Op 3 april 2023 is door het hof een nadere (herstel) bewijsoverweging aan het arrest toegevoegd. Deze is voor de beoordeling van het middel niet relevant en laat ik daarom hier buiten beschouwing.
HR, 08-04-2025, nr. 22/04383
ECLI:NL:HR:2025:534
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
08-04-2025
- Zaaknummer
22/04383
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Bijzonder strafrecht (V)
Materieel strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:534, Uitspraak, Hoge Raad, 08‑04‑2025; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:162
In cassatie op: ECLI:NL:GHDHA:2022:2792
ECLI:NL:PHR:2025:162, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 11‑02‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:534
Beroepschrift, Hoge Raad, 22‑06‑2023
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2025-0135
NJ 2025/232 met annotatie van H.D. Wolswijk
Uitspraak 08‑04‑2025
Inhoudsindicatie
Eendaadse samenloop van medeplegen invoeren van cocaïne (art. 2.A Opiumwet) en voorbereidingshandelingen t.a.v. vervoeren en invoeren van cocaïne (art. 10a.1.2 Opiumwet) door 754 kilogram cocaïne in container met bananen per schip vanuit Equador naar Rotterdam te vervoeren en vervolgens (nadat grootste deel van cocaïne, afgezien van teruggeplaatst monster van 10 gram, door politie in beslag is genomen) container naar loods in Rozenburg te vervoeren, en medeplegen diefstal d.m.v. valse sleutels van container met bananen door als beroepschauffeur container op te halen in haven van Rotterdam (art. 311.1 Sr). 1. Bewijsklacht Opiumwetfeiten t.a.v. (voorwaardelijk) opzet. 2. Bewijsklacht diefstal t.a.v. oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening. Ad 1. Hof heeft o.g.v. zijn vaststellingen geoordeeld dat verdachte “heeft moeten vermoeden dat het om illegale activiteiten ging die te maken hadden met invoer van verdovende middelen”. ’s Hofs kennelijke oordeel dat daaruit volgt dat verdachte de aanmerkelijke kans dat hij zich schuldig maakte aan medeplegen invoer van cocaïne, bewust heeft aanvaard, is niet zonder meer begrijpelijk. Ad 2. Hof heeft vastgesteld dat verdachte bij het ophalen van container in haven van Rotterdam een pincode heeft gebruikt die opdrachtgever van transport hem had verstrekt. Hof heeft hierover overwogen dat het niet anders kan dan dat verdachte, die container waarin cocaïne was verstopt kwam ophalen, wist dat pincode op wederrechtelijke wijze in handen van organisatie was gekomen en daarom oogmerk van verdachte gericht was op wederrechtelijke toe-eigening van container. Dit oordeel is zonder nadere toelichting niet toereikend gemotiveerd. Volgt vernietiging en terugwijzing. Samenhang met 22/04274.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/04383
Datum 8 april 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 9 november 2022, nummer 22-001129-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978 ,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft S.J. van der Woude, advocaat in Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt over de bewezenverklaring van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde voor zover het hof heeft bewezenverklaard dat de verdachte opzettelijk heeft gehandeld.
2.2.1
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“1. hij in de periode van 9 augustus 2019 tot en met 12 augustus 2019 te [plaats] en [plaats]
tezamen en in vereniging met anderen
opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
2. hij omstreeks te periode van 9 augustus 2019 tot en met 12 augustus 2019 in Nederland
tezamen en in vereniging met anderen
om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk vervoeren en binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen,
- zich gelegenheid en middelen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen, en
- voorwerpen en/of vervoermiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven bedoelde feit
hebbende verdachte en zijn, verdachtes, mededaders,
- gecrypte telefoons voorhanden gehad en
- pallets met bananen gekocht en besteld en laten afleveren (in de loods aan [a-straat 1] te [plaats] ) en
- pallets met bananen klaargezet (als wissellading) en aanwezig gehad (in de loods aan [a-straat 1] te [plaats] ) en
- een vorkheftruck voorhanden gehad (in de loods aan [a-straat 1] te [plaats] ) en
- een trekker en een chassis en een vrachtwagen ter beschikking gehad en
- (vervolgens) een container naar een loods aan [a-straat 1] te [plaats] gebracht en
- voertuigen met een verborgen ruimte klaargezet, te weten een Volkswagen Transporter met [kenteken] en een Citroën Jumper met [kenteken] ; en
- de (douane)verzegeling van de container TTNU 8089029-9 verbroken;
3. hij op 12 augustus 2019 te [plaats]
tezamen en in vereniging met een ander
met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening (vanaf de ECT [locatie] aan de [b-straat] ) heeft weggenomen een container (met nummer TTNU 8089029-9, inhoudende pallets met bananen), toebehorende aan een ander dan aan hem, verdachte en/of zijn mededader, waarbij verdachte en zijn mededader het weg te nemen goed onder hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten door met een (valselijk verkregen) pincode, die hij, verdachte en zijn mededader niet gerechtigd waren te gebruiken, die container (met pallets met bananen) van de ECT [locatie] op te halen en/of weg te voeren.”
2.2.2
Deze bewezenverklaring steunt op onder meer de volgende bewijsmiddelen:
“23. Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 13 augustus 2019 van de politie Eenheid Rotterdam met nummer 1908131008.VEYIGB78. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (...):
als de op 13 augustus 2019 afgelegde verklaring van de verdachte:
Ik heb een eigen transportfirma, [A] . Ik heb het bedrijf samen met mijn echtgenote. Ik ben ook een chauffeur. Ik kreeg gisteren een opdracht over een containernummer met pincode. Ik heb het containernummer en pincode gekregen toen ik ongeveer de haven was genaderd, rond 5:20 uur in de ochtend. Ik heb het containernummer en pincode van [betrokkene 1] gekregen. Toen was ik al onderweg, naar de ECT.
Ik heb woensdag met [betrokkene 2] gesproken en die heeft mij telefonisch aan [betrokkene 1] voorgesteld. [betrokkene 1] had mij gevraagd om een proeftransport te doen. Ik heb vorige week woensdag voor het eerst telefonisch contact met [betrokkene 1] gehad. Ik ben gisteren om 5:20 uur in de ochtend door [betrokkene 1] gebeld en die gaf mij de pincode en het containernummer. Vervolgens heb ik om 6:20 uur geprobeerd om de container op het ECT terrein op te halen, maar er zat een foutmelding op de container. Ik heb [betrokkene 1] gebeld. Ik dacht er eerst aan om naar de infobalie te gaan, maar [betrokkene 1] zei dat ik moest wachten. [betrokkene 1] heeft mij gebeld en zei dat ik het nog een keer moest proberen. Toen heb ik het rond 9 uur nogmaals geprobeerd. Voor die tijd heb ik geprobeerd om van het terrein af te komen omdat ik geen opdracht had. Ik had alleen het containernummer en pincode. Ik heb een uur op de container gewacht. Mij is gezegd dat ik richting [plaats] moest rijden. Ze gaven een adres in [plaats] .
Ik ben bang geworden, want een Volvo S60, champagnekleurig, volgde mij steeds. Ik kreeg geen adres. Men zei dat ik richting het centrum moest, [plaats] centrum. Daar was een fabrieksterrein. Daar ben ik geparkeerd. Daarna kreeg ik een adres. Ik ben naar dat adres vertrokken. Daar stonden 2 mensen op mij te wachten. De deuren stonden open. Ze zeiden dat ik naar binnen moest rijden en dat daar gelost zou worden. Ik moest de oplegger daar loskoppelen. Ik vroeg waarom. Ik moest de container anderhalf uur later komen ophalen. Ik ben weggegaan en heb in de buurt op een parkeerterrein gestaan. Daar ben ik aangehouden. Ik heb geen opdracht gekregen. Er was geen afspraak gemaakt over wat ik zou verdienen met het transport van deze container voor [betrokkene 1] . Ik zou achteraf een prijsopgave doen over de prijs. De prijs hangt af van het aantal gereden kilometers (kilometerheffing).
24. Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 21 augustus 2019 van de politie Eenheid Rotterdam met nummer 1908190720.VEYIGB78. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (...):
als de op 21 augustus 2019 afgelegde verklaring van de verdachte:
V: In 2015 heb ik een firma overgenomen en heb er een transportbedrijf van gemaakt. Ik heb 3,5 jaar lang samen met mijn vrouw de zaak geleid en daarna ben ik chauffeur geworden/medewerker.
P1: Als er iemand bij u komt met een vervoersopdracht wat wilt u dan dat er op voorhand geregeld wordt voordat u het transport aanvangt?
V: Ik wil het CMR hebben, lever adres, losse referentie en het adres waar de lege container naar toe moet. En het ophaaladres.
P1: Welke documentatie moet u allemaal geregeld hebben voor en tijdens het vervoer?
V: Denk hierbij aan opdracht contract. Ik heb vaste opdrachtgevers en anders is een CMR voldoende.
V: Ik heb een willekeurig adres ingevuld op het CMR, omdat dit verplicht ingevuld moet worden. Als het niet ingevuld is kan ik een boete krijgen.
P1: In een eerdere verklaring verklaarde je dat twee personen de roldeur aan [a-straat 1] te [plaats] openden. Wij tonen je een viertal foto’s van personen. Wie zijn dit?
V: Persoon 2 en persoon 3 stonden bij de deur. Ik herken ze voor 100 procent. Toen ik aan kwam rijden bij de loods sprak persoon 3 mij aan. Hij vertelde mij dat ik mijn vrachtwagen los moest koppelen van de trailer. Persoon 3 vertelde mij dat ik na 1,5 uur weer terug moest komen. Persoon 3 heeft mij gezegd dat hij het adres zou geven waar de container heen moest na 1,5 uur. Ik had het vermoeden dat ik na 1,5 uur de lege container ergens anders heen moest brengen.
Als bijlage gaat bij dit proces verbaal:
2: viertal foto’s, van mannen
Foto 4 van persoon 3 (het hof begrijpt: de [medeverdachte 1] )
(...)
28. De verklaring van de verdachte ter terechtzitting van de rechtbank van 15 maart 2021 afgelegd, inhoudende:
Het klopt dat ik de opdracht om de container af te halen van het [locatie] op 12 augustus 2019 heb gekregen van [betrokkene 1] . Ik begrijp nu dat [betrokkene 1] in werkelijkheid [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1] ) heet. Ik heb hem nooit ontmoet. Wij hebben uitsluitend telefonisch contact gehad. Ik weet niet wie de container ingeklaard heeft. Ik heb de pincode en het containernummer van [betrokkene 1] gekregen. Ik heb de container opgehaald en wist op dat moment niet waar de container heen moest. Ik heb meerdere keren contact proberen te krijgen met [betrokkene 1] terwijl ik mij op het ECT terrein bevond voor het afleveradres, maar dat lukte niet. Deze werkwijze is absoluut niet gangbaar. Het adres wordt op voorhand verstrekt. Ik werd zenuwachtig toen ik [betrokkene 1] niet te pakken kreeg. Ik heb hem meerdere keren gebeld, maar kon hem niet bereiken. Het enige wat ik wist, was dat ik naar [plaats] moest. Uiteindelijk heb ik een fictief adres ingevuld op de vrachtbrief. Het klopt dat ik de vrachtbrief zelf heb ingevuld. Het klopt ook dat ik daarop heb vermeld dat de lading 24 pallets met bananen betrof. U, voorzitter, houdt mij voor dat ik heb verklaard dat ik niet wist wat er in container zat, maar dat ik het aantal pallets en het soort goed wel goed heb ingevuld. De container bevatte ‘Frigo’; dat is meestal banaan. Daarom heb ik banaan ingevuld. U houdt mij voor dat ik heb vermeld dat de lading bedoeld was voor [B] B.V. Ja, dat is een adres waar ik eerder ben geweest. Ik denk niet dat zij handelen in bananen.
Het klopt dat ik onderweg naar de loods in [plaats] werd achtervolgd door een voertuig. Daar werd ik angstig van. Op enig moment kreeg ik het adres van [betrokkene 1] per bericht. Ik was op dat moment in de buurt van [plaats] .
Het klopt dat ik de container heb afgeleverd bij de loods aan [a-straat 1] in [plaats] . Van een van de aanwezigen kreeg ik te horen dat ik achteruit de loods in moest rijden. Ik kreeg ook te horen dat ik de container los moest koppelen en de loods moest verlaten voor een aantal uren. Ik ben weliswaar weg gegaan, maar ik bleef wel op afstand. Ik zou van een van de personen in de loods het adres krijgen waar de lege container naar toe moest.
29. De verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 26 oktober 2022 afgelegd, inhoudende:
Het was raar dat ik geen afleverlocatie had. Het voelde niet oké. Bij het magazijn stonden twee mannen. Zij hebben mij verzocht om achteruit de loods in de rijden. Toen ik de oplegger naar binnen reed, is de oplegger ontkoppeld. Het klopt dat ik in de loods heb gevraagd waarom ik de oplegger moest ontkoppelen. Normaal gesproken als je een magazijn inrijdt wordt de oplegger niet losgekoppeld. Die opdracht had ik ook niet doorgekregen. Normaal krijg je wanneer je de opdracht krijgt te horen of je het moet ontkoppelen of niet.
Ik zou 550 euro krijgen voor deze klus.”
2.2.3
Het hof heeft over de bewezenverklaring verder overwogen:
“Feit 1 en 2
De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep – conform de door hem overgelegde schriftelijke pleitnotities – op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 en 2 tenlastegelegde. De raadsman heeft daartoe – verkort en zakelijk weergegeven – aangevoerd dat de verdachte geen opzet had op de invoer van cocaïne en evenmin voorbereidingshandelingen daartoe heeft verricht. Voorts heeft de raadsman bepleit dat de verdachte niet wist en ook niet redelijkerwijze kon vermoeden dat er cocaïne in de verzegelde container zat. Tot slot is er volgens de raadsman geen sprake van een nauwe en bewuste samenwerking, waardoor medeplegen niet bewezen kan worden en de verdachte derhalve dient te worden vrijgesproken van het onder 1 en 2 tenlastegelegde.
Op basis van de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep overweegt het hof, grotendeels met de rechtbank, als volgt.
- Invoer
Op 11 augustus 2019 is het motorschip [naam] aangemeerd bij ECT [locatie] (hierna: [locatie] ) in [plaats] . Het schip was afkomstig uit Ecuador. Aan boord van dit schip bevond zich onder meer de container TTNU808902-9, die was geladen met een partij bananen (hierna: de container). Deze lading was bestemd voor het bedrijf [C] , gevestigd in Duitsland, en zou in [plaats] worden opgehaald door vervoerder [D] uit [plaats] . Na controle en onderzoek is gebleken dat in de container naast bananen ook pakketten zaten met daarin cocaïne. In totaal waren dit 752 pakketten met een totale hoeveelheid van netto 754 kilogram cocaïne. Deze cocaïne is op 11 augustus 2019 in beslag genomen.
Vervolgens is er een monster van 10 gram cocaïne teruggeplaatst in de container.
De verdachte, als chauffeur werkzaam voor [A] dat mede zijn eigendom is, heeft de container op 12 augustus 2019 met een trekker afgehaald en vervoerd naar een loods in [plaats] . Aldaar heeft de verdachte de trekker en de container rond 12:10 uur de loods ingereden, waarna de rolluiken van de loods zijn gesloten. Om 12:16 uur heeft hij met zijn trekker de loods weer verlaten. De container is in de loods achtergebleven. Om 12:40 uur heeft de politie de loods betreden. In de loods zijn de medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] aangehouden. De zegels van de container waren verbroken en lagen op een vorkheftruck naast de container. In de loods werden verder onder meer drie losse pallets met bananen aangetroffen. Ook stonden er twee bestelwagens en één personenauto, kennelijk bestemd voor het verdere vervoer van de cocaïne. De verdachte is op een parkeerterrein nabij de loods aangehouden.
Gelet op de betrokkenheid van de verdachte bij het transport van de container, waarin de cocaïne is aangetroffen, staat vast dat de verdachte een hoeveelheid cocaïne heeft ingevoerd in Nederland.
- Rol van de verdachte bij de (verlengde) invoer en de voorbereiding
De vraag die dan voorligt, is of de verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van cocaïne in de lading en dus ook het opzet heeft gehad deze cocaïne in te voeren in Nederland. Voor de beoordeling van die vraag zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Het hof stelt voorop dat in zijn algemeenheid heeft te gelden dat de belanghebbenden bij een cocaïnetransport op de hoogte zijn van hetgeen wordt geleverd. Het is moeilijk voorstelbaar dat leveranciers van verdovende middelen het risico lopen dat hun waardevolle zending – het gaat in dit geval om een partij met een straatwaarde van ruim 35 miljoen euro – in handen komt van een onwetende ontvanger, zij het dat dit onder bijzondere omstandigheden anders kan zijn.
De verdachte, een beroepschauffeur, heeft verklaard dat hij door [betrokkene 1] is gevraagd om de container bij [locatie] op te halen. [betrokkene 1] heeft in de nacht van 11 op 12 augustus 2019 herhaaldelijk contact gehad met de verdachte en heeft hem in de vroege ochtend van 12 augustus 2019, omstreeks 5:20 uur, het containernummer en de pincode van de container doorgegeven. Het kan niet anders dan dat [betrokkene 1] deze pincode onrechtmatig heeft verkregen. [C] heeft deze pincode namelijk niet aan [betrokkene 1] verstrekt. Desgevraagd heeft de verdachte verklaard dat een officiële opdracht voor het transport van de container ontbrak.
De verdachte heeft om 6:20 uur een eerste poging ondernomen om de container bij [locatie] op te halen. De container was op dat moment evenwel nog niet vrijgegeven. De verdachte heeft hierop contact opgenomen met [betrokkene 1] en heeft het op diens instructie later nog een keer geprobeerd. Om 10:40 uur heeft hij uiteindelijk de container met een trekker met oplegger van [locatie] opgehaald en getransporteerd naar [plaats] . De verdachte kreeg pas onderweg haar [plaats] het exacte adres door waar de container afgeleverd moest worden. Toen de verdachte de container ophaalde bij ECT [locatie] , was [betrokkene 1] in de nabije omgeving van deze Terminal en is hij met zijn auto vanaf [locatie] achter de container aangereden. Omstreeks 12:05 uur is de verdachte gearriveerd bij de loods. Hij reed na aanwijzingen van [medeverdachte 4] nog een rondje en is vervolgens om 12:10 uur de loods ingereden. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] hebben de roldeur van de loods voor de verdachte geopend. Ook heeft [medeverdachte 1] aan de verdachte verteld dat hij de vrachtwagen los moest koppelen en anderhalf uur later terug moest komen. Hierop heeft de verdachte de container, zonder het zegel te verbreken, achtergelaten in de loods en is om 12:16 uur vertrokken. [medeverdachte 1] zou de verdachte bij terugkomst vertellen waar de lege container heen moest.
- vrachtbrief
In de cabine van de vrachtwagen die door verdachte werd bestuurd is een vrachtbrief aangetroffen. Deze vrachtbrief is door de verdachte zelf ingevuld en ondertekend. De verdachte heeft verklaard dat hij op het moment van afhalen van de container niet wist waar de container heen moest worden getransporteerd en een fictief adres heeft ingevuld. De verdachte heeft, op het terrein van [locatie] tevergeefs geprobeerd [betrokkene 1] te bereiken teneinde het adres te achterhalen. Pas op het laatste moment heeft de verdachte het adres doorgekregen. Op de telefoon van de verdachte is het door [betrokkene 1] verstuurde bericht: [a-straat 1] , [plaats] , [a-straat 1] aangetroffen. Desgevraagd heeft de verdachte verklaard dat deze gang van zaken niet gebruikelijk is. Het afleveradres is normaal gesproken op voorhand bekend. De verdachte heeft verklaard dat hij gedurende de rit naar [plaats] werd gevolgd door een voertuig en dat hij daar bang van werd.
Tevens heeft de verdachte op de vrachtbrief ingevuld dat het bij de lading van de container om 24 pallets met bananen ging, hetgeen nagenoeg correspondeert met het daadwerkelijk aangetroffen aantal pallets. Zeer opmerkelijk in dit verband is verdachtes verklaring ter terechtzitting dat niemand hem gezegd had dat er inderdaad bananen in de container zaten. Hij zou dit hebben afgeleid uit het feit dat het om een reefer container ging. Die verklaring acht het hof echter niet aannemelijk, gelet op het feit dat in de Rotterdamse haven voor een veelheid van producten van geklimatiseerd transport gebruik wordt gemaakt.
- Situatie in de loods
In de loods zijn daarnaast drie pallets met bananen aangetroffen. Tevens bevonden zich in de loods een vorkheftruck en drie voertuigen. Uit onderzoek is gebleken dat twee van deze voertuigen waren voorzien van een verborgen ruimte.
Conclusie
Uit de hiervoor genoemde bewijsmiddelen, in onderling verband en in samenhang bezien, volgt dat de rol van de verdachte bestond uit het ophalen van de container op het [locatie] -terrein en het vervoeren van deze container naar de loods in [plaats] , waar de cocaïne uit de container zou worden gehaald. Uit de combinatie van
• de wijze waarop de verdachte de opdracht heeft verkregen,
• het gebruik maken van een door verdachte zelf – en dus niet door de opdrachtgever – ingevulde vrachtbrief,
• waarop hij bewust valse gegevens heeft vermeld,
• zijn ongemotiveerde wetenschap van de inhoud van de container,
• het niet kunnen bereiken van [betrokkene 1] terwijl de verdachte op het terrein van [locatie] was,
• het op het laatste moment verkrijgen van een afleveradres,
• het achtervolgd worden door een voertuig,
• het vervolgens moeten achterlaten van de container in een loods die geenszins lijkt op een bananenopslagplaats,
• om de container daarna 1,5 uur later weer te moeten ophalen en ergens anders heen te brengen,
leidt het hof af dat geen sprake was van een gangbaar transport en dat dit de verdachte duidelijk was, hetgeen hij ook zelf heeft verklaard. De verdachte heeft moeten vermoeden dat het om illegale activiteiten ging die te maken hadden met de invoer van verdovende middelen. Ook weegt het hof mee dat de verdachte in de loods is geweest en daar van de aanwezigen de opdracht kreeg om de container los te koppelen, wat de verdachte naar eigen zeggen zelf ook vreemd vond. Voorts overweegt het hof dat de verdachte wisselend heeft verklaard over of en wat er afgesproken was over hoe de opdracht vergoed zou worden. Door niettemin de opdracht aan te nemen en de container te transporteren heeft de verdachte opzet, in voorwaardelijke zin, gehad op de verlengde invoer van de verdovende middelen.
Medeplegen
De vraag die voorts voorligt, is of de bijdrage van de verdachte aan de invoer van de cocaïne (en de voorbereidingshandelingen daartoe), van voldoende gewicht is geweest om te spreken van een nauwe en bewuste samenwerking tussen hem en de medeverdachten. Het hof overweegt in dit kader het volgende.
Uit de beschreven gang van zaken en de overige bewijsmiddelen, in onderling verband en in samenhang bezien, blijkt naar het oordeel van het hof van gezamenlijk en op elkaar afgestemd handelen. Verdachte is via [betrokkene 1] in het bezit gekomen van de benodigde pincode om de container onrechtmatig af te kunnen halen. Rond het tijdstip dat de verdachte de container ging ophalen, waren medeverdachten [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] al in de loods om ruimte te maken. De medeverdachten verwachtten de container die dag. Vervolgens heeft de verdachte de container vervoerd naar de loods in [plaats] , alwaar medeverdachten [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] aanwezig waren om de container in ontvangst te nemen. Deze feiten en omstandigheden, in onderling verband en in samenhang bezien, tonen een logistiek proces waarin het handelen van de één nauw aansloot op dat van de ander. Verdachtes materiële bijdrage is van essentiële betekenis geweest. Zonder het transport van de haven naar de loods, zou een verder vervoer van de cocaïne (in gedeelten) immers niet mogelijk zijn geweest. Het feit dat de verdachte na het lossen van de container werd weggestuurd, met de opdracht om pas na enige tijd weer terug te keren om dan de container weer op te halen, en vooral het feit dat de verdachte ook daadwerkelijk van plan was om aan deze opdracht te voldoen, duidt eens te meer op zijn nauwe samenwerking met de medeverdachten in de loods. Naar het oordeel van het hof is er dan ook sprake van medeplegen.
Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte samen met anderen een hoeveelheid cocaïne heeft ingevoerd en daartoe voorbereidingshandelingen heeft gepleegd. De verweren van de raadsman worden derhalve verworpen.
Feit 3
De raadsman van de verdachte heeft – kort en zakelijk weergegeven – bepleit dat de verdachte tevens dient te worden vrijgesproken van het onder 3 tenlastegelegde, aangezien de verdachte slechts een opdracht uitvoerde voor [betrokkene 1] en geen wetenschap droeg van het feit dat [betrokkene 1] de pincode van de container onrechtmatig had verkregen. De verdachte kan daarom niet verantwoordelijk worden gehouden voor de diefstal van deze container.
Het hof overweegt, deels met de rechtbank, als volgt.
Namens [C] is aangifte van diefstal van de container gedaan. Aangever verklaarde dat de container niet kon worden afgehaald, omdat een ander de container reeds had opgehaald. Dit gebeurde zonder toestemming of medeweten van de eigenaar van de container.
Vast staat dat de verdachte de container – in opdracht van [betrokkene 1] , en zonder toestemming en buiten medeweten van [C] – van het terrein van [locatie] aan de [b-straat] in [plaats] heeft afgehaald en vervoerd naar een loods in [plaats] , op een hem aanvankelijk onbekend adres. De pincode van de container was door [betrokkene 1] aan hem verstrekt.
Het hof constateert dat de verdachte voor het ophalen van de container gebruik heeft gemaakt van een pincode waartoe hij niet gerechtigd was. De verdachte heeft zonder toestemming de container opgehaald. De raadsman heeft aangevoerd dat de verdachte er niet van op de hoogte was dat de pincode vals was. Het hof gaat hier niet in mee. De verdachte heeft zich bij de containerterminal vervoegd om een container waarin cocaïne was verstopt op te halen. Het kan niet anders dan dat hij wist dat de pincode die daarvoor benodigd was op wederrechtelijke wijze in handen van de organisatie was gekomen.
Het hof is van oordeel dat gelet op het vorenstaande in onderling verband gezien, het oogmerk van de verdachte gericht was op de wederrechtelijke toe-eigening van de container.”
2.3
Het cassatiemiddel klaagt ten eerste over de bewezenverklaring van het (voorwaardelijk) opzet onder 1 en 2.
2.4
Het hof heeft op grond van zijn vaststellingen geoordeeld dat de verdachte “heeft moeten vermoeden dat het om illegale activiteiten ging die te maken hadden met de invoer van verdovende middelen”. Het kennelijke oordeel van het hof dat daaruit volgt dat de verdachte de aanmerkelijke kans dat hij zich – kort gezegd – schuldig maakte aan het medeplegen van de invoer van cocaïne, bewust heeft aanvaard, is niet zonder meer begrijpelijk.
2.5
Voor zover het cassatiemiddel hierover klaagt, slaagt het.
2.6
Het cassatiemiddel klaagt ten tweede dat de bewezenverklaring onder 3 ontoereikend is gemotiveerd wat betreft het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening.
2.7
Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte bij het ophalen van de container in de haven van [plaats] een pincode heeft gebruikt die de opdrachtgever van het transport hem had verstrekt. Het hof heeft hierover overwogen dat het niet anders kan dan dat de verdachte, die een container waarin cocaïne was verstopt kwam ophalen, wist dat de pincode op wederrechtelijke wijze in handen van de organisatie was gekomen en daarom het oogmerk van de verdachte gericht was op de wederrechtelijke toe-eigening van de container. Dit oordeel is zonder nadere toelichting niet toereikend gemotiveerd.
2.8
Ook voor zover het cassatiemiddel hierover klaagt, slaagt het.
3. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het cassatiemiddel niet nodig.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 april 2025.
Conclusie 11‑02‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Medeplegen (verlengde) invoer van cocaïne (art. 10 Opiumwet), medeplegen voorbereiding van vervoeren en invoeren van cocaïne (art. 10a Opiumwet) en diefstal (art. 311 Sr). Verdachte was chauffeur die partij bananen en cocaïne vervoerde tussen haven Rotterdam en loods. Bewijsklacht in middel 1 met betrekking tot het opzet op het bewezenverklaarde handelen slaagt volgens AG. Middel 2 dat klaagt dat het hof in strijd met art. 6:2:10 Sv niet heeft vermeld welk deel van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf in elk geval ten uitvoer zal worden gelegd faalt. Conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing. Samenhang met 22/04274.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/04383
Zitting 11 februari 2025
CONCLUSIE
E.J. Hofstee
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978,
hierna: de verdachte
I Inleiding
Het gerechtshof Den Haag heeft de verdachte bij arrest van 9 november 2022 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren, met aftrek van het voorarrest, wegens onder 1 en 2 “de eendaadse samenloop van medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, en medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet voor te bereiden en te bevorderen, zich gelegenheid en middelen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en voorwerpen en vervoermiddelen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit” en 3 “diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels”. Voorts heeft het hof een aantal voorwerpen verbeurdverklaard, een en ander zoals nader in het arrest is bepaald.
Er bestaat samenhang met de zaak 22/04274. Ook in die zaak zal ik vandaag concluderen.
Namens de verdachte heeft S.J. van der Woude, advocaat in Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.
II De zaak
4. Volgens de bewijsoverwegingen van het hof heeft zich in deze zaak samengevat het volgende voorgedaan. Op 11 augustus 2019 meerde het motorschip [naam] , dat afkomstig was uit Ecuador, aan bij ECT Delta Terminal (hierna: ECT Delta) in Rotterdam. Aan boord van dit schip bevond zich een container die geladen was met een partij bananen. De lading zou worden opgehaald door [C] Transport uit Zwijndrecht en worden vervoerd naar [B] in Duitsland. Bij een controle en onderzoek op diezelfde dag in de haven van Rotterdam bleek in de container tussen de bananen netto 754 kilogram cocaïne in 752 pakketten verborgen te zijn. Deze cocaïne werd in beslag genomen, met dien verstande dat een monster van 10 gram cocaïne in de container werd teruggeplaatst. De verdachte was toentertijd als mede-eigenaar en chauffeur werkzaam voor het bedrijf [A] Transport. De container is door hem op 12 augustus 2019 met een trekker afgehaald en vervoerd naar een loods in [plaats] , alwaar hij de trekker en container rond 12:10 uur de loods inreed; de rolluiken van de loods werden daarna gesloten. Om 12:16 uur verliet de verdachte met zijn trekker de loods. De container bleef in de loods achter. De politie kwam om 12:40 uur de loods binnen, waar een viertal medeverdachten werd aangehouden. De zegels van de container bleken verbroken en op een vorkheftruck naast de container te liggen. Ook werden in de loods drie losse pallets met bananen aangetroffen en stonden er twee bestelwagens en één personenauto, die kennelijk bestemd waren voor het verdere vervoer van de cocaïne. De verdachte werd op een parkeerterrein nabij de loods aangehouden.
III Bewezenverklaringen en bewijsvoering
5. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“1. hij in de periode van 9 augustus 2019 tot en met 12 augustus 2019 te Rotterdam en [plaats] tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, een hoeveelheid van een materiaal bevattende, cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
2. hij omstreeks te periode van 9 augustus 2019 tot en met 12 augustus 2019 in Nederland tezamen en in vereniging met anderen om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk vervoeren en binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen,
- zich gelegenheid en middelen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen, en
- voorwerpen en/of vervoermiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven bedoelde feit hebbende verdachte en zijn, verdachtes, mededaders,
- gecrypte telefoons voorhanden gehad en
- pallets met bananen gekocht en besteld en laten afleveren (in de loods aan de [a-straat 1] te [plaats] ) en
- pallets met bananen klaargezet (als wissellading) en aanwezig gehad (in de loods aan de [a-straat 1] te [plaats] ) en
- een voorheftruck voorhanden gehad (in de loods aan de [a-straat 1] te [plaats] ) en
- een trekker en een chassis en een vrachtwagen ter beschikking gehad en
- (vervolgens) een container naar een loods aan de [a-straat 1] te [plaats] gebracht en
- voertuigen met een verborgen ruimte klaargezet, te weten een Volkswagen Transporter met kenteken [kenteken 1] en een Citroën Jumper met kenteken [kenteken 2] ; en
- de (douane)verzegeling van de container [nummer 1] verbroken;
3. hij op 12 augustus 2019 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening (vanaf de ECT Delta Terminal, aan de Europaweg) heeft weggenomen een container (met nummer [nummer 1] , inhoudende pallets met bananen), toebehorende aan een ander dan aan hem, verdachte en/of zijn mededader, waarbij verdachte en zijn mededader het weg te nemen goed onder hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten door met een (valselijk verkregen) pincode, die hij, verdachte en zijn mededader niet gerechtigd waren te gebruiken, die container (met pallets met bananen) van de ECT Delta Terminal op te halen en/of weg te voeren.”
6. Deze bewezenverklaringen steunen onder meer op (kort gezegd) drie door de verdachte afgelegde verklaringen. Deze tot het bewijs gebezigde verklaringen houden het volgende in:
“23. Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 13 augustus 2019 van de politie Eenheid Rotterdam met [nummer 2] . Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 287 en verder van het zaaksdossier):
als de op 13 augustus 2019 afgelegde verklaring van de verdachte:
Ik heb een eigen transportfirma, [A] Transport. Ik heb het bedrijf samen met mijn echtgenote. Ik ben ook een chauffeur. Ik kreeg gisteren een opdracht over een containernummer met pincode. Ik heb het containernummer en pincode gekregen toen ik ongeveer de haven was genaderd, rond 5:20 uur in de ochtend. Ik heb het containernummer en pincode van [betrokkene 1] gekregen. Toen was ik al onderweg, naar de ECT.
Ik heb woensdag met [betrokkene 2] gesproken en die heeft mij telefonisch aan [betrokkene 1] voorgesteld. [betrokkene 1] had mij gevraagd om een proeftransport te doen. Ik heb vorige week woensdag voor het eerst telefonisch contact met [betrokkene 1] gehad. Ik ben gisteren om 5:20 uur in de ochtend door [betrokkene 1] gebeld en die gaf mij de pincode en het containernummer. Vervolgens heb ik om 6:20 uur geprobeerd om de container op het ECT terrein op te halen, maar er zat een foutmelding op de container. Ik heb [betrokkene 1] gebeld. Ik dacht er eerst aan om naar de infobalie te gaan, maar [betrokkene 1] zei dat ik moest wachten. [betrokkene 1] heeft mij gebeld en zei dat ik het nog een keer moest proberen. Toen heb ik het rond 9 uur nogmaals geprobeerd. Voor die tijd heb ik geprobeerd om van het terrein af te komen omdat ik geen opdracht had. Ik had alleen het containernummer en pincode. Ik heb een uur op de container gewacht. Mij is gezegd dat ik richting Rotterdam moest rijden. Ze gaven een adres in [plaats] . Ik ben bang geworden, want een Volvo S60, champagnekleurig, volgde mij steeds. Ik kreeg geen adres. Men zei dat ik richting het centrum moest, [plaats] centrum. Daar was een fabrieksterrein. Daar ben ik geparkeerd. Daarna kreeg ik een adres. Ik ben naar dat adres vertrokken. Daar stonden 2 mensen op mij te wachten. De deuren stonden open. Ze zeiden dat ik naar binnen moest rijden en dat daar gelost zou worden. Ik moest de oplegger daar loskoppelen. Ik vroeg waarom. Ik moest de container anderhalf uur later komen ophalen. Ik ben weggegaan en heb in de buurt op een parkeerterrein gestaan. Daar ben ik aangehouden. Ik heb geen opdracht gekregen. Er was geen afspraak gemaakt over wat ik zou verdienen met het transport van deze container voor [betrokkene 1] . Ik zou achteraf een prijsopgave doen over de prijs. De prijs hangt af van het aantal gereden kilometers (kilometerheffing)
24. Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 21 augustus 2019 van de politie Eenheid Rotterdam met nummer [nummer 2] . Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 292 e.v. van het zaaksdossier):
als de op 21 augustus 2019 afgelegde verklaring van de verdachte:
V: In 2015 heb ik een firma overgenomen en heb er een transportbedrijf van gemaakt. Ik heb 3,5 jaar lang samen met mijn vrouw de zaak geleid en daarna ben ik chauffeur geworden/medewerker.
P1: Als er iemand bij u komt met een vervoersopdracht wat wilt u dan dat er op voorhand geregeld wordt voordat u het transport aanvangt?
V: Ik wil het CMR hebben, lever adres, losse referentie en het adres waar de lege container naar toe moet. En het ophaaladres.
P1: Welke documentatie moet u allemaal geregeld hebben voor en tijdens het vervoer?
V: Denk hierbij aan opdracht contract. Ik heb vaste opdrachtgevers en anders is een CMR voldoende.
V: Ik heb een willekeurig adres ingevuld op het CMR, omdat dit verplicht ingevuld moet worden. Als het niet ingevuld is kan ik een boete krijgen.
P1: In een eerdere verklaring verklaarde je dat twee personen de roldeur aan de [a-straat 1] te [plaats] openden. Wij tonen je een viertal foto's van personen. Wie zijn dit?
V: Persoon 2 en persoon 3 stonden bij de deur. Ik herken ze voor 100 procent. Toen ik aan kwam rijden bij de loods sprak persoon 3 mij aan. Hij vertelde mij dat ik mijn vrachtwagen los moest koppelen van de trailer. Persoon 3 vertelde mij dat ik na 1,5 uur weer terug moest komen. Persoon 3 heeft mij gezegd dat hij het adres zou geven waar de container heen moest na 1,5 uur. Ik had het vermoeden dat ik na 1,5 uur de lege container ergens anders heen moest brengen.
Als bijlage gaat bij dit proces verbaal:
2: viertal foto's, van mannen
Foto 4 van persoon 3 (het hof begrijpt: de verdachte [betrokkene 5])
28. De verklaring van de verdachte ter terechtzitting van de rechtbank van 15 maart 2021 afgelegd, inhoudende:
Het klopt dat ik de opdracht om de container af te halen van het ECT Delta op 12 augustus 2019 heb gekregen van [betrokkene 1] . Ik begrijp nu dat [betrokkene 1] in werkelijkheid [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1] ) heet. Ik heb hem nooit ontmoet. Wij hebben uitsluitend telefonisch contact gehad. Ik weet niet wie de container ingeklaard heeft. Ik heb de pincode en het containernummer van [betrokkene 1] gekregen. Ik heb de container opgehaald en wist op dat moment niet waar de container heen moest. Ik heb meerdere keren contact proberen te krijgen met [betrokkene 1] terwijl ik mij op het ECT terrein bevond voor het afleveradres, maar dat lukte niet. Deze werkwijze is absoluut niet gangbaar. Het adres wordt op voorhand verstrekt. Ik werd zenuwachtig toen ik [betrokkene 1] niet te pakken kreeg. Ik heb hem meerdere keren gebeld, maar kon hem niet bereiken. Het enige wat ik wist, was dat ik naar [plaats] moest. Uiteindelijk heb ik een fictief adres ingevuld op de vrachtbrief. Het klopt dat ik de vrachtbrief zelf heb ingevuld. Het klopt ook dat ik daarop heb vermeld dat de lading 24 pallets met bananen betrof. U, voorzitter, houdt mij voor dat ik heb verklaard dat ik niet wist wat er in container zat, maar dat ik het aantal pallets en het soort goed wel goed heb ingevuld. De container bevatte ‘Frigo’; dat is meestal banaan. Daarom heb ik banaan ingevuld. U houdt mij voor dat ik heb vermeld dat de lading bedoeld was voor [E] B.V. Ja, dat is een adres waar ik eerder ben geweest. Ik denk niet dat zij handelen in bananen.
Het klopt dat ik onderweg naar de loods in [plaats] werd achtervolgd door een voertuig. Daar werd ik angstig van. Op enig moment kreeg ik het adres van [betrokkene 1] per bericht. Ik was op dat moment in de buurt van [plaats] .
Het klopt dat ik de container heb afgeleverd bij de loods aan de [a-straat 1] in [plaats] . Van een van de aanwezigen kreeg ik te horen dat ik achteruit de loods in moest rijden. Ik kreeg ook te horen dat ik de container los moest koppelen en de loods moest verlaten voor een aantal uren. Ik ben weliswaar weg gegaan, maar ik bleef wel op afstand. Ik zou van een van de personen in de loods het adres krijgen waar de lege container naar toe moest.
29. De verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 26 oktober 2022 afgelegd, inhoudende:
Het was raar dat ik geen afleverlocatie had. Het voelde niet oké. Bij het magazijn stonden twee mannen. Zij hebben mij verzocht om achteruit de loods in de rijden. Toen ik de oplegger naar binnen reed, is de oplegger ontkoppeld. Het klopt dat ik in de loods heb gevraagd waarom ik de oplegger moest ontkoppelen. Normaal gesproken als je een magazijn inrijdt wordt de oplegger niet losgekoppeld. Die opdracht had ik ook niet doorgekregen. Normaal krijg je wanneer je de opdracht krijgt te horen of je het moet ontkoppelen of niet.
Ik zou 550 euro krijgen voor deze klus.”
7. De nadere bewijsoverweging van het hof bevat de volgende inhoud:
“Feit 1 en 2
De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep - conform de door hem overgelegde schriftelijke pleitnotities - op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 en 2 tenlastegelegde. De raadsman heeft daartoe - verkort en zakelijk weergegeven - aangevoerd dat de verdachte geen opzet had op de invoer van cocaïne en evenmin voorbereidingshandelingen daartoe heeft verricht. Voorts heeft de raadsman bepleit dat de verdachte niet wist en ook niet redelijkerwijze kon vermoeden dat er cocaïne in de verzegelde container zat. Tot slot is er volgens de raadsman geen sprake van een nauwe en bewuste samenwerking, waardoor medeplegen niet bewezen kan worden en de verdachte derhalve dient te worden vrijgesproken van het onder 1 en 2 tenlastegelegde.
Op basis van de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep overweegt het hof, grotendeels met de rechtbank, als volgt.
- Invoer
Op 11 augustus 2019 is het motorschip [naam] aangemeerd bij ECT Delta Terminal (hierna: ECT Delta) in Rotterdam. Het schip was afkomstig uit Ecuador. Aan boord van dit schip bevond zich onder meer de container [nummer 1] , die was geladen met een partij bananen (hierna: de container). Deze lading was bestemd voor het bedrijf [B] , gevestigd in Duitsland, en zou in Rotterdam worden opgehaald door vervoerder [C] Transport uit Zwijndrecht. Na controle en onderzoek is gebleken dat in de container naast bananen ook pakketten zaten met daarin cocaïne. In totaal waren dit 752 pakketten met een totale hoeveelheid van netto 754 kilogram cocaïne. Deze cocaïne is op 11 augustus 2019 in beslag genomen.
Vervolgens is er een monster van 10 gram cocaïne teruggeplaatst in de container.
De verdachte, als chauffeur werkzaam voor het bedrijf [A] Transport dat mede zijn eigendom is, heeft de container op 12 augustus 2019 met een trekker afgehaald en vervoerd naar een loods in [plaats] . Aldaar heeft de verdachte de trekker en de container rond 12:10 uur de loods ingereden, waarna de rolluiken van de loods zijn gesloten. Om 12:16 uur heeft hij met zijn trekker de loods weer verlaten. De container is in de loods achtergebleven. Om 12:40 uur heeft de politie de loods betreden. In de loods zijn de medeverdachten [betrokkene 5] , [betrokkene 3] , [betrokkene 4] en [medeverdachte] aangehouden. De zegels van de container waren verbroken en lagen op een vorkheftruck naast de container. In de loods werden verder onder meer drie losse pallets met bananen aangetroffen. Ook stonden er twee bestelwagens en één personenauto, kennelijk bestemd voor het verdere vervoer van de cocaïne. De verdachte is op een parkeerterrein nabij de loods aangehouden.
Gelet op de betrokkenheid van de verdachte bij het transport van de container, waarin de cocaïne is aangetroffen, staat vast dat de verdachte een hoeveelheid cocaïne heeft ingevoerd in Nederland.
- Rol van de verdachte bij de (verlengde) invoer en de voorbereiding
De vraag die dan voorligt, is of de verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van cocaïne in de lading en dus ook het opzet heeft gehad deze cocaïne in te voeren in Nederland. Voor de beoordeling van die vraag zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Het hof stelt voorop dat in zijn algemeenheid heeft te gelden dat de belanghebbenden bij een cocaïnetransport op de hoogte zijn van hetgeen wordt geleverd. Het is moeilijk voorstelbaar dat leveranciers van verdovende middelen het risico lopen dat hun waardevolle zending – het gaat in dit geval om een partij met een straatwaarde van ruim 35 miljoen euro – in handen komt van een onwetende ontvanger, zij het dat dit onder bijzondere omstandigheden anders kan zijn.
De verdachte, een beroepschauffeur, heeft verklaard dat hij door [betrokkene 1] is gevraagd om de container bij ECT Delta op te halen. [betrokkene 1] heeft in de nacht van 11 op 12 augustus 2019 herhaaldelijk contact gehad met de verdachte en heeft hem in de vroege ochtend van 12 augustus 2019, omstreeks 5:20 uur, het containernummer en de pincode van de container doorgegeven. Het kan niet anders dan dat [betrokkene 1] deze pincode onrechtmatig heeft verkregen. [B] heeft deze pincode namelijk niet aan [betrokkene 1] verstrekt. Desgevraagd heeft de verdachte verklaard dat een officiële opdracht voor het transport van de container ontbrak.
De verdachte heeft om 6:20 uur een eerste poging ondernomen om de container bij ECT Delta op te halen. De container was op dat moment evenwel nog niet vrijgegeven. De verdachte heeft hierop contact opgenomen met [betrokkene 1] en heeft het op diens instructie later nog een keer geprobeerd. Om 10:40 uur heeft hij uiteindelijk de container met een trekker met oplegger van ECT Delta opgehaald en getransporteerd naar [plaats] . De verdachte kreeg pas onderweg haar [plaats] het exacte adres door waar de container afgeleverd moest worden. Toen de verdachte de container ophaalde bij ECT Delta Terminal, was [betrokkene 1] in de nabije omgeving van deze Terminal en is hij met zijn auto vanaf ECT Delta achter de container aangereden. Omstreeks 12:05 uur is de verdachte gearriveerd bij de loods. Hij reed na aanwijzingen van [medeverdachte] nog een rondje en is vervolgens om 12:10 uur de loods ingereden. [betrokkene 5] en [medeverdachte] hebben de roldeur van de loods voor de verdachte geopend. Ook heeft [betrokkene 5] aan de verdachte verteld dat hij de vrachtwagen los moest koppelen en anderhalf uur later terug moest komen. Hierop heeft de verdachte de container, zonder het zegel te verbreken, achtergelaten in de loods en is om 12:16 uur vertrokken. [betrokkene 5] zou de verdachte bij terugkomst vertellen waar de lege container heen moest.
- vrachtbrief
In de cabine van de vrachtwagen die door verdachte werd bestuurd is een vrachtbrief aangetroffen. Deze vrachtbrief is door de verdachte zelf ingevuld en ondertekend. De verdachte heeft verklaard dat hij op het moment van afhalen van de container niet wist waar de container heen moest worden getransporteerd en een fictief adres heeft ingevuld. De verdachte heeft, op het terrein van ECT Delta tevergeefs geprobeerd [betrokkene 1] te bereiken teneinde het adres te achterhalen. Pas op het laatste moment heeft de verdachte het adres doorgekregen. Op de telefoon van de verdachte is het door [betrokkene 1] verstuurde bericht: [a-straat 1] , [plaats] , [a-straat 1] aangetroffen. Desgevraagd heeft de verdachte verklaard dat deze gang van zaken niet gebruikelijk is. Het afleveradres is normaal gesproken op voorhand bekend. De verdachte heeft verklaard dat hij gedurende de rit naar [plaats] werd gevolgd door een voertuig en dat hij daar bang van werd.
Tevens heeft de verdachte op de vrachtbrief ingevuld dat het bij de lading van de container om 24 pallets met bananen ging, hetgeen nagenoeg correspondeert met het daadwerkelijk aangetroffen aantal pallets. Zeer opmerkelijk in dit verband is verdachtes verklaring ter terechtzitting dat niemand hem gezegd had dat er inderdaad bananen in de container zaten. Hij zou dit hebben afgeleid uit het feit dat het om een reefer container ging. Die verklaring acht het hof echter niet aannemelijk, gelet op het feit dat in de Rotterdamse haven voor een veelheid van producten van geklimatiseerd transport gebruik wordt gemaakt.
- Situatie in de loods
In de loods zijn daarnaast drie pallets met bananen aangetroffen. Tevens bevonden zich in de loods een vorkheftruck en drie voertuigen. Uit onderzoek is gebleken dat twee van deze voertuigen waren voorzien van een verborgen ruimte.
Conclusie
Uit de hiervoor genoemde bewijsmiddelen, in onderling verband en in samenhang bezien, volgt dat de rol van de verdachte bestond uit het ophalen van de container op het ECT Delta-terrein en het vervoeren van deze container naar de loods in [plaats] , waar de cocaïne uit de container zou worden gehaald. Uit de combinatie van
• de wijze waarop de verdachte de opdracht heeft verkregen,
• het gebruik maken van een door verdachte zelf - en dus niet door de opdrachtgever - ingevulde vrachtbrief,
• waarop hij bewust valse gegevens heeft vermeld,
• zijn ongemotiveerde wetenschap van de inhoud van de container,
• het niet kunnen bereiken van [betrokkene 1] terwijl de verdachte op het terrein van ECT Delta was,
• het op het laatste moment verkrijgen van een afleveradres,
• het achtervolgd worden door een voertuig,
• het vervolgens moeten achterlaten van de container in een loods die geenszins lijkt op een bananenopslagplaats,
• om de container daarna 1,5 uur later weer te moeten ophalen en ergens anders heen te brengen,
leidt het hof af dat geen sprake was van een gangbaar transport en dat dit de verdachte duidelijk was, hetgeen hij ook zelf heeft verklaard. De verdachte heeft moeten vermoeden dat het om illegale activiteiten ging die te maken hadden met de invoer van verdovende middelen. Ook weegt het hof mee dat de verdachte in de loods is geweest en daar van de aanwezigen de opdracht kreeg om de container los te koppelen, wat de verdachte naar eigen zeggen zelf ook vreemd vond. Voorts overweegt het hof dat de verdachte wisselend heeft verklaard over of en wat er afgesproken was over hoe de opdracht vergoed zou worden. Door niettemin de opdracht aan te nemen en de container te transporteren heeft de verdachte opzet, in voorwaardelijke zin, gehad op de verlengde invoer van de verdovende middelen.
Medeplegen
De vraag die voorts voorligt, is of de bijdrage van de verdachte aan de invoer van de cocaïne (en de voorbereidingshandelingen daartoe), van voldoende gewicht is geweest om te spreken van een nauwe en bewuste samenwerking tussen hem en de medeverdachten. Het hof overweegt in dit kader het volgende.
Uit de beschreven gang van zaken en de overige bewijsmiddelen, in onderling verband en in samenhang bezien, blijkt naar het oordeel van het hof van gezamenlijk en op elkaar afgestemd handelen. Verdachte is via [betrokkene 1] in het bezit gekomen van de benodigde pincode om de container onrechtmatig af te kunnen halen. Rond het tijdstip dat de verdachte de container ging ophalen, waren medeverdachten [medeverdachte] en [betrokkene 5] al in de loods om ruimte te maken. De medeverdachten verwachtten de container die dag. Vervolgens heeft de verdachte de container vervoerd naar de loods in [plaats] , alwaar medeverdachten [medeverdachte] en [betrokkene 5] aanwezig waren om de container in ontvangst te nemen. Deze feiten en omstandigheden, in onderling verband en in samenhang bezien, tonen een logistiek proces waarin het handelen van de één nauw aansloot op dat van de ander. Verdachtes materiële bijdrage is van essentiële betekenis geweest. Zonder het transport van de haven naar de loods, zou een verder vervoer van de cocaïne (in gedeelten) immers niet mogelijk zijn geweest. Het feit dat de verdachte na het lossen van de container werd weggestuurd, met de opdracht om pas na enige tijd weer terug te keren om dan de container weer op te halen, en vooral het feit dat de verdachte ook daadwerkelijk van plan was om aan deze opdracht te voldoen, duidt eens te meer op zijn nauwe samenwerking met de medeverdachten in de loods. Naar het oordeel van het hof is er dan ook sprake van medeplegen.
Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte samen met anderen een hoeveelheid cocaïne heeft ingevoerd en daartoe voorbereidingshandelingen heeft gepleegd. De verweren van de raadsman worden derhalve verworpen.
Feit 3
De raadsman van de verdachte heeft - kort en zakelijk weergegeven - bepleit dat de verdachte tevens dient te worden vrijgesproken van het onder 3 tenlastegelegde, aangezien de verdachte slechts een opdracht uitvoerde voor [betrokkene 1] en geen wetenschap droeg van het feit dat [betrokkene 1] de pincode van de container onrechtmatig had verkregen. De verdachte kan daarom niet verantwoordelijk worden gehouden voor de diefstal van deze container.
Het hof overweegt, deels met de rechtbank, als volgt.
Namens [B] is aangifte van diefstal van de container gedaan. Aangever verklaarde dat de container niet kon worden afgehaald, omdat een ander de container reeds had opgehaald. Dit gebeurde zonder toestemming of medeweten van de eigenaar van de container.
Vast staat dat de verdachte de container - in opdracht van [betrokkene 1] , en zonder toestemming en buiten medeweten van [B] - van het terrein van ECT Delta aan de Europaweg in Rotterdam heeft afgehaald en vervoerd naar een loods in [plaats] , op een hem aanvankelijk onbekend adres. De pincode van de container was door [betrokkene 1] aan hem verstrekt.
Het hof constateert dat de verdachte voor het ophalen van de container gebruik heeft gemaakt van een pincode waartoe hij niet gerechtigd was. De verdachte heeft zonder toestemming de container opgehaald. De raadsman heeft aangevoerd dat de verdachte er niet van op de hoogte was dat de pincode vals was. Het hof gaat hier niet in mee. De verdachte heeft zich bij de containerterminal vervoegd om een container waarin cocaïne was verstopt op te halen. Het kan niet anders dan dat hij wist dat de pincode die daarvoor benodigd was op wederrechtelijke wijze in handen van de organisatie was gekomen.
Het hof is van oordeel dat gelet op het vorenstaande in onderling verband gezien, het oogmerk van de verdachte gericht was op de wederrechtelijke toe-eigening van de container.”1.
IV Het eerste middel en de bespreking daarvan
8. Het eerste middel houdt met telkens een afzonderlijke deelklacht in dat bij geen van de bewezenverklaarde feiten het opzet uit de bewijsvoering kan worden afgeleid.
9. De eerste twee van de drie deelklachten zien op respectievelijk het onder 1 en 2 bewezenverklaarde. Bezien in samenhang met de toelichting op het middel wordt met betrekking tot beide bewezenverklaringen geklaagd over het oordeel van het hof dat de verdachte “heeft moeten vermoeden dat het om illegale activiteiten ging die te maken hadden met de invoer van verdovende middelen”. Volgens de steller van het middel wijst deze formulering niet op het aanwezig zijn van (voorwaardelijk) opzet, maar hierop dat het hof culpa heeft vastgesteld bij de verdachte omdat hij, aldus de steller van het middel, behoorde te vermoeden dat het om iets met verdovende middelen ging, terwijl opzet ook niet uit ’s hofs bewijsvoering kan volgen.
10. Bij voorwaardelijk opzet gaat het om het bewust aanvaarden van een aanmerkelijke kans. Met verwijzing naar HR 25 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE9049, NJ 2003/552, m.nt. Buruma heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 29 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:718, NJ 2019/103, m.nt. Wolswijk onder meer overwogen dat wat betreft de vraag of sprake is van bewuste aanvaarding van zo een kans heeft te gelden dat uit de enkele omstandigheid dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, niet zonder meer kan volgen dat hij de aanmerkelijke kans op het gevolg ook bewust heeft aanvaard, omdat ook sprake kan zijn van bewuste schuld. Indien de verklaringen van de verdachte en/of bijvoorbeeld eventuele getuigenverklaringen geen inzicht geven omtrent hetgeen ten tijde van de gedraging in de verdachte is omgegaan, zal de beantwoording van de vraag of in een concreet geval moet worden aangenomen dat sprake is van bewuste schuld dan wel van voorwaardelijk opzet afhangen van de feitelijke omstandigheden van het geval, waarbij de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht, van belang zijn. Die objectivering maakt mogelijk dat voorwaardelijk opzet kan worden aangenomen bij gedragingen die naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg bewust heeft aanvaard.
11. In HR 4 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:124 (belastingkamer) richt het tweede middel zich tegen het oordeel van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch dat de Inspecteur terecht aan de belanghebbende op grond van art. 67f AWR twee boetes van elk 50 procent van de nageheven omzetbelasting heeft opgelegd omdat de belanghebbende met (voorwaardelijk) opzet te weinig omzetbelasting heeft voldaan ter zake van door hem in Nederland geleverde auto’s. De Hoge Raad vat, voor zover hier relevant, de aan dat oordeel ten grondslag liggende overwegingen van het hof aldus samen (met cursivering van mijn hand):
“Het Hof heeft aannemelijk geacht dat belanghebbende willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat te weinig omzetbelasting zou worden afgedragen en dat hij deze kans bewust heeft aanvaard. Voor dat oordeel heeft het Hof van belang geacht i) dat belanghebbende zelf de administratie heeft gevoerd die ten grondslag ligt aan de aangiften voor de omzetbelasting, ii) dat belanghebbende, toen hij begon met de autohandel, weliswaar gebrekkige, documenten heeft opgesteld maar daarmee later zonder goede verklaring is gestopt, iii) dat belanghebbende ondernemer is en hij had moeten inzien dat hij met deze gebrekkige documentatie niet aannemelijk zou kunnen maken dat de door hem geleverde auto’s naar een andere lidstaat zijn vervoerd en dat hij dus niet het nultarief als bedoeld in artikel 9, lid 2, letter b, van de Wet op de omzetbelasting 1968 in samenhang gelezen met post a.6 van de bij die Wet behorende Tabel II kon en mocht toepassen op deze leveringen, iv) dat belanghebbende desgevraagd op de zitting ongeloofwaardige verklaringen heeft gegeven voor de vragen die zijn administratie opwierp en daarmee geen openheid van zaken heeft gegeven, en v) dat belanghebbende, gelet op zijn houding ter zitting, het laakbare van zijn gedragingen niet heeft ingezien.”
De Hoge Raad oordeelt in dit arrest als volgt:
“Middel II slaagt voor zover het is gericht tegen het hiervoor in 2.3.1 weergegeven oordeel van het Hof dat belanghebbende (voorwaardelijk) opzet moet worden verweten. De daarvoor door het Hof in aanmerking genomen omstandigheden kunnen noch gezamenlijk noch op zichzelf beschouwd de conclusie rechtvaardigen dat belanghebbende met voorwaardelijk opzet heeft gehandeld, dat wil zeggen dat hij wetenschap had van de aanmerkelijke kans dat hij te weinig omzetbelasting op aangifte zou voldoen en dat hij deze kans bovendien bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). In het bijzonder brengt de omstandigheid dat belanghebbende “had moeten inzien” dat hij met zijn administratie niet aannemelijk zou kunnen maken dat de auto’s naar een andere lidstaat zijn vervoerd, en dat hij dus niet het nultarief kon en mocht toepassen op de leveringen van die auto’s, niet mee dat belanghebbende wetenschap had van de aanmerkelijke kans dat hij te weinig omzetbelasting op aangifte zou voldoen en dat hij deze kans bovendien bewust heeft aanvaard. De omstandigheid dat de belastingplichtige had moeten weten dat zijn voldoening op aangifte onjuist was, brengt immers niet mee dat hem de voor opzet vereiste bewustheid met betrekking tot die onjuistheid kan worden verweten. Verder kunnen de omstandigheden dat belanghebbende geen openheid van zaken heeft gegeven en dat hij het laakbare van zijn gedragingen niet heeft ingezien, niet bijdragen aan het oordeel dat hij bewust fouten heeft gemaakt.”
12. In de thans voorliggende zaak heeft het hof blijkens zijn nadere bewijsoverweging onder het, hierboven in randnummer 7 weergegeven kopje “Conclusie” geoordeeld dat de verdachte, door niettemin de opdracht aan te nemen en de container te transporteren, opzet in voorwaardelijke zin heeft gehad op de verlengde invoer van de verdovende middelen. Hoewel het hof dit niet in zoveel woorden zegt, meen ik dat kan worden aangenomen dat dit oordeel niet alleen ziet op de verlengde invoer als bedoeld in het tenlastegelegde en bewezenverklaarde feit 1, maar ook op de voorbereidingshandelingen zoals omschreven in het tenlastegelegde en bewezenverklaarde feit 2, nu dat kopje “Conclusie” in die nadere bewijsoverweging is geplaatst onder het hoofd “Feit 1 en 2”.
13. Het is de vraag of ’s hofs bewijsvoering die conclusie kan rechtvaardigen. Ik meen van niet en licht dat hieronder toe.
14. In de eerste plaats heeft het hof tot het bewijs van de feiten 1 en 2 – over feit 3 kom ik aanstonds afzonderlijk te spreken – vier verklaringen van de verdachte gebezigd (die deels gerelateerd zijn in een proces-verbaal van verhoor). Deze verklaringen zijn door het hof niet ter zijde gesteld vanwege de kennelijke leugenachtigheid dan wel de onaannemelijkheid ervan.2.Naar het mij voorkomt kan uit deze voor het bewijs gebruikte verklaringen van de verdachte, waarin hij inzicht wil geven omtrent hetgeen ten tijde van zijn gedraging(en) in hem is omgegaan, niet (zonder meer) het door het hof bedoelde voorwaardelijk opzet worden gedestilleerd. In bewijsmiddel 29 kan de verklaring van de verdachte worden gelezen dat de gang van zaken voor de verdachte “niet oké” voelde, maar verder dan dat gaan zijn verklaringen in dit verband mijns inziens niet.
15. In de tweede plaats heeft het hof onder het meergenoemde kopje “Conclusie” (i) puntsgewijs een aantal omstandigheden op een rijtje gezet en in aanmerking genomen, en uit de “combinatie” daarvan afgeleid dat geen sprake was van een gangbaar transport en dat dit de verdachte duidelijk was, hetgeen de verdachte ook zelf heeft verklaard, en (ii) op grond daarvan geoordeeld dat de verdachte “heeft moeten vermoeden dat het om illegale activiteiten ging die te maken hadden met de invoer van verdovende middelen”. Met de steller van het middel ben ik van mening dat “heeft moeten vermoeden” onvoldoende is voor het aannemen van voorwaardelijk opzet, maar past bij culpa (waaronder bewuste schuld is begrepen). Ik wijs er in dit verband nog op dat de litigieuze formulering “heeft moeten vermoeden” sterk doet denken aan het bepaalde in art. 417bis Sr, waar schuldheling strafbaar is gesteld en waar zowel in het eerste lid (onder a en b), als in het tweede lid wordt gerept van (geobjectiveerd) “redelijkerwijs had moeten vermoeden”.3.Daarvan is bij schuldheling sprake in het geval de verdachte grove of aanmerkelijke onvoorzichtigheid heeft betracht ten aanzien van de herkomst van het goed.4.Aanmerkelijke onvoorzichtigheid laat zich daar denken wanneer uit de bewijsmiddelen kan blijken dat de verdachte in ernstige mate is tekortgeschoten in zijn onderzoeksplicht naar de herkomst van het goed.5.
16. Met betrekking tot de feiten 1 en 2 kan – gelet dus op kort gezegd: 1) het gebruik van de verklaringen van de verdachte voor het bewijs, 2) het niet als kennelijk leugenachtig of onaannemelijk achten van die verklaringen en 3) de daarmee samenhangende op culpa duidende overweging van het hof – de bewijsvoering van het hof naar het mij voorkomt niet de conclusie dragen dat de verdachte met voorwaardelijk opzet heeft gehandeld. Dat het hof in zijn nadere bewijsoverweging ook heeft meegewogen dat de verdachte in de loods is geweest en daar van de aanwezigen de opdracht kreeg om de container los te koppelen, wat de verdachte naar eigen zeggen zelf ook vreemd vond, en dat de verdachte wisselend heeft verklaard over of en wat er afgesproken was over hoe de opdracht vergoed zou worden, maakt dat naar het mij voorkomt niet anders.
17. Daaruit vloeit naar mijn inzicht voort dat ook de overwegingen van het hof onder het hoofd “Feit 3” (het medeplegen van diefstal door middel van valse sleutels, hetgeen gelet op de bewezenverklaring duidt op een nauwe en bewuste samenwerking met een ander) en het oordeel van het hof dat “gelet op het vorenstaande in onderling verband gezien” het oogmerk van de verdachte gericht was op de wederrechtelijke toe-eigening van de container geen stand kan houden.
18. Het middel slaagt derhalve.
V Het tweede middel en de bespreking daarvan
19. Indien het eerste middel slaagt, behoeft het tweede middel geen bespreking. Voor het geval Uw Raad mij niet volgt in mijn beoordeling van het eerste middel, bespreek ik hieronder volledigheidshalve het tweede middel.
20. Dat middel klaagt dat het hof in de strafmotivering heeft gewezen op de mogelijkheid dat de verdachte meedoet aan een penitentiair programma of deelneemt aan de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling als bedoeld in art. 6:2:10 Sv, maar in strijd met art. 359 lid 6 Sv niet heeft vermeld welk deel van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf in elk geval ten uitvoer zal worden gelegd.6.
Het juridisch kader
21. Op grond van art. 359 lid 6 Sv moet de rechter bij de oplegging van een straf of maatregel die vrijheidsbeneming meebrengt, in het vonnis in het bijzonder de redenen opgeven die tot de keuze van deze strafsoort, dan wel tot deze soort maatregel hebben geleid. Het vonnis geeft voorts zoveel mogelijk de omstandigheden aan, waarop bij de vaststelling van de duur van de straf is gelet. In het vonnis dient ook te worden opgenomen welk gedeelte van een opgelegde vrijheidsstraf, gelet op de mogelijkheid van deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in art. 4 van de Penitentiaire Beginselenwet (Pbw) of de voorwaardelijke invrijheidstelling, bedoeld in art. 6:2:10 Sv,7.in ieder geval ten uitvoer wordt gelegd.
22. De laatste twee hierboven genoemde wettelijke bepalingen luiden als volgt:
- Art. 6:2:10 Sv
“1. Voorwaardelijke invrijheidstelling kan worden verleend:
a. aan de veroordeelde tot vrijheidsstraf van meer dan een jaar en ten hoogste twee jaren wanneer de vrijheidsbeneming ten minste een jaar heeft geduurd en van het alsdan nog ten uitvoer te leggen gedeelte van de straf een derde gedeelte is ondergaan;
b. aan de veroordeelde tot tijdelijke gevangenisstraf van meer dan twee jaren wanneer hij twee derde gedeelte daarvan heeft ondergaan, met dien verstande dat de periode waarover voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend, niet langer kan zijn dan twee jaren.”
- Art. 4 Pbw
“1. Een penitentiair programma is een samenstel van activiteiten waaraan wordt deelgenomen door personen ter verdere tenuitvoerlegging van de aan hen opgelegde vrijheidsstraf of voorlopige hechtenis in aansluiting op hun verblijf in een inrichting en dat als zodanig door Onze Minister is erkend.
2. Gedetineerden kunnen in de gelegenheid worden gesteld tot deelname aan een penitentiair programma direct voorafgaand aan de datum van invrijheidstelling, mits:
a. de gedetineerde een of meer onvoorwaardelijke vrijheidsstraffen ondergaat waarvan de duur onderscheidenlijk de gezamenlijke duur ten minste zes maanden en ten hoogste een jaar bedraagt;
b. bij aanvang van de deelname aan het penitentiair programma nog ten minste vier weken van de vrijheidsstraf of vrijheidsstraffen moeten worden ondergaan; en
c. er geen andere omstandigheden zijn die zich tegen zijn deelname verzetten.
De deelname aan het penitentiair programma duurt niet langer dan een zesde deel van de vrijheidsstraf of vrijheidsstraffen die de gedetineerde nog moet ondergaan. Indien de veroordeling tot een vrijheidsstraf nog niet onherroepelijk is, wordt de datum van invrijheidstelling voor de toepassing van dit lid berekend op grond van de veroordeling waartegen het rechtsmiddel is aangewend.”
De bespreking van het middel
23. In het bestreden arrest heeft het hof in de strafmotivering onder meer het volgende overwogen:
“Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur [A-G: twee jaren] een passende en geboden reactie vormt.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet,8.dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.”
24. De in het bestreden arrest opgenomen (standaard)motivering houdt in dat de geldende wettelijke termijnen voor tenuitvoerlegging binnen de penitentiaire inrichting in acht worden genomen en dat deelname aan een penitentiair programma of toepassing van de voorwaardelijke invrijheidstelling pas aan de orde komt als aan de geldende termijnvereisten is voldaan. Met deze impliciete verwijzing naar de wettelijke termijnen wordt door de rechter naar buiten toe kenbaar gemaakt welk deel van de vrijheidsstraf ‘in ieder geval’ wordt tenuitvoergelegd. Ik meen dat de rechter daarover ook niet meer dan dat hoeft te zeggen in zijn uitspraak.9.Pas in de fase van tenuitvoerlegging van de straf doet zich immers de vraag voor of de veroordeelde daadwerkelijk in aanmerking komt voor een penitentiair programma of voorwaardelijke invrijheidstelling, en als dat het geval is, wanneer daarmee wordt aangevangen. Daarbij kunnen allerlei omstandigheden die zich in die fase hebben voorgedaan een rol spelen. Het is aan de betrokken tenuitvoerleggingsinstanties om zulke omstandigheden al dan niet in hun overwegingen en afwegingen mee te nemen.10.De klacht treft daarom geen doel.
VI Ambtshalve opmerking
25. Het cassatieberoep is ingesteld op 23 november 2022. De Hoge Raad zal uitspraak doen nadat meer dan twee jaren sinds het instellen van dat cassatieberoep zijn verstreken. Indien Uw Raad tot verwerping van beide middelen komt, dient dat te leiden tot vermindering van de opgelegde straf.
26. Andere gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
VII Slotsom
27. Het eerste middel slaagt. Het tweede middel faalt en kan in geval ook het eerste middel faalt worden afgedaan met een aan art. 81 RO ontleende motivering.
28. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 11‑02‑2025
Zie HR 20 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1864, NJ 2023/101, m.nt. Vellinga: “3.2.4. In voorkomende gevallen kan het afleggen door de verdachte van een onwaar gebleken verklaring worden beschouwd als het geven van een lezing die als onaannemelijk of ongeloofwaardig heeft te gelden, of worden gelijkgesteld aan het uitblijven van een aannemelijke verklaring, zodat ook aan het afleggen van een onwaar gebleken verklaring betekenis kan toekomen bij het oordeel of het tenlastegelegde kan worden bewezenverklaard. In deze gevallen neemt de rechter de bewezenverklaring aan op grond van andere bewijsmiddelen dan die verklaring van de verdachte. Het afleggen van een onwaar gebleken verklaring betreft dan een omstandigheid die in de bewijsredenering van de rechter van belang is voor de redengevende betekenis die in het concrete geval aan de gebruikte bewijsmiddelen kan worden toegekend, en om die reden in de bewijsmotivering wordt betrokken.”(cursivering van mij, A-G). En: “3.3.4. Het oordeel dat de bewezenverklaring mede op grond van het gebruik van een kennelijk leugenachtige verklaring als bewijsmiddel kan worden aangenomen, moet door de rechter nader worden gemotiveerd.” Daarbij dient te worden betrokken a. welke door de verdachte afgelegde verklaring of welke onderdelen van die verklaring door de rechter als kennelijk leugenachtig wordt of worden aangemerkt; b. op welke door de rechter vastgestelde feiten en omstandigheden het oordeel berust dat de betreffende verklaring van de verdachte niet alleen onverenigbaar is met die feiten en omstandigheden maar ook als kennelijk leugenachtig – en niet bijvoorbeeld als een vergissing – moet worden beschouwd; en c. wat – los van de omstandigheid dat de feitenlezing van de verdachte naar het oordeel van de rechter niet aannemelijk is geworden – de relevantie is voor de bewijsvoering als geheel en dus voor het aannemen van de bewezenverklaring van de omstandigheid dat de verdachte op een bepaald punt kennelijk leugenachtig heeft verklaard.
Zie daarover nader mijn conclusie van 19 maart 2024, ECLI:NL:PHR:2024:245.
HR 17 december 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC9146, NJ 1986/428.
HR 13 mei 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF5702, NJ 2003/460.
Zie voor een uitgebreide bespreking van een soortgelijke klacht mijn conclusie van 1 november 2022, ECLI:NL:PHR:2022:987 (HR: 81 RO).
In de wettekst wordt ten onrechte nog verwezen naar art. 15 (oud) Sr. In de praktijk wordt hier met een verwijzing naar de juiste bepaling (art. 6:2:10 Sv) overheen gestapt, hetgeen overigens niet tot problemen leidt.
Dat laat onverlet dat het de rechter vrijstaat in de uitspraak aan te geven wat naar zijn oordeel het minimaal ten uitvoer te leggen deel van de straf is.
De beslissing tot voorwaardelijke invrijheidstelling wordt sinds de inwerkingtreding van de Wet straffen en beschermen (Stb. 2020, 224) genomen door het openbaar ministerie (art 6:2:12 Sv), de beslissing tot deelname aan een penitentiair programma door de selectiefunctionaris op voordracht van de directeur van de penitentiaire inrichting (art. 7 Penitentiaire maatregel).
Beroepschrift 22‑06‑2023
De Hoge Raad der Nederlanden
SCHRIFTUUR VAN CASSATIE
In de zaak van [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1978 te [geboorteplaats] ([land]), wonende op de [adres] te [postcode] [woonplaats], doch in deze procedure woonplaats kiezende op het hierna te noemen kantooradres van zijn advocaat mr S.J. van der Woude, rekwirant tot cassatie van een hem betreffend arrest van het Gerechtshof te Den Haag, parketnummer 21-001129-21, gewezen op 9 november 2022.
Deze schriftuur wordt ondertekend en ingediend door mr S.J. van der Woude advocaat te Amsterdam, kantoorhoudende aan de Willemsparkweg 31 te 1071 GP Amsterdam, die verklaart tot deze ondertekening en indiening bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd door rekwirant van cassatie.
Rekwirant tot cassatie stelt de volgende middelen van cassatie voor:
Middel 1:
Schending van het recht en/of verzuim van vormen, waarvan de niet-naleving nietigheid meebrengt of zulke nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in achtgenomen vormen. In het bijzonder zijn de artikelen 2 en 10 Opiumwet en de artikelen 311 Sr en 350, 359 en 415 Sv geschonden,
- a)
doordat het hof het onder 1 tenlastegelegde heeft bewezenverklaard, terwijl uit de overwegingen van het hof volgt dat het opzet niet aanwezig heeft geacht, althans terwijl dit opzet niet uit de bewijsvoering kan worden afgeleid;
- b)
doordat het hof het onder 2 tenlastegelegde heeft bewezenverklaard, terwijl uit de overwegingen van het hof volgt dat het opzet niet aanwezig heeft geacht, althans terwijl dit opzet niet uit de bewijsvoering kan worden afgeleid;
- c)
doordat het hof het onder 3 tenlastegelegde heeft bewezenverklaard, terwijl de dragende bewijsoverwegingen strijdig zijn met hetgeen het hof met betrekking tot feiten 1 en 2 heeft overwogen, althans terwijl het opzet niet uit de bewijsvoering kan volgen,
de bewezenverklaring geeft hierdoor blijk van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van het (voorwaardelijk) opzet, althans is de bewezenverklaring hierdoor onvoldoende met redenen omkleed/onbegrijpelijk. Het bestreden arrest lijdt dientengevolge aan nietigheid.
Toelichting
Ad deelklachten a) en b)
Het hof heeft ten aanzien van rekwirant onder 1 bewezenverklaard dat:
‘Hij in de periode van 9 augustus 2019 tot en met 12 augustus 2019 te Rotterdam en [a-plaats] tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;’1.
Het hof heeft dit feit gekwalificeerd als:
‘medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod.’2.
Het hof heeft ten aanzien van rekwirant onder 2 bewezenverklaard dat:
‘hij omstreeks de periode van 9 augustus 2019 tot en met 12 augustus 2019 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 Opiumwet, te weten het opzettelijk vervoeren en binnen het grondgebied van Nederland brengen een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen,\
- —
zich gelegenheid en middelen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen, en
- —
voorwerpen en/of vervoermiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven bedoelde feit
hebbende verdachte en zijn, verdachtes, mededaders
- —
gecrypte telefoons voorhanden gehad en
- —
pallets met bananen klaargezet (als wissellading) en aanwezig gehad (in de loods aan de [a-straat 01] te [a-plaats]) en
- —
een vorkheftruck voorhanden gehad (in de loods aan de [a-straat 01] te [a-plaats]) en
- —
een trekker en een chassis en een vrachtwagen ter beschikking heeft gehad en
- —
(vervolgens) een container naar een loods aan de [a-straat 01] te [a-plaats] gebracht en
- —
voertuigen met een verborgen ruimte klaargezet, te weten een Volkswagen Transporter met kenteken [kenteken 1] en een citroën Jumper met kenteken [kenteken 2]; en
- —
de (douane)verzegeling van de container [nummer 1] verbroken;’
Het hof heeft het onder 2 ten laste van de verdachte bewezenverklaarde gekwalificeerd als
‘medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet voor te bereiden en te bevorderen, zich gelegenheid en middelen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en voorwerpen en vervoermiddelen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.’
Het hof heeft ten aanzien van feiten 1 en 2 onder het kopje ‘conclusie’ onder het onderdeel ‘bewijsvoering’ het volgende overwogen:
‘Uit de hiervoor genoemde bewijsmiddelen, in onderling verband en in samenhang bezien, volgt dat de rol van de verdachte bestond uit het ophalen van de container op het ECT Delta-terrein en het vervoeren van deze container naar de loods in [a-plaats], waar de cocaïne uit de container zou worden gehaald.
Uit de combinatie van
- —
De wijze waarop de verdachte de opdracht heeft gekregen
- —
Het gebruik maken van een door de verdachte zelf — en dus niet door de opdrachtgever — ingevulde vrachtbrief,
- —
Waarop hij bewust valse gegevens heeft vermeld,
- —
Zijn ongemotiveerde wetenschap van de inhoud van de container,
- —
Het niet kunnen bereiken van [betrokkene 1] terwijl de verdachte op het terrein van ECT Delta was,
- —
Het op het laatste moment verkrijgen van een afleveradres
- —
Het achtervolgd worden door een voertuig
- —
Het vervolgens moeten achterlaten van de container in een loods die geenszins lijkt op een bananenopslagplaats
- —
Om de container daarna 1,5 uur later weer te moeten ophalen ergens anders heen te brengen,
leidt het hof af dat geen sprake van was een gangbaar transport en dat dit de verdachte duidelijk was, hetgeen hij ook zelf heeft verklaard. De verdachte heeft moeten vermoeden dat het om illegale activiteiten ging die te maken hadden met de invoer van verdovende middelen. Ook weegt het hof mee dat de verdachte in de loods is geweest en daar van de aanwezigen de opdracht kreeg om de container los te koppelen, wat de verdachte naar eigen zeggen zelf ook vreemd vond. Voorts overweegt het hof dat de verdachte wisselend heeft verklaard over of en wat er afgesproken was over hoe de opdracht vergoed zou worden. Door niettemin de opdracht aan te nemen en de container te transporteren heeft de verdachte opzet, in voorwaardelijk zin, gehad op de verlengde invoer van de verdovende middelen (onderstreping van mij, SW).’3.
Het hof heeft blijkens hierboven geciteerde overwegingen vastgesteld dat rekwirant ‘heeft moeten vermoeden’ dat het om illegale activiteiten ging. Deze formulering wijst erop dat het hof culpa heeft vastgesteld bij rekwirant omdat hij behoorde te vermoeden dat het om iets met verdovende middelen ging. Deze formulering wijst in elk geval niet op het aanwezig zijn van (voorwaardelijk) opzet.
Dit klemt temeer nu de raadsman in hoger beroep vrijspraak voor alle feiten heeft bepleit, zoals hij ook in eerste aanleg had gedaan.
Dat het hof deze mate van wetenschap aan het einde van deze bewijsoverwegingen ‘opzet, in voorwaardelijke zin’ noemt, doet er niet aan af dat het hof materieel gezien kennelijk een vorm van culpa voor ogen heeft gehad. Het te vervullen criterium voor de bewezenverklaring van opzet — in voorwaardelijke zin — is of rekwirant bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat er verdovende middelen in het spel waren. Met name het bewustzijn bij rekwirant vloeit niet zonder meer voort uit de door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden. Het hof heeft het juiste criterium kennelijk miskend. Reeds daarom getuigt de bewezenverklaring van een onjuiste rechtsopvatting, althans is die bewezenverklaring onbegrijpelijk.
De door mij (SW) onderstreepte zinssnede in het bovenstaande citaat kan niet worden begrepen als (slechts) een (kennelijke) misslag of slechts minder gelukkige bewoordingen van het hof. Dat blijkt ook uit wat er aldus het hof volgt uit de verzameling gedachtestreepjes: dat het de verdachte duidelijk was dat het transport niet gangbaar was. Wat er niet (en zeker niet zonder meer) volgt uit die samenvattende overweging is dat het niet anders kan dan dat rekwirant bewust was van de aanmerkelijke kans dat er verdovende middelen in die container zaten en dat hij die kans voor lief heeft genomen. Er is wel meer ‘niet gangbaar’ zonder dat dat dit de conclusie rechtvaardigt dat het niet anders kan of de betrokkene heeft beseft dat het in dit geval mogelijk om verdovende middelen ging. Met andere woord: niet alleen dat hij onvoorzichtig en onnadenkend is geweest terwijl hij een vermoeden behoorde te hebben maar dat het daadwerkelijk bij hem is opgekomen dat er een reële mogelijkheid was dat het om verdovende middelen ging. Dat dat het hof blijkens de gebruikte bewoordingen beter nadenken van rekwirant verlangt wijst op culpa.
Daarbij kunnen de gedachtestreepjes noch los, noch in samenhang, zonder meer de conclusie dragen dat rekwirant bewust is geweest van de mogelijkheid dat er verdovende middelen in de container hebben gezeten. Uit de overwegingen van het hof vloeit daarom logischerwijs voort dat er slechts sprake is van culpa: rekwirant had zich achter de oren moeten krabben op basis van al deze omstandigheden. Dat heeft hij — ten onrechte — niet gedaan. Het hof heeft daar echter ten onrechte het label ‘voorwaardelijk opzet’ opgeplakt.
Er is ook overigens geen bewijsmiddel waaruit de wetenschap van de rekwirant met betrekking tot de inhoud van de containers zonder meer volgt, zodat de deelklachten niet om die reden kunnen falen.
Redengevendheid van de bewijsmiddelen
Voor zover deze deelklacht niet reeds op hierboven genoemde gronden slaagt, wijst rekwirant er op dat een deel van de bewijsmiddelen niet redengevend is voor de bewezenverklaring of niet de bewijsoverwegingen kunnen dragen die het hof eraan wijdt. Deze omstandigheden ondergraven de gronden voor het vaststellen van de mate van bewustzijn verder, zodat ook om de hierna te vermelden redenen in samenhang met hetgeen hierboven naar voren is gebracht, de bewezenverklaring onbegrijpelijk is.
Het hof heeft als redengevend voor de mate van bewustzijn van de rekwirant meegewogen het ‘bewust invullen van valse gegevens’ op de vrachtbrief. Het hof heeft echter als redengevend bewijsmiddel opgenomen:
- ‘24.
[…] Ik heb een willekeurig adres ingevuld op het CMR [de vrachtbrief, opm. SW] omdat dit verplicht ingevuld moet worden. Als het niet ingevuld is kan ik een boete krijgen.’
Nu het hof deze verklaring niet als kennelijk leugenachtig heeft aangemerkt, moet het ervoor worden gehouden dat het hof de inhoud van deze verklaring redengevend — en daarmee waarachtig — heeft geacht. Daarmee accepteert het hof deze verklaring voor het zelf invullen van de vrachtbrief. Uit deze verklaring vloeit een reden voor het zelf invullen voort die niets van doen heeft met de al dan niet wederrechtelijke inhoud van de container.
Het hof heeft als redengevend voor de mate van bewustzijn van de rekwirant meegewogen de ‘ongemotiveerde wetenschap van de inhoud van de container.’ Dit gedachtestreepje in de conclusie steunt op de volgende overwegingen:
‘Tevens heeft de verdachte op de vrachtbrief ingevuld dat het bij de lading van de container om 24 pallets met bananen ging, hetgeen nagenoeg correspondeert met het daadwerkelijk aangetroffen aantal pallets. Zeer opmerkelijk in dit verband is verdachtes verklaring ter terechtzitting dat niemand hem gezegd had dat er inderdaad bananen in de container zaten. Hij zou dit hebben afgeleid uit het feit dat het om een reefer container ging. Die verklaring acht het hof echter niet aannemelijk, gelet op het feit dat in de Rotterdamse haven voor een veelheid van producten van geklimatiseerd transport gebruik wordt gemaakt.’4.
Als bewijsmiddel is echter opgenomen:
- ‘28.
[…] De container bevatte ‘Frigo’; dat is meestal banaan. Daarom heb ik banaan ingevuld.’5.
Nu het hof deze verklaring niet als kennelijk leugenachtig heeft aangemerkt, moet het ervoor gehouden worden dat het hof de inhoud van deze verklaring redengevend — en daarmee waarachtig — heeft geacht.6.
Voor zover het hof de mate van bewustzijn van de verdachte dus afleidt uit zijn ongemotiveerde wetenschap van de inhoud van de container, is de vaststelling van de mate van bewustzijn onbegrijpelijk. Uit het bewijsmiddel vloeit immers voort dat de wetenschap van de inhoud wél gemotiveerd was.
Het hof heeft als redengevend voor de mate van bewustzijn van de rekwirant meegewogen dat hij de container heeft achtergelaten in een loods die ‘geenszins lijkt op een bananenopslagplaats.’ Deze overweging, die mede dragend is voor de bewezenverklaring, kan niet uit de bewijsvoering volgen. Meer in het bijzonder kan niet volgen dat het rekwirant is (of moet zijn) opgevallen dat deze loods geenszins lijkt op een bananenopslagplaats. Zonder dat dat rekwirant is opgevallen kan het ook niet redengevend zijn voor de mate van bewustzijn van de aard van de opdracht, terwijl niet in te zien valt welk doel deze overweging anders dient.
Voorts heeft het hof meegewogen dat ‘de verdachte in de loods is geweest en daar van de aanwezigen de opdracht kreeg om de container los te koppelen, wat de verdachte naar eigen zegen zelf ook vreemd vond.’ Deze bewijsoverweging, die het hof kennelijk op basis van bewijsmiddel 29 doet, vindt geen steun in dat bewijsmiddel.
Rekwirant heeft — door het hof redengevend geacht — verklaard dat het vreemde is dat hij die opdracht pas op dat moment kreeg, omdat normaal gesproken de opdracht tot het loskoppelen van de container van tevoren wordt gegeven. Het loskoppelen als zodanig is niet vreemd, in tegenstelling tot wat de overweging van het hof suggereert.
Uit al het voorgaande vloeit voort dat de overweging van het hof dat de verdachte opzet in voorwaardelijke zin heeft gehad, onbegrijpelijk is, althans strijdig is met de bewijsvoering, althans dat dit opzet niet kan volgen uit de bewijsvoering. Het arrest lijdt daarom aan nietigheid.
Ad deelklacht c)
Deze deelklacht ziet zowel op het opzet ten aanzien van de valse sleutel, als de wederrechtelijke toe-eigening als zodanig.
Het hof heeft ten aanzien van rekwirant onder 3 bewezenverklaard dat hij
- ‘3.
hij op 12 augustus 2019 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening (vanaf de ECT Delta Terminal aan de Europaweg) heeft weggenomen een container (met nummer [nummer 1], inhoudende pallets met bananen), toebehorende aan een ander dan aan hem, verdachte, en/of zijn mededader, waarbij verdachte en zijn mededader het weg te nemen goed onder hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten door met een (valselijk verkregen) pincode, die hij, verdachte en zijn mededader niet gerechtigd waren te gebruiken, die container (met pallets met bananen) van de ECT Delta Terminal op te halen en weg te voeren/te vervoeren.’
Het hof heeft met betrekking tot feit 3 het volgende overwogen:
‘De raadsman van de verdachte heeft — kort en zakelijk weergegeven — bepleit dat de verdachte tevens dient te worden vrijgesproken van het onder 3 tenlastegelegde, aangezien de verdachte slechts een opdracht uitvoerde voor [betrokkene 1] en geen wetenschap droeg van het feit dat [betrokkene 1] de pincode van de container onrechtmatig had verkregen. De verdachte kan daarom niet verantwoordelijk worden gehouden voor de diefstal van deze container.
Het hof overweegt, deels met de rechtbank, als volgt.
Namens [B] is aangifte van diefstal van de container gedaan. Aangever verklaarde dat de container niet kon worden afgehaald, omdat een ander de container reeds had opgehaald. Dit gebeurde zonder toestemming of medeweten van de eigenaar van de container.
Vast staat dat de verdachte de container — in opdracht van [betrokkene 1], en zonder toestemming en buiten medeweten van [B] — van het terrein van ECT Delta aan de Europaweg in Rotterdam heeft afgehaald en vervoerd naar een loods in [a-plaats], op een hem aanvankelijk onbekend adres. De pincode van de container was door [betrokkene 1] aan hem verstrekt.
Het hof constateert dat de verdachte voor het ophalen van de container gebruik heeft gemaakt van een pincode waartoe hij niet gerechtigd was. De verdachte heeft zonder toestemming de container opgehaald. De raadsman heeft aangevoerd dat de verdachte er niet van op de hoogte was dat de pincode vals was. Het hof gaat hier niet in mee. De verdachte heeft zich bij de containerterminal vervoegd om een container waarin cocaïne was verstopt op te halen. Het kan niet anders dan dat hij wist dat de pincode die daarvoor benodigd was op wederrechtelijke wijze in handen van de organisatie was gekomen.
Het hof is van oordeel dat gelet op het vorenstaande in onderling verband gezien, het oogmerk van de verdachte gericht was op de wederrechtelijke toe-eigening van de container.’
Een sleutel — in dit geval een pincode — is vals wanneer hij wordt aangewend op een wijze waartoe de gebruiker niet bevoegd was.7. Dat veronderstelt wel dat de gebruiker wist dat hij daartoe niet bevoegd was.
Het hof heeft het door de raadsman gevoerde verweer dat rekwirant niet op de hoogte was van de valsheid van die sleutel verworpen. Het hof heeft daaraan kennelijk ten grondslag gelegd dat de wetenschap van rekwirant dat er cocaïne verstopt zat in die container inhoudt dat de pincode (dus) wel op wederrechtelijke wijze in handen van de organisatie moet zijn gekomen, en dus vals moet zijn.
Deze redenering veronderstelt echter dat de rekwirant wist dat de container cocaïne bevatte. Dat maakt deze redenering onbegrijpelijk, nu het hof (slechts) heeft vastgesteld dat rekwirant ‘heeft moeten vermoeden dat het om illegale activiteiten ging die te maken hadden met de invoer van verdovende middelen.’8. Slechts het hebben moeten vermoeden dat er sprake is van ‘illegale activiteiten’ levert nog geen wetenschap op, en daarmee geen opzet. Dat geldt zowel ten aanzien van de valsheid van de sleutel op zichzelf, als de diefstal als geheel — immers, als rekwirant niet wist dat de sleutel vals was, wist hij ook niet dat de goederen niet aan [betrokkene 1], althans een opdrachtgever, toebehoorden. Reeds hierom getuigt de bewezenverklaring van een onjuiste rechtsopvatting, althans is die bewezenverklaring onbegrijpelijk.
De redenering van het hof is evenmin begrijpelijk voor zover zij inhoudt dat de rekwirant uit het — hem kennelijk bekende — feit dat de container cocaïne bevatte moet hebben afgeleid dat de (inhoud van de) container (dus) gestolen werd. Die omstandigheid is — zo zij al uit de bewijsmiddelen kan volgen — niet, en zeker niet zonder nadere motivering die ontbreekt, redengevend voor de wetenschap dat de container ook nog eens gestolen was. In dat geval ligt het immers eerder voor de hand dat rekwirant meende dat zijn opdrachtgever handelde voor degene aan wie de container ook toebehoorde, omdat deze kon beschikken over de juiste pincode om de container op te halen. In dit verband is van in cassatie van belang dat rekwirant ter zitting onder meer als volgt heeft betoogd:
‘Er is niet gewerkt met een valse code, dat kan niet. Het bedrijf voor wie het transport wordt gedaan geeft de pincode door aan de rederij. Zonder pincode kan je de container niet meenemen. Ik dacht dat ik de juiste pincode had. Als het geen juiste pincode was geweest, dan kan je de container echt niet meenemen.’
Conclusie
Mocht de Hoge Raad van oordeel zijn dat een of twee van de deelklachten wel slagen, doch een of twee ook niet, verzoekt Rekwirant om desalniettemin het arrest integraal te vernietigen, nu de bewezenverklaring van feiten 1 en 2 enerzijds en feit 3 anderzijds in brede zin afhankelijk is van de mate van bewustzijn ten aanzien van de in het spel zijnde verdovende middelen.
Het arrest lijdt aan nietigheid.
Middel 2
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd, waarvan niet-naleving nietigheid meebrengt. In het bijzonder zijn de artikelen 359 (zesde lid), 415 en 6:2:10 Sv geschonden, doordat het hof bij de motivering van de oplegging van gevangenisstraf voor rekwirant weliswaar als mogelijkheid heeft genoemd:
- —
De deelname van rekwirant aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 Pbw;
- —
De deelname van rekwirant aan de regeling van voorwaardelijk invrijheidstelling als bedoel in artikel 6:2:10 Sv,
doch in strijd met artikel 359, zesde lid, Sv niet heeft vermeld welk deel van de aan rekwirant opgelegde gevangniesstraf, gelet op deze regelingen, in elk geval (in een penitentiaire inrichting) ten uitvoer zal worden gelegd, welk verzuim in artikel 359, achtste lid, Sv met formele nietigheid is bedreigd.
Het arrest lijdt ook hierdoor aan nietigheid.
Toelichting
Bij de Wet straffen en beschermen van 24 juni 2020 (Stb 224) is aan artikel 359, zesde lid Sv met betrekking tot de motivering van een straf of maatregel die vrijheidsbeneming meebrengt de volgende volzin toegevoegd:
‘Het vonnis vermeldt welk gedeelte van een opgelegde vrijheidsstraf, gelet op de mogelijkheid van deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire Beginselenwet of de voorwaardelijke invrijheidstelling, bedoeld in artikel 15 van het Wetboek van Strafrecht, in ieder geval ten uitvoer wordt gelegd.’
Ingevolge artikel 359, achtste lid, Sv heeft het verzuim om een en ander te vermelden steeds nietigheid tot gevolg.
Deze verplichting is met de Wet straffen en beschermen met ingang van 1 juli 2021 in artikel 359, zesde lid, Sv opgenomen als gevolg van een (gewijzigd) amendement van de Tweede Kamerleden Van der Staaij, Van Nispen en Van Toorenburg met de volgende toelichting:
‘Uit het vonnis van de rechter blijkt op dit moment op geen enkele manier dat de veroordeelde voor een deel van de opgelegde straf uiteindelijk in aanmerking kan komen voor een penitentiair programma of dat voor een deel van de straf een voorwaardelijke invrijheidstelling mogelijk is. Dit zorgt voor onduidelijkheid én voor onbegrip in de maatschappij, omdat de gedetineerde al voor het einde van de opgelegde straf volledig buiten de inrichting kan verblijven. Het dient de rechtszekerheid wanneer voortaan in het vonnis staat vermeld voor welk deel van de straf en volgens welke regels er een mogelijkheid is voor een penitentiair programma en de v.i.-regeling. Voor ieder is dan duidelijk dat de feitelijke straf die in detentie uitgezeten wordt mogelijk korter is dan de door de rechter opgelegde straf en dat de veroordeelde als hij aan de voorwaarden uit de wet voldoet in aanmerking kan komen voor deelname aan een penitentiair programma of de voorwaardelijke invrijheidstelling.’
(onderstreping van mij, SW)
Met het uit deze toelichting blijkende doel van deze nieuwe bepaling kan men het gemakkelijk eens zijn: zij dient de duidelijkheid voor de verdachte en voor de andere leden van de maatschappij waaronder slachtoffers. Zij noopt de rechter er in zijn uitspraak toe om duidelijk te maken hoe lang de verdachte tenminste in een penitentiaire instelling (PI) gedetineerd zal zijn op grond van de hem opgelegde gevangenisstraf.
De Wet straffen en beschermen (wet van 24 juni 2020, Stb 224) is in werking getreden op 1 juli 2021. Artikel IV van de wet brengt mee dat de nieuwe regeling van toepassing is op veroordelingen die zijn opgelegd bij strafvonnissen, gewezen na de inwerkingtreding van de wet. Nu het hof aan rekwirant bij arrest van 9 november 2022 een gevangenisstraf heeft opgelegd van twee jaar is de nieuwe wet in deze zaak van toepassing.
De Wet straffen en beschermen hield tevens een wijziging in van artikel 4, tweede lid aanhef en onder a, Pbw waardoor de mogelijkheid van een penitentiair programma (PP) — anders dan voorheen — beperkt is tot veroordelingen tot gevangenisstraffen waarvan de (gezamenlijke) duur ten hoogste één jaar bedraagt.
Het hof heeft in zijn strafmotivering de volgende overweging opgenomen:
‘Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regelging van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is’
Deze tekst wordt inmiddels als een sjabloon opgenomen in bijna alle arresten van de gerechtshoven waarin een onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd die nog geheel of ten dele ten uitvoer moet worden gelegd.
De tekst van deze sjabloon is echter volkomen nietszeggend omdat zij slechts herinnert aan het bestaan van wettelijke instituten als het PP en de voorwaardelijke invrijheidstelling (VI), maar niet duidelijk maakt welk deel van de straf in een penitententiaire instelling (PI) ten uitvoer gelegd zal worden. Dat blijkt al uit het feit dat in de formule steevast de mogelijkheid van een PP genoemd wordt, ook wanneer deze mogelijkheid helemaal niet bestaat, zoals hier het geval is.
Uit dit sjabloon blijkt — in strijd met de verplichting van artikel 359, zesde lid, Sv — niet ‘welk gedeelte van de opgelegde vrijheidsstraf’ gelet op de regelingen van het PP en de VI ‘in ieder geval’ ten uitvoer wordt gelegd. De bedoeling van de indieners van het amendement is ontegenzeggelijk dat uit het vonnis blijkt wat de feitelijke, minimaal uit te zitten straf is.
Deze bepaling schept niet alleen duidelijkheid voor slachtoffers en derden, maar ook voorde verdachte, die meteen kan zien hoe lang hij minimaal, hoe dan ook, achter de tralies zal zitten. Hij kan daarop zijn gedrag aanpassen, niet in de laatste plaats ten aanzien van de vraag of hij hoger beroep of cassatieberoep wil instellen.
Met de verplichting van de rechter om te vermelden welke concrete periode ingevolge de veroordeling ‘in ieder geval’ (in een PI) ten uitvoer zal worden gelegd wordt in de praktijk inmiddels op grote schaal de hand gelicht door het gebruik van dit nietszeggend sjabloon waaruit niet kan blijken voor welk deel van de straf er sprake kan zijn van VI. De bedoeling van de wetgever en de tekst van de wet worden hier genegeerd door de feitenrechter. Het is daarom aangewezen dat de Hoge Raad erop wijst dat de rechter die een vrijheidsstraf oplegt verplicht is om daarbij aan te geven voor welke concrete periode de straf tenminste in een PI ten uitvoer zal worden gelegd dan wel welk deel van de straf vatbaar is voor een VI (en een PP).
In casu diende het hof concreet te vermelden dat rekwirant ingevolge de veroordeling door het hof tot twee jaar gevangenisstraf in ieder geval een jaar en vier maanden in een PI moet doorbrengen, op welke periode in minder komt de (concreet te vermelden) periode die rekwirant in deze zaak al in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Het hof heeft dit nagelaten hetgeen ingevolge artikel 359, achtste lid, Sv tot nietigheid leidt.
Het is de vraag welk belang rekwirant bij deze afzonderlijke klacht heeft. Dat belang schuilt in de verplichting dat het hof ten aanzien van hem de wet naleeft en hem meedeelt welke straf hij in totaal achter de deur moet doorbrengen en welk deel van de straf hij, vanaf de datum waarop het bestreden arrest is gewezen, na het onherroepelijk worden van de veroordeling nog in de PI zal moeten doorbrengen na aftrek van de in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd. Ook het wijdere publiek, waaronder de slachtoffers en benadeelde partijen, heeft recht op een dergelijke ondubbelzinnige mededeling.
Wel zou in dit geval het verzuim van het hof door de Hoge Raad kunnen worden hersteld, indien de overige middelen mochten worden verworpen. De Hoge Raad zou in dat geval immers zelf kunnen vermelden dat de veroordeling door het hof meebrengt dat de gevangenisstraf gedurende ‘in ieder geval gedurende een jaar en vier maanden maanden’ in een PI ten uitvoer gelegd wordt, en daarbij kunnen vermelden welk gedeelte van die twee jaren al in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht en welke periode dus nog in ieder geval in de PI ten uitvoer zal moeten worden gelegd.
Maar ook wanneer (een van de) overige middelen gegrond wordt verklaard en de zaak zal worden verwezen of teruggewezen is het van belang dat de Hoge Raad zich over de klacht van het middel uitlaat. Deze klacht heeft immers een zaaksoverstijgend belang nu de Hoge Raad ertoe uitnodigt om aan de rechtspraktijk helderheid te verschaffen over de verplichtingen die artikel 359, zesde lid, Sv voor de rechter meebrengt, en het recht op welke informatie verdachten, slachtoffers en de maatschappij in het algemeen aan dit voorschrift kunnen ontlenen. Ook wanneer die aanspraak niet verder mocht gaan dan de thans gebruikte nietszeggende sjabloon is het van belang dat dit algemeen bekend is. Ook om deze reden verzoekt rekwirant dat de Hoge Raad zich hierover uitspreekt.
Amsterdam, 22 juni 2023
S.J. van der Woude
raadsman
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 22‑06‑2023
Arrest p. 4.
Arrest p. 13.
Arrest p. 10-1.
Arrest p. 10.
Bewijsmiddel 28.
Dat komt weliswaar in strijd met zijn bewijsoverwegingen, maar dat het hof de aard van ‘bewijsmiddelen’ kennelijk niet begrijpt dient niet voor rekening van rekwirant te komen.
Zie bijv. CAG 9 juni 2015, ECLI:NL:PHR:2015:1502, randnummer 11 (HR: 81.1 RO).
Arrest p. 10-1.