Vgl. Hoge Raad 16 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:182, r.o. 3.4.3, waarin wordt verwezen naar de bijbehorende conclusie van de Advocaat-Generaal bij de Hoge Raad 13 oktober 2017, ECLI:NL:PHR:2017:1058 (conclusie A-G R.H. de Bock), overweging 3.24 en 3.25 en 3.27 t/m 3.29
Rb. Overijssel, 23-08-2023, nr. C/08/282626 / HA ZA 22-215
ECLI:NL:RBOVE:2024:2369
- Instantie
Rechtbank Overijssel
- Datum
23-08-2023
- Zaaknummer
C/08/282626 / HA ZA 22-215
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBOVE:2024:2369, Uitspraak, Rechtbank Overijssel, 01‑05‑2024; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
Tussenuitspraak: ECLI:NL:RBOVE:2023:3436
ECLI:NL:RBOVE:2023:3436, Uitspraak, Rechtbank Overijssel, 23‑08‑2023; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
Einduitspraak: ECLI:NL:RBOVE:2024:2369
Uitspraak 01‑05‑2024
Inhoudsindicatie
ZPT vordert veroordeling van gedaagde tot het betalen van een bedrag van € 72.327,30 bestaande uit vier facturen. ZPT stelt dat gedaagde buitensporig en onevenredig heeft gedeclareerd voor de licentiekosten en de administratieve werkzaamheden. Gedaagde betwist de vordering. De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 8 maart 2023 ZPT in de gelegenheid gesteld om te bewijzen dat de omvang van de werkzaamheden van gedaagde in een disproportionele verhouding staat tot de omvang van de marge die ZPT over de periode 2018-2020 in rekening heeft gebracht. De conclusie is dat ZPT niet in haar bewijsopdracht is geslaagd. De rechtbank wijst de vorderingen van ZPT af.
Partij(en)
RECHTBANK Overijssel
Civiel recht
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: C/08/282626 / HA ZA 22-215
Vonnis van 1 mei 2024
in de zaak van
ZORG PROFESSIONALS TWENTE U.A.,
te Enschede,
eisende partij,
hierna te noemen: ZPT,
advocaat: mr. S.L. Geeraths te Haaksbergen,
tegen
[gedaagde] B.V.,
te [vestigingsplaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
advocaat: mr. R.F. Kötter te Wierden.
1. De procedure
1.1.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- het vonnis in incident van 23 augustus 2023, en het daarin beschreven procesverloop tot dan toe;
- de akte van ZPT van 1 november 2024, met daarbij gevoegd producties 12 t/m 16,
- de antwoordakte van [gedaagde] van 13 december 2023, met daarbij gevoegd producties 14 t/m 17,
- de akte van ZPT van 10 januari 2024.
1.2.
Vandaag wordt het eindvonnis uitgesproken.
2. Samenvatting van het geschil tot nu toe
2.1.
ZPT vordert veroordeling van [gedaagde] tot het betalen van een bedrag van € 72.327,30 bestaande uit vier facturen. ZPT stelt dat [gedaagde] buitensporig en onevenredig heeft gedeclareerd voor de licentiekosten en de administratieve werkzaamheden. [gedaagde] betwist de vordering.
2.2.
De rechtbank heeft in het tussenvonnis van 8 maart 2023 geoordeeld dat uit de praktijk blijkt dat partijen overeenstemming hadden tot verrekening van de werkzaamheden over en weer, maar dat de achtergrond van die overeenkomt was dat partijen er van uitgingen dat die werkzaamheden op ongeveer gelijke waarden waren gebaseerd. Dat betekent dat als achteraf blijkt dat die werkzaamheden niet meer in ongeveer gelijke verhouding liggen, het in de rede ligt, dat het meerdere dat is uitgekeerd door ZPT aan [gedaagde] door [gedaagde] moet worden terugbetaald.
2.3.
Tegen die achtergrond heeft de rechtbank bij tussenvonnis van 8 maart 2023 ZPT in de gelegenheid gesteld om te bewijzen:
- dat de omvang van de werkzaamheden van [gedaagde] in een disproportionele verhouding staat tot de omvang van de marge die ZPT over de periode 2018-2020 in rekening heeft gebracht.
3. De verdere beoordeling
Formeel
3.1.
In deze zaak heeft op 26 januari 2023 een mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarna vonnis is bepaald. Vervolgens zijn er een tussenvonnis en een vonnis in incident gewezen. ZPT heeft bij e-mailbericht van 23 januari 2024 de rechtbank verzocht om een mondelinge behandeling te bepalen om de zaak van voor naar achter te bepleiten teneinde een volledig en rond beeld te kunnen schetsen. [gedaagde] heeft zich hiertegen verzet.
3.2.
Bij bericht van 24 januari 2024 heeft de rechtbank partijen medegedeeld dat geen nieuwe mondelinge behandeling zal worden bepaald en dat de motivering van die beslissing in het vonnis zal worden opgenomen. Hierna volgt die motivering.
3.3.
Er is een bewijsopdracht gegeven en ZPT heeft de gelegenheid gekregen om bewijs te leveren. Er zijn getuigenverhoren geweest en er zijn diverse aktes met producties ingediend door ZPT en [gedaagde]. Ook op laatste ingebrachte producties van [gedaagde] is aan ZPT de gelegenheid gegeven om te reageren en zij heeft daar ook gebruik van gemaakt. Tegen die achtergrond is de rechtbank van oordeel dat er voldoende hoor en wederhoor heeft plaatsgevonden. Partijen hebben in ieder stadium van het geding hun eigen inbreng kunnen geven en op elkaar kunnen reageren. Daarom acht de rechtbank een nieuwe mondelinge behandeling niet noodzakelijk.
Inhoudelijk
Inleiding
3.4.
ZPT heeft in het kader van haar bewijsopdracht allereerst nadere producties ingebracht (producties 10 en 11), betreffende een overzicht van de productieverantwoording over 2019 en e-mails van mevrouw [naam 1] van Adcase d.d. 9 en 10 mei 2023. Hierbij heeft ZPT gevorderd dat [gedaagde] de productieverantwoording over 2018, 2020 en 2021 in het geding brengt. Verder heeft ZPT de heer [naam 2] (oprichter/bestuurder van ZPT) als getuige laten horen. Ook is mevrouw [naam 3] (manager bedrijfsvoering bij [gedaagde]) als getuige gehoord. Bij vonnis in incident van 23 augustus 2023 heeft de rechtbank [gedaagde] bevolen om ZPT een kopie van de productieverantwoording over 2018, 2020 en 2021 te verstrekken en dat deze gegevens zoveel mogelijk moeten worden gepseudonimiseerd als bedoeld in artikel 4 sub 5 van de AVG. Op 19 september 2023 heeft ZPT deze productieverantwoordingen ontvangen. ZPT heeft vervolgens nadere producties ingebracht (producties 12 t/m 16) betreffende de door [gedaagde] overgelegde productieverantwoordingen, de van andere instanties ontvangen niet geanonimiseerde productieverantwoordingen over de litigieuze jaren en de bewerking daarvan, de uitslag van een enquête onder de medewerkers en het bestuur over de contacten die zij hebben onderhouden met [gedaagde] en een overzicht van het aantal berichten dat tussen [gedaagde] en ZPT is gewisseld. [gedaagde] heeft hier bij antwoordakte op gereageerd en aanvullende producties in het geding gebracht (producties 14 t/m 17), betreffende de feitelijke totale ureninzet ten behoeve van de voor ZPT en [gedaagde] over de periode van 2019 t/m 2021 verrichte werkzaamheden, het document van het volledige MTO en de notulen van de Algemene Leden Vergadering van ZPT van 11 juni 2019. Ten slotte heeft ZPT bij akte gereageerd op de laatste antwoordakte en producties van [gedaagde].
Standpunt ZPT
3.5.
ZPT stelt dat zij in de bewijsopdracht is geslaagd. In productie 10 heeft zij een door haar bewerkt overzicht van de productieverantwoording over 2019 in het geding gebracht. Hieruit volgt volgens ZPT dat het cliëntenaantal in 2019 steeds verder is teruggelopen van 69 aan het begin van het jaar tot uiteindelijk 40 aan het eind van een jaar, waarbij er echter ook sprake is geweest van een aantal van 32. ZPT stelt dat de administratieve werkzaamheden die [gedaagde] diende uit te voeren voor ZPT daardoor aantoonbaar steeds verder is teruggelopen in 2019. Verder heeft ZPT in productie 11 een e-mailbericht van een medewerkster van Adcase in het geding gebracht. ZPT voert in dat verband aan dat zij de werkzaamheden, die [gedaagde] in het verleden voor ZPT heeft verricht, op dit moment heeft uitbesteed aan Adcase. ZPT stelt dat uit het e-mailbericht van de medewerkster van Adcase volgt dat de werkzaamheden die Adcase op dit moment verricht gelijk zijn aan de werkzaamheden die [gedaagde] destijds heeft verricht voor ZPT. Voorts stelt ZPT dat uit de productieverantwoordingen 2018, 2020 en 2021 en de bewerking daarvan (productie 13 en 14) blijkt dat het aantal cliënten aanzienlijk is afgenomen en dat daarom niet kan worden volgehouden dat de werkzaamheden in vergelijkbare verhouding zijn voorgezet. Dit geldt volgens ZPT te meer daar ook het aantal vragen alleen al vanwege de teruglopende omvang van het aantal cliënten moet zijn teruggelopen en daarmee ook het aantal te verrichten werkzaamheden. Ten slotte betwist ZPT de verklaring van getuige [naam 3] in enquête. ZPT stelt in dat verband o.a. dat [naam 3] minder uren werkzaam is geweest en dat zij een onjuiste indruk heeft gewekt ten aanzien van het berichtenverkeer tussen [gedaagde] en ZPT. ZPT verwijst naar productie 15, die een uitslag bevat van een enquête onder medewerkers en het bestuur over de contacten die zij hebben onderhouden met [gedaagde]. Hieruit blijkt volgens ZPT dat geenszins sprake is geweest van onbereikbaarheid.
Juridisch kader
3.6.
Een feit is bewezen, als het voldoende aannemelijk is gemaakt. Het is niet vereist dat het feit onomstotelijk is komen vast te staan.1.Sommige feiten zijn naar hun aard sterk verweven met oordelen of interpretaties en kunnen slechts worden bewezen door aannemelijk te maken dat zij redelijkerwijs zijn af te leiden uit andere, meer ‘harde’ feiten.2.De rechtbank zal dus tegen deze achtergrond moeten bepalen of ZPT in haar bewijsopdracht is geslaagd.
Toegepast op de zaak
3.7.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft ZPT met haar aanvullende producties en de afgelegde verklaringen onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de omvang van de werkzaamheden die [gedaagde] voor ZPT heeft verricht in disproportionele verhouding staan tot de omvang van de marge die ZPT over de periode 2018-2020 in rekening heeft gebracht. [gedaagde] heeft uren overzichten van haar werkneemster mevrouw [naam 3] ingebracht als productie 14. ZPT bestrijdt niet dat mevrouw [naam 3] deze uren heeft gemaakt, maar stelt wel dat het haar onjuist voorkomt dat mevrouw [naam 3] vrijwel haar hele werkweek besteedde aan de werkzaamheden voor ZPT. ZPT erkent ook dat niet alleen het aantal contacten bepalend is voor de hoeveelheid werk, maar stelt dat het aantal contacten wel een indicatie geven voor de hoeveelheid werk. ZPT verwijst ter onderbouwing van haar stelling dat het aantal cliënten terug is gelopen naar de productieverantwoordingen. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt hieruit echter nog niet dat de omvang van de werkzaamheden die [gedaagde] voor ZPT heeft verricht (wezenlijk) zijn afgenomen.
3.8.
De enkele overlegging van gegevens waaruit blijkt dat het aantal cliënten is afgenomen, is op zichzelf onvoldoende voor het bewijs dat sprake zou zijn van een disproportionele verhouding van de werkzaamheden. De volgende omstandigheden zijn hiervoor naar het oordeel van de rechtbank redengevend. [gedaagde] heeft in randnummer 11 van de conclusie van antwoord een opsomming gegeven van de administratieve taken die door haar werden uitgevoerd. Mevrouw [naam 3] heeft in enquête verklaard dat een hoop van de werkzaamheden niet van het cliëntenaantal afhankelijk was. Daarnaast heeft mevrouw [naam 3] verklaard dat ZPT over de gehele periode niet goed bereikbaar was en dat dit veel extra tijd heeft gekost om problemen op te lossen. [gedaagde] heeft ter onderbouwing van haar verweer verwezen naar de notulen van de Algemene Ledenvergadering van ZPT van 3 september 2019 waaruit volgt dat de communicatie binnen ZPT nog steeds niet goed verloopt en dat de zorgdossiers in de gehele linie nog steeds niet in orde zijn. Dat ZPT in haar productie 15 een enquête onder medewerkers en het bestuur over de contacten die zij hebben onderhouden met [gedaagde] heeft overgelegd, doet aan het voorgaande geen afbreuk, zoals de rechtbank hierna zal uitleggen.
3.9.
In productie 17 heeft [gedaagde] notulen van de Algemene Ledenvergadering van 11 juni 2019 in het geding gebracht. Hieruit volgt dat de kosten van de inzet voor [gedaagde] in de begroting zijn aangepast door een toename van de werkzaamheden van [gedaagde] en een na te streven betere bereikbaarheid van ZPT. De rechtbank oordeelt dat ZPT wel aannemelijk heeft gemaakt dat het cliëntenaantal is teruggelopen, maar dat dit gegeven niet doorslaggevend is voor het aantal gewerkte uren door [gedaagde]. Dit klemt temeer nu [gedaagde] daar tegenover heeft gesteld dat ZPT slecht bereikbaar was en dat de werkzaamheden grotendeels niet van het cliëntenaantal afhankelijk was. Dit is door ZPT niet of althans onvoldoende weersproken. Ook de slechte bereikbaarheid heeft ZPT naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende weersproken. Het getuigenverhoor van de heer [naam 2] maakt dit niet anders. De heer [naam 2] verklaart namelijk op een manier die niet correspondeert met zijn eigen notulen van de Algemene Ledenvergadering van 11 juni 2019. Ook het e-mailbericht van de medewerkster van Adcase maakt dit niet anders. Hieruit kan namelijk niet de conclusie worden getrokken dat de omvang van de werkzaamheden van [gedaagde] voor ZPT, mede gelet op de slechte bereikbaarheid van ZPT tijdens de samenwerking met [gedaagde], in disproportionele verhouding staan. Ook de bij productie 15 door ZPT overgelegde uitslag van een onder medewerkers van ZPT gehouden enquête kan aan het voorgaande geen afbreuk doen. Uit die uitslagen volgt namelijk, anders dan ZPT lijkt te stellen, niets over de omvang van de werkzaamheden van [gedaagde]. Voor zover ZPT stelt dat uit die productie volgt dat ZPT niet slecht bereikbaar was, kan de rechtbank daarvoor geen steun in die productie vinden. Daarbij betrekt de rechtbank dat de vragen die in de enquête zijn gesteld vooral iets zeggen over de frequentie van de contactmomenten, maar weinig over de bereikbaarheid van ZPT. Immers, wanneer ZPT niet bereikbaar is, zullen diens medewerkers ook weinig over het contact kunnen verklaren. Bovendien staat ook deze enquête weer haaks op de door [naam 2] zelf opgemaakte notulen. Het bij productie 16 overgelegde overzicht van telefooncontacten, ziet verder op de uitgaande contacten van ZPT aan [gedaagde], maar niet op de binnenkomende contacten, zodat ook daar in zoverre minder gewicht aan toekomt. Uit productie 16 blijkt verder dat wel meermaals contact is geweest per mail. Dat daarbij de mailcontacten niet heel frequent waren, is op zichzelf weinig zeggend, nu de hoeveelheid mails nog niets zegt over de inhoud van die mails en of daar door ZPT adequaat op werd gereageerd. Uit de notulen van de ledenvergadering komt in zoverre dan ook meer gewicht toe en daaruit kan worden afgeleid dat de communicatie binnen ZPT nog steeds niet goed verliep. Tegen die achtergrond is de rechtbank van oordeel dat ZPT niet in haar bewijsopdracht is geslaagd.
Conclusie
3.10.
De conclusie is dat ZPT niet in haar bewijsopdracht is geslaagd. Nu ZPT niet in haar bewijsopdracht is geslaagd, heeft zij ook niet bewezen dat de omvang van de werkzaamheden van [gedaagde] in een disproportionele verhouding staat tot de omvang van de marge die ZPT over de periode 2018-2020 in rekening heeft gebracht. Dit betekent dat de vorderingen van ZPT integraal moeten worden afgewezen.
Proceskosten
3.11.
ZPT is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- -
griffierecht € 2.837,00
- -
taxe getuige € 10,00
- -
salaris advocaat € 4.856,00 (4,00 punten x € 1.214,00)
- -
nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 7.871,00
4. De beslissing
De rechtbank
4.1.
wijst de vorderingen van ZPT af,
4.2.
veroordeelt ZPT in de proceskosten van € 7.871,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als ZPT niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.
Dit vonnis is gewezen door mr. T.J. Thurlings-Rassa en in het openbaar uitgesproken op 1 mei 2024.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 01‑05‑2024
Vgl. conclusie van de Advocaat-Generaal bij de Hoge Raad 13 oktober 2017, ECLI:NL:PHR:2017:1058 (conclusie A-G R.H. de Bock), overweging 3.29
Uitspraak 23‑08‑2023
Inhoudsindicatie
ZORG PROFESSIONALS TWENTE U.A. vordert gedaagde tot het betalen van een bedrag van 72.327,30 euro. ZPT stelt dat gedaagde buitensporig en onevenredig heeft gedeclareerd voor de licentiekosten en de administratieve werkzaamheden. De rechtbank stelt gedaagde de gelegenheid om binnen veertien dagen kopie van de productieverantwoording, zo veel mogelijk gepseudonimiseerd, aan ZPT te verstrekken.
Partij(en)
RECHTBANK Overijssel
Civiel recht
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: C/08/282626 / HA ZA 22-215
Vonnis in het incident en in de hoofdzaak van 23 augustus 2023
in de zaak van
ZORG PROFESSIONALS TWENTE U.A.,
te Enschede,
eisende partij,
hierna te noemen: ZPT,
advocaat: mr. S.L. Geeraths te Haaksbergen,
tegen
[gedaagde] ,
te [vestigingsplaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
advocaat: mr. R.F. Kötter te Wierden.
1. De procedure
1.1.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 8 maart 2023,- de akte van ZPT van 17 mei 2023 met productie 10 en 11 tevens incidentele vordering op grond van artikel 843a Rv;
- het proces-verbaal van het op 31 mei 2023 gehouden getuigenverhoor,
- de antwoordakte in het incident van [gedaagde] van 28 juni 2023,
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.
2. De beoordeling in het incident
Inleiding
2.1.
In de hoofdzaak vordert ZPT veroordeling van [gedaagde] tot het betalen van een bedrag van € 72.327,30 bestaande uit vier facturen. ZPT stelt dat [gedaagde] buitensporig en onevenredig heeft gedeclareerd voor de licentiekosten en de administratieve werkzaamheden.
2.2.
Bij tussenvonnis van 8 maart 2023 heeft de rechtbank geoordeeld dat uit de praktijk blijkt dat partijen overeenstemming hadden tot verrekening van de werkzaamheden over en weer, maar dat de achtergrond van die overeenkomst was dat partijen er van uitgingen dat die werkzaamheden op ongeveer gelijke waarden waren gebaseerd. Dat betekent dat als achteraf blijkt dat die werkzaamheden niet meer in ongeveer gelijke verhouding liggen, het in de rede ligt, dat het meerdere dat is uitgekeerd door ZPT aan [gedaagde] door [gedaagde] moet worden terugbetaald. Tegen die achtergrond heeft de rechtbank bij tussenvonnis van 8 maart 2023 ZPT in de gelegenheid gesteld om te bewijzen dat de omvang van de werkzaamheden van [gedaagde] in een disproportionele verhouding staat tot de omvang van de marge die ZPT over de periode 2018-2020 in rekening heeft gebracht.
Het geschil in het incident
2.3.
In het incident vordert ZPT – kort gezegd – dat [gedaagde] de productieverantwoording over de jaren 2018, 2020 en 2021 in het geding brengt, zodat bij akte na enquête de berekening over deze jaren alsnog nader kan worden gemaakt en het verschil nader in kaart kan worden gebracht. ZPT legt aan haar vorderingen in dit incident ten grondslag dat [gedaagde] telkens een gelijk maandbedrag heeft gedeclareerd, terwijl de omzet aantoonbaar steeds verder is teruggelopen. ZPT concludeert dat de kosten van [gedaagde] voor ZPT dan ook terug hadden moeten lopen, maar dat dit niet het geval is geweest. Om dit aan te tonen wil ZPT de productieverantwoording verkrijgen.
2.4.
[gedaagde] voert als verweer het volgende aan. [gedaagde] is van mening dat zij op grond van het bepaalde in artikel 843a lid 4 Rv niet is gehouden om deze gegevens te verstrekken nu ZPT door de aanlevering van de gecontroleerde productieverantwoording heeft aangetoond over de benodigde productiegegevens te hebben beschikt. Verder stelt [gedaagde] dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder verschaffing van de gevraagde gegevens is gewaarborgd nu er twee getuigenverklaringen zijn afgelegd en daaruit ook bewijs kan worden afgeleid.
Vereisten artikel 843a Rv
2.5.
Op grond van artikel 843a Rv kan ZPT inzage, afschrift of uittreksel van stukken vorderen indien:
- 1.
zij daar een rechtmatig belang bij heeft;
- 2.
het gaat om bepaalde stukken;
- 3.
de stukken betrekking hebben op een rechtsbetrekking waarin zij partij is;
- 4.
[gedaagde] deze stukken ter beschikking of onder zich heeft.
2.6.
Degene die over de bescheiden beschikt, is niet gehouden om aan de vordering te voldoen indien daartoe gewichtige redenen zijn, of als redelijkerwijs kan worden aangenomen dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder verschaffing van de gevraagde gegevens is gewaarborgd. Verder dient de rechtbank ook rekening te houden met de mogelijke belangen van derden tegen de openbaarmaking. Dit volgt uit recente rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: Hof van Justitie).1.
2.7.
De vordering tot afgifte van een kopie van de productieverantwoording over de jaren 2018, 2020 en 2021 kan worden toegewezen, indien aan de (overige) vereisten van artikel 843a Rv is voldaan.
Rechtmatig belang
2.8.
ZPT stelt dat zij de totale productieverantwoording over 2018, 2020 en 2021 nodig heeft om aantoonbaar en inzichtelijk te maken dat [gedaagde] telkens een gelijk maandbedrag heeft gedeclareerd, terwijl de omzet aantoonbaar steeds verder is teruggelopen. De kosten van [gedaagde] voor ZPT hadden volgens ZPT dan ook terug moeten lopen. Daarmee heeft ZPT haar rechtmatig belang bij de verstrekking van deze gegevens voldoende onderbouwd.
Bepaalde stukken
2.9.
Een algemene inzageplicht in stukken is te onbepaald. ZPT vraagt om de productieverantwoording over de jaren 2018, 2020 en 2021. Dit is voldoende bepaald en daarom toewijsbaar.
Rechtsbetrekking waarin ZPT partij is
2.10.
De hiervoor genoemde stukken hebben betrekking op een rechtsbetrekking waarin ZPT partij is. ZPT vraagt deze stukken immers op in verband met de lopende hoofdzaak, zodat (volgens haar) door ZPT aantoonbaar en inzichtelijk kan worden gemaakt dat de kosten van [gedaagde] hadden moeten teruglopen.
Stukken ter beschikking van [gedaagde]
2.11.
[gedaagde] heeft in haar antwoordakte aangegeven dat zij beschikt over de productieverantwoording over de jaren 2018, 2020 en 2021.
Privacy belangen van derden
2.12.
Artikel 843a biedt aldus een grondslag voor toewijzing van de vordering tot afgifte van een kopie van de totale productieverantwoording over 2018, 2020 en 2021. De rechtbank oordeelt echter dat deze stukken wel moet worden gepseudonimiseerd. Uit het reeds overgelegde productieverantwoordingsoverzicht over het jaar 2019 kan de rechtbank namelijk afleiden dat de namen van de betrokken zorgbehoevende cliënten hierin staan vermeld. Dat zijn persoonsgegevens in de zin van de AVG.2.Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie volgt dat dit soort gegevens weliswaar in het kader van een procedure mogen worden afgegeven, maar dat de rechter daarbij wel oog moet hebben voor de privacy belangen van degenen wiens persoonsgegevens het betreffen, door bijvoorbeeld te bepalen dat deze gegevens zoveel mogelijk moeten worden geanonimiseerd of gepseudonimiseerd.3.Het Hof van Justitie heeft hierover als volgt geoordeeld:
(..)
56 | Voor het geval dat de overlegging van het document met persoonsgegevens gerechtvaardigd blijkt, volgt uit dat beginsel bovendien dat de rechtbank, wanneer slechts een deel van die gegevens noodzakelijk blijkt voor het leveren van bewijs, moet overwegen aanvullende maatregelen te nemen op het gebied van gegevensbescherming, zoals de in artikel 4, punt 5, AVG gedefinieerde pseudonimisering van de namen van de betrokkenen of elke andere maatregel om de inmenging in het recht op bescherming van persoonsgegevens als gevolg van de overlegging van een dergelijk document tot een minimum te beperken. Deze maatregelen kunnen inhouden dat de toegang van het publiek tot het dossier wordt beperkt of dat de partijen aan wie de documenten met persoonsgegevens zijn verstrekt, wordt gelast die gegevens niet te gebruiken voor enig ander doel dan de bewijsvoering in de betrokken gerechtelijke procedure.(..) |
2.13.
De rechtbank oordeelt dat in deze situatie op grond van artikel 4 sub 5 AVG en op grond van het hiervoor aangehaalde arrest van het Hof van Justitie zoveel mogelijk beschermende maatregelen genomen moeten worden om de persoonsgegevens van de betrokken personen te beschermen. Dit betekent dat in ieder geval de namen van de betrokken personen zoveel mogelijk moeten worden gepseudonimiseerd zoals bedoeld in artikel 4 sub 5 van de AVG en dat voorts ZPT deze gegevens voor geen enkel ander doel dan ten behoeve van de bewijsvoering in de onderhavige procedure mag gebruiken.
Conclusie
2.14.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank [gedaagde] bevelen om ZPT een kopie van de productieverantwoording over 2018, 2020 en 2021 te verstrekken. Het loutere feit dat ZPT over deze gegevens heeft beschikt, maakt dit niet anders. ZPT beschikt thans namelijk kennelijk niet meer over deze gegevens en heeft er in het kader van deze procedure wel een rechtmatig belang bij. De rechtbank dient de belangen van de betrokken (zorg)cliënten wel mee te wegen in de wijze waarop de verooordeling tot afgifte van een kopie van de productieverantwoording wordt ingekleed. Dat heeft in dit geval tot gevolg dat de gegevens zoveel mogelijk moeten worden gepseudonimiseerd als bedoeld in artikel 4 sub 5 van de AVG zonder dat daarbij de kern van de informatie over de productieverantwoording wordt aangetast en dat voorts wordt bepaald dat ZPT deze gegevens voor geen enkel ander doel dan ten behoeve van de bewijsvoering in de onderhavige procedure mag gebruiken. Het verweer van [gedaagde], dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder verschaffing van de gevraagde gegevens is gewaarborgd, gaat niet op. ZPT heeft voldoende aangetoond dat de gegevens kunnen bijdragen aan de bewijsvoering en hiermee is voldaan aan de criteria van artikel 843a Rv. Om [gedaagde] voldoende gelegenheid te geven de persoonsgegevens in de productieverantwoording te pseudonimiseren, zal de rechtbank bepalen dat [gedaagde] een kopie van de productieverantwoording binnen veertien dagen na dagtekening van dit vonnis aan ZPT dient te verstrekken.
3. De beoordeling in de hoofdzaak
3.1.
De rechtbank zal de zaak verwijzen naar de rol van 4 oktober 2023 voor het nemen van een akte door ZPT. Bij deze akte kan zij ingaan op de vraag of zij in de aan haar opgedragen bewijslevering is geslaagd. Vervolgens zal [gedaagde] in de gelegenheid worden gesteld om daarop te reageren.
3.2.
De beslissing omtrent de proceskosten wordt aangehouden totdat in de hoofdzaak een eindvonnis wordt gewezen.
4. De beslissing
De rechtbank
in het incident
4.1.
beveelt [gedaagde] om binnen veertien dagen na dagtekening van dit vonnis een kopie van de stukken genoemd onder 2.12 aan ZPT af te geven ten behoeve van de bewijsopdracht van ZPT, waarbij de gegevens in deze stukken zoveel mogelijk moeten worden gepseudonimiseerd als bedoeld in artikel 4 sub 5 van de AVG zonder dat daarbij de kern van de informatie over de productieverantwoording wordt aangetast;
4.2.
bepaalt dat ZPT deze te verstrekken kopie van de productieverantwoording voor geen enkel ander doel mag gebruiken dan ten behoeve van de bewijsvoering in deze procedure;
in de hoofdzaak
4.3.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 4 oktober 2023 voor het nemen van een akte na enquête door ZPT, waarna [gedaagde] op de rol van vier weken daarna een antwoordakte kan nemen,
4.4.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. T.J. Thurlings-Rassa en in het openbaar uitgesproken op 23 augustus 2023.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 23‑08‑2023
Hof van Justitie van de Europese Unie 2 maart 2023, ECLI:EU:C:2023:145, r.o. 53 t/m 56
Hof van Justitie van de Europese Unie 2 maart 2023, ECLI:EU:C:2023:145.