Voorlopige hechtenis in het Nederlandse jeugdstrafrecht
Einde inhoudsopgave
Voorlopige hechtenis in het Nederlandse jeugdstrafrecht (Meijers-reeks) 2017/10.3.3.2:10.3.3.2 Informatie-uitwisseling en afstemming tussen professionele actoren
Voorlopige hechtenis in het Nederlandse jeugdstrafrecht (Meijers-reeks) 2017/10.3.3.2
10.3.3.2 Informatie-uitwisseling en afstemming tussen professionele actoren
Documentgegevens:
mr. drs. Y.N. van den Brink, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. drs. Y.N. van den Brink
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
N.B. Sinds 1 maart 2017 is dit voorschrift neergelegd in artikel 490, tweede lid (nieuw) Sv en minder dwingend geformuleerd: “Indien een rapportage van de raad voor de kinderbescherming beschikbaar is, slaat de officier van justitie daarop acht alvorens een vordering tot bewaring te doen.”
Rovers 2014. Zie paragraaf 5.5.
Vgl. ook Rovers 2014. Nader onderzoek naar, en een fundamenteel debat over deze kwestie is wenselijk. Dit valt echter buiten de reikwijdte van het onderhavige onderzoek.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Om te komen tot een rechtmatige en niet-willekeurige toepassing van voorlopige hechtenis, waarbij rekening wordt gehouden met de leeftijd en ontwikkeling van de minderjarige verdachte en zijn daarmee samenhangende behoeften, beveelt het Kinderrechtencomité van de Verenigde Naties aan om een multidisciplinair team van professionals te betrekken bij de besluitvorming (zie par. 3.4.4.2). Dit is in de Nederlandse voorlopige hechtenispraktijk van minderjarigen zonder meer gewaarborgd: naast de juridisch getrainde rechters, officieren en advocaten, worden via de Raad voor de Kinderbescherming, jeugdreclassering en justitiële jeugdinrichting ook professionals uit andere disciplines, zoals de pedagogiek en ontwikkelingspsychologie, betrokken in de voorlopige hechtenispraktijk (zie par. 8.7.1).
Niettemin lijken deze expertises in de praktijk niet altijd optimaal te worden benut, vanwege gebreken in de informatie-uitwisseling en afstemming tussen ketenpartners. Zo beschikt de officier van justitie ten tijde van de beslissing over het vorderen van de inbewaringstelling doorgaans nog niet over (de informatie uit) het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming, terwijl de wet dit wel expliciet voorschrijft (art. 491, tweede lid Sv).1 Een praktische oplossing hiervoor zou mogelijk kunnen worden gevonden aan de ZSM-tafel, waar de daaraan plaatsnemende vertegenwoordigers van het Openbaar Ministerie en de Raad kunnen worden ingezet om ervoor te zorgen dat de officier die de beslissing neemt over de vordering standaard in contact wordt gebracht met de raadsonderzoeker die in de betreffende zaak het raadsrapport opstelt. Voorts is gebleken dat ook de rechter-commissaris en de advocaat het rapport van de Raad vaak pas kort voor de voorgeleiding onder ogen krijgen, waardoor zij niet altijd genoeg tijd meer hebben om het volledige rapport te lezen. Dit knelpunt wordt echter (deels) ondervangen door de aanwezigheid van de Raad bij de voorgeleiding, waardoor het raadsrapport mondeling kan worden toegelicht (zie par. 8.7.5).
Verder is gebleken dat – zoals ook het onderzoek van Rovers heeft laten zien2 – ook op tenuitvoerleggingsniveau de informatie-uitwisseling en afstemming tussen de ketenpartners niet altijd optimaal is, hetgeen in de weg kan staan aan het realiseren van een trajectbenadering, waarmee wordt beoogd om gedurende de verschillende fasen van het strafrechtelijke traject – lees: voorlopige hechtenis, schorsing onder voorwaarden en straf – zoveel mogelijk de continuïteit in de begeleiding en hulpverlening van de minderjarige te waarborgen. Tijdens interviews met gedragsdeskundigen uit justitiële jeugdinrichtingen is specifiek gewezen op drie concrete problemen: (1) het ontbreken van een heldere taakverdeling en afstemming tussen de justitiële jeugdinrichting, jeugdreclassering en Raad met betrekking tot informatieverzameling; (2) een gebrekkige afstemming tussen de termijnen van de perspectiefplannen, de momenten van overleg tussen ketenpartners en de termijnen van de strafprocedure; en (3) het ontbreken van een gestructureerde overdracht van de perspectiefplannen en van overige door de justitiële jeugdinrichting vergaarde kennis en informatie aan de behandelaars en/of hulpverleners die de behandeling en/of begeleiding van de minderjarige tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis ambulant voortzetten (zie wederom par. 8.7.5). Oplossingen voor deze praktische problemen zijn vanzelfsprekend allereerst gelegen in duidelijke afspraken en ‘korte lijntjes’ tussen ketenpartners en goed functionerende systemen voor informatie-uitwisseling. Verder is het aanbevelenswaardig om de termijnen van de perspectiefplannen, zoals neergelegd in de Bjj, te herzien om deze beter te laten aansluiten bij de termijnen van voorlopige hechtenis. Toch roept de gesignaleerde overlap in, en onduidelijkheid over de taakverdeling tussen de Raad, jeugdreclassering en justitiële jeugdinrichting ook de meer fundamentele vraag op hoe de rollen van deze instanties zich tot elkaar verhouden in de jeugdstrafrechtspraktijk en wat de toegevoegde waarde is van het uitsmeren van (deels) overlappende taken en expertises over meerdere instanties.3
Tot slot verdient in het kader van de informatie-uitwisseling een specifiek knelpunt bijzondere aandacht: de zwakke informatiepositie van de verdediging (lees: de verdachte en zijn advocaat) in de vroege voorfase van het strafproces. Dat de advocaat doorgaans pas zeer kort voor de voorgeleiding inzage krijgt in het dossier, kan de advocaat en zijn minderjarige cliënt ernstig belemmeren bij het bepalen van hun verdedigingsstrategie voor de voorgeleiding. Dit staat – zeker gelet op het koersbepalende werking van de beslissing over inbewaringstelling voor de rest van de strafzaak (zie par. 9.8) – op gespannen voet staat met het recht op een eerlijk proces, waaronder ook het recht op effectieve participatie van de minderjarige verdachte in zijn strafproces moet worden begrepen (vgl. art. 40, tweede lid (b) (ii en iv) IVRK). Gebleken is dat het gebrek aan informatie voor sommige advocaten reden is om hun minderjarige cliënten welhaast standaard te adviseren om zich in deze vroege fase van het strafproces te beroepen op hun zwijgrecht, hetgeen vervolgens door (sommige) rechters, officieren van justitie, raadsonderzoekers en jeugdreclasseerders, met name om pedagogische redenen, bepaald niet op prijs wordt gesteld en zelfs een factor kan zijn die – direct of indirect – in de weg staat aan het schorsen van de voorlopige hechtenis (zie wederom par. 8.7.1 en 8.7.5). Zodoende kan de zwakke informatiepositie van de verdediging een dynamiek in gang zetten die niet bijdraagt aan het realiseren van een rechtmatige en niet-willekeurige toepassing van voorlopige hechtenis, waarbij het recht op een eerlijk proces dient te worden geëerbiedigd en de feitelijke vrijheidsbeneming van de minderjarige, waar mogelijk, moet worden voorkomen. Aldus verdient het aanbeveling dat de politie en het Openbaar Ministerie samen met de advocatuur zoeken naar mogelijkheden om, met inachtneming van de strafvorderlijke belangen, de verdediging in een eerder stadium inzage te geven in het dossier.