Einde inhoudsopgave
Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) 2004/6.4.3.3
6.4.3.3 Ambtshalve toepassing door andere rechters
K. Teuben, datum 02-12-2004
- Datum
02-12-2004
- Auteur
K. Teuben
- JCDI
JCDI:ADS578290:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie over beleidsruimte van de rechter uitgebreider § 4.4.2.2 en § 4.4.2.3.
Zie § 6.4.2.
Aldus HR 4 aprü 1997 (Van Schaik/Verboom), NJ 1998, 220 m.nt. HJS. Zie hierover ook § 5.3.2.
Zie hierover Snijders, Ynzonides & Meijer 2002, nr. 383.
Zie Snijders 2003, art. 1020, aant. 9.
Zie hierover Von Hombracht-Brinkman 1994, p. 8-9.
Zie HR 17 januari 2003 (IMS/Modsaf-IR), NJ 2004, 384 m.nt. HJS; HR 28 september 1990 (Huybregts/Van Tuyl), NJ 1991, 230 m.nt. JBMV; zie voorts de MvT bij art. 1065 Rv, TvA 1984, afl. 4a, p. 46.
Zie § 6.2.3.3, onder b.
Zij het dat de vernietigingsrechter bij zijn onderzoek of het scheidsgerecht de procedureregels heeft nageleefd, terughoudendheid zal moeten betrachten (aldus HR 17 januari 2003 (IMS/Modsaf-IR), N] 2004, 384 m.nt. HJS).
Tenzij (tevens) sprake is van strijd met de openbare orde; aangenomen wordt dat de vernietigingsrechter aan deze vernietigingsgrond wél ambtshalve moet toetsen. Zie hierover Sanders 2001, p. 190-191; Snijders 2003, art. 1064, aant. 3.
Zie § 6.2.3.5.
De rechtsverhouding tussen arbiters en partijen is immers te beschouwen als een overeenkomst van opdracht (art. 7:400 BW). Zie hierover Snijders 2003, art. 1029, aant. 1; Von Hombracht-Brinkman 1994, p. 7-13.
Vgl. Burgerlijke Rechtsvordering (Asser), art. 48 Rv (oud), aant. 7; Snijders, Ynzonides & Meijer 2002, nr. 45.
Zie hierover Uniken Venema 2001, p. 141-143.
Een eventuele verplichting tot ambtshalve toepassing ligt met name gecompliceerd wanneer het gaat om andere rechters dan degenen die een rechtersregeling hebben vastgesteld. In § 6.2.3.3 is geconcludeerd dat een hogere rechter nooit 'direct' gebonden kan zijn aan een rechtersregeling van de lagere rechter, in die zin dat hij deze bij het nemen van eigen beslissingen toe zou moeten passen, laat staan ambtshalve. Wel kan een van de lagere rechter afkomstige rechtersregeling in bepaalde gevallen een 'indirecte' binding voor de hogere rechter opleveren. Deze vorm van gebondenheid bestaat voor de appèlrechter bij de beoordeling van bepaalde procedurele beslissingen van de lagere rechter, en voor de cassatierechter in meer algemene zin bij de beoordeling van beslissingen waarbij de feitenrechter beleidsruimte1 heeft, bijvoorbeeld omdat laatstgenoemde beschikt over een discretionaire bevoegdheid of de hoogte van een vergoeding moet vaststellen. De appèl- of cassatierechter dient in deze gevallen de beslissing van de lagere rechter aan diens rechtersregeling te toetsen. De vraag is nu, of hij dit ook ambtshalve moet doen. Anders geformuleerd: brengt art. 25 Rv mee dat de hogere rechter ambtshalve moet nagaan of de lagere rechter een voor hém geldende rechtersregeling correct heeft toegepast?
Terzijde zij opgemerkt dat het praktisch belang van deze vraag niet zeer groot zal zijn. Eerder werd er al op gewezen dat een verplichting tot ambtshalve toepassing van rechtersregelingen in het algemeen slechts zal bestaan binnen de grenzen van de rechtsstrijd. Deze grenzen worden in appèl en cassatie nader afgebakend door de aangevoerde grieven en cassatiemiddelen.2 Ambtshalve toepassing van een rechtersregeling (althans ten gunste van appellant, c.q. eiser tot cassatie) zou zich in dit verband dus slechts kunnen voordoen in gevallen waarin tegen een beslissing waarbij de lagere rechter een rechtersregeling (niet) heeft toegepast, wél een grief of cassatiemiddel is gericht, terwijl daarin niet met zoveel woorden een beroep op de desbetreffende rechtersregeling is gedaan.
Ook bij de beantwoording van de hier besproken vraag kan weer een vergelijking worden gemaakt met beleidsregels, ten aanzien waarvan door de Hoge Raad géén verplichting tot ambtshalve toepassing is aangenomen. Zojuist kwam al naar voren dat de achtergrond hiervan waarschijnlijk gezocht moet worden in het feit dat de rechter niet geacht kan worden alle beleidsregels van het bestuur te kennen. Op het eerste gezicht vormt dit ook een sterk argument tégen een verplichting tot ambtshalve toepassing van een rechtersregeling door andere (hogere) rechters. Zij zijn immers niet bij vaststelling van die regeling betrokken geweest, dus het is de vraag in hoeverre ze van het bestaan daarvan op de hoogte (kunnen) zijn.
Hierbij moet evenwel worden bedacht dat het in elk geval steeds gaat om behoorlijk bekendgemaakte rechtersregelingen. Is een rechtersregeling niet behoorlijk bekendgemaakt dan is deze noch bindend, noch recht in de zin van art. 79 RO, zodat in dat geval de vraag naar ambtshalve toepassing in het geheel niet meer aan de orde komt. Bovendien zullen, zo is althans in § 5.3.2 betoogd, aan rechtersregelingen op het punt van bekendmaking in het algemeen strengere eisen moeten worden gesteld dan aan beleidsregels. De daadwerkelijke kenbaarheid van een rechtersregeling voor andere rechters lijkt dus groter te zijn dan bij beleidsregels het geval is.
Nu is het wel zo dat bij rechtersregelingen die slechts plaatselijk gelden - en deze kunnen óók recht in de zin van art. 79 RO vormen - bekendmaking via toezending aan alle procureurs binnen het arrondissement in het algemeen afdoende is te achten.3 In dat geval is uiteraard twijfelachtig of ook de hogere rechter zo'n rechtersregeling daadwerkelijk zal kennen. Het gaat echter ook dan om een regeling die binnen de rechterlijke macht tot stand is gebracht (anders dan bij een beleidsregel, die door de uitvoerende macht wordt vastgesteld). Hoewel van de rechter niet gevergd kan worden dat hij (ambtshalve) inzicht heeft in de situatie binnen het bestuur, kan dit ten aanzien van de situatie binnen de rechterlijke macht mijns inziens wél worden verwacht. Anders geformuleerd: de hogere rechter kan in elk geval geacht worden de rechtersregelingen van andere rechters of gerechten te kennen, ook al is hij daarvan in werkelijkheid wellicht niet op de hoogte. Dit alles wijst in de richting van het aannemen van een verplichting tot ambtshalve toepassing door de hogere rechter.
Met betrekking tot de hier besproken vraag kan, behalve met beleidsregels, voorts een vergelijking worden gemaakt met de arbitrage. Niet alleen over-heidsrechters, maar ook arbiters (en/of de partijen bij arbitrage) kunnen namelijk eigen (aanvullende) procedureregels vaststellen.4 Wanneer partijen arbitrage door een regulier arbitrage-instituut zijn overeengekomen (institutionele arbitrage), zijn deze procedureregels doorgaans neergelegd in een reglement van het desbetreffende arbitrage-instituut.5 Dit reglement maakt deel uit van de 'opdracht' van partijen aan het scheidsgerecht (vgl. art. 1020 lid 6 jo. art. 1036 Rv).6
Wanneer nu het scheidsgerecht een of meer bepalingen van zijn procesreglement schendt, kan een partij in beginsel bij de gewone rechter een vordering tot vernietiging van het door het scheidsgerecht gewezen vonnis instellen. De vordering kan gebaseerd worden op de grond dat het scheidsgerecht zich niet aan zijn opdracht heeft gehouden (art. 1065 lid 1 sub c Rv).7
Het procesreglement van een scheidsgerecht zou men kunnen vergelijken met een rechtersregeling die door de rechter(s) in eerste aanleg is vastgesteld, meer in het bijzonder met een rolreglement. De rol die beide regelingen spleen wanneer de beslissing van de rechtstreeks daaraan gebonden personen (rechters, dan wel arbiters) door een andere rechter moet worden beoordeeld, blijkt eveneens overeenkomstig te zijn: in een gewone civiele procedure dient de appèlrechter, dan wel de Hoge Raad, beslissingen van de rolrechter aan het toepasselijke rolreglement te toetsen;8 bij arbitrage is het de vernietigingsrechter die moet beoordelen of het handelen van het scheidsgerecht in overeenstemming met het reglement is.9 Hierbij toetst de vernietigingsrechter niet ambtshalve of het reglement door het scheidsgerecht geschonden is; de belanghebbende partij moet daar een beroep op doen (vgl. art. 1064 lid 5 Rv).10 Kan, parallel hieraan, nu gesteld worden dat bij een rechtersregeling de hogere rechter de aangevallen uitspraak ook niet ambtshalve aan die regeling mag toetsen? Ook een rechtersregeling heeft immers in beginsel 'relatieve' werking, namelijk tussen de rechters die deze hebben vastgesteld en de procespartijen.11
Het essentiële verschil tussen beide gevallen is gelegen in het feit dat bij arbitrage sprake is van een overeenkomst ('opdracht')12 tussen partijen en het scheidsgerecht, waarvan een procesreglement een onderdeel kan zijn. Daarvan uitgaand is het in zekere zin logisch dat partijen zich op de eventuele schending van dat reglement moeten beroepen. In een gewone civiele procedure moet op contractuele bedingen door de belanghebbende partij eveneens een beroep worden gedaan: de rechter mag zijn beslissing niet baseren op een tussen partijen overeengekomen contractsclausule als de belanghebbende partij deze niet aan haar vordering ten grondslag heeft gelegd (anders zou sprake zijn van een verboden aanvulling van feiten).13 Een rechtersregeling lijkt echter niet op analoge wijze als een 'overeenkomst' tussen partijen en de rechter beschouwd te kunnen worden. Rechtersregelingen worden immers eenzijdig door rechters vastgesteld en de overheidsrechter is - anders dan arbiters -niet door partijen 'ingehuurd'. Aan het eenzijdige karakter van rechtersregelingen doet voorts niet af dat in sommige gevallen (bijvoorbeeld bij het landelijk rolreglement14) vóór de totstandkoming daarvan afsterruning met de betrokken partijen, althans hun procesvertegenwoordigers, heeft plaatsgevonden. Bij nadere beschouwing is de toetsing door de vernietigingsrechter bij arbitrage dan ook niet zodanig vergelijkbaar dat daaruit moet volgen dat voor de appèl-of cassatierechter geen verplichting tot ambtshalve toepassing van een rechtersregeling kan bestaan.