2002 en in deze verordening niet is gedefinieerd, van toepassing is bij de beoordeling van de draagwijdte van de bescherming die geldt voor onder artikel 8, lid 3, van deze verordening vallende gemeenschapsmodellen, dan wel of het van een geïnformeerde gebruiker te verwachten aandachtsniveau ten opzichte van dit soort modellen vergelijkbaar moet zijn met het aandachtsniveau dat van een vakman kan worden verwacht.
44
Volgens die rechter is de mate van vrijheid van de ontwerper in het geval van de in laatstgenoemde bepaling bedoelde modellen zeer gering. Bijgevolg is het volgens hem gerechtvaardigd om uit te gaan van een ‘geïnformeerde gebruiker’ die in staat is om de modellen die beschermd kunnen zijn, tot in de kleinste details te onderzoeken. Bovendien moet het begrip ‘algemene indruk’ volgens de verwijzende rechter in een dergelijk geval niet alleen de visuele perceptie, bij een dergelijke gebruiker, van de verschijningsvorm van die modellen omvatten, maar ook zijn technische opvatting als vakman over de functionele kenmerken ervan.
45
In dit verband zij eraan herinnerd dat uit de bewoordingen zelf van artikel 10 van verordening nr. 6/2002 blijkt dat de door een gemeenschapsmodel verleende bescherming zich uitstrekt tot elk model dat bij de ‘geïnformeerde gebruiker’ geen ‘andere algemene indruk’ wekt, en dat bij het beoordelen van de draagwijdte van de bescherming rekening moet worden gehouden met de ‘mate van vrijheid van de ontwerper’.
46
In deze bepaling worden modellen als bedoeld in artikel 8, lid 3, van deze verordening, welke bepaling specifiek betrekking heeft op modulaire systemen, waaronder bouwspeelgoed, niet uitgesloten van haar werkingssfeer. Bijgevolg is artikel 10 van deze verordening van toepassing op een geval als aan de orde in het hoofdgeding, waarin de houder van in artikel 8, lid 3, bedoelde gemeenschapsmodellen een inbreukvordering instelt tegen een derde opdat het deze derde wordt verboden modellen te gebruiken die volgens deze houder bij de geïnformeerde gebruiker geen andere algemene visuele indruk wekken.
47
Wat ten eerste de ‘algemene indruk’ betreft als bedoeld in artikel 10 van verordening nr. 6/2002, alsook in artikel 6 van deze verordening, waarnaar artikel 8, lid 3, ervan uitdrukkelijk verwijst, moet worden opgemerkt dat deze indruk bestaat in de visuele perceptie, bij de geïnformeerde gebruiker, van de verschijningsvorm van het betrokken voortbrengsel, die daaraan met name wordt gegeven door de in artikel 3, onder a), van die verordening opgesomde kenmerken.
48
Wat ten tweede het begrip ‘geïnformeerde gebruiker’ betreft, dat eveneens in de artikelen 6 en 10 van verordening nr. 6/2002 voorkomt en, zoals de advocaat-generaal in punt 21 van zijn conclusie heeft opgemerkt, voor deze twee bepalingen op dezelfde wijze moet worden uitgelegd, is het vaste rechtspraak dat de draagwijdte van dit begrip ligt tussen het — op het gebied van het merkenrecht gehanteerde — begrip ‘gemiddelde consument’, van wie geen enkele specifieke kennis wordt verwacht en die de conflicterende merken in de regel niet rechtstreeks vergelijkt, en het begrip ‘vakman’, een deskundige met grondige technische deskundigheid. Het begrip ‘geïnformeerde gebruiker’ duidt derhalve op een gebruiker die niet slechts gemiddeld, maar in hoge mate aandachtig is, hetzij door zijn persoonlijke ervaring, hetzij door zijn uitgebreide kennis van de betrokken sector. Het bijvoeglijk naamwoord ‘geïnformeerde’ betekent dat de gebruiker, zonder een ontwerper of een technisch deskundige te zijn, verschillende in de betrokken sector bestaande modellen kent, een zekere kennis bezit met betrekking tot de elementen die deze modellen over het algemeen bevatten, en door zijn belangstelling voor de betrokken voortbrengselen blijk geeft van een vrij hoog aandachtsniveau bij gebruik ervan (zie in die zin arresten van 20 oktober 2011, PepsiCo/Grupo Promer Mon Graphic, C-281/10 P, EU:C:2011:679, punten 53 en 59, en 21 september 2017, Easy Sanitary Solutions en EUIPO/Group Nivelles, C-361/15 P en C-405/15 P, EU:C:2017:720, punten 124 en 125).
49
Niets in de bewoordingen of de context van verordening nr. 6/2002 wijst erop dat dit begrip ‘geïnformeerde gebruiker’ anders zou moeten worden uitgelegd wanneer de door een gemeenschapsmodel verleende bescherming onder artikel 8, lid 3, van deze verordening valt.
50
Het is juist dat het aandachtsniveau van een dergelijke gebruiker, dat hoe dan ook relatief hoog is, kan variëren naargelang van de betrokken sector (zie naar analogie, wat het merkenrecht betreft, arrest van 14 november 2024, Compass Banca, C-646/22, EU:C:2024:957, punt 55), ook wanneer het gaat om modellen die onder artikel 8, lid 3, van deze verordening vallen. Bijgevolg kan niet worden uitgesloten dat in deze laatste situatie rekening moet worden gehouden met een aandachtsniveau dat of waakzaamheid die is aangepast aan de betrokken sector. Zelfs in een dergelijke situatie hoeft echter niet te worden uitgegaan van de perceptie van een gebruiker die in de betrokken sector deskundig is en, net als de vakman, over grondige technische vaardigheden beschikt, en hoeft evenmin te worden aangenomen dat de algemene indruk die bij deze gebruiker wordt gewekt, hoofdzakelijk zou moeten voortvloeien uit een technische opvatting.
51
Ten derde moet volgens artikel 10, lid 2, van verordening nr. 6/2002 de ‘mate van vrijheid van de ontwerper bij de ontwikkeling van het model’ in aanmerking worden genomen bij het beoordelen, op basis van de in lid 1 van dit artikel gebruikte begrippen ‘geïnformeerde gebruiker’ en ‘algemene indruk’, van de draagwijdte van de door een gemeenschapsmodel verleende bescherming.
52
Zoals de advocaat-generaal in de punten 36 en 37 van zijn conclusie heeft beklemtoond, hoe kleiner de vrijheid van de ontwerper is bij de ontwikkeling van een model, des te groter de kans is dat de kleine verschillen tussen de conflicterende modellen bij de geïnformeerde gebruiker een andere algemene indruk wekken. Omgekeerd geldt dat hoe groter de vrijheid van de ontwerper is bij de ontwikkeling van een model, des te geringer de kans is dat kleine verschillen tussen de conflicterende modellen bij de geïnformeerde gebruiker een andere algemene indruk wekken. Wanneer de vrijheid van de ontwerper wordt beperkt door een groot aantal uiterlijke kenmerken van het betrokken voortbrengsel of van het betrokken gedeelte ervan die uitsluitend worden bepaald door de technische functie van dat voortbrengsel of dit gedeelte van een voortbrengsel, kan de aanwezigheid van kleine verschillen tussen de conflicterende modellen dus volstaan om bij de geïnformeerde gebruiker een andere algemene indruk te wekken.
53
Net als de begrippen ‘algemene indruk’ en ‘geïnformeerde gebruiker’, die in de punten 47 en 48 van het onderhavige arrest in herinnering zijn gebracht, is het begrip ‘mate van vrijheid van de ontwerper bij de ontwikkeling van het model’, zoals uitgelegd in punt 52 van dit arrest, van toepassing ingeval de houder van onder artikel 8, lid 3, van verordening nr. 6/2002 vallende gemeenschapsmodellen een vordering wegens inbreuk indient.
54
Het nuttig effect van artikel 8, lid 3, van verordening nr. 6/2002 impliceert echter dat, anders dan de in artikel 8, lid 2, van deze verordening bedoelde uiterlijke kenmerken, de in dat lid 3 bedoelde uiterlijke kenmerken die verbindingen mogelijk maken, wel in aanmerking moeten worden genomen bij de beoordeling van de visuele ‘algemene indruk’ in de zin van artikel 10 van deze verordening. De aanwezigheid van door artikel 8, lid 3, van deze verordening beschermde verbindingselementen in het betrokken gemeenschapsmodel kan dus tegen de vaststelling pleiten dat er een andere visuele algemene indruk wordt gewekt in de zin van dat artikel 10, zodat bij gebreke van voldoende significante verschillen in de algemene verschijningsvorm van de conflicterende modellen, het bestaan van aansluitpunten met dezelfde vorm en afmetingen, voor de samenvoeging of verbinding van onderling verwisselbare voortbrengselen binnen een modulair systeem, een dergelijke vaststelling kan uitsluiten.
55
Voor deze uitlegging van de draagwijdte van de bescherming in geval van een gemeenschapsmodel dat onder artikel 8, lid 3, van verordening nr. 6/2002 valt, is steun te vinden in het doel van deze verordening, dat er volgens overweging 7 ervan met name in bestaat innovatie en ontwikkeling van nieuwe voortbrengselen aan te moedigen.
56
In dit verband blijkt ten eerste uit overweging 11 van die verordening dat de Uniewetgever, na te hebben geconstateerd dat voorzieningen voor mechanische samenvoeging of verbinding bij modulaire voortbrengselen een belangrijk aspect van het innoverend karakter van die voortbrengselen en een belangrijk verkoopargument kunnen vormen, deze voorzieningen, mits aan de voorwaarden inzake nieuwheid en eigen karakter is voldaan, in aanmerking heeft willen laten komen voor de bescherming die verordening nr. 6/2002 aan modellen verleent.
57
Ten tweede vormt deze in overweging 11 en in artikel 8, lid 3, van die verordening tot uitdrukking gebrachte wil van de Uniewetgever om een betere bescherming te verlenen aan de marktdeelnemer die een nieuwe verschijningsvorm van samenvoegings- of verbindingselementen binnen een modulair systeem heeft gecreëerd, geen beperking van de in de eerste volzin van overweging 10 van die verordening en in artikel 8, lid 1, ervan tot uitdrukking gebrachte even belangrijke wil van deze wetgever om elke andere marktdeelnemer toe te staan om ook te innoveren door op zijn beurt een nieuwe verschijningsvorm te creëren van dergelijke samenvoegings- of verbindingselementen die niet dezelfde vormen en afmetingen op de aansluitpunten hebben en bepaalde kenmerken vertonen die bij de geïnformeerde gebruiker een andere algemene indruk wekken.
58
Gelet op een en ander dient op de eerste vraag te worden geantwoord dat artikel 10 van verordening nr. 6/2002 aldus moet worden uitgelegd dat de draagwijdte van de bescherming van een model uit hoofde van artikel 8, lid 3, van deze verordening moet worden beoordeeld aan de hand van de algemene visuele indruk die dit model wekt bij een geïnformeerde gebruiker die, zonder een ontwerper of een technisch deskundige te zijn, verschillende in de betrokken sector bestaande modellen kent, een zekere mate van kennis bezit met betrekking tot de elementen die deze modellen over het algemeen bevatten, en door zijn belangstelling voor de betrokken voortbrengselen blijk geeft van een relatief hoog aandachtsniveau wanneer hij deze gebruikt als onderdelen van het modulaire systeem waarvan zij deel uitmaken, en niet bij een gebruiker die, aangezien hij over technische kennis beschikt die vergelijkbaar is met die welke van een vakman kan worden verwacht, het betrokken model tot in de kleinste details onderzoekt en wiens algemene indruk hoofdzakelijk op technische overwegingen berust.
Tweede vraag
59
Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 89, lid 1, van verordening nr. 6/2002 aldus moet worden uitgelegd dat de omstandigheid dat een inbreuk betrekking heeft op slechts enkele elementen van een modulair systeem die kwantitatief weinig talrijk zijn in verhouding tot het totale aantal onderdelen in dit systeem, valt onder het begrip ‘bijzondere redenen’ in de zin van deze bepaling op grond waarvan een rechtbank voor het gemeenschapsmodel ervan kan afzien om een of meer van de in die bepaling bedoelde maatregelen te gelasten.
60
Artikel 89 van verordening nr. 6/2002, betreffende de sancties die moeten worden opgelegd in geval van inbreuk of dreigende inbreuk, somt in lid 1 de soorten maatregelen op die de rechtbank voor het gemeenschapsmodel in een dergelijk geval moet gelasten. Deze bepaling preciseert evenwel dat die rechtbank deze maatregelen gelast ‘tenzij er bijzondere redenen zijn om dit niet te doen’.
61
Het begrip ‘bijzondere redenen’ in de zin van artikel 89, lid 1, van verordening nr. 6/2002 moet in de rechtsorde van de Unie uniform en strikt worden uitgelegd.
62
Indien dat begrip verschillend wordt uitgelegd in de verschillende lidstaten, is het immers ten eerste mogelijk dat dezelfde omstandigheden in sommige lidstaten leiden tot een verbod op de handelingen die inbreuk hebben gemaakt of dreigden te maken, en in andere lidstaten niet, zodat de bescherming die modellen genieten niet eenvormig wordt gewaarborgd op het gehele grondgebied van de Unie (zie naar analogie arrest van 14 december 2006, Nokia, C-316/05, EU:C:2006:789, punt 27).
63
Ten tweede kan op basis van de dwingende bewoordingen van artikel 89, lid 1, van verordening nr. 6/2002 worden gesteld dat het begrip ‘bijzondere redenen’ een afwijking inhoudt van de verplichting van de rechter om de in deze bepaling bedoelde maatregelen te gelasten. Hieruit volgt dat dit begrip strikt moet worden uitgelegd (zie naar analogie arrest van 14 december 2006, Nokia, C-316/05, EU:C:2006:789, punten 29 en 30).
64
Het Hof heeft tevens geoordeeld dat het begrip ‘bijzondere redenen’ in de zin van artikel 89, lid 1, van verordening nr. 6/2002 ziet op feitelijke omstandigheden die eigen zijn aan een bepaald geval (arrest van 13 februari 2014, H. Gautzsch Großhandel, C-479/12, EU:C:2014:75, punt 48).
65
Dit begrip ziet dus enkel op uitzonderlijke situaties waarin de rechtbank voor het gemeenschapsmodel, in het licht van de bijzonderheden van de aan de derde verweten gedraging, met name het feit dat deze onmogelijk de hem verweten inbreuk of de dreigende inbreuk kan voortzetten, niet verplicht is een derde te verbieden dergelijke handelingen te verrichten (zie naar analogie arrest van 22 juni 2016, Nikolajeva, C-280/15, EU:C:2016:467, punt 33).
66
De omstandigheid dat een inbreuk betrekking heeft op slechts enkele elementen van een modulair systeem, zoals in casu de betrokken bouwonderdelen van het betrokken speelgoed, die kwantitatief weinig talrijk zijn in verhouding tot het totale aantal onderdelen van dat systeem, vormt als zodanig niet een dergelijke uitzonderlijke situatie op grond waarvan de nationale rechter een of meer van de in artikel 89, lid 1, van verordening nr. 6/2002 bedoelde maatregelen niet hoeft te gelasten.
67
Gelet op een en ander dient op de tweede vraag te worden geantwoord dat artikel 89, lid 1, van verordening nr. 6/2002 aldus moet worden uitgelegd dat de omstandigheid dat een inbreuk betrekking heeft op slechts enkele elementen van een modulair systeem, die kwantitatief weinig talrijk zijn in verhouding tot het totale aantal onderdelen van dit systeem, niet valt onder het begrip ‘bijzondere redenen’ in de zin van deze bepaling op grond waarvan een rechtbank voor het gemeenschapsmodel een of meer van de in die bepaling bedoelde maatregelen niet hoeft te gelasten.
Kosten
68
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Derde kamer) verklaart voor recht:
- 1)
Artikel 10 van verordening (EG) nr. 6/2002 van de Raad van 12 december 2001 betreffende Gemeenschapsmodellen
moet aldus worden uitgelegd dat
de draagwijdte van de bescherming van een model uit hoofde van artikel 8, lid 3, van deze verordening moet worden beoordeeld aan de hand van de algemene visuele indruk die dit model wekt bij een geïnformeerde gebruiker die, zonder een ontwerper of een technisch deskundige te zijn, verschillende in de betrokken sector bestaande modellen kent, een zekere mate van kennis bezit met betrekking tot de elementen die deze modellen over het algemeen bevatten, en door zijn belangstelling voor de betrokken voortbrengselen blijk geeft van een vrij hoog aandachtsniveau wanneer hij deze gebruikt als onderdelen van het modulaire systeem waarvan zij deel uitmaken, en niet bij een gebruiker die, aangezien hij over technische kennis beschikt die vergelijkbaar is met die welke van een vakman kan worden verwacht, het betrokken model tot in de kleinste details onderzoekt en wiens algemene indruk hoofdzakelijk op technische overwegingen berust.
- 2)
Artikel 89, lid 1, van verordening nr. 6/2002
moet aldus worden uitgelegd dat
de omstandigheid dat een inbreuk betrekking heeft op slechts enkele elementen van een modulair systeem, die kwantitatief weinig talrijk zijn in verhouding tot het totale aantal onderdelen van dit systeem, niet valt onder het begrip ‘bijzondere redenen’ in de zin van deze bepaling op grond waarvan een rechtbank voor het gemeenschapsmodel een of meer van de in die bepaling bedoelde maatregelen niet hoeft te gelasten.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 04‑09‑2025
Conclusie 06‑03‑2025
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Intellectuele eigendom — Gemeenschapsmodellen — Verordening (EG) nr. 6/2002 — Artikel 8, lid 3 — Model dat tot doel heeft binnen een modulair systeem de meervoudige samenvoeging of verbinding van onderling verwisselbare voortbrengselen mogelijk te maken — Artikel 10 — Draagwijdte van de bescherming — Begrippen ‘geïnformeerde gebruiker’ en ‘algemene indruk’
M. Szpunar
Partij(en)
Zaak C-211/241.
LEGO A/S
tegen
Pozitív Energiaforrás Kft.
[verzoek van de Fővárosi Törvényszék (rechter voor de agglomeratie Boedapest, Hongarije) om een prejudiciële beslissing]
Inleiding
1.
Het industriële-eigendomsrecht van de Unie maakt een duidelijk onderscheid met betrekking tot de rol van de verschillende categorieën beschermde rechten: octrooien beschermen technische uitvindingen, terwijl modellen de verschijningsvorm van voortbrengselen beschermen; merken beschermen op hun beurt het verband tussen producten en diensten en de fabrikanten of leveranciers ervan. Dit onderscheid is van het allergrootste belang, want het voorkomt monopolisering van unieke oplossingen die onontbeerlijk zijn voor de technische vooruitgang en een onvervalste economische mededinging, door middel van exclusieve rechten die relatief gemakkelijk te verkrijgen zijn en een zeer lange of zelfs onbepaalde geldigheidsduur hebben. Om de doeltreffendheid van dit onderscheid te waarborgen, bepaalt het Unierecht inzake modellen dat de uiterlijke kenmerken van een voortbrengsel die uitsluitend door de technische functie ervan worden bepaald, evenals de kenmerken die onontbeerlijk zijn voor de interoperabiliteit van voortbrengselen van verschillend fabricaat, niet worden beschermd.
2.
Er bestaat echter een uitzondering op deze regel met betrekking tot ‘modulaire systemen’, volgens welke modellen die tot doel hebben de verbinding van onderdelen binnen een dergelijk systeem mogelijk te maken, kunnen worden beschermd. Deze uitzondering wordt vaak de ‘Lego-uitzondering’ genoemd, aangezien de belangrijkste begunstigde het bekende systeem van bouwstenen is dat elk kind tussen 3 en 103 jaar kent en dat onder het merk Lego op de markt wordt gebracht.
3.
Het Lego-systeem van bouwstenen is ontwikkeld in de jaren 1950. De eerste octrooiaanvraag hiervoor werd in 1958 in Denemarken ingediend. De technische oplossing waarop deze aanvraag was gebaseerd, bestond uit een aaneenkoppelingssysteem voor bouwstenen door middel van noppen aan de bovenkant en buisjes aan de onderzijde van de stenen, die zodanig waren ontworpen dat ze, eenmaal gekoppeld, een stabiele verbinding waarborgden en tegelijkertijd relatief gemakkelijk door kinderhanden konden worden losgekoppeld. De octrooibescherming van het Lego-systeem is vervolgens wereldwijd uitgebreid en aangevuld met nieuwe technische oplossingen.2.
4.
Het overgrote deel van deze octrooien is in de jaren 1970 en 1980 echter verstreken en de fabrikant van Lego-bouwstenen kreeg concurrentie van fabrikanten van blokjes die geïnspireerd waren op — en compatibel waren met — zijn eigen systeem. Vervolgens zijn de meeste pogingen om dit systeem te beschermen door middel van andere intellectuele-eigendomsrechten, te weten merken, tekeningen en modellen en zelfs auteursrechten, mislukt, met name vanwege het functionele karakter van het voorwerp van de nagestreefde bescherming.3.
5.
Het bestaan van de ‘Lego-uitzondering’ maakt het niettemin mogelijk de bescherming van het Lego-systeem van bouwstenen en indirect van de technische oplossing die eraan ten grondslag ligt, te handhaven door modelrechten.4. De onderhavige zaak biedt het Hof de gelegenheid om de draagwijdte van deze bescherming te verduidelijken in het licht van de doelstellingen van de bescherming die verschillende categorieën intellectuele-eigendomsrechten in het Unierecht verlenen.
Toepasselijke bepalingen
6.
Artikel 3, onder a), artikel 4, lid 1, alsmede de artikelen 6, 8 en 10 van verordening (EG) nr. 6/2002 van de Raad van 12 december 2001 betreffende gemeenschapsmodellen5. bepalen het volgende:
‘Artikel 3
In deze verordening wordt verstaan onder:
- a)
‘model’: de verschijningsvorm van een voortbrengsel of een deel ervan, die wordt afgeleid uit de kenmerken van met name de lijnen, de omtrek, de kleuren, de vorm, de textuur en/of de materialen van het voortbrengsel zelf en/of de versiering ervan;
[…]
Artikel 4
- 1.
Een model wordt als gemeenschapsmodel beschermd voor zover het nieuw is en een eigen karakter heeft.
[…]
Artikel 6
- 1.
Een model wordt geacht een eigen karakter te hebben, indien de algemene indruk die het bij de geïnformeerde gebruiker wekt, verschilt van de algemene indruk die bij die gebruiker wordt gewekt door modellen die voor het publiek beschikbaar zijn gesteld:
[…]
- b)
bij een ingeschreven gemeenschapsmodel, vóór de datum van indiening van de aanvrage om inschrijving of, wanneer aanspraak op voorrang wordt gemaakt, vóór de datum van voorrang.
- 2.
Bij de beoordeling van het eigen karakter wordt rekening gehouden met de mate van vrijheid van de ontwerper bij de ontwikkeling van het model.
[…]
Artikel 8
- 1.
Een recht op een gemeenschapsmodel geldt niet voor de uiterlijke kenmerken van een voortbrengsel die uitsluitend door de technische functie worden bepaald.
- 2.
Een gemeenschapsmodel geldt niet voor de uiterlijke kenmerken van een voortbrengsel die noodzakelijkerwijs in precies dezelfde vorm en afmetingen gereproduceerd moeten worden om het voortbrengsel waarin het model verwerkt is of waarop het toegepast is, mechanisch met een ander voortbrengsel te kunnen verbinden of om het in, rond of tegen een ander voortbrengsel te kunnen plaatsen, zodat elk van beide voortbrengselen zijn functie kan vervullen.
- 3.
In afwijking van lid 2 kan een model dat tot doel heeft binnen een modulair systeem de meervoudige samenvoeging of verbinding van onderling verwisselbare voortbrengselen mogelijk te maken, onder de in de artikelen 5 en 6 gestelde voorwaarden als gemeenschapsmodel worden beschermd.
[…]
Artikel 10
- 1.
De door een gemeenschapsmodel verleende bescherming omvat elk model dat bij de geïnformeerde gebruiker geen andere algemene indruk wekt.
- 2.
Bij het beoordelen van de draagwijdte van de bescherming wordt rekening gehouden met de mate van vrijheid van de ontwerper bij de ontwikkeling van het model.’
Feiten van het hoofdgeding, procedure en prejudiciële vragen
7.
LEGO A/S (hierna: ‘Lego’), vennootschap naar Deens recht, is houder van met voorrangsdatum 22 november 2011 ingeschreven gemeenschapsmodel nr. 001950981 0001, waarvan het voorwerp een koppelingsonderdeel (‘bundel’) is van een bouwspel dat bestaat uit een naaf met verdiepte rand en twee kruisassen die loodrecht ten opzichte van elkaar op de naaf staan, waarbij de assen met de naaf verbonden zijn door middel van een cilindrische basis6., alsmede van gemeenschapsmodel nr. 002137190 0002, dat is ingeschreven met voorrangsdatum 16 november 2012, en betrekking heeft op een koppelingsonderdeel van een bouwspel dat een aangepaste variant is van de bekende bouwsteen met 2x1 noppen, met aan één kant holle noppen (hierna: ‘de in het hoofdgeding aan de orde zijnde modellen’).7.
8.
Pozitív Energiaforrás Kft., vennootschap naar Hongaars recht, was voornemens onder het merk Qman bouwspeelgoed in te voeren, bestaande uit onder meer een of meerdere modulaire onderdelen van plastic die inbreuk zouden maken op de in het hoofdgeding aan de orde zijnde modellen.
9.
Na de aangifte van Lego heeft de Nemzeti Adó- és Vámhivatal Veszprém Megyei Adó- és Vámigazgatósága (belasting- en douanedienst van Veszprém, ressorterend onder de nationale belasting- en douanedienst, Hongarije) deze waren onder douanetoezicht geplaatst en een inbreukprocedure ingeleid tegen de bedrijfsleider van Pozitív Energiaforrás wegens verdenking van inbreuk op industriële-eigendomsrechten van Lego.
10.
Op 22 juni 2022 heeft Lego krachtens de artikelen 10 en 89 van verordening nr. 6/2002 bij de Fővárosi Törvényszék (rechter voor de agglomeratie Boedapest, Hongarije), een vordering ingesteld tot het nemen van voorlopige maatregelen om de in het hoofdgeding omstreden bouwspelkits in beslag te nemen. Deze rechter heeft deze vordering afgewezen door te oordelen dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde modellen krachtens artikel 8, lid 3, van deze verordening worden beschermd en dat, aangezien de vorm van de verbindingsonderdelen uitsluitend door de technische functie ervan wordt bepaald, de creatieve speelruimte voor het bedenken van een dergelijke vorm zeer beperkt is. Hij heeft, mede rekening houdend met de vorm en de omvang van het voortbrengsel, geoordeeld dat de geïnformeerde gebruiker een dergelijk model bekijkt met een bijzonder scherpe blik en een hoog aandachtsniveau. Bijgevolg heeft hij de ingeschreven afbeeldingen van de twee in het hoofdgeding aan de orde zijnde modellen zorgvuldig vergeleken met de fotografische voorstellingen van de voortbrengselen van Pozitív Energiaforrás en geoordeeld dat deze voorstellingen bij de geïnformeerde gebruiker een andere algemene indruk wekten dan de algemene indruk die wordt gewekt door de in het hoofdgeding aan de orde zijnde modellen.
11.
De Fővárosi Ítélőtábla (rechter in tweede aanleg Boedapest, Hongarije), waarbij Lego hoger beroep had ingesteld, heeft deze beslissing herzien en de inbeslagname van de litigieuze voortbrengselen gelast op grond dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde modellen en de voortbrengselen van Pozitív Energiaforrás bij de geïnformeerde gebruiker geen andere algemene indruk wekten. De Kúria (hoogste rechterlijke instantie, Hongarije), waarbij Pozitív Energiaforrás beroep in cassatie had ingesteld, heeft deze beslissing bevestigd.
12.
Lego heeft vervolgens bij de Fővárosi Törvényszék, de verwijzende rechter, een inbreukprocedure ingesteld, waarmee zij in wezen vordert dat wordt vastgesteld dat er sprake is van een inbreuk, dat Pozitív Energiaforrás wordt belet de inbreukmakende handelingen voort te zetten en dat andere rechtsgevolgen van deze handelingen worden toegepast.
13.
Daarop heeft de Fővárosi Törvényszék de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
- ‘1)
Verdraagt het zich in een geval als dat in het hoofdgeding, waarin een modelhouder zich op een uit hoofde van artikel 8, lid 3, van [verordening nr. 6/2002] beschermd model beroept ten aanzien van een of meer bouwstenen van een bouwspel van de gedaagde die net als de bouwstenen in het model van de eiser bedoeld zijn om samenvoeging mogelijk te maken, met het Unierecht dat de rechterlijke instanties bij het — in de zin van artikel 10 van de verordening — beoordelen van de draagwijdte van de bescherming van het model van de eiser:
- —
uitgaan van een geïnformeerde gebruiker die, waar het gaat om de functie van het model en de functie van het voortbrengsel, over de technische kennis beschikt die van een vakman mag worden verwacht;
- —
een geïnformeerde gebruiker beschouwen als iemand die het model van de eiser en het voortbrengsel van de gedaagde vergelijkt door middel van een grondig, technisch en methodisch onderzoek, en
- —
aannemen dat deze geïnformeerde gebruiker zijn algemene indruk van het model en van het voortbrengsel voornamelijk vanuit technisch oogpunt vormt?
- 2)
Indien in het hierboven beschreven geval de door het model van de eiser verleende bescherming zich uitstrekt tot een of enkele bouwstenen van het bouwspel van de gedaagde, maar het slechts om een gering aantal gaat in verhouding tot het totale aantal, verdraagt het zich dan met het Unierecht dat de rechter de vordering om de verdere invoer van het bouwspel in het land te verbieden kan afwijzen na rekening te hebben gehouden met de gedeeltelijke aard van de inbreuk, de beperkte ernst en omvang daarvan ten opzichte van de waar in haar geheel en het belang dat bestaat bij de onbelemmerde handel in een grotendeels niet ter discussie staand bouwspel, welke redenen worden aangemerkt als ‘bijzondere redenen’ in de zin van artikel 89, lid 1, van de verordening?’
14.
Het verzoek om een prejudiciële beslissing is bij het Hof ingekomen op 18 maart 2024. Schriftelijke opmerkingen zijn ingediend door de partijen in het hoofdgeding, de Hongaarse regering en de Europese Commissie. Het Hof heeft besloten om uitspraak te doen zonder pleitzitting.
Analyse
15.
Op verzoek van het Hof zal ik mijn conclusie beperken tot de analyse van de eerste prejudiciële vraag. Het antwoord op de tweede vraag kan namelijk zonder meer worden afgeleid uit vaste rechtspraak8..
16.
Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 10 van verordening nr. 6/2002 aldus moet worden uitgelegd dat de draagwijdte van de onder artikel 8, lid 3, van deze verordening vallende bescherming van een model wordt bepaald aan de hand van de algemene indruk die dit model wekt bij een geïnformeerde gebruiker die grondige technische kennis bezit en in hoge mate aandachtig is met betrekking tot de technische aspecten, en of deze algemene indruk hoofdzakelijk voortvloeit uit technische overwegingen.
17.
Om op deze vraag een antwoord te geven dat nuttig is voor de beslechting van het bij de verwijzende rechter aanhangige geding, moet ten eerste het begrip ‘geïnformeerde gebruiker’ in de zin van verordening nr. 6/2002 worden onderzocht, en ten tweede de bestanddelen van de algemene indruk die bij die gebruiker wordt gewekt door een model dat onder artikel 8, lid 3, van deze verordening valt, alsmede de elementen die in aanmerking moeten worden genomen bij de beoordeling van de draagwijdte van de bescherming van een dergelijk model krachtens artikel 10 van deze verordening.
Geïnformeerde gebruiker
18.
Het begrip ‘geïnformeerde gebruiker’ is een centraal begrip van verordening nr. 6/2002, aangezien de algemene indruk die een model bij een dergelijke geïnformeerde gebruiker wekt, zowel bepalend is voor het vermogen van het betrokken model om te worden beschermd, door al dan niet het eigen karakter ervan aan te tonen, als voor de draagwijdte van deze bescherming ten aanzien van potentieel inbreukmakende modellen.9. De geïnformeerde gebruiker is een fictieve figuur en is in het modellenrecht de functionele tegenhanger van de figuur van de gemiddelde consument in het merkenrecht en die van deskundige (vakman) op het gebied van het octrooirecht.
19.
De kenmerken van de geïnformeerde gebruiker zijn door het Hof gegeven in het arrest PepsiCo/Grupo Promer Mon Graphic.10. Zo moet het begrip ‘geïnformeerde gebruiker’, dat niet is gedefinieerd in verordening nr. 6/2002, derhalve worden opgevat als ‘een tussencategorie tussen de — op het gebied van het merkenrecht gehanteerde — gemiddelde consument, van wie geen enkele specifieke kennis wordt verwacht en die de strijdige merken in de regel niet rechtstreeks vergelijkt, en de vakman met grondige technische deskundigheid’. Het begrip ‘geïnformeerde gebruiker’ betekent dus ‘een gebruiker die niet slechts gemiddeld, maar in hoge mate aandachtig is, hetzij door zijn persoonlijke ervaring, hetzij door zijn uitgebreide kennis van de betrokken sector’11..
20.
Het Hof heeft gepreciseerd dat ‘het bijvoeglijke naamwoord ‘geïnformeerde’ suggereert dat de gebruiker, zonder een ontwerper of een technisch deskundige te zijn, verschillende in de betrokken sector bestaande modellen kent, een zekere kennis bezit met betrekking tot de elementen die deze modellen over het algemeen bevatten, en door zijn belangstelling voor de betrokken voortbrengselen blijk geeft van een vrij hoog aandachtsniveau bij gebruik ervan’12..
21.
Hoewel het Hof deze definitie van het begrip ‘geïnformeerde gebruiker’ heeft gegeven in het kader van een procedure tot nietigverklaring van een gemeenschapsmodel en dus op basis van artikel 6 van verordening nr. 6/2002, wijst niets erop dat artikel 10 van deze verordening anders moet worden uitgelegd. Integendeel, op grond van het wederkerigheidsbeginsel is de draagwijdte van de bescherming van een model de keerzijde van het eigen karakter ervan.13. Beide moeten dus worden beoordeeld op basis van de algemene indruk die wordt gewekt bij dezelfde fictieve persoon, te weten de geïnformeerde gebruiker, die dezelfde kenmerken heeft, of het nu gaat om de geldigheid van het model of om de inbreuk. De overwegingen van het Hof in het arrest PepsiCo kunnen dus volledig worden toegepast in de onderhavige zaak.
22.
De verwijzende rechter is evenwel van oordeel dat in het geval van modellen die onder artikel 8, lid 3, van verordening nr. 6/2002 vallen, de wezenlijke elementen ervan bestaan in de technische functie van de uiterlijke kenmerken van het voortbrengsel, te weten de mogelijke verbinding met andere voortbrengselen in een modulair systeem. Om die reden moet volgens hem worden geoordeeld dat de fictieve geïnformeerde gebruiker technische kennis heeft en in hoge mate aandachtig is, en dat de technische aspecten dan ook van invloed zijn op de algemene indruk die het betrokken model bij hem wekt.
23.
Deze zienswijze is mijns inziens niet correct.
24.
Hoewel modellen die onder artikel 8, lid 3, van verordening nr. 6/2002 vallen, noodzakelijkerwijs een technische functie hebben, blijven zij modellen en worden zij als zodanig beschermd. Volgens de definitie in artikel 3, onder a), van deze verordening is een model ‘de verschijningsvorm van een voortbrengsel of een deel daarvan’. Het is dus niet de technische functie van het voortbrengsel die wordt beschermd en bijdraagt tot de bij de geïnformeerde gebruiker gewekte algemene indruk, maar enkel de verschijningsvorm van het voortbrengsel, dat wil zeggen het visuele aspect ervan.14. Aan deze vaststelling wordt dus niet afgedaan door de omstandigheid dat de verschijningsvorm van de voortbrengselen waarop de onder artikel 8, lid 3, van deze verordening vallende modellen zijn toegepast, of althans bepaalde uiterlijke kenmerken ervan, wordt bepaald door de vereisten van verbinding.
25.
De geïnformeerde gebruiker, zoals deze door de verwijzende rechter is bedacht en gepostuleerd, benadert daarentegen de figuur van de deskundige, die moet beoordelen of uitvindingen in het octrooirecht octrooieerbaar zijn. Een dergelijke beoordeling heeft echter geen betrekking op de verschijningsvorm van een voortbrengsel maar op een abstract idee, namelijk de oplossing voor een technisch probleem. Dit kan dus niet worden toegepast op het modellenrecht.
26.
De door het Hof in het arrest PepsiCo gegeven kenmerken van de geïnformeerde gebruiker blijven dus volledig geldig voor modellen die onder artikel 8, lid 3, van verordening nr. 6/2002 vallen. Deze vaststelling lijkt in overeenstemming te zijn met de standpunten van de partijen die in de onderhavige zaak opmerkingen hebben ingediend.
Algemene indruk
27.
Met het derde onderdeel van zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of voor de toepassing van artikel 10 van verordening nr. 6/2002 de algemene indruk die een onder artikel 8, lid 3, van deze verordening vallend model bij de geïnformeerde gebruiker wekt, hoofdzakelijk kan voortvloeien uit technische overwegingen. Het antwoord op deze vraag moet mijns inziens worden genuanceerd, aangezien met dergelijke overwegingen rekening wordt gehouden, zij het op een andere wijze dan door de verwijzende rechter wordt bepleit.
28.
Volgens artikel 10, lid 1, van verordening nr. 6/2002 bepaalt de algemene indruk die een gemeenschapsmodel bij de geïnformeerde gebruiker wekt, de draagwijdte van de bescherming van dat model, in die zin dat elk model dat bij deze gebruiker geen andere algemene indruk wekt, afbreuk doet aan de door het recht op het betrokken model geboden bescherming.
29.
De kenmerken van de geïnformeerde gebruiker zijn die welke zijn vermeld in de punten 19 et 20 van deze conclusie. Hieruit volgt dat de algemene indruk, die voor zover mogelijk moet worden gevormd door een rechtstreekse vergelijking van de conflicterende modellen15., met name het resultaat zal zijn van een hoog aandachtsniveau van deze gebruiker, van zijn uitgebreide kennis van de betrokken sector en van de bestaande modellen, alsook van zijn belangstelling voor de betrokken voortbrengselen16.. Een geïnformeerde gebruiker zal dus, zonder een technisch deskundige te hoeven zijn, de bestanddelen van modellen die gewoonlijk in de voortbrengselen van de betrokken sector voorkomen, kunnen onderscheiden van die welke ‘nieuw’ zijn. De verschillen in innovatieve bestanddelen zullen echter een grotere invloed hebben op de bij een dergelijke gebruiker gewekte algemene indruk dan de gelijkenissen in de gebruikelijke bestanddelen.17.
30.
De verwijzende rechter geeft niet aan wat hij beschouwt als de standaardgebruiker van het voortbrengsel waarop het betrokken model is toegepast.18. Zelfs indien de verwijzende rechter zou oordelen dat de gebruiker van Lego-bouwblokjes typisch een kind19. is, blijft het bijvoeglijk naamwoord ‘geïnformeerd’ echter volledig van toepassing, zodat een dergelijke gebruiker alle in de punten 19 en 20 van deze conclusie genoemde kenmerken behoudt. Wat de modellen van de artikelen betreft die (hoofdzakelijk) voor kinderen bestemd zijn, lijkt het mij bovendien algemeen bekend dat kinderen een kennis- en aandachtsniveau hebben dat ten minste even hoog is als dat van volwassenen. De omstandigheid dat de betrokken modellen zijn ontworpen voor voortbrengselen die voor kinderen bestemd zijn, rechtvaardigt dus geenszins dat aan de geïnformeerde gebruiker van dergelijke voortbrengselen een lager kennisniveau van de betrokken sector of een lager aandachtsniveau wordt toegeschreven.
31.
Voorts staat in overweging 14 van verordening nr. 6/2002 te lezen dat het verschil tussen de algemene indrukken die twee modellen wekken, met name moet worden vastgesteld ‘met inachtneming van de aard van het voortbrengsel waarop het model wordt toegepast’. Wat de modellen betreft die zijn toegepast op voortbrengselen die deel uitmaken van modulaire systemen, kan dus redelijkerwijs worden geoordeeld dat de geïnformeerde gebruiker niet alleen rekening zal houden met de verschijningsvorm van het betrokken voortbrengsel, afzonderlijk beschouwd, maar ook met de verschijningsvorm die dit voortbrengsel na samenvoeging met andere elementen van het systeem zal hebben.
32.
De vaststelling van de algemene indruk die een model bij de geïnformeerde gebruiker wekt, is echter geen doel op zich. Dit is slechts een tussenstap bij de beoordeling van de draagwijdte van de bescherming van een gemeenschapsmodel ten opzichte van een potentieel inbreukmakend model.20. Deze beoordeling komt toe aan de rechter bij wie de procedure aanhangig is gemaakt, die moet ‘kijken door de ogen’ van de geïnformeerde gebruiker om te bepalen of de conflicterende modellen bij een dergelijke gebruiker een andere algemene indruk wekken. Bij zijn beoordeling zal de rechter rekening moeten houden met omstandigheden waarvan de geïnformeerde gebruiker zich mogelijkerwijs niet volledig bewust kan zijn, maar die in aanmerking moeten worden genomen op grond van verordening nr. 6/2002.
33.
Zo sluit artikel 8, leden 1 en 2, van verordening nr. 6/2002 de uiterlijke kenmerken van een voortbrengsel die uitsluitend door de technische functie ervan worden bepaald, van bescherming uit, evenals de uiterlijke kenmerken van een voortbrengsel van ‘verbindingen’. Artikel 8, lid 3, van deze verordening voorziet echter in een uitzondering voor voortbrengselen die binnen een modulair systeem onderling verwisselbaar zijn. Letterlijk gaat het weliswaar alleen om een uitzondering op artikel 8, lid 2, terwijl lid 1 ervan niet wordt genoemd. Het Gerecht heeft evenwel geoordeeld dat, teneinde het nuttig effect van artikel 8, lid 3, van deze verordening te behouden, deze bepaling aldus moet worden uitgelegd dat zij ook een uitzondering vormt op lid 1 van dat artikel wanneer het betrokken model zowel onder lid 2 als onder lid 1 ervan valt.21. Zo genieten de verbindingskenmerken van een voortbrengsel dat deel uitmaakt van een modulair systeem ook bescherming wanneer zij uitsluitend door de technische functie van het voortbrengsel worden bepaald. Zij dragen dus bij tot de algemene indruk die een model bij de geïnformeerde gebruiker wekt.
34.
Daarentegen moet krachtens artikel 10, lid 2, van verordening nr. 6/2002 bij de beoordeling van de draagwijdte van de bescherming rekening worden gehouden met de mate van vrijheid van de ontwerper bij de ontwikkeling van het model.
35.
Het wordt algemeen aanvaard dat technische beperkingen behoren tot de factoren die de vrijheid van de ontwerper kunnen beperken.22. Wat de uiterlijke kenmerken van een voortbrengsel betreft, die volgens de definitie in artikel 8, lid 2, van verordening nr. 6/2002 ‘noodzakelijkerwijs in precies dezelfde vorm en afmetingen gereproduceerd moeten worden’, kan mijns inziens worden aangenomen dat de mate van vrijheid van de ontwerper minimaal of zelfs nihil is. Dit geldt te meer wanneer deze kenmerken uitsluitend worden bepaald door de technische functie van het betrokken voortbrengsel, te weten in casu de verbinding.
36.
Een geringe mate van vrijheid van de ontwerper leidt er niet toe dat een uiterlijk kenmerk van een voortbrengsel volledig wordt uitgesloten van de algemene indruk die het betrokken model bij de geïnformeerde gebruiker wekt.23. Het zal echter van invloed zijn op de vergelijking van de algemene indrukken van de conflicterende modellen volgens hetgeen het Gerecht de ‘omgekeerde evenredigheidsregel’24. noemt. Deze regel bepaalt dat hoe kleiner de vrijheid van de ontwerper is bij de ontwikkeling van een model, des te groter de kans is dat kleine verschillen tussen de betrokken modellen volstaan om bij de geïnformeerde gebruiker een andere algemene indruk te wekken. Dit is hier het geval aangezien, voor zover de gelijkenissen tussen de betrokken modellen gemeenschappelijke kenmerken betreffen en de vrijheid van de ontwerper bij het uitwerken daarvan met name wordt beperkt door technische verplichtingen, deze gelijkenissen slechts van weinig belang zullen zijn voor de algemene indruk die deze modellen bij de geïnformeerde gebruiker wekken.25.
37.
In het geval van modellen die worden toegepast op voortbrengselen die deel uitmaken van een modulair systeem, zoals bouwstenen, verbindingskenmerken of kenmerken die door de technische functie van deze voortbrengselen worden bepaald, kunnen zij een groot deel van de uiterlijke kenmerken van die voortbrengselen weergeven.26. Deze kenmerken blijven beschermd op grond van de uitzondering van artikel 8, lid 3, van verordening nr. 6/2002. Aangezien de vrijheid van de ontwerper bij de ontwikkeling ervan zeer beperkt is, zal de invloed ervan op de vergelijking van de algemene indrukken die de conflicterende modellen bij de geïnformeerde gebruiker wekken, echter sterk worden beperkt. Bijgevolg kunnen minieme verschillen tussen de betrokken modellen verhinderen dat moet worden vastgesteld dat er sprake is van een inbreuk.
38.
Om de doeltreffendheid van artikel 8, lid 3, van verordening nr. 6/2002 ten volle te behouden, rijst dus de vraag of deze bepaling niet ook als een uitzondering op artikel 10, lid 2, van deze verordening moet worden uitgelegd. Volgens mij dient deze vraag echter ontkennend te worden beantwoord.
39.
Ten eerste is het wel juist dat het Gerecht heeft geoordeeld dat artikel 8, lid 3, van verordening nr. 6/2002, dat volgens de bewoordingen ervan uitsluitend afwijkt van lid 2 van dat artikel, moet worden gelezen als een afwijking van lid 1 ervan27., maar de onderhavige situatie verschilt van die waarop artikel 10, lid 2, van die verordening ziet.
40.
De leden 1 en 2 van artikel 8 van verordening nr. 6/2002 hebben namelijk beide betrekking op dezelfde problematiek, namelijk het vermogen om te worden beschermd door twee categorieën uiterlijke kenmerken van voortbrengselen: die welke uitsluitend worden bepaald door de technische functie en de verbinding. Het is derhalve gerechtvaardigd de uitzondering voor deze tweede categorie uit te breiden tot de kenmerken die zowel tot de tweede als tot de eerste categorie behoren. Anders zou deze uitzondering asymmetrisch worden toegepast, in die zin dat zij enkel ten goede komt aan de in artikel 8, lid 2, van verordening nr. 6/2002 bedoelde kenmerken, die niet tegelijkertijd onder lid 1 van dat artikel vallen, terwijl lid 3 van dat artikel van toepassing is op alle kenmerken die onder lid 2 ervan vallen.28. Aangezien verbindingskenmerken vaak uitsluitend door hun technische functie worden bepaald29., zou het nuttig effect van artikel 8, lid 3, van verordening nr. 6/2002 daardoor sterk worden afgezwakt.
41.
Dit geldt niet voor artikel 10, lid 2, van verordening nr. 6/2002. Deze bepaling heeft betrekking op een andere problematiek, namelijk het in aanmerking nemen, bij de beoordeling van de draagwijdte van de bescherming, van de mate van vrijheid van de ontwerper van het betrokken gemeenschapsmodel. Deze bepaling is niet alleen van toepassing op modellen die onder artikel 8, lid 3, van deze verordening vallen, maar op alle modellen zonder onderscheid, en de vrijheid van de ontwerper kan ook worden beperkt door andere factoren dan technische verplichtingen. Er bestaat dus geen risico van een asymmetrische toepassing van die bepaling. Bij gebreke van enige aanwijzing in die zin in die verordening, hoeven de onder artikel 8, lid 3, van die verordening vallende modellen dus niet te worden uitgesloten van de toepassing van artikel 10, lid 2, van die verordening.
42.
Ten tweede wordt deze vaststelling versterkt door de bewoordingen zelf van artikel 8, lid 3, van verordening nr. 6/2002. Deze bepaling vereist immers dat de modellen die daaronder vallen, teneinde te worden beschermd, met name moeten voldoen aan de voorwaarde van artikel 6 van deze verordening, dat wil zeggen dat zij een eigen karakter dienen te hebben. Dit eigen karakter wordt beoordeeld met betrekking tot elk model dat beschikbaar is gesteld vóór de indiening van de aanvraag tot inschrijving van een ingeschreven model (of eventueel vóór de datum van voorrang waarop aanspraak wordt gemaakt). Artikel 6, lid 2, van die verordening bevat een regel die vergelijkbaar is met die van artikel 10, lid 2, ervan, op grond waarvan bij de beoordeling van het eigen karakter rekening wordt gehouden met de mate van vrijheid van de ontwerper.
43.
Volgens het wederkerigheidsbeginsel30. is de overeenkomstig artikel 10 van verordening nr. 6/2002 vastgestelde reikwijdte van de bescherming de tegenhanger van het eigen karakter van het betrokken model, dat wordt beoordeeld overeenkomstig artikel 6 van deze verordening. Er kunnen dus geen modellen bestaan waarvoor de draagwijdte van de bescherming ten opzichte van potentieel inbreukmakende modellen wordt bepaald aan de hand van minder strenge regels dan die volgens welke het eigen karakter ervan wordt beoordeeld ten opzichte van oudere modellen. Dat zou het geval zijn indien de mate van vrijheid van de ontwerper in aanmerking zou worden genomen bij de beoordeling van het eigen karakter, met als gevolg dat de drempel voor het verschil dat vereist is om als zodanig te worden aangemerkt, zou worden verlaagd, en dat niet het geval zou zijn bij de beoordeling van de draagwijdte van de bescherming, met als gevolg dat de drempel voor het verschil dat noodzakelijk is om te verhinderen dat wordt vastgesteld dat sprake is van een inbreuk, wordt verhoogd.
44.
Dit zou tot een absurd resultaat leiden. Een ouder model zou bij de geïnformeerde gebruiker immers een algemene indruk kunnen wekken die verschilt van die welke wordt gewekt door een ander ingeschreven model of waarvan inschrijving wordt aangevraagd, waardoor enerzijds deze inschrijving of de geldigheid van het model31. niet zou kunnen worden betwist, maar het anderzijds als inbreukmakend op datzelfde ingeschreven model zou kunnen worden aangemerkt. De houder van het ingeschreven model zou dus in staat zijn om oudere modellen van de markt uit te sluiten, zonder dat de eigenaren ervan de geldigheid van dit ingeschreven model zouden kunnen betwisten.
45.
Het wederkerigheidsbeginsel vereist dus dat de mate van vrijheid van de ontwerper in aanmerking wordt genomen voor alle modellen, met inbegrip van die welke onder artikel 8, lid 3, van verordening nr. 6/2002 vallen, zowel bij de beoordeling van het eigen karakter als bij de beoordeling van de omvang van de bescherming.
46.
Ten derde maakt artikel 8, lid 3, van verordening nr. 6/2002 het tot slot weliswaar mogelijk om modellen die worden toegepast op onderling verwisselbare voortbrengselen binnen een modulair systeem te beschermen ondanks de functionele uiterlijke kenmerken van deze voortbrengselen, maar de algemene doelstelling van deze verordening blijft die van overweging 10 ervan, namelijk dat de technologische innovatie of de interoperabiliteit van voortbrengselen van verschillend fabricaat niet worden gehinderd door de bescherming uit te breiden tot kenmerken die uitsluitend door een technische functie worden bepaald of die mechanische samenvoegingen mogelijk maken.
47.
Deze doelstelling zou echter in gevaar komen indien de op samenvoeging of verbinding gerichte kenmerken van de voortbrengselen die deel uitmaken van een modulair systeem, die in deze verschijningsvorm vaak overwegend voorkomen, beslissend zouden kunnen zijn voor de algemene indruk die bij de geïnformeerde gebruiker wordt gewekt om de draagwijdte van de bescherming van de betrokken modellen te beoordelen. Door in het kader van die uitoefening rekening te houden met de mate van vrijheid van de ontwerper, kan dit doel mijns inziens worden bereikt, zonder afbreuk te doen aan het nuttig effect van de uitzondering van artikel 8, lid 3, van verordening nr. 6/2002.
Beantwoording van de eerste prejudiciële vraag
48.
Gelet op de in het verzoek om een prejudiciële beslissing verstrekte informatie is het juist de betrachting om de in punt 46 van deze conclusie vermelde doelstelling te behouden die de verwijzende rechter ertoe heeft gebracht zich af te vragen of het wel opportuun is om ter bepaling van de draagwijdte van de bescherming van modellen die onder artikel 8, lid 3, van verordening nr. 6/2002 vallen, specifieke criteria toe te passen, rekening houdend met de specifieke kenmerken van deze modellen.
49.
Zoals uit de voorgaande overwegingen volgt, ben ik evenwel van mening dat deze doelstelling nu juist kan worden bereikt door de bepalingen van verordening nr. 6/2002, zoals uitgelegd door de rechterlijke instanties van de Unie, strikt en volledig toe te passen, en tegelijkertijd het nuttig effect van artikel 8, lid 3, van deze verordening te behouden.
50.
Ik stel derhalve voor om op de eerste prejudiciële vraag te antwoorden dat artikel 10 van verordening nr. 6/2002 aldus moet worden uitgelegd dat de draagwijdte van de bescherming van een model dat onder artikel 8, lid 3, van deze verordening valt, wordt bepaald aan de hand van de algemene indruk die dit model wekt bij een geïnformeerde gebruiker die, zonder een ontwerper of een technisch deskundige te zijn, verschillende in de betrokken sector bestaande modellen kent, een zekere kennis bezit met betrekking tot de elementen die deze modellen over het algemeen bevatten, en door zijn belangstelling voor de betrokken voortbrengselen blijk geeft van een vrij hoog aandachtsniveau wanneer hij deze gebruikt als onderdelen van het modulaire systeem waarvan zij deel uitmaken. Bij het beoordelen van de draagwijdte van de bescherming wordt rekening gehouden met de mate van vrijheid van de ontwerper van het betrokken model, met inbegrip van de ontwikkeling van de uiterlijke kenmerken van het voortbrengsel die noodzakelijk zijn voor de verbinding.
Conclusie
51.
Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging de eerste prejudiciële vraag van de Fővárosi Törvényszék te beantwoorden als volgt:
‘Artikel 10 van verordening (EG) nr. 6/2002 van de Raad van 12 december 2001 betreffende gemeenschapsmodellen
moet aldus worden uitgelegd dat
de draagwijdte van de onder artikel 8, lid 3, van deze verordening vallende bescherming van een model wordt bepaald aan de hand van de algemene indruk die dit model wekt bij een geïnformeerde gebruiker die, zonder een ontwerper of een technisch deskundige te zijn, verschillende in de betrokken sector bestaande modellen kent, een zekere kennis bezit met betrekking tot de elementen die deze modellen over het algemeen bevatten, en door zijn belangstelling voor de betrokken voortbrengselen blijk geeft van een vrij hoog aandachtsniveau wanneer hij deze gebruikt als onderdelen van het modulaire systeem waarvan zij deel uitmaken. Bij het beoordelen van de draagwijdte van de bescherming wordt rekening gehouden met de mate van vrijheid van de ontwerper van het betrokken model, met inbegrip van de ontwikkeling van de uiterlijke kenmerken van het voortbrengsel die noodzakelijk zijn voor de verbinding.’
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 06‑03‑2025
Oorspronkelijke taal: Frans.
Over de geschiedenis van de bescherming van het Lego-systeem door het intellectuele-eigendomsrecht, zie met name Hunter, D., en Thomas, J., ‘Lego and the System of Intellectual Property, 1955–2015’, Intellectual Property Quarterly, 2016, nr. 1, blz. 1–18.
Zie met betrekking tot het merkenrecht van de Unie het arrest van 14 september 2010, Lego Juris/BHIM (C-48/09 P, EU:C:2010:516).
Zie met name arrest van 24 maart 2021, Lego/EUIPO — Delta Sport Handelskontor (Bouwsteen van een speelmodule) (T-515/19, EU:T:2021:155).
PB 2002, L 3, blz. 1.
Dit onderdeel is opgenomen in de Lego-catalogus onder de naam ‘Technic, Axle and pin connector hub with 2 perpendicular axles’.
Dit onderdeel is opgenomen in de Lego-catalogus onder de naam ‘Brick, modified 1 x 2 with studs on 1 side’.
Zie met name arrest van 22 juni 2016, Nikolajeva (C-280/15, EU:C:2016:467, punt 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie over het begrip ‘geïnformeerde gebruiker’ in het Unierecht inzake modellen met name Stone, D., European Union Design Law: A Practitioners' Guide, Oxford University Press, 2016, blz. 209–229.
Arrest van 20 oktober 2011 (C-281/10 P, EU:C:2011:679; hierna: ‘arrest PepsiCo’).
Arrest PepsiCo (punt 53).
Arrest PepsiCo (punt 59).
Dit beginsel wordt samengevat als volgt: ‘Datgene wat zich verzet (tegen de bescherming van een model) indien het eerder is ingeschreven, maakt inbreuk indien het later is ingeschreven’. Zie over het wederkerigheidsbeginsel met name Hartwig, H., ‘Reciprocity in European design law’, in Hartwig, H., (ed.), Research handbook on design law, Edward Elgar Publishing, 2021, blz. 119.
Zie in die zin arrest van 18 maart 2010, Grupo Promer Mon Graphic/BHIM — PepsiCo (Weergave van cirkelvormige reclamedrager) (T-9/07, EU:T:2010:96, punt 50), en de conclusie van advocaat-generaal Mengozzi in de zaak PepsiCo/Grupo Promer Mon Graphic (C-281/10 P, EU:C:2011:302, punt 73).
Arrest PepsiCo (punt 55).
Arrest PepsiCo (punten 53 en 59).
Zie in die zin arrest van 18 maart 2010, Grupo Promer Mon Graphic/BHIM — PepsiCo (Weergave van cirkelvormige reclamedrager) (T-9/07, EU:T:2010:96, punten 72–82).
Overigens wordt in de rechtsleer vaak kritiek geuit op de praktijk om de geïnformeerde gebruiker te personaliseren door hem de kenmerken van een echte persoon te geven. De figuur van de geïnformeerde gebruiker is immers een juridisch concept en werkt op een hoger abstractieniveau. Zie met name Stone, D., European Union Design Law: A Practitioners' Guide, op. cit., blz. 219.
Naar analogie van wat het Hof heeft erkend in het arrest PepsiCo (punt 54).
De draagwijdte van de bescherming bestaat niet in abstracto. Volgens artikel 10 van verordening nr. 6/2002 wordt zij altijd beoordeeld ten opzichte van een ander model.
Zie in die zin arrest van 24 maart 2021, Lego/EUIPO — Delta Sport Handelskontor (Bouwsteen van een speelmodule) (T-515/19, EU:T:2021:155, punt 80).
Arresten van 18 maart 2010, Grupo Promer Mon Graphic/BHIM — PepsiCo (Weergave van cirkelvormige reclamedrager) (T-9/07, EU:T:2010:96, punt 67), en 6 september 2023, Cayago Tec/EUIPO — iAqua (Shenzhen) (Waterscooters, motorboten) (T-377/22, EU:T:2023:504, punt 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Zie ook de conclusie van advocaat-generaal Mengozzi in de zaak PepsiCo/Grupo Promer Mon Graphic (C-281/10 P, EU:C:2011:302, punt 31).
Arrest van 6 september 2023, Cayago Tec/EUIPO — iAqua (Shenzhen) (Waterscooters, motorboten) (T-377/22, EU:T:2023:504, punt 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Arrest van 18 maart 2010, Grupo Promer Mon Graphic/BHIM — PepsiCo (Weergave van cirkelvormige reclamedrager) (T-9/07, EU:T:2010:96, punten 67 en 72).
Ter illustratie: in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 24 maart 2021, Lego/EUIPO — Delta Sport Handelskontor (Bouwsteen van een speelmodule) (T-515/19, EU:T:2021:155), had de kamer van beroep van het EUIPO zes uiterlijke kenmerken geïdentificeerd van het betrokken voortbrengsel (een ander Legoblokje dan die in het hoofdgeding aan de orde zijn), die alle uitsluitend door de technische functie ervan werden bepaald. Vervolgens heeft het Gerecht één enkel aanvullend kenmerk vastgesteld, waarvan het heeft geoordeeld dat dit niet werd bepaald door de technische functie van dat voortbrengsel (punten 102–114 van dat arrest).
Arrest van 24 maart 2021, Lego/EUIPO — Delta Sport Handelskontor (Bouwsteen van een speelmodule) (T-515/19, EU:T:2021:155, punt 80).
Zie in die zin arrest van 24 maart 2021, Lego/EUIPO — Delta Sport Handelskontor (Bouwsteen van een speelmodule) (T-515/19, EU:T:2021:155, punten 77–79).
Zie punt 37 van deze conclusie.
Zie punt 21 van deze conclusie.