Hof Arnhem-Leeuwarden, 01-06-2021, nr. 200.258.898/01
ECLI:NL:GHARL:2021:5315
- Instantie
Hof Arnhem-Leeuwarden
- Datum
01-06-2021
- Zaaknummer
200.258.898/01
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHARL:2021:5315, Uitspraak, Hof Arnhem-Leeuwarden, 01‑06‑2021; (Hoger beroep)
ECLI:NL:GHARL:2020:3906, Uitspraak, Hof Arnhem-Leeuwarden, 19‑05‑2020; (Hoger beroep, Tussenuitspraak)
Uitspraak 01‑06‑2021
Inhoudsindicatie
Vervolg op ECLI:NL:GHARL:2020:3906. Bewijswaardering. Beroep op eigen schuld verworpen.
Partij(en)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof 200.258.898/01
(zaaknummer rechtbank Overijssel 6896512)
arrest van 1 juni 2021
in de zaak van
De Graaf van Vilsteren B.V., Makelaars en Taxateurs,
gevestigd te Zwolle,
appellante,bij de rechtbank: eiseres,
hierna: De Graaf van Vilsteren,
advocaat: mr. M.P.H. van Maanen Winters, die kantoor houdt te Arnhem,
tegen
[geïntimeerde] ,
wonende te [A] ,
geïntimeerde,
bij de rechtbank: gedaagde,
hierna: [geïntimeerde],
advocaat: mr. R.P. Winkel, die kantoor houdt te Zwolle.
1. De verdere procedure bij het hof
1.1
Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 19 mei 2020 hier over.
1.2
In aansluiting op dit tussenarrest heeft op 23 oktober 2020 en op 12 februari 2021 een getuigenverhoor plaatsgevonden. De hiervan opgemaakte processen-verbaal bevinden zich in afschrift bij de stukken.
1.3
Daarna heeft De Graaf van Vilsteren een memorie na tussenarrest en enquête ingediend. [geïntimeerde] heeft daarop een antwoord-memorie na enquête ingediend.
1.4
Vervolgens hebben beide partijen het nog niet eerder overgelegde deel van het procesdossier overgelegd en heeft het hof een datum voor arrest vastgesteld.
2. De verdere beoordeling van het geschilHet geschil samengevat2.1 De Graaf van Vilsteren vordert een bedrag van € 1.711.34, dat door haar voormalige medewerker [B] aan [geïntimeerde] is overgemaakt. Volgens De Graaf van Vilsteren is het bedrag onverschuldigd betaald, volgens [geïntimeerde] is met de betaling van dit bedrag de schade vergoed die zij heeft geleden doordat ten gevolge van een fout van
De Graaf van Vilsteren haar auto enige tijd niet als verzekerd geregistreerd is geweest. Zij heeft daardoor een boete (met verhogingen en kosten van een gelegd loonbeslag) moeten betalen.
2.2
In het tussenarrest heeft het hof al vastgesteld dat het aan [geïntimeerde] betaalde bedrag betrekking heeft op de boete (met bijbehorende kosten) en dat de klachtplicht en/of het ontbreken van verzuim niet aan de verschuldigdheid van schadevergoeding in de weg staan. De Graaf van Vilsteren heeft ook aangevoerd dat het aan [geïntimeerde] zelf te wijten is dat zij een boete met verhogingen en kosten heeft moeten betalen. [geïntimeerde] had tijdig een artikel 34 WAM-verklaring kunnen en moeten aanvragen en had de boete meteen moeten betalen. [geïntimeerde] heeft zich tegen dit verwijt verweerd. Volgens haar kon geen artikel 34 WAM-verklaring worden afgegeven. Bovendien heeft zij steeds contact gehouden met [B] . [B] heeft haar gezegd dat hij het probleem van het niet verzekerd zijn van de auto zou oplossen en heeft haar geadviseerd de boete en de verhogingen onbetaald te laten, aldus [geïntimeerde] .
De bewijsopdracht en de gehoorde getuigen 2.3 Het hof heeft De Graaf van Vilsteren de gelegenheid gegeven te bewijzen: a. dat binnen de door de RDW gestelde termijn door [geïntimeerde] een artikel 34 WAM-verklaring verkregen had kunnen worden; b. dat [B] [geïntimeerde] niet heeft laten weten dat hij het gerezen probleem met de RDW vanwege het onverzekerd zijn van de auto zou oplossen; c. dat [B] [geïntimeerde] niet heeft geadviseerd de boete en de verhogingen onbetaald te laten.
2.4
De Graaf van Vilsteren heeft ter voldoening aan de bewijsopdracht de volgende getuigen laten horen: haar voormalig medewerker [B] (die tweemaal is gehoord), haar voormalig medewerker binnendienst [C] (hierna: [C] ) en [geïntimeerde] . De Graaf van Vilsteren heeft geen schriftelijk bewijs in het geding gebracht.
Is het bewijs geleverd? 2.5 Het hof stelt voorop dat De Graaf van Vilsteren op grond van de onderdelen b. en c. van de bewijsopdracht moet bewijzen dat een bepaalde gebeurtenis - het doen van een mededeling en het geven van een advies - niet heeft plaatsgevonden. Dat bewijs is, anders dan De Graaf van Vilsteren lijkt te veronderstellen, nog niet geleverd wanneer na de bewijslevering niet vaststaat dat de gebeurtenis wel heeft plaatsgevonden. Wanneer onzeker is of de gebeurtenis heeft plaatsgevonden, is het door De Graaf van Vilsteren te leveren bewijs - dat de gebeurtenis niet heeft plaatsgevonden - niet geleverd. Dat bewijs is alleen geleverd wanneer met voldoende mate van zekerheid vaststaat dat de gebeurtenis niet heeft plaatsgevonden.
2.6
Getuige [C] heeft niets verklaard wat relevant is voor de onderdelen b. en c. van de bewijsopdracht. Uit haar verklaring volgt dat zij pas in een later stadium, toen [B] al bij De Graaf van Vilsteren vertrokken was en de boete en verhogingen al waren opgelegd, bij de zaak betrokken is geraakt en dat zij niet met [B] gesproken heeft over deze kwestie.
2.7
Het staat vast dat [geïntimeerde] een op 19 oktober 2015 gedateerde brief van de RDW heeft gekregen waarin is vermeld dat haar auto niet als verzekerd geregistreerd staat in het verzekeringsregister van de RDW en dat ze door de RDW tot 16 november 2015 in de gelegenheid is gesteld een originele artikel 34 WAM-verklaring naar de RDW te sturen, waarmee kon worden aangetoond dat de auto op 19 oktober 2015 verzekerd was.Het staat ook vast dat [geïntimeerde] [B] begin mei 2015 opdracht heeft gegeven haar auto te verzekeren, dat [B] de auto daarop heeft aangemeld bij De Goudse, maar dat de verzekering door een fout van [B] op een verkeerde naam, dus niet op de naam van [geïntimeerde] , is geregistreerd.
2.8
[geïntimeerde] heeft verklaard dat zij na ontvangst van de brief van de RDW met [B] heeft gebeld en dat [B] de dag na het telefoongesprek bij haar thuis met haar heeft gesproken. [geïntimeerde] verklaart over dat gesprek en over wat er daarna is gebeurd: ‘Hij zei dat hij het op zou lossen. Hij zei toen ook dat ik wel verzekerd was. De brief van de RDW nam hij mee. U vraagt mij of in dat gesprek ook de boete aan de orde kwam. In mijn beleving zou [B] ook dat oplossen. Ik heb het zo begrepen dat ik de boete niet hoefde te betalen. Volgens mij is het zo dat als je het niet eens bent met een boete je die in eerste instantie niet hoeft te betalen wanneer je bezwaar maakt tegen de boete. Als [B] had gezegd dat ik de boete moest betalen, dan had ik dat zeker gedaan. Ik durf niet te zeggen of uitdrukkelijk ter sprake is gekomen of ik de boete wel of niet moest betalen. Ik zag de toezegging van [B] om het probleem op te lossen als een toezegging om het hele probleem op te lossen, inclusief de boete.
Na dit gesprek heb ik vaak gebeld met [B] . Overigens kon ik hem vaak niet bereiken.
Wat er besproken is wanneer ik hem wel kon bereiken, weet ik niet meer precies.
Op een gegeven moment is de boete verhoogd. Of dat in een keer met € 800,- was, of dat dat
in stappen was, weet ik niet meer. Ik heb naar aanleiding van de verhoging ook weer contact
met [B] gezocht. [B] gaf ook toen weer aan dat hij het zou oplossen. Volgens
hem was ik verzekerd. Hij snapte niet waarom de boete nog openstond. Hij heeft mij toen
niet geadviseerd de boete alsnog te betalen. Dat weet ik heel zeker. Ik heb hem ook niet
gevraagd of ik de boete alsnog moest betalen.
Na enige tijd kreeg ik het idee dat het allemaal niet opschoot. Ik ben toen zelf gaan bellen
met de RDW. Daar vroegen ze om een WAM-verklaring. Die kon ik niet krijgen. Dat bleek
toen ik zelf met de verzekering ging bellen.
Uiteindelijk heeft het CJIB door het leggen van loonbeslag de boete geïncasseerd. Ik hield al
die tijd contact met [B] , die nog steeds aangaf dat hij het zou oplossen. Uiteindelijk
heeft [B] ruim € 1700.- aan mij betaald. Hij zei dat dat bedrag werd betaald om het op
te lossen.’
2.9
Ook volgens [B] heeft hij met [geïntimeerde] gesproken nadat [geïntimeerde] een brief van de RDW had ontvangen. Tijdens zijn eerste verhoor, op 23 oktober 2020, heeft [B] daarover het volgende verklaard: ‘Na enige tijd [hof: na het contact in mei 2015 over het afsluiten van de verzekering] kwam mevrouw [geïntimeerde] bij mij omdat zij een boete had gekregen wegens onverzekerd rijden. Ik heb toen geprobeerd een WAM-verklaring te krijgen, maar dat is niet gelukt omdat de verzekering van mevrouw [geïntimeerde] verkeerd was ingevoerd in het systeem.
Er is veel tijd overheen gegaan voordat dat is recht gezet. Toen kreeg ze met terugwerkende
kracht een polis op haar naam.
Toen mevrouw [geïntimeerde] bij mij kwam heb ik zeker gezegd dat ik het probleem zou
oplossen. In welke woorden ik dat precies gezegd heb weet ik niet meer, maar dat ik zoiets
gezegd heb staat voor mij vast.
Ik heb in eerste instantie niet tegen mevrouw [geïntimeerde] gezegd dat ze de boete niet
hoefde te betalen. Daar is volgens mij helemaal niet over gesproken. Ik weet wel dat de boete
op een bepaald moment ging oplopen. Het kan ook zijn dat er nog een boete bij kwam en het
staat me bij dat het CJIB dreigde beslag te leggen. Toen dat ging spelen heb ik haar
geadviseerd de boete te betalen. Op nadere vragen heeft [B] geantwoord:Ik weet niet meer of ik alleen maar een melding van mevrouw [geïntimeerde] heb ontvangen
dat zij een boete had gekregen of dat ik ook brieven van de RDW van haar heb gekregen.(…)
Ik heb verklaard dat ik mevrouw [geïntimeerde] op een gegeven moment, toen de boete begon
op te lopen, heb geadviseerd de boete te betalen.
U vraagt mij of ik dat zeker weet. Ik weet dat niet helemaal zeker, maar wel voor 99%.’Bij het tweede verhoor heeft [B] verklaard: Op het eerste blad van die verklaring staat: "Toen mevrouw [geïntimeerde] bij mij kwam heb ik zeker gezegd dat ik het probleem zou oplossen’.
Mr. Van Maanen Winters vraagt mij wat ik bedoel met 'het probleem'. Daarmee bedoel ik
dat mevrouw [geïntimeerde] een brief had ontvangen van de RDW waarin stond dat zij niet
verzekerd was. Dat probleem zou ik oplossen. Ik ben daarover vervolgens ook gaan bellen
met de Goudse. Nu ik u dit zo hoor dicteren, merk ik op dat ik niet zeker meer weet of
mevrouw [geïntimeerde] naar mij toe kwam met een brief van de RDW of met de boete van
het CJIB.
2.10
Uit de verklaringen volgt dat [geïntimeerde] en [B] met elkaar hebben gesproken en dat [B] toen heeft aangegeven dat hij ‘het’ of ‘het probleem’ zou oplossen. Of [B] met ‘het (probleem)’ nu alleen doelde op het probleem met de RDW vanwege het onverzekerd zijn van de auto of ook op de boete - het hof gaat daar hierna nog op in - in beide gevallen heeft De Graaf van Vilsteren niet voldaan aan onderdeel b. van de bewijsopdracht. Zij heeft namelijk niet bewezen dat [B] niet heeft aangegeven dat hij het gerezen probleem met de RDW vanwege het onverzekerd zijn van de auto zou oplossen.
2.11
Volgens De Graaf van Vilsteren staat met de verklaringen van [B] en [geïntimeerde] nog niet vast dat [B] aan [geïntimeerde] heeft laten weten dat hij (ook) het probleem van de boete zou oplossen en niet alleen het probleem van het niet te boek staan als onverzekerd. Het onderscheid dat De Graaf van Vilsteren maakt is, in het licht van het probleem waarmee [geïntimeerde] door een nalatigheid van [B] (en dus van
De Graaf van Vilsteren) geconfronteerd was, gekunsteld. Door die nalatigheid van [B] stond de auto van [geïntimeerde] als onverzekerd geregistreerd en had [geïntimeerde] een boete ontvangen. De registratie en de boete hingen dan ook met elkaar samen. Dat volgt ook uit de eerste verklaring van [B] , waarin hij aangeeft dat hij werd benaderd door [geïntimeerde] ‘omdat zij een boete had gekregen voor onverzekerd rijden.’ Als [B] in het daaropvolgende gesprek aangeeft dat hij ‘het probleem’ zal oplossen, ligt het voor de hand dat [geïntimeerde] ervan is uitgegaan - en dat zij daarvan is uitgegaan, volgt uit haar verklaring - dat [B] ook het probleem van de boete zal oplossen.2.11 De Graaf van Vilsteren heeft wel voldaan aan onderdeel c. van de bewijsopdracht. Uit de verklaringen van [B] en [geïntimeerde] volgt dat de vraag of de boete wel of niet betaald moest worden aanvankelijk niet expliciet aan de orde is geweest en dat [B] op enig moment, toen de boete (nog verder) was verhoogd, heeft geadviseerd de boete te betalen. Daarmee staat met voldoende mate van zekerheid vast dat [B] niet heeft geadviseerd om de boete onbetaald te laten.
2.12
Het hof merkt op dat uit de verklaringen van [B] en [geïntimeerde] volgt dat [B] [geïntimeerde] pas in een laat stadium, toen al sprake was van verhogingen, heeft geadviseerd de boete wel te betalen.
2.13
Wat betreft onderdeel a. van de bewijsopdracht geldt het volgende. In de brief van de RDW aan [geïntimeerde] van 19 oktober 2015 heeft de RDW [geïntimeerde] de gelegenheid gegeven uiterlijk 26 november 2015 een artikel 34-WAM verklaring naar de RDW te sturen. Zo’n verklaring kon alleen worden afgegeven wanneer [geïntimeerde] op 19 oktober 2015 verzekerd was. [geïntimeerde] heeft op 3 december 2015, dus na 26 november 2015, een verzekeringspolis ontvangen waarop is aangegeven dat haar auto met ingang van 6 mei 2015 verzekerd was. Daaruit volgt dat het op zichzelf wel mogelijk was geweest om een artikel 34 WAM-verklaring te verkrijgen maar niet meer binnen de door de RDW gestelde termijn. De auto was immers met terugwerkende kracht met ingang van
6 mei 2015 verzekerd. In zoverre is niet aan onderdeel a. van de bewijsopdracht voldaan.
2.14
[geïntimeerde] had alleen tijdig, dus uiterlijk op 26 november 2015, een artikel 34 WAM-verklaring kunnen krijgen wanneer het probleem met de verzekering van de auto tijdig, dus uiterlijk op 26 november 2015, opgelost was. Het probleem is pas op
3 december 2015 opgelost, dus na die datum. Op de consequenties daarvan komt het hof hierna terug.
Eigen schuld van [geïntimeerde] ? 2.15 De bewijslevering vond plaats in het kader van het door De Graaf van Vilsteren gedane beroep op eigen schuld, dat erop neerkomt dat [geïntimeerde] het aan zichzelf heeft te wijten dat de boete is gehandhaafd en sterk is opgelopen, doordat zij niet tijdig een artikel 34 WAM-verklaring heeft aangevraagd en de boete niet tijdig heeft betaald. Daarmee beroept De Graaf van Vilsteren zich er (ook) op dat [geïntimeerde] niet heeft voldaan aan haar gehoudenheid haar schade te beperken.
2.16
[geïntimeerde] mocht er van uitgaan dat haar auto correct door [B] (handelend namens De Graaf van Vilsteren) verzekerd was en heeft de juiste weg bewandeld toen ze ermee geconfronteerd werd dat haar auto niet als verzekerd geregistreerd stond door direct contact op te nemen met [B] . Volgens zijn getuigenverklaring heeft [B] toen geprobeerd een artikel 34 WAM-verklaring te verkrijgen, maar lukte dat niet op tijd: de verzekering van [geïntimeerde] was verkeerd ingevoerd en er ging veel tijd overheen voordat dat was rechtgezet. Onder deze omstandigheden kan het [geïntimeerde] , die door een fout van [B] in een lastige situatie was terechtgekomen, die het probleem aan [B] had voorgelegd en aan wie door [B] was gezegd dat hij het probleem zou oplossen, niet worden verweten dat zij niet tijdig een artikel 34 WAM-verklaring heeft verkregen. Voor zover het beroep op eigen schuld is gebaseerd op de artikel 34 WAM-verklaring faalt het.
2.17
Dat [geïntimeerde] de boete pas laat betaald heeft, betekent niet dat zij haar schadebeperkingsverplichting heeft geschonden. [geïntimeerde] was gehouden om haar schade te beperken voor zover dit in redelijkheid van haar kon worden verlangd. Wat van haar in dat verband daadwerkelijk kon worden verwacht, is afhankelijk van de concrete omstandigheden. [geïntimeerde] was, zoals gezegd, eind 2015 (ze was toen net 20 jaar oud en het betrof de verzekering van haar eerste auto) door de fout van [B] in een lastige situatie beland. Zij heeft zich vervolgens tot [B] gewend. Ook al heeft [B] haar niet geadviseerd de boete onbetaald te laten, hij heeft haar wel gezegd dat hij haar probleem zou oplossen. Dat [geïntimeerde] in die situatie de boete niet heeft betaald, kan haar in redelijkheid niet verweten worden, omdat niet vaststaat dat [B] haar bijtijds heeft geadviseerd de boete wel te betalen. Dat advies heeft hij haar, volgens zijn eerste getuigenverklaring, pas gegeven toen de boete al fors was opgelopen en er een beslaglegging speelde.
2.18
Gezien deze omstandigheden - [B] (en daarmee De Graaf van Vilsteren) had een fout gemaakt, [geïntimeerde] had zich voor een correctie van die fout tot ‘het juiste adres’ gewend, [B] zou het ontstane probleem oplossen en heeft [geïntimeerde] niet uitdrukkelijk geadviseerd de boete wel te betalen, [geïntimeerde] was jong en onervaren op het gebied van het bezit van een auto - heeft [geïntimeerde] niet gehandeld in strijd met wat van haar in redelijkheid kon worden gevergd, ook niet door niet tegen de opgelegde boete op te komen.
Het hof merkt in dit verband op dat uit het feit dat [B] ervoor heeft gezorgd dat aan [geïntimeerde] het volledige bedrag (inclusief verhogingen en executiekosten) is terugbetaald ook kan worden afgeleid dat [B] , die steeds contact had gehad met [geïntimeerde] over de kwestie, niet vond dat [geïntimeerde] zelf steken had laten vallen.
2.19
De conclusie is dat De Graaf van Vilsteren het door haar gedane beroep op eigen schuld/schending van de schadebeperkingsplicht ook na de bewijslevering onvoldoende heeft onderbouwd. Het beroep heeft dan ook geen succes.
Conclusies 2.20 Uit wat hiervoor en in het tussenarrest is overwogen, volgt dat de vordering van de Graaf van Vilsteren ook in hoger beroep niet toewijsbaar is. De kantonrechter heeft de vordering van De Graaf van Vilsteren dan ook terecht afgewezen en heeft
De Graaf van Vilsteren terecht in de proceskosten veroordeeld. De grieven van
De Graaf van Vilsteren tegen het vonnis van de kantonrechter falen dus.
2.21
Het hof zal de Graaf van Vilsteren veroordelen in de proceskosten in hoger beroep (geliquideerd salaris van de advocaat: 3 punten, tarief I).
4. 4. De beslissing
Het hof:
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Overijssel van 8 januari 2019 in het geschil tussen partijen;
veroordeelt De Graaf van Vilsteren in de kosten van de procedure bij het hof en bepaalt deze kosten, voor zover tot nu toe door [geïntimeerde] gemaakt, op € 324,- aan verschotten en op€ 2.361,- voor geliquideerd salaris van de advocaat;
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. H. de Hek, D.H. de Witte en P.S. Bakker en is in het openbaar uitgesproken op 1 juni 2021 door de rolraadsheer, in aanwezigheid van de griffier.
Uitspraak 19‑05‑2020
Inhoudsindicatie
Vordering uit onverschuldigde betaling. Stelplicht en bewijslast. Bewijsopdracht.
Partij(en)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof 200.258.898/01
(zaaknummer rechtbank Overijssel 6896512)
arrest van 19 mei 2020
in de zaak van
De Graaf van Vilsteren B.V., Makelaars en Taxateurs,
gevestigd te Zwolle,
appellante,
in eerste aanleg: eiseres,
hierna: De Graaf van Vilsteren,
advocaat: mr. M.P.H. van Maanen Winters, kantoorhoudend te Arnhem,
tegen
[geïntimeerde] ,
wonende te [A] ,
geïntimeerde,
in eerste aanleg: gedaagde,
hierna: [geïntimeerde],
advocaat: mr. R.P. Winkel, kantoorhoudend te Zwolle.
Het hof neemt het tussenarrest van 18 juni 2019 hier over.
1. 1. Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep
1.1
In genoemd tussenarrest heeft het hof een comparitie van partijen bepaald. Deze comparitie (na aanbrengen) is op 8 augustus 2019 gehouden. Het proces-verbaal van de comparitie maakt deel uit van de processtukken.
1.2
Vervolgens hebben partijen de volgende stukken ingediend:- een memorie van grieven;- een memorie van antwoord (met één productie).
1.3
Daarna heeft [geïntimeerde] het hof verzocht een comparitie van partijen te bepalen. Nadat het hof een datum voor deze comparitie had bepaald, hebben partijen laten weten af te zien van de comparitie en hebben zij het hof gevraagd arrest te wijzen op het inmiddels ter voorbereiding op de comparitie door De Graaf van Vilsteren ingediende procesdossier. Het hof heeft daarop een datum voor arrest bepaald.1.4 De vordering van De Graaf van Vilsteren heeft als strekking dat het eindvonnis van de kantonrechter wordt vernietigd en dat haar vordering op [geïntimeerde] alsnog wordt toegewezen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten in beide instanties, te vermeerderen met nakosten en wettelijke rente.
2. 2. Nieuwe productie
2.1
[geïntimeerde] heeft bij de memorie van antwoord een nieuwe productie in het geding gebracht. Het hof heeft De Graaf van Vilsteren in de gelegenheid gesteld op deze productie te reageren, maar De Graaf van Vilsteren heeft daarvan geen gebruik gemaakt.
3. 3. De vaststaande feiten
3.1
Het hof gaat uit van de volgende feiten.
3.2
De Graaf van Vilsteren is voor [geïntimeerde] als assurantietussenpersoon opgetreden.
3.3
Op 6 mei 2015 heeft [geïntimeerde] een Peugeot 206 met kenteken [00-YY-YY] (hierna: de auto) gekocht. Zij heeft De Graaf van Vilsteren verzocht de auto per die datum tegen wettelijke aansprakelijkheid te verzekeren.
3.4
Een toenmalige medewerker van De Graaf van Vilsteren, de heer [B] (hierna: [B] ), heeft vervolgens bij De Goudse Verzekeringen (hierna: De Goudse) een offerte voor [geïntimeerde] aangevraagd. Deze offerte is per abuis aangevraagd op naam van mevrouw [geïntimeerde 1] (de tweede voornaam van [geïntimeerde] ).
3.5
Op 12 mei 2015 heeft [B] De Goudse een e-mailbericht gestuurd over deze onjuiste tenaamstelling. In deze e-mail vermeldt [B] ook dat het online niet lukt de betreffende autoverzekering af te sluiten en verzoekt hij De Goudse voor het opmaken van de polis met als ingangsdatum 6 mei 2015 te zorgen.
3.6
[geïntimeerde] heeft een brief d.d. 19 oktober 2015 ontvangen van de RDW dat haar auto op die datum niet als verzekerd geregistreerd stond in het verzekeringsregister van de RDW en dat als de auto inderdaad niet verzekerd was, [geïntimeerde] van het CJIB een boete van € 400,- zal ontvangen. In die brief staat ook vermeld dat [geïntimeerde] de RDW vóór
16 november 2015 een verklaring als bedoeld in artikel 34 WAM kan toesturen om aan te tonen dat haar auto wel verzekerd was.
3.7
Op 2 december 2015 heeft [B] het hiervoor onder 3.5 genoemde e-mailbericht nogmaals verstuurd aan De Goudse met het begeleidend verzoek “de gegevens alsnog (te) verwerken”.
3.8
[geïntimeerde] heeft van De Goudse een polisblad voor een autoverzekeringd.d. 3 december 2015 ontvangen. Op dit polisblad staat “ingangsdatum pakket 06-05-2015” vermeld en als polisnummer [00000] .
3.9
Op 11 april 2016 is op verzoek van de officier van justitie in het arrondissement Noord-Nederland executoriaal beslag gelegd op het loon van [geïntimeerde] . In het betreffende beslagexploot staat een hoofdsom van € 1.200,- vermeld en een openstaande vordering van € 1.591,91 behoudens p.m.-posten en onverminderd de verder nog gemaakte en/of nog te maken kosten, te vermeerderen met een bedrag ad € 9,91 exclusief omzetbelasting per maand (bij een enkelvoudig beslag) (...)". De kosten van overbetekening van dit beslagexploot bedragen € 81,59.
3.10
Uit de loonstroken van [geïntimeerde] over de maanden april tot en met augustus 2016 volgt dat er uit hoofde van dit beslag in totaal ruim € 6.000,- op het loon van [geïntimeerde] is ingehouden.
3.11
Het CJIB heeft op 2 juni 2016 een dwangbevel tegen [geïntimeerde] uitgevaardigd betreffende een bedrag van € 1.207,-. Uit het dwangbevel blijkt dat [geïntimeerde] op grond van een beschikking van 9 december 2015 wegens het niet verzekerd hebben van haar auto een bedrag van € 400,- verschuldigd is, vermeerderd met € 800,- aan verhogingen en
€ 7,- aan administratiekosten.
3.12
Op 24 juni 2016 is vanaf de bankrekening van De Graaf van Vilsteren een bedrag van € 1.711,34 overgemaakt aan [geïntimeerde] . Bij deze betaling staat als omschrijving vermeld: “GOUDSE [00000] ”.
3.13
In een brief van 25 april 2017, met als kenmerk “openstaande premies autoverzekering” heeft De Graaf van Vilsteren [geïntimeerde] verzocht een bedrag van€ 2.151,95 te betalen. Dit bedrag is opgebouwd uit een aantal bedragen waaronder het hiervoor onder 3.12 genoemde bedrag van € 1.711,34. Nadat De Graaf van Vilsteren [geïntimeerde] in een brief van 6 juli 2017 had gesommeerd tot betaling van € 2.151,95 en haar bij niet-betaling binnen 14 dagen ook de verschuldigdheid van wettelijke rente en incassokosten had aangezegd, heeft [geïntimeerde] in een brief van 13 juli 2017 de verschuldigdheid van het bedrag van € 1.711,34 betwist. De openstaande premies van€ 440,61 heeft zij betaald.
3.14
Op verzoek van de kantonrechter heeft [geïntimeerde] na de comparitie van partijen bij de kantonrechter een verklaring van [B] overgelegd waarin onder meer vermeld staat: "Mevrouw [geïntimeerde] heeft een bedrag van € 1.711.34 aan sanctie inclusief incassokosten moeten voldoen voor het onverzekerd rijden met de auto. De Graaf van Vilsteren BV heeft haar hiervoor schadeloos gesteld.” In het begeleidende e-mailbericht bij deze verklaring, die [B] aan de zus van [geïntimeerde] heeft toegestuurd, staat onder meer:"Ik heb alle paperassen die ik van haar heb nog eens doorgelopen. Het omstreden bedrag kom ik wel tegen, maar een nadere onderbouwing is (helaas) niet in mijn bezit. (...)”.
4. 4. De standpunten bij en de beslissing van de kantonrechter
4.1
De Graaf van Vilsteren heeft betaling gevorderd van een bedrag van € 1.711,34, te vermeerderen met rente en kosten. Volgens De Graaf van Vilsteren heeft zij een bedrag van € 1.711,34 onverschuldigd betaald aan [geïntimeerde] . [B] heeft het bedrag als vriendendienst aan [geïntimeerde] betaald, omdat [geïntimeerde] door de ten laste van haar gelegde beslagen in de financiële problemen was gekomen. De Graaf van Vilsteren bestrijdt dat zij aansprakelijk is voor de door [geïntimeerde] geleden schade als gevolg van de onjuiste tenaamstelling van de verzekering. Volgens De Graaf van Vilsteren heeft [geïntimeerde] het aan zichzelf te wijten dat de boete niet is vervallen en dat uiteindelijk beslag ten laste van haar is gelegd. Ook indien is betaald vanwege de boete, is daarom sprake van onverschuldigde betaling, aldus De Graaf van Vilsteren.
4.2
[geïntimeerde] heeft verweer gevoerd. Volgens haar is niet onverschuldigd betaald. [B] heeft het bedrag aan haar overgemaakt, omdat zij buiten haar schuld een boete opgelegd heeft gekregen van de RDW, welke boete door loonbeslag is ingehouden op haar salaris. Na ontvangst van het bericht van de RDW d.d. 19 oktober 2015 heeft [geïntimeerde] contact opgenomen met [B] en heeft [B] haar gezegd dat hij de kwestie zou oplossen. Hij heeft haar bovendien geadviseerd de boete niet te betalen en daarom is het boetebedrag zo hoog opgelopen. Met de betaling heeft De Graaf van Vilsteren de geleden schade vergoed, aldus [geïntimeerde] .
4.3
De kantonrechter heeft het door [geïntimeerde] gevoerde verweer gehonoreerd en de vordering van De Graaf van Vilsteren afgewezen.
5. 5. De bespreking van de grievenOp wie rusten in deze zaak stelplicht en bewijslast?5.1 De Graaf van Vilsteren vordert betaling van een bedrag van € 1.711,34 met rente en incassokosten van [geïntimeerde] . De Graaf van Vilsteren legt aan haar vordering ten grondslag dat zij dit bedrag onverschuldigd aan [geïntimeerde] heeft betaald. De stelplicht en bewijslast betreffende feiten en omstandigheden waaruit volgt dat zij een bedrag van€ 1.711,34 aan [geïntimeerde] heeft betaald en dat deze betaling zonder rechtsgrond is verricht rusten op De Graaf van Vilsteren.
5.2
Dat De Graaf van Vilsteren een bedrag van € 1.711,34 aan [geïntimeerde] heeft betaald staat niet ter discussie tussen partijen, dat dit bedrag onverschuldigd is betaald, wel. De Graaf van Vilsteren zal dus moeten stellen, en indien zij haar stellingen voldoende heeft onderbouwd maar deze worden gemotiveerd betwist, moeten bewijzen dat zonder rechtsgrond is betaald.
Heeft het betaalde bedrag betrekking op het gelegde beslag? 5.3 De kantonrechter heeft overwogen dat De Graaf van Vilsteren onvoldoende heeft onderbouwd dat het betaalde bedrag geen betrekking heeft op het bij [geïntimeerde] gelegde loonbeslag betreffende de boete (met verhoging). De Graaf van Vilsteren komt met grief I op tegen dit oordeel. Zij voert allereerst aan dat [geïntimeerde] , en dus niet zij, dient te stellen en te bewijzen dat de betaling betrekking heeft op de boete. Volgens haar is sprake van een bevrijdend verweer.
5.4
[geïntimeerde] heeft zich tegen het betoog van De Graaf van Vilsteren dat sprake is van een betaling zonder rechtsgrond verweerd met de stelling dat de betaling wel een rechtsgrond heeft, te weten vergoeding van de door haar geleden schade (verband houdend met een ten laste van haar gelegd beslag) vanwege een door De Graaf van Vilsteren gemaakte fout. Dat verweer is geen bevrijdend verweer, zoals De Graaf van Vilsteren meent, maar een grondslagverweer. Het is vervolgens aan De Graaf van Vilsteren om haar stelling dat de betaling geen verband houdt met het gelegde beslag (en dus niet haar rechtsgrond vindt in vergoeding van de als gevolg van de gemaakte fout geleden schade) te onderbouwen, en bij een afdoende onderbouwing, zo nodig te bewijzen. Op dit punt faalt de grief dan ook.5.5 De vraag die resteert is of De Graaf van Vilsteren haar stelling - dat de betaling geen verband houdt met het gelegde loonbeslag - voldoende heeft onderbouwd. Vastgesteld kan worden dat:- op de bankoverschrijving betreffende de betaling verwezen wordt naar de verzekering die De Graaf van Vilsteren voor de auto van [geïntimeerde] heeft afgesloten – zowel de naam van de verzekeraar als het polisnummer worden vermeld - ;- het betaalde bedrag aansluit bij het bedrag waarvoor beslag is gelegd, te weten € 1.591,91 +€ 81,59 + € 9,91 per maand, in elk geval € 1.673,50 + p.m. Het bedrag van € 1.711,95 is bij
€ 9,91 per maand in ongeveer drie maanden bereikt, nog afgezien van andere kosten;- het bedrag van € 1.591,91 is opgebouwd uit een bedrag van € 1.200,- vanwege de boete met verhogingen en de kosten van het dwangbevel en de betekening. Het bedrag van € 1.200,- komt overeen met het op het dwangbevel vermelde bedrag aan boete (€ 400,-) en verhogingen (€ 800,-). Het boetebedrag, ten slotte, is de boete die aan [geïntimeerde] is opgelegd wegens - kort gezegd - het niet verzekerd zijn van haar auto;- in zijn schriftelijke verklaring legt [B] uitdrukkelijk het verband tussen de betaling aan [geïntimeerde] en de haar opgelegde boete met incassokosten.
5.6
In het licht van de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden heeft De Graaf van Vilsteren onvoldoende onderbouwd dat de betaling geen verband houdt met de aan [geïntimeerde] opgelegde boete voor onverzekerd rijden en het op grond van die boete uiteindelijk gelegde derdenbeslag. Ook de, door [geïntimeerde] weersproken, stelling van De Graaf van Vilsteren dat [geïntimeerde] aanvankelijk zou hebben meegedeeld dat de betaling is gedaan vanwege financiële problemen, schiet daarvoor tekort. Dat [geïntimeerde] als gevolg van het gelegde beslag financiële problemen had, ligt voor de hand en staat er niet aan in de weg dat De Graaf van Vilsteren, als veroorzaker van de financiële problemen, de betaling heeft gedaan. De grondslag van de betaling ligt dan niet in het feit dat [geïntimeerde] financiële problemen had, maar dat deze financiële problemen door De Graaf van Vilsteren zijn veroorzaakt. Het bewijsaanbod van De Graaf van Vilsteren over de vermeende uitlating van [geïntimeerde] is dan ook niet zake doende en zal worden gepasseerd.
5.7
De grief faalt.
Staan de klachtplicht en/of het ontbreken van verzuim aan de verschuldigdheid van schadevergoeding in de weg? 5.8 In hoger beroep heeft De Graaf van Vilsteren zich erop beroepen dat [geïntimeerde] de klachtplicht heeft geschonden en haar bovendien ten onrechte niet in gebreke heeft gesteld. Dit beroep van De Graaf van Vilsteren is te beschouwen als een verholen grief tegen het eindvonnis van de kantonrechter. Omdat [geïntimeerde] zich ook in hoger beroep niet beroept op een afspraak met De Graaf van Vilsteren over de aansprakelijkheid van De Graaf van Vilsteren, zal het hof deze grief (net als de hierna te vermelden grieven) inhoudelijk bespreken.
5.9
[geïntimeerde] stelt dat zij kort na ontvangst van de brief van de RDW van
19 oktober 2015 contact heeft gezocht met [B] en hem heeft meegedeeld dat de auto volgens de RDW niet was verzekerd. Deze stelling vindt steun in het feit dat [B] op
2 december 2015 een e-mailbericht heeft gestuurd naar De Goudse. Dat betekent dat [geïntimeerde] in elk geval uiterlijk zes weken na het moment waarop het haar duidelijk was dat de auto toch niet verzekerd was daarover bij (haar contactpersoon bij) De Graaf van Vilsteren aan de bel heeft getrokken. Daarmee heeft zij voldaan aan haar klachtplicht. Het beroep van De Graaf van Vilsteren op schending van de klachtplicht faalt dan ook.5.10 Ook het beroep op het ontbreken van een ingebrekestelling faalt. Het feit dat De Graaf van Vilsteren nog de gelegenheid had om er alsnog voor te zorgen dat de verzekeringsaanvraag alsnog correct werd verwerkt, doet er niet aan af dat [geïntimeerde] door het gebrek in de aanvankelijk geleverde prestatie schade heeft geleden - in verband met na oplegging van de boete gelegde beslagen -, die zij niet zou hebben geleden indien meteen deugdelijk was gepresteerd en die niet door het alsnog afsluiten van de verzekering kon worden weggenomen. In zoverre was de tekortkoming van De Graaf van Vilsteren niet voor herstel vatbaar en was nakoming blijvend onmogelijk in de zin van artikel 6:74 en 6:81 BW (vgl. Hoge Raad 4 februari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4732).
5.11
De grief faalt dan ook.
Kan [geïntimeerde] een verwijt worden gemaakt van het loonbeslag? 5.12 De Graaf van Vilsteren heeft aangevoerd dat het loonbeslag aan [geïntimeerde] zelf te wijten is. Om die reden is zij, zo begrijpt het hof de stellingen van De Graaf van Vilsteren, niet aansprakelijk voor de schade die [geïntimeerde] door het loonbeslag heeft geleden, waardoor de aan [geïntimeerde] gedane betaling geen grondslag heeft. Omdat [geïntimeerde] in eerste aanleg niet heeft aangevoerd dat partijen, wat er ook zij van het antwoord op de vraag of haar een terecht verwijt gemaakt kan worden, overeenstemming hebben bereikt over de aansprakelijkheid van De Graaf van Vilsteren, heeft de kantonrechter de vraag naar het aan [geïntimeerde] te maken verwijt besproken. Volgens de kantonrechter kan aan [geïntimeerde] geen verwijt worden gemaakt. Met de grieven II en III komt De Graaf van Vilsteren tegen dit oordeel op.
5.13
De Graaf van Vilsteren verwijt [geïntimeerde] allereerst dat zij geen artikel 34 WAM-verklaring heeft aangevraagd. Indien zij dat (tijdig) zou hebben gedaan, zou de boete niet zijn gehandhaafd. [geïntimeerde] heeft gesteld dat zij naar aanleiding van de brief van de RDW contact heeft opgenomen met De Goudse, dat zij van De Goudse begreep dat er geen verzekering was afgesloten op haar naam en om die reden geen artikel 34 WAM-verklaring kon worden afgegeven en dat zij vervolgens contact heeft opgenomen met [B] , die haar heeft gezegd dat hij een en ander verder zou afhandelen. Om die (laatste) reden kan haar er geen verwijt van worden gemaakt dat er geen artikel 34 WAM-verklaring is afgegeven, aldus [geïntimeerde] .
5.14
De Graaf van Vilsteren heeft (in elk geval in hoger beroep) uitdrukkelijk gesteld dat [geïntimeerde] geen contact heeft gezocht met [B] na ontvangst van de brief van de RDW. Zij voert daartoe aan dat van een dergelijk contact niets blijkt uit de door haar bijgehouden administratie. Gelet op wat het hof hiervoor heeft overwogen over de klachtplicht, heeft De Graaf van Vilsteren haar stellingen op dit punt onvoldoende onderbouwd. Van De Graaf van Vilsteren had in elk geval verwacht mogen worden dat zij, gezien haar stelling, een verklaring zou hebben gegeven voor de verzending door [B] van het e-mailbericht van 2 december 2015 aan De Goudse. Onduidelijk is welke aanleiding [B] had dat e-mailbericht te versturen indien [geïntimeerde] hem niet zou hebben benaderd.
5.15
Voor wat betreft de stelling van De Graaf van Vilsteren dat uit haar administratie ook niet is gebleken dat [B] [geïntimeerde] heeft gezegd dat hij een en ander zou oplossen, geldt dat deze stelling weliswaar mager is, maar dat De Graaf van Vilsteren op dit punt ook niet veel meer kan aanvoeren dan zij heeft gedaan. Omdat De Graaf van Vilsteren op dit
onderwerp een voldoende specifiek bewijsaanbod doet - ze biedt aan [B] als getuige te doen horen omtrent zijn contacten als medewerker van De Graaf van Vilsteren met [geïntimeerde] - zal het hof haar tot bewijslevering toelaten.
5.16
De Graaf van Vilsteren zal, wil haar grief kunnen slagen, ook moeten bewijzen, gelet op het op dit punt ook door [geïntimeerde] gevoerde verweer, dat het voor [geïntimeerde] mogelijk was bijtijds een artikel 34 WAM-verklaring te verkrijgen en daardoor het opgelegd krijgen van boeten te voorkomen.
5.17
Het hof zal De Graaf van Vilsteren ook toelaten tot het leveren van bewijs over het andere verwijt dat zij [geïntimeerde] maakt, te weten dat [geïntimeerde] de boete onbetaald heeft gelaten. Tegen dit verwijt heeft [geïntimeerde] het verweer gevoerd dat [B] haar heeft geadviseerd de boete en de verhogingen onbetaald te laten. Ook deze stelling heeft De Graaf van Vilsteren, voor zover dat in haar vermogen ligt, weersproken. Bovendien heeft zij ook op dit punt een voldoende specifiek bewijsaanbod gedaan.
5.18
Het hof zal de zaak naar de rol verwijzen met het oog op de bewijslevering. Het geeft partijen in overweging om - gelet op de kosten en de tijd die gemoeid zijn met bewijslevering, in relatie tot het beperkte financiële belang van deze zaak -, (opnieuw) te proberen alsnog een regeling te treffen.
6. 6. De beslissing
Het gerechtshof:
draagt De Graaf van Vilsteren op te bewijzen (feiten en omstandigheden waaruit volgt):a. dat binnen de door de RDW gestelde termijn door [geïntimeerde] een artikel 34 WAM-verklaring verkregen had kunnen worden;
b. dat [B] , als medewerker van De Graaf van Vilsteren, [geïntimeerde] niet heeft te kennen gegeven dat hij het gerezen probleem met de RDW vanwege het niet verzekerd zijn van de auto zou oplossen;c. dat [B] , als medewerker van De Graaf van Vilsteren, [geïntimeerde] niet heeft geadviseerd de boete en verhogingen onbetaald te laten;
bepaalt dat, indien De Graaf van Vilsteren dat bewijs (ook) door middel van getuigen wenst te leveren, het verhoor van deze getuigen zal gebeuren ten overstaan van het hierbij tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof mr. H. de Hek, die daartoe zitting zal houden in het paleis van justitie aan het Wilhelminaplein 1 te Leeuwarden en wel op een nader door deze vast te stellen dag en tijdstip;
bepaalt dat De Graaf van Vilsteren het aantal voor te brengen getuigen en de verhinderdagen van beide partijen, van hun advocaten en van de getuigen in de maanden september tot en met december 2020 zal opgeven op de roldatum 2 juni 2020 waarna de raadsheer-commissaris dag en uur van het verhoor (ook indien voormelde opgave van een of meer van partijen ontbreekt) vaststelt;
bepaalt dat De Graaf van Vilsteren overeenkomstig artikel 170 Rv de namen en woonplaatsen van de getuigen tenminste een week voor het verhoor aan de wederpartij en de griffier van het hof dient op te geven;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. H. de Hek, D.H. de Witte en P.S. Bakker en is op
19 mei 2020 in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer, in aanwezigheid van de griffier.