De civielrechtelijke zorgplicht van de beleggingsdienstverlener jegens de niet-particuliere cliënt
Einde inhoudsopgave
De civielrechtelijke zorgplicht van de beleggingsdienstverlener (O&R nr. 101) 2017/2.3.4.0:2.3.4.0 Introductie
De civielrechtelijke zorgplicht van de beleggingsdienstverlener (O&R nr. 101) 2017/2.3.4.0
2.3.4.0 Introductie
Documentgegevens:
I.P.M.J. Janssen, datum 01-03-2017
- Datum
01-03-2017
- Auteur
I.P.M.J. Janssen
- JCDI
JCDI:ADS372710:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Bijlage II MiFID (Bijlage II MiFID II); artikel 4:18b en artikel 4:18c Wft.
Kamerstukken II 2006/07, 31086, 3, p. 114 (MvT).
Artikel 28 lid 1 uitvoeringsrichtlijn MiFID (artikel 45 lid 1 gedelegeerde verordening MiFID II); artikel 4:18a lid 1 Wft.
Kamerstukken II 2006/07, 31086, 3, p. 23 (MvT).
Bierens 2010, p. 323.
Bierens 2010, p. 323.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Onder omstandigheden bestaat voor de cliënt de mogelijkheid om te wisselen van cliëntcategorie. Dit betekent dat de cliënt tot een andere cliëntcategorie gaat behoren dan de categorie waartoe hij in eerste instantie volgens het systeem van de cliëntclassificatie, behoort. De cliënt kan voor zowel een specifieke beleggingsdienst of -transactie alsook voor beleggingsdienstverlening in het algemeen van categorie wisselen.1
Het wisselen van cliëntcategorie kan op twee manieren. Er bestaat zowel de mogelijkheid tot opt up als de mogelijkheid van opt down. Bij opt up deelt de beleggingsdienstverlener de cliënt in een hogere cliëntcategorie in, waardoor het beschermingsniveau dat de cliënt geniet, daalt.2 Bij opt down opteert de cliënt voor een lagere cliëntcategorie, wat ten gevolge heeft dat het beschermingsniveau juist stijgt. De cliënt is altijd op de hoogte van deze mogelijkheid omdat de beleggingsdienstverlener hem bij de initiële kwalificatie moet informeren over de mogelijkheid om te wisselen van cliëntcategorie. Deze informatie moet op een duurzame drager verstrekt worden.3
Alhoewel de cliënt altijd de mogelijkheid heeft om te verzoeken om een opt up of opt down, is de beleggingsdienstverlener niet verplicht om dit verzoek te accepteren.4 De beleggingsdienstverlener kan er om verschillende redenen bij gebaat zijn om geen gehoor te geven aan een verzoek tot opt up of opt down. Indien een beleggingsdienstverlener een verzoek namelijk accepteert, leidt dit ertoe dat hij binnen een bedrijfsonderdeel diensten verleent aan cliënten die een verschillend niveau van bescherming verdienen. Dit leidt tot complexe en kostbare beheersprocessen. Voor grote beleggingsdienstverleners is het dan praktischer om cliënten met dezelfde kwalificatie binnen een bedrijfsonderdeel te groeperen. Bij nichebeleggingsdienstverleners ligt dit echter lastiger. Vanwege hun kleine schaalgrootte zijn zij niet in de gelegenheid om te differentiëren naar de verschillende kwalificaties. Om het beheersproces in toom te houden, zou het voor hen wellicht beter zijn om de mogelijkheid van opt up uit te sluiten en iedere cliënt als niet-professionele cliënt aan te merken. Zij moeten dan bij al hun cliënten het hoogste beschermingsniveau in acht nemen. Deze aanpak heeft wel als nadeel dat het veel kosten oplevert voor de beleggingsdienstverlener omdat zij veel verplichtingen moet naleven.5 Een ander nadeel van het wisselen van cliëntcategorie, meer specifiek een opt up, is dat de beleggingsdienstverlener onderzoek moet doen, waarover hij vervolgens moet corresponderen en dit moet documenteren. Dat levert een belasting van de backoffice op.6 De mogelijkheid tot het wisselen van cliëntcategorie is voor de beleggingsdienstverlener dus niet altijd gunstig. In de deelparagrafen zet ik de verschillende mogelijkheden hiervan uiteen. De mogelijkheden tot opt up komen eerst aan bod, waarna de mogelijkheden tot opt down volgen.
Deze figuur is gebaseerd op de figuur zoals opgenomen in Hoofdlijnen Wft.