Hof Den Haag, 10-10-2024, nr. 22-001466-23
ECLI:NL:GHDHA:2024:2936
- Instantie
Hof Den Haag
- Datum
10-10-2024
- Zaaknummer
22-001466-23
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHDHA:2024:2936, Uitspraak, Hof Den Haag, 10‑10‑2024; (Hoger beroep)
Cassatie: ECLI:NL:HR:2026:325
Uitspraak 10‑10‑2024
Inhoudsindicatie
Jeugdzaak. De verdachte heeft zich tijdens een voetbalwedstrijd schuldig gemaakt aan mishandeling van een speler uit het team van de tegenpartij door hem twee keer tegen zijn hoofd te slaan, waardoor het slachtoffer letsel heeft opgelopen. Gepubliceerd naar aanleiding arrest van de Hoge Raad.
Parketnummer: 10-328801-22
Datum uitspraak: 10 oktober 2024
TEGENSPRAAK
Gerechtshof Den Haag
meervoudige kamer voor strafzaken
Arrest
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Rotterdam van 8 mei 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2005,
adres: [woonadres] , [woonplaats] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het tenlastegelegde veroordeeld tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 40 uren subsidiair 20 dagen vervangende jeugddetentie, voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is omtrent de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] , met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, beslist als nader in het vonnis omschreven.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 5 november 2022 te Rotterdam, [benadeelde partij] heeft mishandeld door die [benadeelde partij] meermalen op/tegen het hoofd, althans tegen het lichaam, te slaan.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 40 uren subsidiair 20 dagen jeugddetentie, voorwaardelijk, met een proeftijd van 1 jaar.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal om proceseconomische redenen worden vernietigd, nu het hof weliswaar tot dezelfde bewezenverklaring komt als de rechtbank, maar tot een iets andere strafoplegging, strafmotivering en bewijsvoering komt.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op of omstreeks 5 november 2022 te Rotterdam, [benadeelde partij] heeft mishandeld door die [benadeelde partij] meermalen op/tegen het hoofd, althans tegen het lichaam, te slaan.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Bewijsoverweging
De verdachte heeft aangevoerd dat hij zich uit een nekklem moest los worstelen en uit de escalatie is gegaan, waarbij hij de aangever zou hebben geraakt.
Deze alternatieve lezing van de verdachte vindt naar het oordeel van het hof geen steun in de bewijsmiddelen. De verdachte is de enige die dit verklaart.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
mishandeling.
Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich tijdens een voetbalwedstrijd schuldig gemaakt aan mishandeling van een speler uit het team van de tegenpartij door hem twee keer tegen zijn hoofd te slaan, waardoor het slachtoffer letsel heeft opgelopen. De verdachte heeft met zijn handelwijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en hem nodeloos pijn gedaan. Juist in een situatie van vrijetijdsbesteding door middel van sport en spel mag worden verwacht dat men zich op vriendschappelijke en sportieve wijze tegenover elkaar gedraagt.
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 12 september 2024, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit.
Voorts heeft het hof acht geslagen op een Advies van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) van 4 mei 2023, waarin -kort gezegd- naar voren komt dat het goed met de verdachte gaat en dat de Raad zich weinig zorgen maakt; dit wordt bevestigd in hetgeen de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep omtrent zijn persoonlijke omstandigheden naar voren heeft gebracht en de indruk die het hof daarbij van hem heeft gekregen.
Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel voorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf van navermelde duur een passende en geboden reactie vormt, met hieraan verbonden een proeftijd van één jaar.
Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij]
In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte bewezenverklaarde tenlastegelegde, tot een bedrag van
€ 1.118,57, bestaande uit € 318,57 ter zake van materiële schade en € 800,00 ter zake van immateriële schade.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot het in eerste aanleg toegewezen bedrag van € 818,57, te weten
€ 318,57 ter zake van materiële schade en € 500,00 ter zake van immateriële schade.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, vermeerderd met de wettelijke rente.
De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte niet betwist.
Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij ter zake van materiële schade zal derhalve worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 5 november 2022 tot aan de dag der algehele voldoening.
Het hof acht voorts aannemelijk geworden dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing van € 500,00 te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 5 november 2022 tot aan de dag der algehele voldoening.
Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij]
Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 818,57 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij] .
Het hof zal geen vervangende gijzeling verbinden aan de schadevergoedingsmaatregel. Het hof houdt daarbij rekening met de landelijke afspraken die hieromtrent zijn gemaakt ten aanzien van jeugdzaken en ziet geen aanleiding om in deze zaak van die afspraken af te wijken.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 20 (twintig) dagen jeugddetentie.
Bepaalt dat de werkstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 1 (één) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 818,57 (achthonderdachttien euro en zevenenvijftig cent) bestaande uit € 318,57 (driehonderdachttien euro en zevenenvijftig cent) materiële schade en € 500,00 (vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 818,57 (achthonderdachttien euro en zevenenvijftig cent) bestaande uit € 318,57 (driehonderdachttien euro en zevenenvijftig cent) materiële schade en € 500,00 (vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 0 (nul) dagen.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 5 november 2022.
Dit arrest is gewezen door mr. C.P.E.M. Fonteijn-Van der Meulen, voorzitter, mr. L.A. Pit en mr. J.A.M. Jansen, leden, in bijzijn van de griffier mr. M.C. Bongaerts.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 10 oktober 2024.
De griffier is buiten staat dit arrest te ondertekenen.