Oorspronkelijke taal: Spaans.
HvJ EU, 02-12-2025, nr. C-34/24
ECLI:EU:C:2025:936
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
02-12-2025
- Magistraten
K. Lenaerts, T. von Danwitz, F. Biltgen, I. Jarukaitis, M.L. Arastey Sahún, I. Ziemele, J. Passer, O. Spineanu-Matei, M. Condinanzi, F. Schalin, A. Kumin, N. Jääskinen, Z. Csehi, B. Smulders, S. Gervasoni
- Zaaknummer
C-34/24
- Conclusie
M. Campos Sánchez-Bordona
- Roepnaam
Stichting Right to Consumer Justice en Stichting App Stores Claims
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2025:936, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 02‑12‑2025
ECLI:EU:C:2025:212, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie, 27‑03‑2025
Prejudiciële beslissing op vraag van: ECLI:NL:RBAMS:2023:8330
Uitspraak 02‑12‑2025
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Rechterlijke bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken — Verordening (EU) nr. 1215/2012 — Artikel 7, punt 2 — Bijzondere bevoegdheid ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad — Vaststelling van de territoriale bevoegdheid van het gerecht van een lidstaat — Plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan — Plaats waar de schade is ingetreden — Representatieve vordering tot vergoeding van schade die is veroorzaakt door mededingingsverstorende gedragingen waarbij de beheerder van een onlineplatform dat op alle gebruikers van een lidstaat is gericht een buitensporige commissie inhoudt op de prijs van apps en digitale producten die op dat platform worden verkocht — Vordering ingesteld door een instantie die bevoegd is om de collectieve belangen van een aantal niet-geïdentificeerde maar wel identificeerbare gebruikers te beschermen
K. Lenaerts, T. von Danwitz, F. Biltgen, I. Jarukaitis, M.L. Arastey Sahún, I. Ziemele, J. Passer, O. Spineanu-Matei, M. Condinanzi, F. Schalin, A. Kumin, N. Jääskinen, Z. Csehi, B. Smulders, S. Gervasoni
Partij(en)
In zaak C-34/24,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de rechtbank Amsterdam (Nederland) bij beslissing van 20 december 2023, ingekomen bij het Hof op 18 januari 2024, in de procedures
Stichting Right to Consumer Justice,
Stichting App Stores Claims
tegen
Apple Distribution International Ltd,
Apple Inc.,
wijst
HET HOF (Grote kamer),
samengesteld als volgt: K. Lenaerts, president, T. von Danwitz, vicepresident, F. Biltgen, I. Jarukaitis, M. L. Arastey Sahún, I. Ziemele, J. Passer, O. Spineanu-Matei (rapporteur), M. Condinanzi en F. Schalin, kamerpresidenten, A. Kumin, N. Jääskinen, Z. Csehi, B. Smulders en S. Gervasoni, rechters,
advocaat-generaal: M. Campos Sánchez-Bordona,
griffier: G. Chiapponi, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 10 december 2024,
gelet op de opmerkingen van:
- —
Stichting Right to Consumer Justice, vertegenwoordigd door M. A. van Bemmel en C. Jeloschek, advocaten,
- —
Stichting App Stores Claims, vertegenwoordigd door R. Meijer en S. Timmerman, advocaten,
- —
Apple Distribution International Ltd en Apple Inc., vertegenwoordigd door B. M. Katan, J. S. Kortmann en R. Wesseling, advocaten,
- —
de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door E. M .M. Besselink, M. K. Bulterman en A. Hanje als gemachtigden,
- —
de Portugese regering, vertegenwoordigd door C. Alves, P. Barros da Costa en M. J. Castello-Branco als gemachtigden,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door S. Noë en W. Wils als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 27 maart 2025,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 7, punt 2, van verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2012, L 351, blz. 1).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van gedingen tussen enerzijds twee stichtingen naar Nederlands recht, gevestigd te Amsterdam (Nederland), namelijk Stichting Right to Consumer Justice en Stichting App Stores Claims, en anderzijds Apple Distribution International Ltd, een vennootschap naar Iers recht, en Apple Inc., een vennootschap naar Amerikaans recht (hierna samen: ‘Apple’), over de vaststelling van mededingingsverstorende gedragingen van verweersters in de hoofdgedingen en over de veroordeling van deze laatsten tot vergoeding van de schade die door die gedragingen zou zijn veroorzaakt.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3
De overwegingen 15 en 16 van verordening nr. 1215/2012 luiden als volgt:
- ‘(15)
De bevoegdheidsregels moeten in hoge mate voorspelbaar zijn, waarbij als beginsel geldt dat de bevoegdheid in het algemeen gegrond wordt op de woonplaats van de verweerder. De bevoegdheid moet altijd op die grond kunnen worden gevestigd, behalve in een gering aantal duidelijk omschreven gevallen waarin het voorwerp van het geschil of de autonomie van de partijen een ander aanknopingspunt wettigt. Voor rechtspersonen moet de woonplaats autonoom worden bepaald om de gemeenschappelijke regels doorzichtiger te maken en jurisdictiegeschillen te voorkomen.
- (16)
Naast de woonplaats van de verweerder moeten er alternatieve bevoegdheidsgronden mogelijk zijn, gebaseerd op de nauwe band tussen het gerecht en de vordering of de noodzaak een goede rechtsbedeling te vergemakkelijken. Het bestaan van een nauwe band moet zorgen voor rechtszekerheid en de mogelijkheid vermijden dat de verweerder wordt opgeroepen voor een gerecht van een lidstaat dat door hem redelijkerwijs niet voorzienbaar was. Dat is met name belangrijk bij geschillen betreffende niet-contractuele verbintenissen die voortvloeien uit een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer of op de persoonlijkheidsrechten, met inbegrip van smaad.’
4
Hoofdstuk II (‘Bevoegdheid’) van deze verordening bevat onder meer een afdeling 1 (‘Algemene bepalingen’) en afdeling 2 (‘Bijzondere bevoegdheid’). Artikel 4, lid 1, maakt deel uit van afdeling 1 en bepaalt het volgende:
‘Onverminderd deze verordening worden zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat, ongeacht hun nationaliteit, opgeroepen voor de gerechten van die lidstaat.’
5
Artikel 5, lid 1, dat eveneens is opgenomen in afdeling 1, bepaalt:
‘Degenen die op het grondgebied van een lidstaat woonplaats hebben, kunnen slechts voor het gerecht van een andere lidstaat worden opgeroepen krachtens de in de afdelingen 2 tot en met 7 van dit hoofdstuk gegeven regels.’
6
Artikel 7, dat deel uitmaakt van afdeling 2, luidt als volgt:
‘Een persoon die woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, kan in een andere lidstaat voor de volgende gerechten worden opgeroepen:
- 1.
- a)
ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst, voor het gerecht van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd;
[…]
- 2.
ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad, voor het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen;
[…]’
Nederlands recht
7
De Wet van 20 maart 2019 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek en het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering teneinde de afwikkeling van massaschade in een collectieve actie mogelijk te maken (Wet afwikkeling massaschade in collectieve actie) (Stb. 2019, nr. 130) is op 1 januari 2020 in werking getreden en is gewijzigd met ingang van 25 juni 2023 ter omzetting van richtlijn (EU) 2020/1828 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2020 betreffende representatieve vorderingen ter bescherming van de collectieve belangen van consumenten en tot intrekking van richtlijn 2009/22/EG (PB 2020, L 409, blz. 1) in Nederlands recht.
8
Artikel 3:305a van het Burgerlijk Wetboek, in de op de hoofdgedingen toepasselijke versie (hierna: ‘BW’), bepaalt:
- ‘1.
Een stichting of vereniging met volledige rechtsbevoegdheid kan een rechtsvordering instellen die strekt tot bescherming van gelijksoortige belangen van andere personen, voor zover zij deze belangen ingevolge haar statuten behartigt en deze belangen voldoende zijn gewaarborgd.
[…]
- 3.
Een rechtspersoon als bedoeld in lid 1 is slechts ontvankelijk indien:
[…]
- b.
de rechtsvordering een voldoende nauwe band met de Nederlandse rechtssfeer heeft. Van een voldoende nauwe band met de Nederlandse rechtssfeer is sprake, wanneer:
- 1o.
de rechtspersoon genoegzaam aannemelijk maakt dat het merendeel van de personen tot bescherming van wier belangen de rechtsvordering strekt, zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft; of
- 2o.
degene tegen wie de rechtsvordering zich richt, woonplaats in Nederland heeft en bijkomende omstandigheden wijzen op voldoende verbondenheid met de Nederlandse rechtssfeer; of
- 3o.
de gebeurtenis of de gebeurtenissen waarop de rechtsvordering betrekking heeft, in Nederland heeft of hebben plaatsgevonden;
[…]’
9
Artikel 220, lid 1, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: ‘Rv’), in de op de hoofdgedingen toepasselijke versie, bepaalt:
‘In zaken die reeds eerder bij een andere gewone rechter van gelijke rang aanhangig zijn gemaakt tussen dezelfde partijen over hetzelfde onderwerp, of in geval de zaak verknocht is aan een zaak die reeds bij een andere gewone rechter van gelijke rang aanhangig is, kan de verwijzing naar die andere rechter worden gevorderd. In deze zaken kan de rechter ook ambtshalve naar die andere rechter verwijzen, nadat partijen hierover zijn gehoord. Verwijzing is ook mogelijk indien één der zaken bij de kantonrechter in behandeling is en de andere niet.’
10
In de artikelen 1018b tot en met 1018f, die zijn opgenomen in titel 14a Rv, worden de procedureregels betreffende een collectieve actie nader omschreven.
11
Artikel 1018c, lid 5, Rv bepaalt:
‘Inhoudelijke behandeling van de collectieve vordering vindt slechts plaats indien en nadat de rechter heeft beslist:
- a)
dat eiser voldoet aan de ontvankelijkheidseisen van artikel 305a, eerste tot en met derde lid, van Boek 3 van het [BW] of aan de ontvankelijkheidseisen waaraan op grond van het zesde lid van dat artikel moet zijn voldaan;
- b)
dat de eiser voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het voeren van deze collectieve vordering efficiënter en effectiever is dan het instellen van een individuele vordering doordat de te beantwoorden feitelijke en rechtsvragen in voldoende mate gemeenschappelijk zijn, het aantal personen tot bescherming van wier belangen de vordering strekt, voldoende is en, indien de vordering strekt tot schadevergoeding, dat zij alleen dan wel gezamenlijk een voldoende groot financieel belang hebben;
- c)
dat niet summierlijk van de ondeugdelijkheid van de collectieve vordering blijkt op het moment waarop het geding aanhangig wordt.
[…]’
12
In artikel 1018e Rv is het volgende bepaald:
- ‘1.
De rechter wijst uit de eisers die overeenkomstig artikel 1018c of 1018d een collectieve vordering hebben ingesteld […] de meest geschikte eiser aan als exclusieve belangenbehartiger, […].
[…]
- 2.
De rechter beoordeelt daarnaast wat de collectieve vordering precies inhoudt, voor welke nauw omschreven groep personen de exclusieve belangenbehartiger de belangen in deze collectieve vordering behartigt en of de aan een bepaalde plaats gebonden aard van de collectieve vordering aanleiding geeft voor behandeling van de zaak bij een ander gerecht.
- 3.
De eiser die als exclusieve belangenbehartiger wordt aangewezen, treedt in deze procedure op voor de belangen van alle personen in de nauw omschreven groep, bedoeld in het tweede lid, en als vertegenwoordiger van de niet als exclusieve belangenbehartiger aangewezen eisers. De niet als exclusieve belangenbehartiger aangewezen eisers blijven partij in de procedure. De exclusieve belangenbehartiger verricht de proceshandelingen. De rechter kan bepalen dat ook de niet aangewezen eisers proceshandelingen mogen verrichten.
[…]’
Hoofdgedingen en prejudiciële vragen
13
Apple Inc. is de moedermaatschappij van Apple Distribution International, die optreedt als vertegenwoordiger van Apple Inc. en distributeur van Apple-producten in de Europese Unie.
14
Apple is de producent van een reeks draagbare apparaten, zoals de iPhone, iPad en iPod Touch (hierna: ‘Apple-apparaten’). Apple-apparaten draaien op basis van het iOS-besturingssysteem dat op deze apparaten is voorgeïnstalleerd en regelmatig wordt bijgewerkt.
15
De applicaties (hierna: ‘apps’) en digitale in-appproducten voor die apparaten kunnen worden gekocht in de App Store, een door Apple ontwikkeld en beheerd onlineverkoopplatform, dat sinds 2009 standaard wordt geïnstalleerd op Apple-apparaten. De App Store biedt gratis en betaalde apps aan, die van land tot land kunnen verschillen en die door Apple of door derden (laatstbedoelden hierna: ‘ontwikkelaars’) zijn ontwikkeld. Betalingen voor de aankoop van deze apps verlopen in beginsel via het betalingssysteem van de App Store.
16
Om hun apps te kunnen verkopen in de App Store, waar ze exclusief worden aangeboden, moeten ontwikkelaars een overeenkomst sluiten met Apple Inc. De verkoopprijs van deze apps wordt bepaald op basis van een door Apple vastgestelde prijslijst en geïnd via het betalingssysteem van de App Store. Apple houdt, naargelang van het geval, 15 of 30 % van deze prijs in als commissie. Na aftrek van deze commissie wordt het restant uitbetaald aan de ontwikkelaars.
17
Gebruikers van Apple-apparaten dienen voor de toegang tot de App Store een gebruikersprofiel (hierna: ‘Apple ID’) aan te maken. Wanneer een gebruiker met een Apple ID waarin Nederland als land of regio is gespecificeerd de App Store opent, wordt deze standaard doorgeleid naar de specifiek voor Nederland ontworpen ‘storefront’ (hierna: ‘NL App Store’). Hoewel een gebruiker in theorie het aan zijn profiel gekoppelde land kan wijzigen, moet hij daarvoor akkoord gaan met nieuwe voorwaarden en beschikken over een betaalmethode die in dat land geldig is.
18
Verzoeksters in de hoofdgedingen zijn stichtingen naar Nederlands recht die overeenkomstig hun respectieve statuten onder meer tot doel hebben benadeelden van frauduleuze of mededingingsverstorende gedragingen, in het bijzonder onrechtmatige gedragingen van een of meer entiteiten van de Apple-groep, in rechte te vertegenwoordigen en hun belangen te behartigen, alsook ervoor te zorgen dat de aan deze benadeelden veroorzaakte schade wordt vergoed.
19
Verzoeksters hebben bij de rechtbank Amsterdam (Nederland), de verwijzende rechter, twee representatieve vorderingen ingesteld om te laten vaststellen dat verweersters in de hoofdgedingen onrechtmatig hebben gehandeld ten aanzien van gebruikers van apps die werken op basis van het iOS-besturingssysteem en om hen te doen veroordelen tot vergoeding van de schade die zij aldus zouden hebben veroorzaakt.
20
Ter ondersteuning van hun vorderingen voeren verzoeksters in de hoofdgedingen aan dat Apple een machtspositie inneemt op de markt voor de distributie van apps voor Apple-apparaten en voor het betalingssysteem van de App Store. Apple maakt misbruik van haar positie door een buitensporige commissie van 30 % in te houden op de prijs die voor de aankoop van die apps is betaald, hetgeen in strijd is met artikel 102 VWEU. Door verticale prijzen vast te stellen schendt Apple tevens artikel 101 VWEU. Deze mededingingsverstorende gedragingen hebben ertoe geleid dat de gebruikers van die apps schade hebben geleden.
21
Apple betwist de bevoegdheid van de verwijzende rechter om kennis te nemen van de hoofdgedingen en betoogt dat deze rechter zich niet bevoegd kan verklaren op grond van artikel 7, punt 2, van verordening nr. 1215/2012, omdat het gestelde schadebrengende feit zich niet in Nederland en in het bijzonder niet in Amsterdam heeft voorgedaan, aangezien er in die staat of in die stad geen relevante gebeurtenis in dit verband heeft plaatsgevonden. Subsidiair voert Apple aan dat deze rechter alleen bevoegd kan zijn voor vorderingen met betrekking tot gebruikers die in Amsterdam aankopen via de NL App Store hebben gedaan. Voor alle andere vorderingen is de verwijzende rechter internationaal of territoriaal niet bevoegd op grond van deze bepaling.
22
Bij tussenvonnis van 16 augustus 2023 heeft de verwijzende rechter vastgesteld dat de hoofdgedingen binnen het toepassingsgebied van verordening nr. 1215/2012 vallen, aangezien de vordering is ingesteld tegen Apple Distribution International, die is gevestigd op het grondgebied van een andere lidstaat, namelijk Ierland. Daarentegen heeft die rechter verduidelijkt dat zijn bevoegdheid, wat Apple Inc. betreft, overeenkomstig het nationale recht wordt bepaald.
23
In dit verband heeft die rechter eraan herinnerd dat artikel 7, punt 2, van verordening nr. 1215/2012 volgens de rechtspraak van het Hof bevoegdheid verleent aan zowel de rechter van de plaats van de gebeurtenis die de oorzaak is van de gestelde schade als die van de plaats waar de schade is ingetreden, zodat de verweerder naar keuze van de eiser voor het gerecht van de ene dan wel van de andere plaats kan worden opgeroepen.
24
Wat ten eerste de plaats betreft van de gebeurtenis die de oorzaak is van de gestelde schade, heeft de verwijzende rechter met betrekking tot de grief inzake schending van artikel 101 VWEU vastgesteld dat hij zich niet bevoegd kan verklaren om kennis te nemen van de hoofdgedingen, aangezien er geen concrete gebeurtenis in Nederland kan worden aangeduid waarbij ofwel de vermeende mededingingsregeling definitief tot stand is gekomen ofwel een regeling is getroffen die voor zich alleen de gebeurtenis is die de beweerdelijk geleden schade heeft veroorzaakt.
25
Wat daarentegen de grief inzake schending van artikel 102 VWEU betreft, heeft de verwijzende rechter geoordeeld dat, overeenkomstig het arrest van 5 juli 2018, flyLAL-Lithuanian Airlines (C-27/17, EU:C:2018:533), de schadeveroorzakende gebeurtenis zich in Nederland heeft voorgedaan, aangezien de handelingen die Apple met misbruik van haar machtspositie heeft verricht, op het grondgebied van die lidstaat hebben plaatsgevonden. In dit verband heeft die rechter in essentie geoordeeld dat de NL App Store specifiek op de Nederlandse markt is gericht en de Nederlandse taal hanteert. Hij heeft voorts opgemerkt dat Apple Distribution International optreedt als exclusief distributeur en als commissionair van de door de ontwikkelaars ontwikkelde apps en in die hoedanigheid deze apps aanbiedt in de NL App Store.
26
Bijgevolg heeft de verwijzende rechter vastgesteld dat hij internationaal bevoegd is om kennis te nemen van de hoofdgedingen, voor zover deze betrekking hebben op de vermeende schending van artikel 102 VWEU.
27
Wat ten tweede de plaats betreft waar de schade is ingetreden, heeft de verwijzende rechter erop gewezen dat in de hoofdgedingen de aanvankelijke en directe schade bestaat uit de beweerdelijk te hoge prijs die de gebruikers bij de aankoop van apps in de NL App Store hebben betaald.
28
Dienaangaande heeft die rechter om te beginnen opgemerkt dat het onderscheid tussen de grieven inzake schending van artikel 101 VWEU en die inzake schending van artikel 102 VWEU niet van belang is voor de vaststelling van de plaats waar de vermeende schade is ingetreden.
29
Vervolgens heeft die rechter, onder verwijzing naar met name het arrest van 5 juli 2018, flyLAL-Lithuanian Airlines (C-27/17, EU:C:2018:533), verklaard dat wanneer de markt die wordt beïnvloed door de betrokken mededingingsverstorende gedragingen zich bevindt in de lidstaat op het grondgebied waarvan die schade zich heeft voorgedaan, de plaats waar die schade is ingetreden moet worden geacht in die lidstaat te zijn gelegen.
30
Aangezien de meeste gebruikers die in de NL App Store aankopen hebben gedaan in Nederland wonen of zijn gevestigd en deze aankopen hebben betaald via Nederlandse bankrekeningen, heeft de verwijzende rechter ten slotte geoordeeld dat die schade in Nederland is geleden.
31
Dientengevolge heeft de verwijzende rechter vastgesteld dat hij op grond van de plaats waar de schade is ingetreden internationaal bevoegd is om kennis te nemen van de hoofdgedingen.
32
Die rechter verduidelijkt echter dat hij weliswaar zijn internationale bevoegdheid om kennis te nemen van de hoofdgedingen heeft kunnen vaststellen, maar ook nog moet nagaan of hij territoriaal bevoegd is, aangezien artikel 7, punt 2, van verordening nr. 1215/2012 overeenkomstig het arrest van 15 juli 2021, Volvo e.a. (C-30/20, EU:C:2021:604), zowel de internationale als de territoriale bevoegdheid rechtstreeks en onmiddellijk toekent aan het gerecht van de plaats waar de schade is ingetreden.
33
Daartoe vraagt de verwijzende rechter zich in de eerste plaats af waar zich in Nederland de plaats bevindt waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of de vermeende schade is ingetreden. Hij stelt vast dat de bevoegde rechter blijkens het arrest van 15 juli 2021, Volvo e.a. (C-30/20, EU:C:2021:604), kan worden bepaald op basis van de plaats van aankoop van een goed, of, in het geval van aankopen op verschillende plaatsen, de plaats van de zetel van de benadeelde. Aangezien het in casu gaat om aankopen via een onlineplatform met apps die wereldwijd kunnen worden gedownload, is het moeilijk om een plaats van aankoop vast te stellen, zodat de territoriaal bevoegde rechter moet worden bepaald op basis van de zetel van de koper/gebruiker.
34
Een dergelijk aanknopingspunt zou er evenwel toe kunnen leiden dat in de hoofdgedingen de bevoegdheid om kennis te nemen van de representatieve vorderingen wordt verdeeld tussen de rechters van de elf arrondissementen van het Koninkrijk der Nederlanden, waarbij elk van deze rechters enkel bevoegd is voor de kopers/gebruikers die wonen of gevestigd zijn in zijn rechtsgebied. Een dergelijke situatie zou de kans op afwijkende uitspraken vergroten en zowel de proceseconomie als de goede rechtsbedeling schaden.
35
In de tweede plaats vraagt de verwijzende rechter zich af of op grond van het feit dat een representatieve vordering is ingesteld door een rechtspersoon die collectieve belangen behartigt, voor de bevoegdheid om kennis te nemen van een dergelijke vordering kan worden aangeknoopt bij de zetel van die rechtspersoon, dan wel of in dat geval andere aanknopingspunten relevant zijn. In dit verband vraagt hij zich af of de omstandigheid dat de in de hoofdgedingen aan de orde zijnde representatieve vorderingen krachtens artikel 3:305a BW zijn ingesteld door een rechtspersoon die niet optreedt als cessionaris of lasthebber, maar een eigen recht heeft om op te treden voor een onbepaalde groep van personen, van enig belang is voor de vaststelling van de territoriale bevoegdheid overeenkomstig artikel 7, punt 2, van verordening nr. 1215/2012.
36
In de derde plaats wenst de verwijzende rechter, voor het geval de uitlegging van artikel 7, punt 2, van verordening nr. 1215/2012 ertoe zou leiden dat meerdere rechters bevoegd zijn om kennis te nemen van de hoofdgedingen, te vernemen of er, gezien het feit dat de Nederlandse wetgever de bevoegdheid om kennis te nemen van representatieve vorderingen niet heeft toevertrouwd aan één gespecialiseerde rechterlijke instantie, een regel van nationaal recht kan worden toegepast waardoor het onderzoek van meerdere vorderingen met hetzelfde voorwerp, die aanvankelijk bij verschillende rechterlijke instanties zijn ingesteld, bij één rechterlijke instantie kan worden gecentraliseerd.
37
Daarop heeft de rechtbank Amsterdam de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
- ‘1)
- a)
Wat moet in een geval als aan de orde in dit geding, waarbij het gestelde misbruik van machtspositie in de zin van artikel 102 VWEU ten uitvoer is gelegd in een lidstaat door middel van verkopen via een door Apple beheerd online platform dat is gericht op de gehele lidstaat, waarbij Apple Ierland als exclusief distributeur en als commissionair van de ontwikkelaar optreedt en commissie inhoudt op de aankoopsom, als de plaats van het schadeveroorzakende handelen worden aangemerkt in de zin van artikel 7, punt 2, [van verordening nr. 1215/2012]? Is daarbij van belang dat het online platform in beginsel wereldwijd toegankelijk is?
- b)
Maakt het daarbij uit dat het in dit geding gaat om vorderingen die op de voet van artikel 3:305a BW zijn ingesteld door een rechtspersoon die tot doel heeft krachtens een eigen recht de collectieve belangen te behartigen van meerdere gebruikers die in verschillende rechtsgebieden (in Nederland: arrondissementen) binnen een lidstaat hun zetel hebben?
- c)
Als op basis van vraag 1a (en/of 1b) niet slechts één maar meerdere intern relatief bevoegde rechters in de betreffende lidstaat worden aangewezen, verzet artikel 7, punt 2, [van verordening nr. 1215/2012] zich dan tegen toepassing van nationaal […]recht dat verwijzing naar één gerecht binnen die lidstaat mogelijk maakt?
- 2)
- a)
Kan in een geval als aan de orde in dit geding, waarbij de gestelde schade is ingetreden als gevolg van aankopen van apps en digitale in-appproducten via een door Apple beheerd online platform (de App Store) waarbij Apple Ierland als exclusief distributeur en commissionair van de ontwikkelaars optreedt en commissie inhoudt op de aankoopsom (en waarbij zowel beweerdelijk misbruik van machtspositie in de zin van artikel 102 VWEU heeft plaatsgevonden als een gestelde inbreuk op het kartelverbod in de zin van artikel 101 VWEU), en waarbij de plaats waar deze aankopen hebben plaatsgevonden niet is vast te stellen, uitsluitend de zetel van de gebruiker als aanknopingspunt dienen voor de plaats waar de schade is ingetreden in de zin van artikel 7, punt 2, [van verordening nr. 1215/2012]? Of zijn er in deze situatie ook andere aanknopingspunten om een bevoegde rechter aan te wijzen?
- b)
Maakt het daarbij uit dat het in dit geding gaat om vorderingen die op de voet van artikel 3:305a BW zijn ingesteld door een rechtspersoon die tot doel heeft krachtens een eigen recht de collectieve belangen te behartigen van meerdere gebruikers die in verschillende rechtsgebieden (in Nederland: arrondissementen) binnen een lidstaat hun zetel hebben?
- c)
Als op basis van vraag 2a (en/of 2b) een intern relatief bevoegde rechter in de betreffende lidstaat wordt aangewezen die slechts voor de vorderingen ten behoeve van een deel van de gebruikers in die lidstaat bevoegd is, terwijl voor de vorderingen ten behoeve van een ander deel van de gebruikers andere relatief bevoegde rechters in dezelfde lidstaat bevoegd zijn, verzet artikel 7, punt 2, [van verordening nr. 1215/2012] zich dan tegen toepassing van nationaal […]recht dat verwijzing naar één gerecht binnen die lidstaat mogelijk maakt?’
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Ontvankelijkheid
38
Stichting Right to Consumer Justice betoogt dat de prejudiciële vragen niet-ontvankelijk kunnen worden verklaard, aangezien de verwijzende rechter artikel 7, punt 2, van verordening nr. 1215/2012 reeds heeft uitgelegd en toegepast. Een antwoord van het Hof op deze vragen zou dan ook niet langer nuttig zijn om de bij hem aanhangige gedingen te beslechten.
39
In dit verband zij eraan herinnerd dat het in het kader van de procedure van artikel 267 VWEU uitsluitend een zaak is van de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid draagt voor de te geven rechterlijke beslissing om, gelet op de bijzonderheden van het geval, zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis als de relevantie van de vragen die hij aan het Hof voorlegt te beoordelen. Wanneer de vragen betrekking hebben op de uitlegging van Unierecht, is het Hof derhalve in beginsel verplicht om daarop te antwoorden. Bijgevolg geldt voor prejudiciële vragen over het Unierecht een vermoeden van relevantie. Het Hof kan een verzoek van een nationale rechter dan ook enkel afwijzen wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging van het Unierecht geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van de hoofdgedingen, wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is, of wanneer het Hof niet beschikt over de feitelijke en juridische gegevens die noodzakelijk zijn om een zinvol antwoord te geven op de gestelde vragen (arresten van 13 juli 2000, Idéal tourisme, C-36/99, EU:C:2000:405, punt 20, en 24 juni 2025, GR REAL, C-351/23, EU:C:2025:474, punt 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
40
In casu stelt de verwijzende rechter vast dat de Nederlandse rechterlijke instanties, waaronder hijzelf, zich op hun internationale bevoegdheid zouden kunnen beroepen om kennis te nemen van de hoofdgedingen, maar vraagt hij zich vervolgens in essentie af welke van die instanties territoriaal bevoegd is op grond van de plaats van de schadeveroorzakende gebeurtenis of de plaats waar de schade is ingetreden in de zin van artikel 7, punt 2, van verordening nr. 1215/2012.
41
Dienaangaande merkt de verwijzende rechter op dat hij weliswaar bevoegd is om kennis te nemen van de representatieve vorderingen in de hoofdgedingen voor zover de betrokken gebruikers in zijn rechtsgebied wonen of gevestigd zijn, maar dat er redelijke twijfel bestaat over de vraag of hij op grond van artikel 7, punt 2, van verordening nr. 1215/2012 ook bevoegd is om kennis te nemen van deze vorderingen ten aanzien van gebruikers die in Nederland buiten zijn rechtsgebied wonen of gevestigd zijn.
42
Derhalve blijken de gestelde vragen niet zonder belang voor de beslechting van de hoofdgedingen en zijn zij dus ontvankelijk.
Ten gronde
Voorafgaande opmerkingen
43
Aangezien verordening nr. 1215/2012 strekt tot opheffing en vervanging van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2001, L 12, blz. 1), die op haar beurt in de plaats is gekomen van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 1972, L 299, blz. 32), zoals gewijzigd bij de opeenvolgende verdragen betreffende de toetreding van de nieuwe lidstaten tot dit verdrag, geldt de uitlegging die door het Hof aan de bepalingen van laatstgenoemde rechtsinstrumenten is gegeven ook voor verordening nr. 1215/2012 voor zover die bepalingen als ‘gelijkwaardig’ aan die van deze verordening kunnen worden beschouwd [arrest van 16 mei 2024, Toplofikatsia Sofia (Begrip woonplaats van de verweerder), C-222/23, EU:C:2024:405, punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak]. Van een dergelijke gelijkwaardigheid is met name sprake tussen artikel 5, punt 3, van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken en van verordening nr. 44/2001, enerzijds, en artikel 7, punt 2, van verordening nr. 1215/2012, anderzijds (arrest van 9 juli 2020, Verein für Konsumenteninformation, C-343/19, EU:C:2020:534, punt 22 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
44
Volgens vaste rechtspraak moet de in artikel 7, punt 2, van verordening nr. 1215/2012 neergelegde bijzonderebevoegdheidsregel — op grond waarvan de verzoeker, in afwijking van de in artikel 4 van deze verordening neergelegde algemene regel dat de gerechten van de woonplaats van de verweerder bevoegd zijn, zijn vordering ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad kan instellen voor het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen — autonoom en restrictief worden uitgelegd (arresten van 12 mei 2021, Vereniging van Effectenbezitters, C-709/19, EU:C:2021:377, punt 24, en 22 februari 2024, FCA Italy en FPT Industrial, C-81/23, EU:C:2024:165, punt 23 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
45
Deze bijzonderebevoegdheidsregel berust op het bestaan van een bijzonder nauw verband tussen de vordering en de rechterlijke instantie van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan, op grond waarvan het ter wille van een goede rechtsbedeling en nuttige procesinrichting gerechtvaardigd is dat deze laatste bevoegd is (arresten van 16 juli 2009, Zuid-Chemie, C-189/08, EU:C:2009:475, punt 24, en 22 februari 2024, FCA Italy en FPT Industrial, C-81/23, EU:C:2024:165, punt 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
46
Ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad is het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen immers normaliter het best in staat om uitspraak te doen, met name omdat de afstand geringer en de bewijsvoering gemakkelijker is (zie arresten van 1 oktober 2002, Henkel, C-167/00, EU:C:2002:555, punt 46, en 22 februari 2024, FCA Italy en FPT Industrial, C-81/23, EU:C:2024:165, punt 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
47
Tevens zij eraan herinnerd dat het begrip ‘plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan’ zowel doelt op de plaats waar de schade is ingetreden als op die van de gebeurtenis die de schade heeft veroorzaakt, zodat de verweerder naar keuze van de eiser voor het gerecht van de ene dan wel van de andere plaats kan worden opgeroepen (arresten van 30 november 1976, Bier, 21/76, EU:C:1976:166, punten 24 en 25, en 6 oktober 2021, Sumal, C-882/19, EU:C:2021:800, punt 65 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Deze beide plaatsen kunnen van betekenis zijn als aanknopingspunt voor de rechterlijke bevoegdheid, aangezien zij, afhankelijk van de omstandigheden, beide een bijzonder nuttig uitgangspunt kunnen vormen voor de bewijslevering en de procesvoering (arrest van 25 oktober 2011, eDate Advertising e.a., C-509/09 en C-161/10, EU:C:2011:685, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
48
In zijn rechtspraak over de vaststelling van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan in geval van vermogensschade die voortvloeit uit misbruik van een machtspositie in de zin van artikel 102 VWEU, heeft het Hof geoordeeld dat de schadeveroorzakende gebeurtenis berust op de uitvoering van dat misbruik, dat wil zeggen op de handelingen die de onderneming met een machtspositie verricht om dat misbruik in de praktijk te brengen, met name door op de betrokken markt afbraakprijzen aan te bieden en te hanteren (zie in die zin arrest van 5 juli 2018, flyLAL-Lithuanian Airlines, C-27/17, EU:C:2018:533, punt 52).
49
Wat de plaats betreft waar een dergelijke schade is ingetreden, heeft het Hof reeds geoordeeld dat wanneer de markt die wordt beïnvloed door de mededingingsverstorende gedraging zich bevindt in de lidstaat op het grondgebied waarvan de gestelde schade zich zou hebben voorgedaan, die plaats moet worden geacht in die lidstaat te zijn gelegen. Het Hof heeft hieraan toegevoegd dat deze oplossing, die gebaseerd is op de overeenstemming van deze twee elementen, beantwoordt aan de doelstellingen van nabijheid en voorspelbaarheid van de bevoegdheidsregels. Om te beginnen zijn de rechterlijke instanties van de lidstaat waar de betrokken markt zich bevindt immers het best in staat om dergelijke schadevorderingen te onderzoeken, en daarnaast mag een marktdeelnemer die zich schuldig maakt aan mededingingsverstorende gedragingen redelijkerwijs verwachten te zullen worden vervolgd voor de rechterlijke instanties van de plaats waar zijn gedragingen de regels van gezonde mededinging hebben verstoord (zie in die zin arrest van 5 juli 2018, flyLAL-Lithuanian Airlines, C-27/17, EU:C:2018:533, punt 40).
50
Het Hof heeft ook geoordeeld dat uit de bewoordingen van artikel 7, punt 2, van verordening nr. 1215/2012 reeds volgt dat die bepaling zowel de internationale als de territoriale bevoegdheid rechtstreeks en onmiddellijk toekent aan het gerecht van de plaats waar de schade is ingetreden (arrest van 15 juli 2021, Volvo e.a., C-30/20, EU:C:2021:604, punt 33).
Tweede vraag, onder a) en b)
51
Met zijn tweede vraag, onder a) en b), die als eerste moet worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen hoe artikel 7, punt 2, van verordening nr. 1215/2012 moet worden uitgelegd om — binnen een markt van een lidstaat die beweerdelijk wordt beïnvloed door mededingingsverstorende gedragingen waarbij de beheerder van een onlineplatform dat op alle in die staat gevestigde gebruikers is gericht een buitensporige commissie inhoudt op de prijs van apps en digitale in-appproducten die op dat platform worden verkocht — de rechter aan te wijzen die op grond van de plaats waar de schade is ingetreden territoriaal bevoegd is om kennis te nemen van een representatieve vordering die is ingesteld door een instantie die bevoegd is om de collectieve belangen van een aantal niet-geïdentificeerde maar wel identificeerbare gebruikers te beschermen.
52
Vooraf zij opgemerkt dat de in de hoofdgedingen aangevoerde schade blijkens het verzoek om een prejudiciële beslissing en onder voorbehoud van de door de verwijzende rechter te verrichten feitelijke beoordeling in essentie bestaat in meerkosten die gebruikers van Apple-apparaten bij de aankoop van een app in de NL App Store betalen omdat de buitensporige commissie die Apple aan ontwikkelaars oplegt, wordt doorberekend in de aankoopprijs.
53
De verwijzende rechter heeft in zijn tussenvonnis van 16 augustus 2023, althans wat de grief inzake schending van artikel 102 VWEU betreft, ook vastgesteld dat de markt die wordt beïnvloed door de mededingingsverstorende gedragingen waarop verzoeksters in de hoofdgedingen zich beroepen, de Nederlandse markt is, in essentie op grond van de overweging dat de NL App Store specifiek voor die markt is ontworpen en de Nederlandse taal hanteert om apps te koop aan te bieden aan gebruikers met een aan Nederland gekoppeld Apple ID, en dat Apple Distribution International optreedt als exclusief distributeur en als commissionair van de apps op dat platform.
54
Wat ten eerste de aard van de vermeende schade betreft, volgt uit de rechtspraak van het Hof dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen, enerzijds, de aanvankelijke schade, die het rechtstreekse gevolg is van de schadeveroorzakende gebeurtenis en waarbij de plaats waar die schade is ingetreden de bevoegdheid van het gerecht van die plaats krachtens artikel 7, punt 2, van verordening nr. 1215/2012 zou kunnen rechtvaardigen, en, anderzijds, latere schadelijke gevolgen, die niet kunnen leiden tot de toekenning van bevoegdheid op grond van deze bepaling (arrest van 22 februari 2024, FCA Italy en FPT Industrial, C-81/23, EU:C:2024:165, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Ofschoon is aanvaard dat het begrip ‘plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan’ in de zin van deze bepaling zowel kan zien op de plaats waar de schade is ingetreden, als op die van de veroorzakende gebeurtenis, kan dat begrip niet zo ruim worden uitgelegd dat het iedere plaats omvat waar de schadelijke gevolgen voelbaar zijn van een feit dat reeds elders daadwerkelijk ingetreden schade heeft veroorzaakt (arrest van 19 september 1995, Marinari, C-364/93, EU:C:1995:289, punt 14).
55
In dit verband is schade die hoofdzakelijk bestaat in meerkosten als gevolg van hoge commissies die worden opgelegd aan ontwikkelaars en doorberekend in de aan de eindgebruikers aangerekende prijzen van apps die werken op het iOS-besturingssysteem, zoals de verwijzende rechter heeft vastgesteld, het rechtstreekse gevolg van de mededingingsverstorende gedragingen die door verzoeksters in de hoofdgedingen worden aangevoerd, en gaat het daarbij om rechtstreekse schade die in beginsel kan leiden tot internationale en territoriale bevoegdheid van de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan die schade is ingetreden.
56
Wat ten tweede de plaats betreft waar die schade is ingetreden, heeft het Hof, zoals in punt 49 van het onderhavige arrest is uiteengezet, reeds geoordeeld dat wanneer de markt die wordt beïnvloed door de betrokken mededingingsverstorende gedragingen zich bevindt in de lidstaat op het grondgebied waarvan de vermeende schade zich heeft voorgedaan, voor de vaststelling van de internationale bevoegdheid van een gerecht moet worden aangenomen dat de plaats waar de schade is ingetreden in de zin van artikel 7, punt 2, van verordening nr. 1215/2012 in die lidstaat is gelegen.
57
Overeenkomstig deze rechtspraak heeft de verwijzende rechter vastgesteld dat de Nederlandse rechterlijke instanties internationaal bevoegd zijn om kennis te nemen van de hoofdgedingen.
58
Gelet op de in punt 50 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte uitlegging die het Hof heeft gegeven aan artikel 7, punt 2, van verordening nr. 1215/2012, volgens welke door deze bepaling zowel de internationale als de territoriale bevoegdheid rechtstreeks en onmiddellijk wordt toegekend aan het gerecht van de plaats waar de schade is ingetreden, vraagt de verwijzende rechter zich evenwel af welk of welke van deze internationaal bevoegde gerechten territoriaal bevoegd is of zijn om kennis te nemen van dit geding.
59
Dienaangaande zij eraan herinnerd dat het Hof, met betrekking tot een vordering tot vergoeding van de schade die is veroorzaakt door heimelijke afspraken over prijzen en prijsverhogingen van goederen, reeds heeft geoordeeld dat op de markt die door die afspraken wordt beïnvloed, de internationale en territoriale bevoegdheid om op grond van de plaats waar de vermeende schade is ingetreden kennis te nemen van een dergelijke vordering berust bij de rechter in wiens rechtsgebied de rechtspersoon die stelt schade te hebben geleden de goederen waarop die afspraken betrekking hebben heeft gekocht, dan wel, wanneer die rechtspersoon de goederen op verschillende plaatsen heeft gekocht, bij de rechter in wiens rechtsgebied de zetel van die rechtspersoon is gevestigd (zie in die zin arrest van 15 juli 2021, Volvo e.a., C-30/20, EU:C:2021:604, punt 43).
60
In casu moet in de eerste plaats worden opgemerkt dat deze aanknopingscriteria niet mutatis mutandis kunnen worden toegepast in een geval als dat in de hoofdgedingen, waarin op een onlineplatform digitale producten zijn aangekocht door een onbepaald aantal natuurlijke personen en/of rechtspersonen die op het tijdstip waarop de vordering is ingesteld niet zijn geïdentificeerd.
61
De moeilijkheden bij de toepassing van die aanknopingscriteria vereisen dan ook dat deze criteria worden aangepast om het nuttig effect van artikel 7, punt 2, van verordening nr. 1215/2012 te behouden en bij te dragen tot een goede rechtsbedeling.
62
Aangezien de NL App Store specifiek is ontworpen voor de Nederlandse markt en de Nederlandse taal hanteert om apps te koop aan te bieden aan gebruikers met een aan Nederland gekoppeld Apple ID, waaronder bepaalde apps die specifiek voor die markt zijn ontwikkeld, kan in casu voor de vaststelling van de plaats waar de schade is ingetreden overeenkomstig artikel 7, punt 2, van verordening nr. 1215/2012, worden geoordeeld dat de virtuele ruimte die de NL App Store vormt en waarbinnen de aankopen hebben plaatsgevonden overeenkomt met het gehele grondgebied van die staat. De schade die bij aankopen in deze virtuele ruimte is geleden kan dus op dat grondgebied intreden, ongeacht waar de betrokken gebruikers zich op het tijdstip van de betrokken aankoop bevonden.
63
In de tweede plaats moet ook worden opgemerkt dat verzoeksters in de hoofdgedingen — anders dan de entiteit die de collectieve vordering heeft ingesteld die aan de orde was in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 21 mei 2015, CDC Hydrogen Peroxide (C-352/13, EU:C:2015:335) — zich niet beroepen op een reeks schadevorderingen die aan hen zouden zijn overgedragen door geïdentificeerde benadeelden van een mededingingsverstorende gedraging.
64
Zoals blijkt uit het verzoek om een prejudiciële beslissing treedt een stichting of vereniging die een representatieve vordering instelt, naar Nederlands recht immers op als zelfstandige belangenbehartiger van personen die, ook al zijn zij niet individueel geïdentificeerd, gelijksoortige belangen hebben. Verzoeksters in de hoofdgedingen oefenen aldus een eigen recht uit, namelijk het recht om de collectieve belangen te behartigen en te beschermen van een ‘nauw omschreven groep’ die bestaat uit niet-geïdentificeerde maar wel identificeerbare personen, te weten de gebruikers — zowel consumenten als professionele gebruikers — die door de ontwikkelaars ontworpen apps hebben gekocht in de NL App Store waartoe zij toegang hebben via hun aan Nederland gekoppelde Apple ID en waarvan de woonplaats of zetel zich voor de meeste gebruikers op het gehele grondgebied van die staat zal bevinden.
65
Deze groep moet voldoende nauwkeurig worden omschreven om de belanghebbenden in staat te stellen hun standpunt over de uitkomst van de betrokken procedure kenbaar te maken en, in voorkomend geval, schadevergoeding te ontvangen. In dit verband heeft de Nederlandse regering ter terechtzitting verduidelijkt dat de uitkomst van een representatieve vordering ter bescherming van de collectieve belangen van niet-geïdentificeerde maar wel identificeerbare personen bindend is voor de in Nederland gevestigde personen die deel uitmaken van die groep en niet hebben aangegeven dat zij wensen af te zien van deelname aan die procedure.
66
In die omstandigheden kan van een gerecht niet worden verlangd dat het met het oog op de vaststelling van zijn territoriale bevoegdheid om kennis te nemen van een dergelijke vordering op grond van de plaats waar de schade is ingetreden in de zin van artikel 7, punt 2, van verordening nr. 1215/2012, voor iedere beweerde benadeelde individueel de specifieke plaats bepaalt waar de mogelijk geleden schade is ingetreden — aangezien deze benadeelden op het tijdstip waarop het zijn bevoegdheid toetst (nog) niet zijn geïdentificeerd —, noch dat het een benadeelde of een aantal daarvan identificeert.
67
Ten slotte kan, anders dan Apple in haar schriftelijke opmerkingen aanvoert, niet worden geoordeeld dat de omstandigheid dat niet voor iedere persoon die beweert benadeeld te zijn door mededingingsverstorende gedragingen kan worden vastgesteld waar de schade is ingetreden in de zin van artikel 7, punt 2, van verordening nr. 1215/2012, impliceert dat deze bepaling niet van toepassing is. Zoals in punt 62 van het onderhavige arrest is uiteengezet, komt die plaats in casu immers overeen met een afgebakend geografisch gebied, namelijk het gehele grondgebied waarop zich de markt bevindt die door de betrokken mededingingsverstorende gedragingen wordt beïnvloed, zodat het niet onmogelijk is om die plaats vast te stellen, hetgeen in voorkomend geval zou kunnen rechtvaardigen dat het algemene bevoegdheidscriterium van artikel 4, lid 1, van verordening nr. 1215/2012 wordt toegepast, namelijk dat van de woonplaats van de verweerder (zie naar analogie arrest van 19 februari 2002, Besix, C-256/00, EU:C:2002:99, punten 49 en 50).
68
Uit het voorgaande volgt dat in situaties als die in de hoofdgedingen iedere rechterlijke instantie die materieel bevoegd is om kennis te nemen van een representatieve vordering die is ingesteld door een instantie die bevoegd is om de collectieve belangen van een aantal niet-geïdentificeerde maar wel identificeerbare gebruikers te beschermen, op grond van de plaats waar de schade is ingetreden in de zin van artikel 7, punt 2, van verordening nr. 1215/2012, internationaal en territoriaal bevoegd is om kennis te nemen van de gehele vordering.
69
Een dergelijke conclusie is in overeenstemming met de doelstellingen van verordening nr. 1215/2012.
70
In dit verband zij eraan herinnerd dat de vaststelling van de plaats waar de schade is ingetreden teneinde te bepalen welk gerecht binnen de lidstaten bevoegd is om kennis te nemen van een schadevordering wegens mededingingsverstorende gedragingen, moet beantwoorden aan de in de overwegingen 15 en 16 van verordening nr. 1215/2012 genoemde doelstellingen van nabijheid en voorspelbaarheid van de bevoegdheidsregels en van een goede rechtsbedeling (zie in die zin arrest van 15 juli 2021, Volvo e.a., C-30/20, EU:C:2021:604, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
71
Wat de doelstelling van nabijheid tussen de aangezochte rechter en het voorwerp van de gedingen betreft, moet erop worden gewezen dat de bijzondere kenmerken van de representatieve vorderingen in de hoofdgedingen er in essentie toe leiden dat de rechter die daarvan kennis moet nemen, het bestaan van de gestelde schade onderzoekt ten opzichte van de nauw omschreven groep van niet-geïdentificeerde maar wel identificeerbare gebruikers die gelijksoortige schade hebben geleden als gevolg van mededingingsverstorende gedragingen die op het gehele betrokken grondgebied hebben plaatsgevonden. Bijgevolg heeft elk gerecht dat materieel bevoegd is om een dergelijke vordering te onderzoeken, dezelfde nabijheid tot het voorwerp van die vordering.
72
Die conclusie voldoet eveneens aan het vereiste van voorspelbaarheid, aangezien zij ervoor zorgt dat zowel de eiser als de verweerder kan uitmaken welke gerechten bevoegd zijn. Wat in casu Apple Distribution International betreft, is het — aangezien de NL App Store specifiek op de Nederlandse markt is gericht — voorspelbaar dat een representatieve aansprakelijkheidsvordering voor aankopen die op dat platform zijn gedaan, wordt ingesteld bij elke willekeurige Nederlandse rechterlijke instantie die materieel bevoegd is.
73
Die conclusie voldoet tevens aan de vereisten van een goede rechtsbedeling aangezien daardoor, ten eerste, een doeltreffend procedureel beheer van het geding mogelijk is, ten tweede, de bewijsvoering en -waardering kan worden verricht door één rechterlijke instantie, namelijk de materieel bevoegde Nederlandse rechter die is aangezocht door de instantie die bevoegd is om de collectieve belangen van een aantal niet-geïdentificeerde maar wel identificeerbare gebruikers te beschermen, en, ten derde, de kans op afwijkende uitspraken kan worden voorkomen.
74
Dienaangaande moet worden benadrukt dat — gelet op de specifieke kenmerken van mededingingszaken en meer in het bijzonder de omstandigheid dat het instellen van schadevorderingen wegens inbreuken op het mededingingsrecht in beginsel een complexe feitelijke en economische analyse vereist — de bundeling van individuele vorderingen zowel de uitoefening van het recht op schadevergoeding voor benadeelde personen (zie in die zin arrest van 28 januari 2025, ASG 2, C-253/23, EU:C:2025:40, punt 85) als de taak van de aangezochte rechter kan vergemakkelijken. In de context van artikel 7, punt 2, van verordening nr. 1215/2012 kan de technisch ingewikkelde aard van de regels voor schadevorderingen die betrekking hebben op inbreuken op het mededingingsrecht dus pleiten voor een bevoegdheidsconcentratie (arrest van 15 juli 2021, Volvo e.a., C-30/20, EU:C:2021:604, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak), met name wanneer die regels betrekking hebben op praktijken van exploitanten van digitale platforms.
75
Deze bepaling verzet zich dus niet tegen de toepassing van nationale regels die een dergelijke concentratie beogen te verzekeren, met name wanneer bij verschillende nationale rechterlijke instanties representatieve vorderingen worden ingesteld door bevoegde instanties (zie in die zin arrest van 15 juli 2021, Volvo e.a., C-30/20, EU:C:2021:604, punt 35).
76
Gelet op een en ander dient op de tweede vraag, onder a) en b), te worden geantwoord dat artikel 7, punt 2, van verordening nr. 1215/2012 aldus moet worden uitgelegd dat binnen een markt van een lidstaat die beweerdelijk wordt beïnvloed door mededingingsverstorende gedragingen waarbij de beheerder van een onlineplatform dat op alle in die staat gevestigde gebruikers is gericht een buitensporige commissie inhoudt op de prijs van apps en digitale in-appproducten die op dat platform worden verkocht, iedere rechterlijke instantie van die lidstaat die materieel bevoegd is om kennis te nemen van een representatieve vordering die is ingesteld door een instantie die bevoegd is om de collectieve belangen te beschermen van een aantal niet-geïdentificeerde maar wel identificeerbare gebruikers die op dat platform digitale producten hebben gekocht, op grond van de plaats waar de schade is ingetreden internationaal en territoriaal bevoegd is om kennis te nemen van deze vordering ten aanzien van al die gebruikers.
Eerste vraag en tweede vraag, onder c)
77
Onder voorbehoud van de feitelijke verificaties die de verwijzende rechter dient te verrichten, blijkt aldus uit het antwoord op de tweede vraag, onder a) en b), dat die rechter op grond van de plaats waar de schade is ingetreden in de zin van artikel 7, punt 2, van verordening nr. 1215/2012 bevoegd is om kennis te nemen van de representatieve vorderingen die bij hem aanhangig zijn gemaakt met betrekking tot alle gebruikers die in de NL App Store apps hebben gekocht. Er hoeft dus niet te worden onderzocht of die rechter zijn bevoegdheid ook zou kunnen ontlenen aan de schadeveroorzakende gebeurtenis in de zin van die bepaling, dan wel of afbreuk zou worden gedaan aan het nuttig effect van die bepaling door een regel van nationaal recht op grond waarvan meerdere representatieve vorderingen met hetzelfde voorwerp die aanvankelijk bij verschillende rechterlijke instanties zijn ingesteld, bij één rechterlijke instantie kunnen worden gecentraliseerd.
78
Bijgevolg is er geen reden om de eerste vraag en de tweede vraag, onder c), te beantwoorden.
Kosten
79
Ten aanzien van de partijen in de hoofdgedingen is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Grote kamer) verklaart voor recht:
Artikel 7, punt 2, van verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken
moet aldus worden uitgelegd dat
binnen een markt van een lidstaat die beweerdelijk wordt beïnvloed door mededingingsverstorende gedragingen waarbij de beheerder van een onlineplatform dat op alle in die staat gevestigde gebruikers is gericht een buitensporige commissie inhoudt op de prijs van apps en digitale in-appproducten die op dat platform worden verkocht, iedere rechterlijke instantie van die lidstaat die materieel bevoegd is om kennis te nemen van een representatieve vordering die is ingesteld door een instantie die bevoegd is om de collectieve belangen te beschermen van een aantal niet-geïdentificeerde maar wel identificeerbare gebruikers die op dat platform digitale producten hebben gekocht, op grond van de plaats waar de schade is ingetreden internationaal en territoriaal bevoegd is om kennis te nemen van deze vordering ten aanzien van al die gebruikers.
Lenaerts | von Danwitz | Biltgen |
Jarukaitis | Arastey Sahún | Ziemele |
Passer | Spineanu-Matei | Condinanzi |
Schalin | Kumin | Jääskinen |
Csehi | Smulders | Gervasoni |
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 2 december 2025.
De griffier | De president |
A. Calot Escobar | K. Lenaerts |
Conclusie 27‑03‑2025
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Misbruik van een machtspositie bij verkopen via een onlineplatform — Justitiële samenwerking in burgerlijke en handelszaken — Uitlegging van artikel 7, punt 2, van verordening (EU) nr. 1215/2012 — Internationale rechterlijke bevoegdheid — Relatieve bevoegdheid — Plaats van het schadebrengende feit — Plaats waar de schade is ingetreden — Representatieve vorderingen — Nationale procesregel waarbij procedures worden geconcentreerd bij één gerecht
M. Campos Sánchez-Bordona
Partij(en)
Zaak C-34/241.
Stichting Right to Consumer Justice,
Stichting App Stores Claims
tegen
Apple Distribution International Ltd,
Apple Inc.
[verzoek van de rechtbank Amsterdam (Nederland) om een prejudiciële beslissing]
1.
Het geding dat aanleiding heeft gegeven tot deze prejudiciële verwijzing betreft vorderingen die door twee in Nederland gevestigde stichtingen2. zijn ingesteld tegen Apple Inc. en haar Europese dochteronderneming Apple Distribution International Ltd (hierna: ‘Apple Ierland’)3..
2.
De verzoekende stichtingen hebben elk een representatieve vordering4. ingesteld uit hoofde van de Wet afwikkeling massaschade in collectieve actie5.. Zij verzoeken de verwijzende rechter om voor recht te verklaren dat Apple zich schuldig heeft gemaakt aan een met het mededingingsrecht strijdige gedraging, en haar te veroordelen tot betaling van schadevergoeding.
3.
De prejudiciële verwijzing ziet niet op het geding ten gronde, maar enkel op de bevoegdheid van het gerecht (of, indien van toepassing, de gerechten) in Nederland dat (die) het geding zal (zullen) moeten beslechten.
I. Toepasselijke bepalingen
A. Unierecht — verordening nr. 1215/2012
4.
In artikel 7, punt 2, van verordening (EU) nr. 1215/20126. wordt bepaald:
‘Een persoon die woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, kan in een andere lidstaat voor de volgende gerechten worden opgeroepen:
[…]
- 2.
ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad, voor het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen’.
B. Nationaal recht
5.
Relevant voor het hoofdgeding zijn de WAMCA, artikel 3:305a van het Burgerlijk Wetboek (hierna: ‘BW’), en de artikelen 1 tot en met 14, 209, 220, 1018c, lid 3, 1018d, lid 1, en 1018e, leden 1 tot en met 3, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: ‘Rv’).
II. Feiten, hoofdgeding en prejudiciële vragen
A. Context van het geding: werking van de App Store
6.
De hiernavolgende uiteenzetting van de feiten is in essentie overgenomen uit de verwijzingsbeslissing.
7.
Apple is de producent van een reeks draagbare apparaten (zoals de iPhone en de iPad) die draaien op een voorgeïnstalleerd besturingssysteem (iOS). Het besturingssysteem iOS is ontwikkeld en wordt beheerd door Apple.
8.
Softwareapplicaties (hierna: ‘apps’) voor Apple-apparaten die werken op basis van iOS kunnen worden gekocht7. in de App Store van Apple.
9.
De App Store is een door Apple ontwikkeld en beheerd verkoopplatform voor apps. Sinds 2009 wordt de App Store standaard geïnstalleerd op Apple-apparaten die draaien op nieuwe versies van iOS.
10.
In de App Store worden gratis en betaalde apps aangeboden. Sommige apps zijn origineel, dat wil zeggen ontwikkeld door Apple; andere zijn ontwikkeld door derden (hierna: ‘ontwikkelaars’). Het geding dat ten grondslag ligt aan deze verwijzing heeft alleen betrekking op apps van het tweede type.
11.
In sommige apps zijn geïntegreerde digitale producten beschikbaar, dat wil zeggen functies, diensten of producten die binnen de app kunnen worden ontgrendeld of gekocht, zoals abonnementen, speluitbreidingen en andere digitale producten (hierna: ‘in-app-producten’).
12.
Betalingen in de App Store voor betaalde apps (of betaalde in-app-producten)8. verlopen in beginsel via een in 2009 ingevoerd betalingssysteem (in-app purchase; hierna: ‘IAP-betalingssysteem’).
13.
De apps die op Apple-apparaten kunnen worden gebruikt, zijn voornamelijk die welke beschikbaar zijn in de App Store: apps die van andere bronnen worden gedownload, ‘werken niet, althans minder goed’9..
14.
Om de App Store te kunnen gebruiken, moeten gebruikers van Apple-apparaten een Apple-account aanmaken (bestaande uit een unieke combinatie van gebruikersnaam en wachtwoord), ook bekend als ‘Apple ID’.
15.
Op het gebruik van en aankopen in de App Store zijn de algemene voorwaarden voor mediadiensten van Apple van toepassing. Voor Europese gebruikers die een aankoop doen in de App Store, treedt Apple Ierland op als vertegenwoordiger van de leverancier van de app.
16.
Het aanbod van apps in de App Store kan per land verschillen. De App Store heeft voor elk land een onlinewinkel, die op basis van de instellingen van de gebruiker wordt gebruikt en specifiek is voor dat land.
17.
Wanneer een gebruiker met een Apple ID waarin Nederland is gespecificeerd als land of regio een product in de App Store wil kopen, zal deze standaard worden doorgeleid naar de onlinewinkel in Nederland (hierna: ‘NL App Store’).10. Om het in zijn Apple-account aangegeven land te wijzigen, moet de gebruiker akkoord gaan met nieuwe voorwaarden en beschikken over een betaalmethode die geldig is in dat nieuwe land.
18.
Voor ontwikkelaars vormt de App Store de (enige) mogelijkheid om hun apps aan te bieden aan gebruikers van Apple-apparaten. Daartoe moeten zij een overeenkomst (‘Developer Program License Agreement’) met Apple Inc. sluiten. Tegen betaling van een jaarlijkse vergoeding neemt een ontwikkelaar deel aan het Apple Developer Program en verkrijgt hij licenties voor iOS-software en toepassingen daarvan.
19.
Ontwikkelaars bieden Apple hun apps aan en Apple beslist of ze in de App Store worden opgenomen. Is dat het geval, dan wordt de betreffende app een gelicentieerde en door Apple digitaal ondertekende app.
20.
Als de ontwikkelaar een vergoeding in rekening brengt voor de app, moet hij voldoen aan distributievoorwaarden: specifiek verbindt de ontwikkelaar zich ertoe om ervoor te zorgen dat de gebruikers het IAP-betalingssysteem gebruiken bij het downloaden van de app. Daartoe moet hij een afzonderlijke overeenkomst aangaan met Apple.
21.
Apple biedt de apps exclusief aan in de App Store en treedt daarbij op als commissionair van de ontwikkelaar. Dat houdt in dat Apple handelt voor eigen rekening en overeenkomsten sluit in eigen naam, maar uiteindelijk namens andere personen handelt. Elke ontwikkelaar blijft aansprakelijk in geval van een geschil over de werking van zijn apps.
22.
De voor een app verschuldigde vergoeding wordt door de gebruiker betaald aan Apple, die deze int via het IAP-betalingssysteem. In de regel houdt Apple 30 % van de gedane betalingen in als commissie; als de gebruiksperiode van het product wordt verlengd, kan dat percentage 15 % bedragen. Na aftrek van de commissie betaalt Apple het restant uit aan de ontwikkelaar.
B. Geding voor de verwijzende rechter
23.
De verzoekende stichtingen komen op voor alle gebruikers (consumenten en zakelijke gebruikers) van Apple-producten en -diensten die producten en diensten hebben aangeboden gekregen of hebben gekocht in de NL App Store. Hun representatieve vorderingen zijn ingesteld in de jaren 2021 en 2022.
24.
Zij vorderen voor de rechtbank Amsterdam (Nederland) samengevat:
- —
verklaringen voor recht dat Apple onrechtmatig heeft gehandeld jegens gebruikers van apps die werken op iOS, en
- —
hoofdelijke veroordeling van Apple tot het betalen van schadevergoeding.
25.
Ter onderbouwing van hun vorderingen voeren zij het volgende aan:
- —
Apple heeft een machtspositie waar het gaat om de markt voor de distributie van apps die op iOS werken en het voor die apps gebruikte IAP-betalingssysteem;
- —
Apple maakt misbruik van haar machtspositie in de zin van artikel 102 VWEU11., en
- —
het machtsmisbruik in de vorm van het hanteren van excessieve provisies op de verkoopprijs die voor apps in de App Store wordt geïnd via het IAP-betalingssysteem, is een onrechtmatige daad jegens gebruikers.
26.
Apple betwist de rechtsmacht van de rechtbank Amsterdam. Volgens haar kan de rechtsmacht niet worden gebaseerd op artikel 7, punt 2, van verordening nr. 1215/2012, omdat het gestelde schadebrengende feit niet in Nederland heeft plaatsgevonden. Dat feit kan niet in Amsterdam worden gelokaliseerd, omdat geen specifieke gebeurtenissen hebben plaatsgevonden die uitsluitend of in het bijzonder in Amsterdam of in Nederland hebben plaatsgevonden.
27.
Subsidiair betoogt Apple dat de verwijzende rechter slechts rechtsmacht kan aannemen voor gebruikers die in Amsterdam wonen of daar aankopen via de NL App Store hebben gedaan. Voor de vorderingen ten behoeve van alle andere gebruikers is die rechter internationaal en/of relatief niet bevoegd op grond van artikel 7, punt 2, van verordening nr. 1215/2012.
28.
In een tussenvonnis van 16 augustus 2023 heeft de verwijzende rechter ten aanzien van Apple Ierland geoordeeld dat het geschil binnen de werkingssfeer van verordening nr. 1215/2012 valt.
29.
In dat verband heeft de verwijzende rechter verklaard dat de gerechten van Nederland krachtens artikel 7, punt 2, van verordening nr. 1215/2012 internationaal bevoegd zijn, zowel uit hoofde van de plaats van het schadebrengende feit als uit hoofde van de plaats waar de schade is ingetreden. Niet duidelijk is evenwel welk Nederlands gerecht relatief bevoegd is.
30.
In datzelfde tussenvonnis heeft de verwijzende rechter twijfels geuit over de gevolgen van het feit dat de representatieve vorderingen op de voet van artikel 3:305a BW zijn ingesteld door rechtspersonen met een eigen recht (en dus niet als gevolmachtigde, lasthebber of cessionaris). De verwijzende rechter is er niet zeker van of die omstandigheid van invloed kan zijn op de bepaling van de relatieve bevoegdheid op grond van artikel 7, punt 2, van verordening nr. 1215/2012.
31.
Daar voegt hij aan toe dat, ook al zou de relatieve bevoegdheid om kennis te nemen van een representatieve vordering binnen Nederland verdeeld zijn over rechters in verschillende arrondissementen, de zaken op dit gebied krachtens bepalingen van nationaal recht nog steeds bij één rechter kunnen worden geconcentreerd. Het is zijns inziens echter niet zeker of dit verenigbaar is met artikel 7, punt 2, van verordening nr. 1215/2012.
C. Prejudiciële vragen
32.
In deze context heeft de rechtbank Amsterdam het Hof de volgende vragen voorgelegd:
‘Vraag 1 (Handlungsort)
- a)
Wat moet in een geval als aan de orde in dit geding, waarbij het gestelde misbruik van machtspositie in de zin van artikel 102 VWEU ten uitvoer is gelegd in een lidstaat door middel van verkopen via een door Apple beheerd online platform dat is gericht op de gehele lidstaat, waarbij Apple Ierland als exclusief distributeur en als commissionair van de ontwikkelaar optreedt en commissie inhoudt op de aankoopsom, als de plaats van het schadeveroorzakende handelen worden aangemerkt in de zin van artikel 7, punt 2, [van verordening nr. 1215/2012]? Is daarbij van belang dat het online platform in beginsel wereldwijd toegankelijk is?
- b)
Maakt het daarbij uit dat het in dit geding gaat om vorderingen die op de voet van artikel 3:305a BW zijn ingesteld door een rechtspersoon die tot doel heeft krachtens een eigen recht de collectieve belangen te behartigen van meerdere gebruikers die in verschillende rechtsgebieden (in Nederland: arrondissementen) binnen een lidstaat hun zetel hebben?
- c)
Als op basis van vraag 1a (en/of 1b) niet slechts één maar meerdere intern relatief bevoegde rechters in de betreffende lidstaat worden aangewezen, verzet artikel 7, punt 2, [van verordening nr. 1215/2012] zich dan tegen toepassing van nationaal (proces)recht dat verwijzing naar één gerecht binnen die lidstaat mogelijk maakt?
Vraag 2 (Erfolgsort)
- a)
Kan in een geval als aan de orde in dit geding, waarbij de gestelde schade is ingetreden als gevolg van aankopen van apps en digitale in-app producten via een door Apple beheerd online platform (de App Store) waarbij Apple Ierland als exclusief distributeur en commissionair van de ontwikkelaars optreedt en commissie inhoudt op de aankoopsom (en waarbij zowel beweerdelijk misbruik van machtspositie in de zin van artikel 102 VWEU heeft plaatsgevonden als een gestelde inbreuk op het kartelverbod in de zin van artikel 101 VWEU), en waarbij de plaats waar deze aankopen hebben plaatsgevonden niet is vast te stellen, uitsluitend de zetel van de gebruiker als aanknopingspunt dienen voor de plaats waar de schade is ingetreden in de zin van artikel 7, punt 2, [van verordening nr. 1215/2012]? Of zijn er in deze situatie ook andere aanknopingspunten om een bevoegde rechter aan te wijzen?
- b)
Maakt het daarbij uit dat het in dit geding gaat om vorderingen die op de voet van artikel 3:305a BW zijn ingesteld door een rechtspersoon die tot doel heeft krachtens een eigen recht de collectieve belangen te behartigen van meerdere gebruikers die in verschillende rechtsgebieden (in Nederland: arrondissementen) binnen een lidstaat hun zetel hebben?
- c)
Als op basis van vraag 2a (en/of 2b) een intern relatief bevoegde rechter in de betreffende lidstaat wordt aangewezen die slechts voor de vorderingen ten behoeve van een deel van de gebruikers in die lidstaat bevoegd is, terwijl voor de vorderingen ten behoeve van een ander deel van de gebruikers andere relatief bevoegde rechters in dezelfde lidstaat bevoegd zijn, verzet artikel 7, punt 2, [van verordening nr. 1215/2012] zich dan tegen toepassing van nationaal (proces)recht dat verwijzing naar één gerecht binnen die lidstaat mogelijk maakt?’
III. Procedure bij het Hof
33.
Het verzoek om een prejudiciële beslissing is op 18 januari 2024 ingekomen ter griffie van het Hof.
34.
De verzoekende stichtingen, Apple, de Nederlandse en de Portugese regering en de Europese Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend. Op de Portugese regering na hebben al deze partijen deelgenomen aan de op 10 december 2024 gehouden terechtzitting.
IV. Beoordeling
35.
De verwijzende rechter ziet zich gesteld voor een geding waarin twee stichtingen die de belangen van een groot aantal gebruikers behartigen, een dubbele vordering tegen Apple instellen: de vordering tot verklaring voor recht dat er sprake is van een inbreuk wegens misbruik van machtspositie, en de vordering tot veroordeling van de inbreukmakende ondernemingen tot betaling van schadevergoeding.
36.
De verwijzende rechter lijkt reeds te hebben beslist dat hij beschikt over internationale bevoegdheid om kennis te nemen van het geschil.12. De verwijzende rechter wenst te vernemen of hij daarnaast ook relatief bevoegd is in de zin van artikel 7, punt 2, van verordening nr. 1215/2012.
37.
Om te beginnen lijkt het mij nuttig om enkele relevante kenmerken van dat artikel, zoals uitgelegd door het Hof, in herinnering te brengen. Daarna zal ik, in het licht van die overwegingen, het antwoord op de vragen formuleren.
A. Artikel 7, punt 2, van verordening nr. 1215/2012
38.
In artikel 7, punt 2, van verordening nr. 1215/2012 is een bijzondere bevoegdheidsregel neergelegd. Krachtens die regel kan de verzoeker zijn rechtsvordering ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad instellen bij het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen.
39.
De ‘plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen’ is ‘hetzij [de plaats] van het intreden der schade hetzij [de plaats] van de veroorzakende gebeurtenis’, indien die plaatsen niet samenvallen.13. In de juridische literatuur (en ook in de verwijzingsbeslissing) worden deze plaatsen doorgaans aangeduid als respectievelijk Erfolgsort en Handlungsort. De keuze tussen beide plaatsen staat aan de verzoeker. Deze bevoegdheidsregel strekt er evenwel niet toe het slachtoffer te bevoordelen.14.
40.
Als bijzondere regel moet artikel 7, punt 2 van verordening nr. 1215/2012 restrictief worden uitgelegd.15.
41.
De uitlegging van die bijzondere regel moet bovendien autonoom zijn, wat uitsluit dat daarbij nationale rechtsbegrippen worden gebruikt of dat het aanknopingspunt wordt geïdentificeerd aan de hand van beoordelingscriteria uit het nationale materiële recht.16. De ‘omstandigheden […] die specifiek zijn voor het soort vordering waarin het toepasselijke nationale recht voorziet’, zijn derhalve irrelevant.17.
42.
De redenen waarom de Uniewetgever ervoor heeft gekozen de regel van artikel 7, punt 2, van verordening nr. 1215/2012 te hanteren, worden uiteengezet in overweging 16 van die verordening en zijn van cruciaal belang voor de uitlegging van die regel door het Hof18.:
- —
Het volgens die regel aangewezen gerecht heeft een bijzonder nauwe band met het geschil vanwege de geografische nabijheid tussen dat gerecht en de objectieve kernmerken van dat geschil19.. Die kenmerken dienen als bewijsvoering waar het gaat om het begaan van de onrechtmatige daad en de gevolgen daarvan, en bevorderen aldus een goede rechtsbedeling.20.
- —
Door die nabijheid kan de verzoeker, nadat de feiten zich hebben voorgedaan, gemakkelijk bepalen welk gerecht bevoegd is.21. De verweerder kan daarentegen reeds voordat de feiten zich voordoen het bevoegde gerecht kennen, aangezien het zich bevindt op de plaats waar hij zijn activiteiten (de gestelde onrechtmatige daad) uitoefent.22.
43.
De door het Hof gehanteerde uitlegging van artikel 7, punt 2, van verordening nr. 1215/2012 impliceert dat deze bepaling zowel de internationale als de relatieve bevoegdheid rechtstreeks en onmiddellijk toekent aan het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen.23.
44.
Volgens het Hof mogen de lidstaten ‘geen andere criteria voor bevoegdheidstoekenning […] toepassen’ dan die welke voortvloeien uit artikel 7, punt 2.24.
45.
Het gaat om vaste rechtspraak waarvoor een goede onderbouwing is gegeven25. en die de wil van de wetgever lijkt te volgen. Toen hij artikel 7, punt 2, van verordening nr. 1215/2012 heeft vastgesteld, was het namelijk de intentie van de wetgever dat deze bepaling rechtstreeks het gerecht met internationale en relatieve bevoegdheid aanwijst. De wijzigingen die sindsdien in de tekst zijn aangebracht, doen niets af aan die intentie.
B. Prejudiciële vragen 1a en 2a
46.
De verwijzende rechter vraagt zich af welk gerecht op grond van de plaats van het schadebrengende feit (vraag 1a) en de plaats waar de schade is ingetreden (vraag 2a) relatief bevoegd is in omstandigheden als die in casu. In beide vragen worden de problemen die representatieve vorderingen met zich meebrengen voor het antwoord vooralsnog niet aan de orde gesteld (dat gebeurt in de vragen 1b en 2b).
1. Plaats waar het feit dat de (vermeende) schade heeft veroorzaakt zich heeft voorgedaan
a) Welk feit heeft schade veroorzaakt?
47.
De aanname die de verwijzende rechter hanteert, is dat de schade voor de gebruikers (over het bestaan waarvan hij zich logischerwijs nog niet uitspreekt) voortvloeit uit een gedraging van Apple die door de verzoekende stichtingen wordt gekwalificeerd als misbruik van machtspositie in de zin van artikel 102 VWEU.
48.
Die gedraging zou er kort gezegd in bestaan dat Apple, gebruikmakend van haar machtspositie, excessieve provisies rekent aan de ontwikkelaars van apps voor de App Store. Het bedrag van die provisies wordt uiteindelijk doorberekend aan de gebruikers, die daardoor een hogere prijs moeten betalen voor het downloaden van apps uit de NL App Store.
49.
Vast staat dat een mededingingsverstorende praktijk door middel waarvan een onderneming misbruik maakt van haar machtspositie, in abstracto schade kan veroorzaken. Over de lokalisering van het feit dat die schade heeft veroorzaakt, heeft het Hof zich in het kader van een schadevordering wegens misbruik van machtspositie uitgesproken in zijn arrest in de zaak flyLAL-Lithuanian Airlines26..
50.
Het beginsel dat het schadebrengende feit dat leidt tot de toepassing van artikel 7, punt 2, van verordening nr. 1215/2012 gelijk wordt gesteld met de handelingen die worden verricht om het misbruik van machtspositie in de praktijk te brengen, lijkt mij algemene geldigheid te hebben; enkel de concretisering ervan verschilt per geval.
51.
Op basis van dit criterium is het schadebrengende feit volgens de verwijzende rechter de verkoop van apps in de NL App Store waarbij Apple optreedt als exclusief distributeur en commissionair van de ontwikkelaars en commissie inhoudt op de door de gebruikers betaalde prijs.27.
52.
Naar het oordeel van de verwijzende rechter kunnen de gerechten van Nederland, als de door de onrechtmatige daad getroffen markt, dus internationaal bevoegd zijn, aangezien de verkopen (ook) in Nederland plaatsvinden.
53.
Ik ben er niet volledig van overtuigd dat deze keuze van het schadebrengende feit in de omstandigheden van de onderhavige zaak de meest geschikte is.28. Niettemin zal ik als werkhypothese uitgaan van die door de verwijzende rechter gemaakte keuze.
b) Waar heeft het schadebrengende feit plaatsgevonden?
54.
Het bepalen van de plaats waar de verkoop van apps via de NL App Store heeft plaatsgevonden in de zin van artikel 7, punt 2, van verordening nr. 1215/2012, is niet gespeend van moeilijkheden. Ofschoon de verwijzende rechter zelf aangeeft dat de verkoop plaatsvindt in Nederland, erkent hij in een van zijn vragen (vraag 2a) dat ‘de plaats waar deze aankopen hebben plaatsgevonden niet is vast te stellen’.
55.
Om te beginnen wil ik erop wijzen dat in deze situatie dezelfde oplossing zou kunnen worden toegepast als die welke het Hof in andere arresten reeds heeft gehanteerd. Wanneer het uiterst moeilijk of onmogelijk is om de plaats van het schadebrengende feit vast te stellen, beschikt de verzoeker over de door artikel 7, punt 2, van verordening nr. 1215/2012 geboden mogelijkheid om zich te wenden tot het gerecht dat bevoegd is op grond van de plaats waar de schade is ingetreden.29.
56.
Het is mij niet onbekend dat het Hof bij andere gelegenheden heeft gekozen voor een andere weg en — teneinde de door artikel 7, punt 2, van verordening nr. 1215/2012 geboden mogelijkheid veilig te stellen — uitleggingen die het voor de verzoeker ‘buitensporig moeilijk’ of ‘onmogelijk’ maken om de plaats van het schadebrengende feit vast te stellen, van de hand wijst en andere voorstelt.30. Daarom zal ik ook die weg verkennen.
57.
Volgens de verwijzende rechter:
- —
is het aanbod van apps in de NL App Store specifiek gericht op consumenten en ondernemingen in Nederland;
- —
worden gebruikers die bij het aanmaken van hun Apple-account of Apple ID Nederland als hun locatie hebben opgegeven, voor de aankoop van apps door Apple doorgeleid naar die specifieke onlinewinkel (NL App Store)31.;
- —
beperkt Apple daarnaast ook de toegang van die gebruikers (van wie de locatie volgens hun Apple ID Nederland is) tot andere App Stores die bestemd zijn voor het publiek in andere staten.
58.
Ik ben van mening dat de bevoegdheid van de gerechten van Nederland (of, meer in het algemeen, van iedere andere lidstaat) als gerechten van de plaats van het schadebrengende feit dan ook niet louter gebaseerd kan worden op de toegankelijkheid van de App Store32. vanaf het grondgebied van Nederland.
59.
Mijns inziens zou die bevoegdheidstoekenning in werkelijkheid voortvloeien uit een fictieve lokalisering: verondersteld wordt namelijk dat iOS-gebruikers die volgens hun Apple ID woonplaats in Nederland hebben, in dat land hun apps kopen door gebruik te maken van de NL Apple Store.33. De commissie waardoor de gebruikers een te hoge prijs moeten betalen, wordt ingehouden bij die op het grondgebied van Nederland ‘gelokaliseerde’ verkoop.34.
60.
Zelfs als wordt aangenomen dat de virtuele ruimte aldus de geografische ruimte van de lidstaat weerspiegelt35., dan nog is er in dit aankoopmechanisme geen sprake (en kan er ook moeilijk sprake zijn) van een aanknopingspunt op basis waarvan de bevoegdheid om kennis te nemen van vorderingen kan worden toegekend aan het ene of het andere gerecht binnen Nederland.
61.
Volgens de verwijzende rechter:
- —
is er namelijk geen duidelijk aanknopingspunt op basis waarvan de kennisneming van de vorderingen toevalt aan de rechter van een bepaald Nederlands arrondissement en niet aan die van een ander arrondissement. De NL App Store richt zich op heel Nederland (en is in heel Nederland toegankelijk), en bij een verkoop via de NL App Store kan er niet echt worden gesproken van een concrete plaats waar de specifieke transactie wordt verricht;
- —
is het twijfelachtig of artikel 7, punt 2, van verordening nr. 1215/2012 in die omstandigheden leidt tot de identificatie van een ratione locis bevoegd gerecht onder alle ratione materiae bevoegde gerechten in die lidstaat.
62.
Wordt er uitgegaan van de door mij genoemde fictieve lokalisering, dan kan in beginsel worden gesteld dat de rechter in Nederland in wiens arrondissement de verkoop via de NL App Store plaatsvindt, de relatief bevoegde rechter is. De toekenning van bevoegdheid hangt in dat geval af van de plaats waar — binnen Nederland — het apparaat dat werd gebruikt om toegang te krijgen tot de NL App Store zich op het moment van de aankoop bevond.36.
63.
Deze oplossing is echter weinig praktisch:
- —
Zo zullen de Apple-apparaten die worden gebruikt om aankopen te doen (apps te downloaden) vaak mobiele apparaten zijn: de plaats waar het mobiele apparaat zich bevindt kan overal zijn en is niet bestendig en moeilijk aan te tonen.
- —
Voorts opent het de deur naar een groot aantal procedures in Nederland indien de plaats van elke afzonderlijke verkoop in aanmerking wordt genomen als een concrete uiting van misbruik van machtspositie in die lidstaat.37.
64.
Een van de verzoekende stichtingen voert in haar opmerkingen aan dat zowel vanwege de onrechtmatige daad als vanwege de (virtuele) omgeving waarin deze plaatsvindt, elke Nederlandse rechter relatief bevoegd is op grond van artikel 7, punt 2, van verordening nr. 1215/2012.38.
65.
De uitlegging dat die bepaling relatieve bevoegdheid toekent aan alle gerechten in een lidstaat (op de inwoners waarvan de desbetreffende activiteiten zijn gericht), is door advocaat-generaal Jääskinen verdedigd in zijn conclusie in zaak C-170/1239.. Daarin stelde hij voor om ter bepaling van het gerecht dat internationaal bevoegd is op grond van de plaats waar de schade is ingetreden, de gerichtheid van de activiteiten van een internetsite op een bepaalde lidstaat te hanteren als aanknopingspunt. Het Hof heeft evenwel geen gebruik gemaakt van dit lokaliseringscriterium.
66.
In mijn opvatting zou een uitlegging van artikel 7, punt 2, van verordening nr. 1215/2012 die, waar het gaat om internationale en relatieve bevoegdheid, uitmondt in de vaststelling dat alle gerechten van een lidstaat onderling verwisselbaar zijn, nogal paradoxaal zijn. Het doel van deze bepaling is juist om één gerecht aan te wijzen op basis van de nauwe geografische band tussen dat gerecht en de voor het geschil relevante feiten.40.
67.
Dat er sprake is van een veelvoud aan bevoegde gerechten (of beter gezegd aan parallelle procedures voor verschillende gerechten, die mogelijkerwijs kunnen leiden tot onderling onsamenhangende beslissingen) moet in de regel worden vermeden bij het uitleggen van verordening nr. 1215/2012 en dus ook wanneer het artikel 7, punt 2, betreft.41.
68.
Om die reden heeft het Hof wanneer het wordt geconfronteerd met complexe feitelijke situaties, de neiging om een specifiek gerecht als relevant te beschouwen voor de bepaling van de rechterlijke bevoegdheid. Dit ‘voorkomt […] proliferatie van de bevoegdheden [en] strookt met het specifieke karakter van de bevoegdheid […] en met de noodzaak van een strikte uitlegging, terwijl het ook bijdraagt tot de voorspelbaarheid’.42.
69.
Wat de plaats van het intreden van de schade betreft, heeft het Hof geoordeeld dat meerdere gerechten bevoegd kunnen zijn, maar tegelijkertijd erop gewezen dat elk gerecht slechts kan kennisnemen van de schade die is geleden op het grondgebied van de lidstaat waartoe het behoort.43.
70.
Dat één enkel gerecht op basis van hetzelfde aanknopingspunt (plaats van het intreden van de schade) bevoegd is, is ook de oplossing voor een vordering tot schadevergoeding voor de te hoge prijs die moet worden betaald voor verschillende goederen waarop mededingingsregelingen betrekking hebben: wanneer die goederen niet zijn gekocht binnen het rechtsgebied van één enkel gerecht in de lidstaat waar de betrokken markt(en) is (zijn) gelegen, zijn de gerechten van de woonplaats van de koper bevoegd.44.
71.
Deze lijn van redeneren is echter niet gemakkelijk vol te houden in omstandigheden als die in casu, waarin de verkoop strikt genomen niet plaatsvindt in een fysieke ruimte, maar in een digitaal universum. Om voor die verkoop één enkele plaats te bepalen, moet er wederom worden uitgegaan van fictieve lokalisering en moet er uit alle mogelijke plaatsen één worden gekozen die fungeert als enige situs fictus van de activiteiten van de verweerder in de lidstaat waar hij misbruik van zijn machtspositie maakt.
72.
Vanuit dit oogpunt kan dan worden aangenomen dat bij een gebruiker die op basis van zijn Apple ID naar de NL App Store wordt geleid, alle via deze App Store gedane aankopen plaatsvinden in de woonplaats of zetel van die gebruiker in Nederland, ongeacht zijn feitelijke fysieke locatie in dat land op het moment van elke aankoop.
73.
Aldus kan een gebruiker (of een groep van gebruikers met woonplaats in hetzelfde rechtsgebied) zich op grond van de plaats van het schadebrengende feit wenden tot de gerechten van zijn (of hun) woonplaats binnen de markt die wordt getroffen door de mededingingsverstorende praktijk van Apple, en schadevergoeding vorderen met betrekking tot aankopen die via de op die markt gerichte App Store zijn gedaan.
74.
Deze oplossing houdt in dat het forum actoris wordt gehanteerd, wat mijns inziens gerechtvaardigd is in het licht van de commerciële strategie van Apple45., en is bijgevolg niet gericht op bescherming van de gelaedeerde46..
2. Plaats waar de schade is ingetreden
75.
De hierboven beschreven moeilijkheden om te bepalen waar het schadebrengende feit (begrepen als de verkoop van apps aan gebruikers in de NL App Store) zich heeft voorgedaan, zijn minder groot waar het de plaats van het intreden van de schade betreft.
76.
De (gestelde) schade voor de gebruiker bestaat uit de extra kosten die hij betaalt voor het downloaden van apps uit de App Store. De prijs van een app wordt hoger doordat de ontwikkelaars van die app de aan Apple te betalen commissie doorberekenen aan de gebruiker.
77.
De verwijzende rechter vraagt zich af of voor de bepaling van het bevoegde gerecht op basis van de plaats waar de schade is ingetreden, de zetel van de gebruiker als aanknopingspunt kan dienen wanneer ‘de plaats waar [de] aankopen hebben plaatsgevonden niet is vast te stellen’.
78.
Bij het uitleggen van artikel 7, punt 2, van verordening nr. 1215/2012 heeft het Hof het volgende verklaard:
- —
Schade die ‘hoofdzakelijk [voortvloeit] uit de extra kosten als gevolg van de kunstmatig hoge prijzen’, kan worden aangemerkt als ‘rechtstreekse schade die in beginsel kan leiden tot bevoegdheid van de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan die schade is ingetreden’.47.
- —
‘Wanneer de markt die wordt beïnvloed door de mededingingsbeperkende gedragingen zich bevindt in de lidstaat op het grondgebied waarvan de gestelde schade zich [heeft] voorgedaan, moet de plaats waar de schade is ingetreden voor de toepassing van artikel 7, punt 2, van verordening nr. 1215/2012 worden geacht zich in die lidstaat te bevinden.’48.
79.
De rechterlijke bevoegdheid is dus gebaseerd op het in een en dezelfde lidstaat samenvallen van twee factoren: de markt die door de betreffende gedragingen wordt beïnvloed en de plaats waar de gelaedeerde de schade ondervindt. In casu is Nederland de markt (of een van de markten) die door die gedragingen wordt beïnvloed.
80.
Wanneer het onrechtmatige gedrag (het beweerdelijke misbruik van een machtspositie) in een fysieke context (die te onderscheiden is van een virtuele context) heeft geleid tot een vermogensoverdracht van de gelaedeerden naar de inbreukpleger doordat extra kosten zijn betaald, heeft het Hof geoordeeld dat de plaats van het intreden van de schade ofwel die van de aankoop van het goed waarvoor extra kosten moesten worden betaald49., ofwel die van de woonplaats van de gelaedeerde is50.. Ook heeft het Hof de plaats van de aankoop van fysieke goederen gelijkgesteld met de plaats waar die goederen worden geleverd.51.
81.
Deze richtsnoeren volgend, kom ik tot de conclusie dat voor het bepalen van de plaats waar in casu de schade is ingetreden, de zetel of woonplaats van de gelaedeerde in Nederland, waar zich ook de markt bevindt die door het misbruik van machtspositie wordt beïnvloed, kan dienen als aanknopingspunt.
82.
Wanneer de schade bestaat uit extra kosten en de gebruiker het product (met een lagere waarde dan de betaalde prijs) aankoopt in de virtuele omgeving via een digitale applicatie, die geen materiële vorm heeft, acht ik het namelijk weinig zinvol om te proberen het bevoegde gerecht te lokaliseren aan de hand van de plaats van levering van het product.52.
83.
De woonplaats van de gebruiker is daarentegen des te geschikter als aanknopingspunt wanneer, zoals hier het geval is, de verwerende partij (Apple) haar activiteiten ontplooit door de relevante markt op te splitsen per land en de eindgebruikers te binden aan een nationale markt.
84.
Tot slot moet worden bedacht dat, zoals de verwijzende rechter in het tussenvonnis van 16 augustus 2023 heeft verklaard53., Apple Ierland in haar overeenkomsten met gebruikers voor het gebruik van de App Store een forum- en rechtskeuzebeding opneemt. Als de gebruiker ingezetene is van een lidstaat van de Europese Unie, zijn het toepasselijke recht en de bevoegde rechtbank het recht en de rechtbanken van het land waar die gebruiker zijn normale woonplaats heeft. Dit feit is derhalve niet onbekend bij Apple. Deze onderneming kan zich dus moeilijk beroepen op de onvoorzienbaarheid van vorderingen in Nederland. Het gaat weliswaar om vorderingen die niet binnen het bereik vallen van het forum- en rechtskeuzebeding (dat van toepassing is op haar contractuele aansprakelijkheid), maar dat neemt niet weg dat die vorderingen rechtstreeks voortvloeien uit aankopen in de NL App Store.
85.
Mijns inziens is het dan ook niet bezwaarlijk om de schade die voortvloeit uit een excessieve vermogensoverdracht als gevolg van de betaling van extra kosten, binnen de betrokken markt te lokaliseren in de woonplaats van de gelaedeerde, die in de regel daar het centrum van zijn vermogen heeft.
86.
Wordt deze oplossing gehanteerd, dan hoeft er niet nog een ander aanknopingspunt te worden verlangd, zoals bijvoorbeeld de omstandigheid dat de bankrekening van de gebruiker waarvan de betaling wordt afgeschreven zich in hetzelfde rechtsgebied bevindt. In de beschreven omstandigheden ben ik van oordeel dat de voorgestelde oplossing tegemoetkomt aan de doelstellingen van nabijheid en voorzienbaarheid van de bevoegdheidsregel.
C. Prejudiciële vragen 1b en 2b
1. Irrelevantie van de omstandigheid dat er sprake is van een representatieve vordering
87.
Niets staat eraan in de weg dat representatieve vorderingen worden ingesteld in situaties met grensoverschrijdende aspecten, zoals die welke in casu aan de orde zijn.
88.
Het Hof heeft zich nog niet eerder gebogen over de gevolgen die dit soort vorderingen in dergelijke situaties kunnen hebben.54.
89.
Artikel 7, punt 2, van verordening nr. 1215/2012 voorziet, zoals ik al heb opgemerkt, in een bijzondere regel om te bepalen welk gerecht bevoegd is om kennis te nemen van vorderingen uit niet-contractuele verbintenissen die voortvloeien uit de aansprakelijkheid van de schuldenaar jegens de schuldeiser.
90.
Deze regel is geen persoonlijk voorrecht dat uitsluitend ten dienste van de schuldeiser staat: ook andere personen, met name vertegenwoordigers van de schuldeiser of diens rechtsopvolgers55., evenals behartigers van individuele maar gezamenlijke belangen56. of van een algemeen belang57. kunnen aanspraak maken op toepassing van die regel.
91.
Het doel van artikel 7, punt 2, van verordening nr. 1215/2012 is dat een gerecht dat een bijzondere geografische band heeft met de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of met de plaats waar de schade is ingetreden, wordt aangewezen als het (internationaal en territoriaal) bevoegde gerecht.
92.
Ook al staat de overdracht van de schuldvordering of het collectieve karakter van een vordering er niet aan in de weg dat een beroep wordt gedaan op dat artikel, de internationale en relatieve bevoegdheid uit hoofde ervan wordt dus hoe dan ook nog steeds bepaald aan de hand van het handelen dat de schade heeft veroorzaakt of de plaats waar die schade is ontstaan.
93.
Naar mijn mening geldt dit ook voor vorderingen die door een organisatie waaraan de wet een eigen recht toekent, dat wil zeggen een recht dat niet afhankelijk is van een mandaat of een overdracht, worden ingesteld om vergoeding van individuele schade te verkrijgen. Deze opvatting wordt ondersteund door twee argumenten:
- —
In de eerste plaats wijzigt de procesbevoegdheid van de organisatie die de representatieve vordering instelt feitelijk niets aan het voorwerp van het geding. Uiteindelijk is het doel van dat geding om een individuele schadevergoeding te verkrijgen voor elke rechtstreeks benadeelde. Aan de collectieve vordering liggen individuele vorderingen ten grondslag: het recht op schadevergoeding en de hoogte daarvan moeten aan het eind van de procedure voor elk van de gelaedeerden afzonderlijk worden vastgesteld (in voorkomend geval met toetsing door dezelfde rechter die het bestaan van dat recht heeft vastgesteld).
- —
In de tweede plaats kan de vaststelling van de ‘plaats van het schadebrengende feit’ niet afhangen van het materiële recht dat van toepassing is op de wettelijke aansprakelijkheid58., en ook niet van procedurele regelingen die van lidstaat tot lidstaat verschillen.
94.
De bevoegdheid van de gerechten van de plaats van het schadebrengende feit vloeit voort uit de onrechtmatige daad, die dezelfde is ongeacht wie de feitelijke schuldeiser is of wie als verzoeker optreedt. De schadevordering verliest haar band met de plaats van het schadebrengende feit niet doordat de vordering is overgedragen of omdat een derde krachtens een wettelijke bepaling de schadeprocedure voor de rechter brengt. Ook het schadebrengende feit is hetzelfde, en het bewijsmateriaal bevindt zich nog steeds op dezelfde plek.
95.
Het voorzienbaarheidsbeginsel staat eraan in de weg dat, wanneer het gaat om hetzelfde schadebrengende feit, het bevoegde gerecht verschilt afhankelijk van de vraag of de verzoeker de houder van het belang, diens rechtsopvolger of een vertegenwoordiger (van die houder of van die belangen) is.
96.
Een organisatie die representatieve vorderingen instelt, kan haar vordering derhalve alleen bij één enkel gerecht instellen (uit hoofde van artikel 7, punt 2, van verordening nr. 1215/2012) indien a) het schadebrengende feit een opzichzelfstaande gebeurtenis is en zich binnen het rechtsgebied van dat gerecht heeft voorgedaan of kan voordoen, of b) alle relevante feiten (dat wil zeggen elk van de feiten die de uiteindelijke houders van het vertegenwoordigde belang raken) in het rechtsgebied van dat gerecht hebben plaatsgevonden.
97.
Ik erken dat dit vereiste er binnen een lidstaat toe leidt dat de nuttige werking van het mechanisme van de representatieve vordering wordt beperkt wanneer de nationale wetgever er niet voor heeft gekozen om één gerecht met rechtsmacht voor het hele grondgebied aan te wijzen om kennis te nemen van dat soort vorderingen.59.
98.
Rekening houdend met de relatieve bevoegdheidsgrenzen van elk nationaal gerecht, moet de ter zake bevoegde organisatie bepalen welke objectieve en subjectieve reikwijdte de representatieve vordering heeft en het ‘schadebrengende feit’ in de zin van artikel 7, punt 2, van verordening nr. 1215/2012 lokaliseren in het rechtsgebied van elk van die gerechten.60. Een ruimere behartiging van de in het geding zijnde belangen, die ook zou zien op feiten en schade die zich in andere rechtsgebieden van dezelfde lidstaat hebben voorgedaan, zou — gelet op die geografische grenzen — een verveelvoudiging van het aantal procedures vergen.
99.
Er kan worden betoogd dat die benadering niet goed is in te passen in de logica van de representatieve vordering, die niet is gebaseerd op de geringe afstand tussen het geschil en het gerecht dat er kennis van neemt, maar op de gelijkheid van de behartigde belangen. Hoe onbevredigend zij ook moge lijken, is dit niettemin de oplossing die voortvloeit uit de toepassing van artikel 7, punt 2, van verordening nr. 1215/2012 op een scenario waarvan de regels niet zijn gewijzigd om deze in overeenstemming te brengen met de nieuwe realiteit (representatieve vorderingen).
100.
Volgens de huidige regels61. moet de ter zake bevoegde organisatie die één enkele representatieve vordering — tot vergoeding van schade — wil instellen wegens inbreuken die zich op verschillende plaatsen in Nederland voordoen en waarvan de gevolgen zich in verschillende arrondissementen van dat land doen voelen, haar vordering instellen in een andere lidstaat62. indien zij deze richt tegen een verweerder die aldaar is gevestigd.
101.
De problemen die inherent zijn aan de representatieve vordering in een grensoverschrijdende context waren niet onbekend ten tijde van de herschikking (in 2012) van verordening nr. 1215/2012. Gelet op de verschillen tussen de nationale modellen die destijds bestonden, is uiteindelijk besloten om in die verordening geen specifieke regels ter zake in te voeren, in afwachting van de verdere ontwikkelingen van het recht op dat gebied.63.
102.
Die ontwikkelingen hebben inmiddels plaatsgevonden, maar hebben zich niet vertaald in wijzigingen van de regels inzake de toekenning van internationale bevoegdheid.64. Zoals ik verderop zal onderstrepen, heeft richtlijn 2020/1828 (waarvan de vaststelling een geschikte gelegenheid had kunnen zijn om dit te doen) verordening nr. 1215/2012 niet gewijzigd.
103.
Om kort te gaan moet het antwoord op de vragen 1b en 2b mijns inziens luiden dat het bij de huidige stand van het Unierecht voor de uitlegging van artikel 7, punt 2, van verordening nr. 1215/2012 geen verschil maakt dat de vordering is ingesteld door een organisatie die naar nationaal recht bevoegd is om in eigen naam representatieve vorderingen in te stellen om de belangen van een groot aantal gebruikers te behartigen.
2. Richtlijn 2020/1828
104.
Richtlijn 2020/1828 is hier niet van toepassing65., noch ratione temporis (de richtlijn is alleen van toepassing op vorderingen die op of na 25 juni 2023 worden ingesteld), noch ratione materiae (de werkingssfeer van de richtlijn strekt zich in beginsel niet uit tot representatieve vorderingen wegens inbreuk op de bevoegdheidsregels).
105.
Hoewel ik niet wil afdoen aan het doel om het nuttig effect van die richtlijn te bevorderen66., ben ik er niet van overtuigd dat dit doel een uitlegging rechtvaardigt die de uitlegging van de bijzondere bevoegdheidsregel in de beschreven mate verdraait.
106.
In dit verband wil ik eraan herinneren dat ‘[d]e beoogde samenhang tussen verschillende Unierechtelijke regelingen […] er […] in geen geval toe [mag] leiden dat aan de bepalingen van een verordening inzake bevoegdheidsregels een uitlegging wordt gegeven die niet met het stelsel en de doelstellingen van deze verordening strookt’.67.
107.
Richtlijn 2020/1828 heeft geen wijzigingen aangebracht in verordening nr. 1215/2012. Sterker nog, volgens artikel 2, lid 3, van die richtlijn ‘[worden] [d]e Unieregels inzake internationaal privaatrecht, in het bijzonder de regels met betrekking tot de rechterlijke bevoegdheid en de erkenning en de tenuitvoerlegging van vonnissen in burgerlijke en handelszaken […], […] door deze richtlijn onverlet gelaten’.68.
108.
In diezelfde lijn wordt in overweging 21 van richtlijn 2020/1828 toegelicht dat ‘[o]p de door deze richtlijn vereiste procedurele mechanismen voor representatieve vorderingen […] de bestaande rechtsinstrumenten van de Unie van toepassing [moeten] zijn’.
109.
De Uniewetgever heeft de representatieve vordering derhalve willen onderwerpen aan de bestaande regels inzake internationale rechterlijke bevoegdheid. Strikt genomen is er geen sprake van een leemte in de regelgeving die de uitlegger ervan mag opvullen, maar van een doelbewuste uitsluiting die de wetgever heeft willen handhaven.
110.
Het staat aan de lidstaten om richtlijn 2020/1828 correct om te zetten. Daarbij hebben zij rekening moeten houden, of zullen zij rekening moeten houden, met het feit dat in die richtlijn wordt verwezen naar de regels inzake internationale rechterlijke bevoegdheid van verordening nr. 1215/2012, die intact worden gelaten.
111.
Zoals ik reeds heb opgemerkt, hebben sommige lidstaten, die zich bewust waren van de gevolgen van artikel 7, punt 2, van verordening nr. 1215/2012 voor zaken als die in casu, ervoor gekozen te voorzien in één enkel rechtsgebied (en één enkel bevoegd gerecht) voor dit soort vorderingen.69.
112.
Andere lidstaten, zoals Nederland, lijken te hebben gekozen voor ex-postcorrecties, zij het alleen waar het gaat om het instellen van meerdere met elkaar samenhangende vorderingen. Ik zal later terugkomen op deze mogelijkheid, waar de vragen 1c en 2c betrekking op hebben.
3. Subsidiair: relevantie van de omstandigheid dat er sprake is van een representatieve vordering
113.
Sommige partijen en interveniënten hebben alternatieve voorstellen gedaan voor de uitlegging van artikel 7, punt 2, van verordening nr. 1215/2012 om de uitvoering van representatieve vorderingen in de praktijk te vergemakkelijken.70. Samengevat wordt daarin:
- —
geopperd dat er moet worden gekeken naar de zetel van de organisatie die de vordering instelt71.;
- —
gepleit voor het forum van de plaats waar mogelijkerwijs door een of meer gelaedeerden een vordering wordt ingesteld72.;
- —
aangevoerd dat alle gerechten in Nederland gelijkelijk bevoegd zijn om kennis te nemen van een representatieve vordering73.;
- —
voorgesteld om de werkingssfeer van artikel 7, punt 2, van verordening nr. 1215/2012 te beperken tot de internationale bevoegdheid, met verwijzing naar het nationale recht voor de aanwijzing van de relatief bevoegde rechter.74.
114.
In mijn opvatting zijn al deze voorstellen in meer of mindere mate strijdig met de beginselen die ten grondslag liggen aan artikel 7, punt 2, van verordening nr. 1215/2012 en de gevestigde uitlegging ervan.75.
115.
Ik zal deze voorstellen afzonderlijk analyseren, waarbij ik eerst de voorstellen van de Nederlandse regering, de Stichting App Stores Claims en de Commissie zal behandelen. Daarna zal ik ingaan op de voorstellen van de Stichting Right to Consumer Justice.
a) Zetel van de organisatie die bevoegd is om representatieve vorderingen in te stellen en plaats waar mogelijkerwijs door een of meer van de gelaedeerden een vordering wordt ingesteld
116.
Als de zetel van de (voor het instellen van de representatieve vordering) bevoegde organisatie in aanmerking wordt genomen, worden de criteria voor de toekenning van respectievelijk de internationale en de relatieve rechterlijke bevoegdheid gescheiden: die zetel vormt geen grondslag voor internationale bevoegdheid op grond van artikel 7, punt 2, van verordening nr. 1215/2012. Wordt die uitlegging gehanteerd, dan zou deze bepaling een functie krijgen waarbij zaken tussen de gerechten van hetzelfde rechtsgebied worden verdeeld, maar die losstaat en wordt onderscheiden van de functie van toekenning van internationale rechterlijke bevoegdheid.
117.
Met het aldus geformuleerde voorstel:
- —
zou er sprake zijn van een forum actoris dat geen enkele band met de feiten van het geding heeft en dat door de verzoekende organisatie bovendien strategisch zou kunnen worden vastgesteld voor elke individuele vordering. Dat risico neemt toe als de organisatie wordt opgericht, zoals soms gebeurt, met het specifieke doel om een representatieve vordering in te stellen;
- —
zou er bevoegdheid worden toegekend aan een gerecht dat de verweerder vóór de start van de procedure niet had kunnen voorzien76. (aangezien de verzoekende organisatie als zodanig geen schade heeft geleden) en waarvan de geringe afstand tot de verweerder77. geenszins verzekerd is.
118.
De Commissie stelt voor78. dat de organisatie die de representatieve vordering instelt ‘het gerecht kan kiezen’, waarbij het voldoende is dat dat gerecht relatief bevoegd is voor ten minste één persoon of een deel van de personen die behoren tot de groep waarvan die organisatie de belangen behartigt.
119.
Op deze manier maakt het voorstel van de Commissie in artikel 7, punt 2, van verordening nr. 1215/2012 een onderscheid tussen de toekenning van internationale bevoegdheid en het relatieve aspect ervan. De Commissie pleit derhalve voor een forum actoris dat door de verzoekende organisatie naar eigen goeddunken wordt vastgesteld, zonder enige andere beperking dan dat het moet gaan om een plaats waar ten minste één gelaedeerde of een groep gelaedeerden een individuele vordering kan instellen op grond van de plaats waar de schade is ingetreden.
120.
Wat de gemeenschappelijke aspecten van de representatieve vordering betreft, is er geen grotere of mindere nabijheid tussen het aangewezen gerecht en het bewijsmateriaal dan bij welk ander gerecht dan ook. Wat de aspecten betreft die verschillen, is de nabijheid alleen verzekerd voor de betrokkene die is benadeeld door het specifieke ‘schadebrengende feit’ dat als aanknopingspunt voor de relatieve bevoegdheid fungeert. Hetzelfde geldt ook voor de voorzienbaarheid voor de verweerder.79.
121.
Elk van deze twee voorstellen leidt dus tot een ingrijpende wijziging van de bijzondere bevoegdheidsregel en daarmee tot een verstoring van het door de Uniewetgever in verordening nr. 1215/2012 tot stand gebrachte evenwicht tussen de op het spel staande belangen; naar ik meen, is degene die de regel uitlegt daar niet toe bevoegd.80.
122.
Ofschoon zij schijnbaar niet in de weg staan aan de aanwijzing van een gerecht dat wordt gekenmerkt door zijn band met het geschil81., creëren beide voorstellen in werkelijkheid nieuwe criteria voor de vaststelling van de relatieve bevoegdheid.
123.
Deze (nieuwe) criteria zijn ingegeven door het doel van een goede rechtsbedeling. Daarbij gaat het niet zozeer om het gemakkelijk verkrijgen, beoordelen en aandragen van bewijsmateriaal, als wel om het belang van een nuttige procesinrichting wanneer er sprake is van parallelle belangen. Artikel 7, punt 2, van verordening nr. 1215/2012 streeft dat doel evenwel als zodanig niet na.82.
b) Relatieve bevoegdheid van elk gerecht in Nederland of verwijzing naar het nationale recht
124.
De Stichting Right to Consumer Justice voert aan dat in omstandigheden als die in casu alle gerechten van Nederland gelijkelijk bevoegd zijn om kennis te nemen van de representatieve vordering. Subsidiair stelt zij voor om de rol van artikel 7, punt 2, van verordening nr. 1215/2012 te beperken tot de bepaling van de internationale bevoegdheid.
125.
Ik heb er reeds op gewezen dat een uitlegging van de regel als zou deze zonder onderscheid internationale en relatieve bevoegdheid toekennen aan alle gerechten van een lidstaat, paradoxaal is.83.
126.
Van groter belang is het voorstel om het aan de lidstaten over te laten om te beslissen hoe de relatieve bevoegdheid wordt toegekend. Indien dat voorstel zou worden aanvaard, zou artikel 7, punt 2, van verordening nr. 1215/2012 (in het voorstel zijn de keuzemogelijkheden van de verzoeker niet beperkt tot het forum van de woonplaats van de verweerder) ook kunnen worden gehanteerd in een context die niet onder verordening nr. 1215/2012 valt, bijvoorbeeld in het kader van representatieve vorderingen; ook zou er geen belemmering meer zijn om gebruik te maken van dat procedurele mechanisme, waarvan de Uniewetgever de toepassing wil bevorderen.
127.
Dat voorstel breekt evenwel met de gebruikelijke uitlegging van het artikel, die wordt geschraagd door zwaarwegende argumenten.84. Om die reden is dit een mogelijkheid die alleen de lege ferenda kan worden overwogen.85.
D. Prejudiciële vragen 1c en 2c
128.
De verwijzende rechter wenst te vernemen of artikel 7, punt 2, van verordening nr. 1215/2012 zich verzet tegen ‘toepassing van nationaal (proces)recht dat verwijzing naar één gerecht binnen [een] lidstaat mogelijk maakt’ in de volgende twee gevallen:
- —
wanneer in die lidstaat ‘niet slechts één maar meerdere intern relatief bevoegde rechters […] worden aangewezen’ (vraag 1c);
- —
wanneer ‘een intern relatief bevoegde rechter in de betreffende lidstaat wordt aangewezen die slechts voor de vorderingen ten behoeve van een deel van de gebruikers in die lidstaat bevoegd is, terwijl voor de vorderingen ten behoeve van een ander deel van de gebruikers andere relatief bevoegde rechters in dezelfde lidstaat bevoegd zijn’ (vraag 2c).
129.
Deze vragen zouden hypothetisch kunnen zijn, aangezien de vorderingen tegen Apple beide voor dezelfde rechter (de verwijzende rechter) zijn ingesteld.86. Ik sluit echter niet uit dat het antwoord voor die rechter nuttig kan zijn om zijn eigen bevoegdheid te bevestigen.
130.
Het Hof heeft geoordeeld dat artikel 7, punt 2, van verordening nr. 1215/2012 ‘zich er niet tegen [verzet] dat een lidstaat besluit om een bepaald soort geschillen aan één enkel gerecht toe te wijzen, dat dus bij uitsluiting bevoegd is ongeacht de plaats waar de schade in die lidstaat is ingetreden’.87.
131.
Deze oplossing vindt haar verklaring in het feit dat verordening nr. 1215/2012 niet oplegt dat wordt voorzien in een bevoegd gerecht in elke plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan88., alsmede in het feit dat de afbakening van het rechtsgebied van nationale gerechten in beginsel onder de organisatorische bevoegdheid van de lidstaten valt89..
132.
Concreet kan ‘de technisch ingewikkelde aard van de regels die van toepassing zijn op schadevorderingen die betrekking hebben op inbreuken op het mededingingsrecht ook pleiten voor een bevoegdheidsconcentratie’.90.
133.
In het licht van deze vaststellingen zou ik het niet bezwaarlijk vinden als in de Nederlandse wetgeving ex ante zou worden bepaald dat één enkel gerecht kennisneemt van alle representatieve vorderingen tot schadevergoeding die voortvloeien uit inbreuken op het mededingingsrecht.
134.
Uit de verwijzingsbeslissing kan echter worden opgemaakt dat de Nederlandse regeling daar niet in voorziet. Wat artikel 220 Rv91. kennelijk toestaat, is dat procedures die conform de bevoegdheidsregels bij verschillende gerechten zijn aangebracht, ex post worden gevoegd voor de rechter die kennisneemt van de eerste aanhangig gemaakte procedure.
135.
Is dat het geval, dan heeft de concentratieregel niet tot gevolg dat de zaken worden gevoegd voor het enige gerecht dat bevoegd is binnen de rechterlijke organisatie van een lidstaat (en dat bovendien ratione materiae gespecialiseerd is), maar voor het gerecht dat — als een van meerdere — als eerste is aangezocht.
136.
Verordening nr. 1215/2012 heeft niet tot doel om het procesrecht van de lidstaten te harmoniseren, maar om de rechterlijke bevoegdheden voor de beslechting van geschillen in burgerlijke en handelszaken te verdelen.92. De toepassing van nationaal procesrecht mag echter geen afbreuk doen aan het nuttig effect van die verordening.93.
137.
In beginsel houdt een nationale regel die het resultaat van de toepassing van artikel 7, punt 2, van verordening nr. 1215/2012 corrigeert door procedures die aanhangig zijn bij de krachtens die bepaling bevoegde gerechten ex post te concentreren bij één gerecht, geen rekening met het nuttig effect van die bepaling.
138.
Vallen onder dezelfde nationale rechterlijke organisatie kan weliswaar het effect van de correctie van de bevoegdheidsregel verminderen, maar het blijft een feit dat de rechters die kennisnemen van de tweede en daaropvolgende vorderingen, niet langer de wegens hun bijzondere geografische band met elk van deze vorderingen aangewezen rechter zijn.
139.
De concentratieregel kan in bepaalde omstandigheden bijdragen tot een goede rechtsbedeling, opgevat als een rechtsbedeling die onder meer: a) de procesinrichting optimaliseert, b) tijd en totale kosten bespaart, en c) het risico op onsamenhangende of onverenigbare beslissingen vermindert.94.Verordening nr. 1215/2012 staat niet los van deze doeleinden.95.
140.
Ik sluit niet uit dat deze factoren aanwezig zijn wanneer parallel lopende procedures voortvloeien uit de uitoefening van representatieve vorderingen: in dergelijke gevallen prevaleert het algemene belang van een zo rationeel mogelijke rechterlijke organisatie in de regel boven het belang van de partijen in elke afzonderlijke procedure.
141.
Het enkele feit dat de parallel lopende procedures betrekking hebben op representatieve vorderingen, is op zichzelf evenwel niet voldoende om de concentratie ervan te rechtvaardigen.96. Bijgevolg staat het, zoals gezegd, in elk afzonderlijk geval aan de nationale rechter om een afweging van voornoemde belangen te maken, teneinde te bepalen of het vanuit het oogpunt van een goede rechtsbedeling de beste oplossing is om de procedures te concentreren.97.
V. Conclusie
142.
Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging om de vragen van de rechtbank Amsterdam als volgt te beantwoorden:
‘Artikel 7, punt 2, van verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken
moet aldus worden uitgelegd dat
- —
wanneer er sprake is van machtsmisbruik in de vorm van het hanteren van een commissie op de prijs van apps die worden verkocht op een onlineplatform dat specifiek op het gehele grondgebied van een lidstaat is gericht en de verkoop van die apps wordt beschouwd als het schadebrengende feit, de plaats waar dat feit zich heeft voorgedaan de woonplaats in die lidstaat kan zijn van de gebruiker die de apps heeft gekocht;
- —
de binnen de getroffen markt gelegen woonplaats van de gebruiker die de gevolgen van het machtsmisbruik heeft ondervonden door extra kosten te betalen bij de aankoop van de apps, kan worden beschouwd als de plaats waar de schade is ingetreden;
- —
het voor de uitlegging van artikel 7, punt 2, van verordening nr. 1215/2012 bij de huidige stand van het Unierecht geen verschil maakt dat de vordering is ingesteld door een organisatie die naar nationaal recht bevoegd is tot het instellen van representatieve vorderingen, hetgeen kan inhouden dat zij in eigen naam vorderingen tot schadevergoeding indient ter behartiging van de belangen van een groot aantal gebruikers;
- —
de uit de toepassing van artikel 7, punt 2, van verordening nr. 1215/2012 voortvloeiende toekenning van internationale en relatieve bevoegdheid aan een gerecht van een lidstaat niet in de weg staat aan een nationale regeling op grond waarvan een gerecht zich onbevoegd kan verklaren ten gunste van een ander gerecht waarbij reeds een soortgelijke vordering aanhangig is gemaakt, wanneer die regeling bijdraagt aan het bereiken van het doel van een goede rechtsbedeling, hetgeen aan de verwijzende rechter staat om na te gaan.’
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 27‑03‑2025
Stichting Right to Consumer Justice en Stichting App Stores Claims (hierna: ‘verzoekende stichtingen’).
Wanneer ik gezamenlijk naar Apple Inc. en Apple Ierland verwijs, zal ik eenvoudigweg de term ‘Apple’ gebruiken.
Ik zal deze term gebruiken omdat dit de term is die wordt gebruikt in richtlijn (EU) 2020/1828 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2020 betreffende representatieve vorderingen ter bescherming van de collectieve belangen van consumenten en tot intrekking van richtlijn 2009/22/EG (PB 2020, L 409, blz. 1). Zoals ik verderop zal uitleggen, is die richtlijn niet van toepassing op het hoofdgeding.
Verordening van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2012, L 351, blz. 1).
Wat de koper in werkelijkheid verwerft, zijn licenties om de apps te gebruiken.
In deze conclusie zal ik, in navolging van de verwijzende rechter, apps en digitale in-app-producten in het algemeen aanduiden met de generieke term ‘apps’.
Verwijzingsbeslissing, punt 4.9.
Verwijzingsbeslissing, punt 4.12. Ter terechtzitting heeft Apple daarentegen aangevoerd dat wat een gebruiker aan een bepaalde App Store bindt, de geselecteerde betaalmethode is, die voor die App Store moet zijn toegestaan.
De Stichting Right to Consumer Justice verwijt Apple ook dat er sprake is van een mededingingsregeling in de zin van artikel 101 VWEU (verticale prijsbinding). De verwijzende rechter sluit de toepassing van dit artikel echter uit omdat de stichting niet heeft gespecificeerd op basis van welke feiten het bestaan van de mededingingsregeling kan worden vastgesteld (punt 6.10 van de verwijzingsbeslissing).
Tussenvonnis van 16 augustus 2023, punten 6.24, 6.25 en 6.35-6.37.
Arrest van 30 november 1976, Bier (21/76, EU:C:1976:166, punt 19). De opsplitsing van de plaats van het schadebrengende feit in de ‘plaats van het feit’ en de ‘plaats van de schade’ wordt verklaard door de omstandigheid dat anders het gebruikelijke samenvallen van eerstgenoemde plaats met de woonplaats van de verweerder het nuttig effect van de bijzondere bevoegdheidsregel zou wegnemen. Bij de uitlegging van artikel 7, punt 2 van verordening nr. 1215/2012 is het loskoppelen van de plaats van het schadebrengende feit en de plaats van het intreden van de schade derhalve geen dwingende noodzaak.
Arresten van 25 oktober 2012, Folien Fischer en Fofitec (C-133/11, EU:C:2012:664, punt 46), en 16 januari 2014, Kainz (C-45/13, EU:C:2014:7, punt 31; hierna: ‘arrest Kainz’).
Zie onder andere arrest van 22 februari 2024, FCA Italy en FPT Industrial (C-81/23, EU:C:2024:165, punt 23; hierna: ‘arrest FCA Italy en FPT Industrial’).
Arresten van 19 september 1995, Marinari (C-364/93, EU:C:1995:289, punt 18); 16 mei 2013, Melzer (C-228/11, EU:C:2013:305, punten 34 en 35), en 10 maart 2022, BMA Nederland (C-498/20, EU:C:2022:173, punt 38; hierna: ‘arrest BMA Nederland’).
Arrest BMA Nederland, punt 38.
Die regel maakt het eventueel ook mogelijk dat er sprake is van het samenvallen met het recht dat ingevolge het Unierecht van toepassing is op de zaak ten gronde. Het Hof maakt van dat samenvallen, dat het in sommige arresten naar voren brengt als een vereiste dat voortvloeit uit overweging 7 van verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (Rome II) (PB 2007, L 199, blz. 40), een bij de uitlegging te hanteren criterium: zie arrest van 9 juli 2020, Verein für Konsumenteninformation (C-343/19, EU:C:2020:534, punt 39), of arrest van 15 juli 2021, Volvo e.a. (C-30/20, EU:C:2021:604, punt 32; hierna: ‘arrest Volvo’). In herinnering zij echter gebracht dat het samenvallen van de bevoegdheid en het toepasselijke recht geen primaire doelstelling van de uitlegging van verordening nr. 1215/2012 is en dat de samenhang met de rechtsinstrumenten betreffende het toepasselijke recht er hoe dan ook niet toe kan leiden dat aan de bepalingen van die verordening een uitlegging wordt gegeven die niet met het stelsel en de doelstellingen ervan strookt: arrest Kainz, punt 20, en arrest van 3 oktober 2019, Petruchová (C-208/18, EU:C:2019:825, punt 63).
Het gaat dus niet om kenmerken die zien op de partijen bij het geding. Iets anders is dat de plaats van het schadebrengende feit vaak samenvalt met de woonplaats van de verweerder; evenzo is het niet ongebruikelijk dat de plaats waar de schade zich voordoet, samenvalt met de woonplaats van de benadeelde partij, in welke gevallen bevoegdheid op grond van het forum actoris moet worden aangenomen. Wanneer de constitutieve bestanddelen van het feit niet materieel zijn, heeft het Hof persoonlijke factoren toegepast om de plaats van het schadebrengende feit of van de schade vast te stellen. Zo heeft het Hof — in de context van het internet — in het arrest van 25 oktober 2011, eDate Advertising e.a. (C-509/09 en C-161/10, EU:C:2011:685; hierna: ‘arrest eDate Advertising e.a.’), het centrum van de voornaamste belangen van de gelaedeerde als criterium gehanteerd om te bepalen op welke plaats de schade zich heeft voorgedaan, en in het arrest van 19 april 2012, Wintersteiger (C-523/10, EU:C:2012:220; hierna: ‘arrest Wintersteiger’), de woonplaats van de pleger van de onrechtmatige daad aangemerkt als de plaats van het schadebrengende feit.
In het kader van artikel 7, punt 2, van verordening nr. 1215/2012 is de gelijkstelling van een goede rechtsbedeling met een nuttige procesinrichting (gelet op het uit de geringe afstand tussen het aangewezen gerecht en het geschil voortvloeiende gemak van het verkrijgen en beoordelen van bewijs waar het gaat om de constitutieve bestanddelen van de aansprakelijkheid en schade) een constante: zie onder andere arrest Kainz, punt 27; arrest Wintersteiger, punten 31–33; arrest van 24 november 2020, Wikingerhof (C-59/19, EU:C:2020:950, punt 37), en arrest FCA Italy en FPT Industrial, punten 24 en 25.
Zie bijvoorbeeld arrest eDate Advertising e.a., punt 50, en arresten van 28 januari 2015, Kolassa (C-375/13, EU:C:2015:37, punt 56); 17 oktober 2017, Bolagsupplysningen en Ilsjan (C-194/16, EU:C:2017:766, punt 35), en 12 mei 2021, Vereniging van Effectenbezitters (C-709/19, EU:C:2021:377, punt 33).
Zie de verwijzingen in voetnoot 21.
Arrest Volvo, punt 33.
Arrest Volvo, punt 34.
Die is samengevat in de conclusie van advocaat-generaal Richard de la Tour in de zaak Volvo e.a. (C-30/20, EU:C:2021:322, punten 38–47).
Arrest van 5 juli 2018, flyLAL-Lithuanian Airlines (C-27/17, EU:C:2018:533, punten 51 en 52; hierna: ‘arrest flyLAL-Lithuanian Airlines’).
Verwijzingsbeslissing, punten 6.8 en 6.9.
Het gelijkstellen van het machtsmisbruik met de verkoop aan de eindgebruiker in de NL App Store is wellicht een oversimplificatie. Hoewel er voor de schadelijke gevolgen waarvoor een vergoeding wordt gevorderd inderdaad moet worden gekeken naar de gebruikers, vindt het (beweerdelijke) misbruik plaats jegens de ontwikkelaars, in de vorm van de eenzijdige oplegging van voorwaarden aan de aanbieders van diensten die werken op iOS. Die voorwaarden omvatten het gebruik van het IAP-betalingssysteem en de commissie die Apple inhoudt op de prijs die iOS-gebruikers betalen aan de ontwikkelaars (en die door de ontwikkelaars wordt doorberekend aan de gebruikers). Mijns inziens kan worden betoogd dat — voor het bepalen van de bevoegdheid — die oplegging het schadebrengende feit is. Ik erken dat het, afhankelijk van de omstandigheden, voor eindgebruikers misschien niet eenvoudig zal zijn om die plaats te lokaliseren. Die moeilijkheid lijkt mij evenwel niet onoverkomelijk: ik verwijs in dit verband naar het arrest van 21 mei 2015, CDC Hydrogen Peroxide (C-352/13, EU:C:2015:335, punt 44; hierna: ‘CDC Hydrogen Peroxide’).
Arrest van 27 oktober 1998, Réunion européenne e.a. (C-51/97, EU:C:1998:509, punt 33), aangaande de plaats waar schade aan goederen ontstaat tijdens vervoer over zee.
Arrest van 5 september 2019, AMS Neve e.a. (C-172/18, EU:C:2019:674, punt 51), betreffende ‘de plaats waar de verweerder de beslissingen heeft genomen en de technische handelingen heeft verricht om zijn advertenties en verkoopaanbiedingen op internet te laten verschijnen’. In het arrest Wintersteiger, punten 34–38, is hetzelfde criterium toegepast, maar werd het in aanmerking nemen van de plaats van de server uitgesloten omdat het ‘onzeker is waar deze zich bevindt’, en werd de voorkeur gegeven aan de plaats waar de verweerder was gevestigd.
Dit gegeven is in mijn ogen indicatief voor de wil van Apple om zich op het land te richten, en niet op de overkoepelende Nederlandse gemeenschap, die over meerdere staten of zelfs continenten kan zijn verspreid.
Zoals lijkt te kunnen worden afgeleid uit het tussenvonnis van 16 augustus 2023, punt 6.24.
In de praktijk kunnen zij bijna niet anders dan gebruikmaken van die Apple Store, gelet op de obstakels voor het wijzigen van hun ID nadat deze eenmaal is aangemaakt. Met dit bedrijfsmodel fragmenteert Apple zelf haar activiteiten door markten van elkaar te scheiden. Dit maakt het ook makkelijker om te bepalen welke rechter internationale bevoegdheid heeft en aan te geven hoe ver die bevoegdheid reikt.
In de regel is de app beschikbaar enkele ogenblikken na betaling van de (met de commissie verhoogde) prijs door de gebruiker.
Beide ruimten vallen niet volledig samen. Dat is de reden waarom ik meen dat er van een fictieve lokalisering kan worden gesproken. Het maken van een onlineaankoop in de NL App Store is technisch ook haalbaar voor in Nederland woonachtige gebruikers die die lidstaat als land hebben opgegeven bij het aanmaken van hun Apple ID, maar zich tijdelijk buiten Nederland bevinden. Dit geldt tevens voor gebruikers die niet in Nederland wonen, maar die lidstaat wel hebben opgegeven in hun Apple ID. In de verwijzingsbeslissing wordt daar niet op ingegaan: uit de punten 6.15 en 6.18, die zien op de plaats waar de schade is ingetreden, kan worden afgeleid dat de focus ligt op gebruikers die in Nederland ‘wonen of gevestigd zijn’.
Aldus zou het schadebrengende feit een materiële component krijgen die het anders ontbeert.
Het probleem van een groot aantal procedures voor in wezen dezelfde feiten, zou zich ook voordoen bij fysieke verkopen in fysieke winkels (Apple Stores), maar het potentiële aantal procedures zou wel veel kleiner zijn. In Nederland bijvoorbeeld zijn er blijkbaar maar drie Apple Stores. Hoe dan ook is dat gegeven slechts van secundair belang en kan het niet fundamenteel bepalend zijn voor de te hanteren oplossing.
Schriftelijke opmerkingen van de Stichting Right to Consumer Justice, punten 69–75. Subsidiair stelt zij in punt 76 voor om de werkingssfeer van artikel 7, punt 2, van verordening nr. 1215/2012 te beperken, stellende dat dit artikel alleen de internationale bevoegdheid regelt. Gezien de moeilijkheden die het toepassen van deze bepaling meebrengt in omstandigheden zoals die in casu, lijkt deze laatste oplossing mij niet onredelijk. Die oplossing strookt echter niet met de vaste uitlegging van die bepaling: zie de punten 44 en 45 hierboven.
Conclusie in de zaak Pinckney (C-170/12, EU:C:2013:400, punt 67).
Uit de arresten waarin bij de uitlegging van artikel 7, punt 2, van verordening nr. 1215/2012 of de voorlopers ervan wordt gesproken van het instellen van een vordering voor ‘de gerechten’ of ‘de rechters’ van een bepaalde lidstaat, zoals in het arrest eDate Advertising e.a. of in het arrest Wintersteiger gebeurt, kan mijns inziens niet iets anders worden afgeleid. Het meervoud wordt ook gebruikt in gevallen waarin de uitlegging van het criterium ‘plaats van het schadebrengende feit’ ongetwijfeld leidt tot de aanwijzing van één enkel gerecht op het betrokken grondgebied, zoals wanneer er in dit verband wordt gekeken naar de plaats van vestiging van de verweerder of het centrum van de voornaamste belangen van de gelaedeerde: zie — naast de reeds genoemde zaken — arrest van 21 december 2021, Gtflix Tv (C-251/20, EU:C:2021:1036, punt 30).
Dit is vaste rechtspraak sinds het arrest van 11 januari 1990, Dumez France en Tracoba (C-220/88, EU:C:1990:8, punt 18).
Arrest flyLAL-Lithuanian Airlines, punt 56. Het lokaliseren van het schadebrengende feit op één enkele plaats is des te zinvoller omdat het gerecht dat op grond van artikel 7, punt 2, van verordening nr. 1215/2012 wordt aangewezen als het gerecht van de plaats waar dit feit zich heeft voorgedaan, volledige rechtsmacht heeft, wat wil zeggen dat het bevoegd is om te beslissen over alle schade die het gevolg is van de onrechtmatige daad en om maatregelen te nemen die naar hun aard niet te splitsen zijn: zie arrest van 17 oktober 2017, Bolagsupplysningen en Ilsjan (C-194/16, EU:C:2017:766).
Anders dan andere soorten vorderingen is de schadevordering deelbaar. Dat maakte het voor het Hof mogelijk om de mozaïektheorie in de reële wereld te ontwikkelen en deze te vertalen naar de virtuele wereld door de toegankelijkheid van op het internet gepubliceerde informatie te nemen als aanknopingspunt: arrest eDate Advertising e.a. en arrest van 21 december 2021, Gtflix Tv (C-251/20, EU:C:2021:1036).
Arrest Volvo, punten 40–42.
De gehanteerde lokalisering ligt in het verlengde van een commerciële strategie die ‘gericht’ is op het publiek in een bepaalde lidstaat. Ook wordt op deze wijze in aanmerking genomen dat het gebruik van de App Store vereist dat de algemene voorwaarden voor mediadiensten van Apple worden geaccepteerd, welke voorwaarden door Apple zelf worden omschreven als een overeenkomst en een beding bevatten dat bevoegdheid toekent aan de gerechten van de woonplaats van de gebruiker. In punt 84 zal ik hierop terugkomen.
Dat zou namelijk kunnen leiden tot een verschillende behandeling van zaken, afhankelijk van het medium dat wordt gebruikt voor het schadeveroorzakende handelen. Niettemin is het waarschijnlijk dat dit reeds gebeurt op andere gebieden, zoals bij inbreuken op persoonlijkheidsrechten. Op basis van het arrest eDate Advertising e.a. moet het centrum van de voornaamste belangen van de gelaedeerde in aanmerking worden genomen om de plaats van het intreden van de schade vast te stellen in geval van verspreiding van informatie op het internet.
Arrest van 29 juli 2019, Tibor-Trans (C-451/18, EU:C:2019:635, punt 31). In die zaak werd gesteld dat er sprake was van een inbreuk op artikel 101 VWEU.
Arrest flyLAL-Lithuanian Airlines, punt 40, en arrest van 29 juli 2019, Tibor-Trans (C-451/18, EU:C:2019:635, punt 33).
Arrest Volvo, punt 39.
Arrest CDC Hydrogen Peroxide, punt 52, en arrest Volvo, dat ziet op een zaak waarin de goederen waarop de betreffende heimelijke afspraken betrekking hebben, zijn aangekocht in verschillende rechtsgebieden (zie voetnoot 44 hierboven).
Deze uitlegging had oorspronkelijk betrekking op het in de handel brengen van voertuigen die door de fabrikant ervan waren voorzien van software die de emissiegegevens manipuleerde, en vloeit voort uit het arrest van 9 juli 2020, Verein für Konsumenteninformation (C-343/19, EU:C:2020:534), gelezen in samenhang met het arrest FCA Italy en FPT Industrial. Aangezien in punt 39 van het arrest Volvo uitdrukkelijk naar dat eerste arrest wordt verwezen, moet de plaats van aankoop van een fysiek goed waarvoor extra kosten zijn betaald, worden geacht de plaats van levering te zijn, ook al zijn die extra kosten niet het gevolg van een materieel gebrek van het goed.
In feite kan er niet eens worden gesproken van ‘levering’ van de digitale inhoud; deze wordt online ter beschikking gesteld aan de gebruiker, die hem vanaf elke plaats kan downloaden door verbinding te maken met internet.
Punten 3.8 en 6.41-6.46 van het tussenvonnis van 16 augustus 2023. Op basis van een analyse van het forum- en rechtskeuzebeding dat is opgenomen in de overeenkomsten van Apple met eindgebruikers is de verwijzende rechter van oordeel dat dat beding niet van toepassing is op de litigieuze vorderingen.
In het arrest van 12 mei 2021, Vereniging van Effectenbezitters (C-709/19, EU:C:2021:377, punten 38 en 39), is een vraag in dit verband aangemerkt als hypothetisch en als gevolg daarvan niet-ontvankelijk verklaard. In het geding waarin het arrest BMA Nederland is gewezen, is een stichting die een collectief belang behartigde, opgetreden als tussenkomende partij. Het Hof kwalificeerde de benadeling van de schuldeisers als indirect en daarom irrelevant voor de toepassing van artikel 7, punt 2, van verordening nr. 1215/2012. Ook aan de vordering van de stichting werd door het Hof geen relevantie toegekend, daar zij slechts tussenkomende partij was.
Arrest van 18 juli 2013, ÖFAB (C-147/12, EU:C:2013:490), en arrest CDC Waterstofperoxide.
Arrest BMA Nederland.
Arrest van 1 oktober 2002, Henkel (C-167/00, EU:C:2002:555).
Zie punt 41 hierboven.
In Oostenrijk kent de wet die de representatieve vordering regelt [§ 620 en § 630 van de Verbandsklagen-Richtlinie-Umsetzungs-Novelle implementatiewet van de richtlijn representatieve vorderingen), BGBl. I, 85/2024] exclusieve bevoegdheid toe aan één enkel gerecht. In Nederland is dat niet het geval.
Een van de kenmerken van de groep vertegenwoordigde personen moet zijn dat de leden ervan op de een of andere manier houder zijn van belangen die worden geschaad door een activiteit die wordt verricht of gevolgen heeft op het grondgebied waarvoor het aangezochte gerecht bevoegd is.
Overweging 23 en punt 3.1, met het opschrift ‘Juridische elementen van het voorstel’, van het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, COM(2010) 748 definitief, en de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's getiteld ‘Naar een Europees horizontaal kader voor collectief verhaal’, COM(2013) 401 final, punt 3.7.
Zie punt 107 hieronder. Een herziening van verordening nr. 1215/2012, waaraan momenteel wordt gewerkt, zou specifieke regels voor representatieve vorderingen kunnen omvatten.
Zoals de Commissie terecht heeft opgemerkt in haar schriftelijke opmerkingen, punt 10. De Nederlandse regering, die in haar opmerkingen het tegenovergestelde had verklaard, heeft zich ter terechtzitting bij dit standpunt aangesloten.
Daarom ga ik hier op dit aspect in niettegenstaande het feit dat de richtlijn niet van toepassing is op het geding.
Arrest van 2 mei 2019, Pillar Securitisation (C-694/17, EU:C:2019:345 punt 35).
Om het precieze verband tussen richtlijn 2020/1828 en verordening nr. 1215/2012 vast te stellen, moeten ook de in bijlage I bij die richtlijn opgesomde handelingen van Unierecht in aanmerking worden genomen.
Zie voetnoot 59 hierboven.
In al deze voorstellen wordt gewezen op de noodzaak om het nuttig effect van richtlijn 2020/1828 te behouden. Ik mis in die voorstellen echter de nodige aandacht voor de wijze waarop zij zich verhouden tot de in die richtlijn gehanteerde oplossingen. Om een voorbeeld te geven: de keuze voor de zetel van de organisatie die bevoegd is om een vordering in te stellen, roept de nodige twijfels op waar het gaat om grensoverschrijdende vorderingen in de zin van richtlijn 2020/1828: zie artikel 3, punt 7, en artikel 6 van die richtlijn.
Schriftelijke opmerkingen van de Nederlandse regering, punten 3 en 13. Het is niet duidelijk of deze uitlegging ziet op de plaats van het schadebrengende feit of de plaats waar de schade is ingetreden. De Stichting App Stores Claims voert een soortgelijk argument aan waar het gaat om de plaats waar de schade is ingetreden (punt 3.1 van haar schriftelijke opmerkingen, in antwoord op vraag 2a).
Schriftelijke opmerkingen van de Commissie, punten 81, 83 en 88.
Schriftelijke opmerkingen van de Stichting Right to Consumer Justice, punt 94.
Schriftelijke opmerkingen van de Stichting Right to Consumer Justice, punt 95.
Zie de punten 38 e.v. hierboven. Bij het uitleggen van artikel 7, punt 2, van verordening nr. 1215/2012 schuwt het Hof de fictieve lokalisering niet. Integendeel: zoals ik heb uiteengezet, neemt het Hof daar zijn toevlucht toe wanneer het schadebrengende feit moeilijk vast te stellen is vanwege het immateriële karakter van de activiteit (het feit) of de gevolgen ervan (de schade). In die omstandigheden staat een intrinsiek probleem dat verband houdt met de aard van het in de bepaling vervatte aanknopingspunt, in de weg aan de toepassing ervan. Het Hof laat zich bij het gebruik van de fictieve lokalisering evenwel leiden door de beginselen die aan de bepaling zelf ten grondslag liggen.
In punt 19 van haar opmerkingen beroept de Nederlandse regering zich op analogie met punt 42 van het arrest Volvo om het tegenovergestelde te betogen. Volgens haar zal de verweerder ermee bekend zijn waar de organisatie is gevestigd, waarmee voor hem voorzienbaar is dat hij kan worden opgeroepen voor het gerecht van die plaats. Daar voegt deze regering aan toe dat wanneer in Nederland een organisatie voor een specifieke vordering wordt opgericht, die organisatie vóór het instellen van de vordering in overleg moet treden met de verweerder. Ik acht het niet nodig om uit te leggen waarom dit niet de voorzienbaarheid is waar in artikel 7, punt 2, van verordening nr. 1215/2012 op wordt gedoeld. Punt 42 van het arrest Volvo ziet op de internationale en relatieve bevoegdheid van het gerecht van de woonplaats van de gelaedeerde, welke plaats wordt beschouwd als de plaats van de schade die is geleden doordat de gelaedeerde op verschillende plaatsen een aantal materiële zaken heeft gekocht. Ik zie geen mogelijke analogie met de door de Nederlandse regering voorgestane zienswijze.
Meer specifiek tot het bewijsmateriaal dat het mogelijk maakt de aansprakelijkheid, de schade en het causaal verband vast te stellen, alsmede de schade te beoordelen.
Ter terechtzitting heeft de Nederlandse regering verklaard dat zij zich ook bij deze uitlegging kon aansluiten.
Volgens de Commissie (punt 86 van haar schriftelijke opmerkingen) moet een onderneming die in een bepaald gebied goederen of diensten aanbiedt, er rekening mee houden dat zij in dat gebied in rechte kan worden betrokken door afnemers die stellen schade te hebben geleden. In mijn ogen rechtvaardigt deze algemene stelling echter niet dat die onderneming er onvermijdelijk rekening mee moet houden dat er tegen haar voor alle schade die door haar handelen is berokkend aan meerdere betrokkenen, vorderingen kunnen worden ingesteld voor een — door een derde ex post facto te kiezen — gerecht in dat gebied: het in aanmerking te nemen risico is niet hetzelfde, zoals ook de gevoerde procedure niet identiek is.
Ik verwijs naar mijn conclusie in de zaak Vereniging van Effectenbezitters (C-709/19, EU:C:2020:1056, punt 95).
Zie de in de voetnoten 76 en 79 weergegeven passages. De Nederlandse regering en de Commissie gaan niet in op de gevolgen van hun respectieve voorstellen wat de nabijheid tot het bewijsmateriaal betreft, alsof de omstandigheid dat alle potentieel bevoegde gerechten zich in dezelfde lidstaat bevinden in dit verband een voldoende waarborg zou vormen. De Stichting App Stores Claims geeft in haar betoog aan dat er een nauwe band tussen de rechtbank Amsterdam en de zaak bestaat (punt 2.13 van haar schriftelijke opmerkingen).
Onverminderd hetgeen ik hieronder zal opmerken: zie de punten 139 en 140.
Zie punt 66 hierboven.
Zie de punten 44 en 45 hierboven.
Voor dit voorstel bestaat overigens aanzienlijk academische steun: zie ‘The Reform of the Brussels I Regulation — Academic Position Paper’, onderschreven door de European Association of Private International Law (EAPIL), te vinden op https://papers.ssrn.com/sol3/papers.cfm?abstract_id=4853421, blz. 13.
Zoals door de Commissie ter terechtzitting is onderstreept.
Arrest Volvo, punt 35.
Zie naar analogie arrest van 18 december 2014, Sanders en Huber (C-400/13 en C-408/13, EU:C:2014:2461, punt 35).
Arrest Volvo, punt 34, en arrest van 30 juni 2022, Allianz Elementar Versicherung (C-652/20, EU:C:2022:514, punt 56).
Arrest Volvo, punt 37.
In de punten 7.13 en 7.16 van de verwijzingsbeslissing worden de vragen 1c en 2c toegespitst op deze bepaling van het Rv, reden waarom ik de verwijzingsbeslissing volg.
Arresten van 15 mei 1990, Hagen (C-365/88, EU:C:1990:203, punt 17); 31 mei 2018, Nothartová (C-306/17, EU:C:2018:360, punt 28), en 6 oktober 2021, TOTO en Vianini Lavori (C-581/20, EU:C:2021:808, punt 68).
Arresten van 15 mei 1990, Hagen (C-365/88, EU:C:1990:203, punt 20), en 18 december 2014, Sanders en Huber (C-400/13 en C-408/13, EU:C:2014:2461, punt 32).
In beginsel doet de onverenigbaarheid zich in de omstandigheden van het onderhavige geval op nationaal niveau voor. Niettemin zou een beslissing van een lidstaat, althans hypothetisch, in de weg kunnen staan aan de erkenning, in een andere lidstaat, van een in de eerste lidstaat gegeven beslissing, indien die beslissing onverenigbaar zou zijn met een eerdere beslissing van diezelfde staat met een tegengestelde strekking. De bepalingen van hoofdstuk II, afdeling 9, van verordening nr. 1215/2012, die zijn ontworpen om een ‘harmonische rechtsbedeling’ te bevorderen, beogen parallel lopende procedures zo veel mogelijk te beperken en te voorkomen dat in verschillende lidstaten (of, in bepaalde gevallen, derde landen) onverenigbare beslissingen worden gegeven.
Het streven naar een betere rechtsbedeling zoals uiteengezet in deze conclusie, welk streven in het belang van zowel de partijen als de samenleving in het algemeen is, is in verordening nr. 1215/2012 specifiek tot uitdrukking gebracht: zie artikel 8 en de bepalingen van afdeling 9 van hoofdstuk II.
Intuïtief gezien is het logisch om te denken dat de voordelen van een representatieve vordering, in vergelijking met een individuele vordering, worden gemaximaliseerd door alle vorderingen die betrekking hebben op dezelfde feiten en dezelfde verweerder of die onderling met elkaar verbonden zijn samen te voegen. In de praktijk is dit echter niet noodzakelijkerwijs het geval. Over mogelijke nadelige gevolgen van de voeging van samenhangende zaken, zie — naar analogie — arrest van 12 december 2024, Rada Nadzorcza Getin Noble Bank e.a. (C-118/23, EU:C:2024:1013, punt 74).
In die context kan worden overwogen of de vorderingen betrekking hebben op aangelegenheden waarvoor de (Europese of nationale) wetgever het gebruik van de representatieve vordering bevordert en, in het bijzonder, of de concentratie van procedures de uiteindelijke doelstellingen dient die aan het bevorderen van dat gebruik ten grondslag liggen.