Procestaal: Duits.
HvJ EU, 15-05-2025, nr. C-717/23
ECLI:EU:C:2025:351
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
15-05-2025
- Magistraten
K. Jürimäe, K. Lenaerts, M. Gavalec, Z. Csehi, F. Schalin
- Zaaknummer
C-717/23
- Conclusie
M. Szpunar
- Roepnaam
Bundesminister für Gesundheit
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2025:351, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 15‑05‑2025
ECLI:EU:C:2025:29, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie, 23‑01‑2025
Uitspraak 15‑05‑2025
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Onderlinge aanpassing van de wetgevingen — Productie, presentatie en verkoop van tabaksproducten — Richtlijn 2014/40/EU — Artikel 2, punt 40 — Begrip ‘in de handel brengen’ — Artikel 23, lid 2 — Controle op de uitvoering — Werkingssfeer — In de handel brengen van tabaksproducten waarvan de verpakking niet-conforme elementen bevat — Levering van tabaksproducten door een groothandelaar aan een detaillist — Geldboete opgelegd aan de bestuurder van een vennootschap die als groothandelaar optreedt
K. Jürimäe, K. Lenaerts, M. Gavalec, Z. Csehi, F. Schalin
Partij(en)
In zaak C-717/23,*
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Verwaltungsgerichtshof (hoogste bestuursrechter, Oostenrijk) bij beslissing van 17 november 2023, ingekomen bij het Hof op 27 november 2023, in de procedure
Bundesminister für Soziales, Gesundheit, Pflege und Konsumentenschutz
tegen
MM,
in tegenwoordigheid van:
Bezirkshauptmannschaft Grieskirchen,
wijst
HET HOF (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: K. Jürimäe (rapporteur), kamerpresident, K. Lenaerts, president van het Hof, waarnemend rechter van de Tweede kamer, M. Gavalec, Z. Csehi en F. Schalin, rechters,
advocaat-generaal: M. Szpunar,
griffier: I. Illéssy, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 23 oktober 2024,
gelet op de opmerkingen van:
- —
MM, vertegenwoordigd door C. Schneider, Rechtsanwalt,
- —
de Oostenrijkse regering, vertegenwoordigd door A. Posch en J. Schmoll als gemachtigden,
- —
de Belgische regering, vertegenwoordigd door C. Jacob en L. Van den Broeck als gemachtigden,
- —
de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door M. K. Bulterman en P. P. Huurnink als gemachtigden,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door E. Schmidt en F. van Schaik als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 23 januari 2025,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 2, punt 40, artikel 13, lid 1, onder c), en artikel 23, lid 2, van richtlijn 2014/40/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de productie, de presentatie en de verkoop van tabaks- en aanverwante producten en tot intrekking van richtlijn 2001/37/EG (PB 2014, L 127, blz. 1).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen de Bundesminister für Soziales, Gesundheit, Pflege und Konsumentenschutz (federale minister van Sociale Zaken, Volksgezondheid, Zorg en Consumentenbescherming, Oostenrijk; hierna: ‘minister’) en MM, de bestuurder van een tabaksgroothandel, betreffende een geldboete die door de Bezirkshauptmannschaft Grieskirchen (districtsbestuur Grieskirchen, Oostenrijk) (hierna: ‘bestuurlijke instantie’) aan MM is opgelegd naar aanleiding van het in de handel brengen van tabaksproducten waarvan de etikettering van de verpakkingseenheid niet voldoet aan de presentatievoorschriften van deze producten.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
Richtlijn 2014/40
3
De overwegingen 8 en 59 van richtlijn 2014/40 luiden:
- ‘(8)
Overeenkomstig artikel 114, lid 3, [VWEU] moet voor wetgevingshandelingen worden uitgegaan van een hoog beschermingsniveau voor de volksgezondheid en moet met name rekening worden gehouden met nieuwe op wetenschappelijke feiten gebaseerde gegevens. Tabaksproducten zijn geen gewone producten, en gezien de buitengewoon schadelijke effecten van tabak voor de menselijke gezondheid moet groot belang worden gehecht aan de bescherming van de volksgezondheid, met name om het roken bij jongeren te verminderen.
[…]
- (59)
[…] [Er moet voor worden gezorgd] dat de aan de producenten, importeurs en distributeurs van tabaksproducten en aanverwante producten opgelegde verplichtingen niet alleen een hoog niveau van gezondheids- en consumentenbescherming garanderen, maar ook alle andere grondrechten beschermen en evenredig zijn met de goede werking van de interne markt. […]’
4
Artikel 1 (‘Onderwerp’) van deze richtlijn luidt als volgt:
‘Deze richtlijn beoogt de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten betreffende:
[…]
- b)
bepaalde aspecten van de etikettering en verpakking van tabaksproducten, met inbegrip van de gezondheidswaarschuwingen die moeten voorkomen op de verpakkingseenheden van tabaksproducten en op de buitenverpakkingen, alsmede traceerbaarheids- en veiligheidskenmerken die voor tabaksproducten gelden om de naleving van deze richtlijn te waarborgen;
[…]
teneinde de interne markt voor tabak en aanverwante producten beter te doen functioneren, waarbij wordt uitgegaan van een hoog niveau van bescherming van de volksgezondheid, met name voor jongeren, en teneinde te voldoen aan de verplichtingen van de [Europese] Unie die voortvloeien uit het [Kaderverdrag van de Wereldgezondheidsorganisatie inzake tabaksontmoediging].’
5
Artikel 2 (‘Definities’) van die richtlijn bepaalt:
‘In deze richtlijn gelden de volgende definities:
[…]
- 40.
‘in de handel brengen’: de terbeschikkingstelling van producten aan consumenten in de Unie, al dan niet tegen betaling, inclusief via de verkoop op afstand, ongeacht de plaats van productie ervan; in het geval van grensoverschrijdende verkopen op afstand wordt het product geacht in de handel te zijn gebracht in de lidstaat waar zich de consument bevindt;
- 41.
‘detaillist’: verkooppunt waar tabaksproducten in de handel worden gebracht, ook als dat door een natuurlijk persoon gebeurt.’
6
In artikel 13 (‘Presentatie van het product’) van deze richtlijn is bepaald:
- ‘1.
De etikettering van verpakkingseenheden en van elke buitenverpakking en het tabaksproduct zelf bevat geen enkel element of kenmerk dat:
[…]
- c)
verwijst naar een smaak, geur- of smaakstoffen of andere additieven, of het ontbreken daarvan;
[…]’
7
Artikel 23 (‘Samenwerking en handhaving’) van richtlijn 2014/40 bepaalt in de leden 2 en 3:
- ‘2.
De lidstaten zien erop toe dat tabaksproducten en aanverwante producten die niet voldoen aan deze richtlijn, daarin voorgeschreven uitvoerings- en gedelegeerde handelingen eronder begrepen, niet in de handel worden gebracht. De lidstaten zien erop toe dat tabaksproducten en aanverwante producten niet in de handel worden gebracht indien niet aan de informatieverstrekkingsverplichtingen van deze richtlijn wordt voldaan.
- 3.
De lidstaten stellen regels vast voor sancties die zullen worden opgelegd bij overtredingen van de ingevolge deze richtlijn vastgestelde nationale bepalingen en nemen alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat deze sancties worden toegepast. De vastgestelde sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn. Eventuele financiële administratieve sancties die kunnen worden opgelegd voor een opzettelijke overtreding kunnen zo worden vastgesteld dat zij het met de overtreding beoogde economische voordeel neutraliseren.’
Verordening 2019/1020
8
De overwegingen 12, 14 en 43 van verordening (EU) 2019/1020 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende markttoezicht en conformiteit van producten en tot wijziging van richtlijn 2004/42/EG en de verordeningen (EG) nr. 765/2008 en (EU) nr. 305/2011 (PB 2019, L 169, blz. 1) luiden:
- ‘(12)
Van de marktdeelnemers in de hele toeleveringsketen moet worden verwacht dat zij bij het in de handel brengen of op de markt aanbieden van producten verantwoordelijk optreden en aan alle toepasselijke wettelijke voorschriften voldoen teneinde de conformiteit met de harmonisatiewetgeving van de Unie inzake producten te waarborgen. […]
[…]
- (14)
Moderne toeleveringsketens omvatten zeer uiteenlopende marktdeelnemers en de harmonisatiewetgeving van de Unie moet ten aanzien van al die marktdeelnemers worden gehandhaafd, waarbij naar behoren rekening moet worden gehouden met hun respectieve rol in de toeleveringsketen en met de mate waarin zij bijdragen tot het op de markt van de Unie aanbieden van de producten. Daarom moet deze verordening van toepassing zijn op marktdeelnemers die rechtstreeks zijn betrokken door de in bijlage I bij deze verordening vermelde harmonisatiewetgeving van de Unie, […].
[…]
- (43)
De markttoezichtautoriteiten handelen in het belang van marktdeelnemers, van eindgebruikers en van het publiek om te waarborgen dat de openbare belangen die onder de desbetreffende harmonisatiewetgeving van de Unie inzake producten vallen, door middel van passende handhavingsmaatregelen consistent in stand gehouden en beschermd worden, en dat de naleving van die wetgeving in de hele toeleveringsketen door middel van passende controles wordt gewaarborgd, rekening houdend met het feit dat louter administratieve controles in veel gevallen geen fysieke of laboratoriumcontroles kunnen vervangen om na te gaan of producten aan de desbetreffende harmonisatiewetgeving van de Unie voldoen. De markttoezichtautoriteiten moeten bijgevolg uiterst transparant te werk gaan en alle informatie die zij relevant achten voor het beschermen van de belangen van eindgebruikers in de Unie, openbaar beschikbaar maken.’
9
Artikel 1 (‘Onderwerp’) van verordening 2019/1020 bepaalt in lid 1:
‘Deze verordening beoogt de werking van de interne markt te verbeteren door het markttoezicht op de in artikel 2 bedoelde producten waarvoor de harmonisatiewetgeving van de Unie geldt, te verbeteren om te waarborgen dat op de markt van de Unie alleen conforme producten worden aangeboden die voldoen aan voorschriften die een hoog beschermingsniveau bieden voor openbare belangen, zoals de gezondheid en veiligheid in het algemeen, de gezondheid en veiligheid op het werk, de bescherming van consumenten, de bescherming van het milieu en de openbare veiligheid, en andere openbare belangen die door die wetgeving worden beschermd.’
10
Artikel 2 (‘Toepassingsgebied’) van deze verordening bepaalt in lid 1:
‘Deze verordening is van toepassing op producten waarop de in bijlage I vermelde harmonisatiewetgeving van de Unie van toepassing is (hierna ‘de harmonisatiewetgeving van de Unie’ genoemd), voor zover de harmonisatiewetgeving van de Unie geen specifieke bepalingen met hetzelfde doel bevat, waarin bepaalde aspecten van markttoezicht en handhaving specifieker zijn geregeld.’
11
In artikel 3 (‘Definities’) van deze verordening is bepaald:
‘Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:
- 1)
‘op de markt aanbieden’: het in het kader van een handelsactiviteit, al dan niet tegen betaling, verstrekken van een product met het oog op distributie, consumptie of gebruik op de markt van de Unie;
- 2)
‘in handel brengen’: het voor het eerst in de Unie op de markt aanbieden van een product;
[…]’
12
Artikel 16 (‘Markttoezichtmaatregelen’) van verordening 2019/1020 bepaalt in lid 3:
‘Voor de toepassing van lid 2 kunnen de door de marktdeelnemer te nemen corrigerende maatregelen onder meer het volgende omvatten:
[…]
- b)
voorkomen dat het product op de markt wordt aangeboden;
[…]’
13
Bijlage I (‘Lijst van harmonisatiewetgeving van de Unie’) bij verordening 2019/1020 bevat een lijst van handelingen van de Unie die binnen de werkingssfeer van de in artikel 2 van die verordening bedoelde harmonisatiewetgeving van de Unie vallen. Richtlijn 2014/40, die wordt genoemd onder punt 55 van deze bijlage, valt onder deze handelingen.
Oostenrijks recht
14
§ 1 van de Tabak- und Nichtraucherinnen- bzw. Nichtraucherschutzgesetz (wet inzake tabak en de bescherming van niet-rokers) (BGBl. I, 431/1995), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie (BGBl. I, 66/2019) (hierna: ‘tabakswet’), bepaalt:
‘Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder:
[…]
- 2.
‘in de handel brengen’ de terbeschikkingstelling van producten aan consumenten in de Unie, al dan niet tegen betaling en ongeacht de plaats van productie van deze producten,
[…]’
15
Volgens § 2, lid 1, punt 1, van de tabakswet is het in de handel brengen van ‘tabaksproducten en aanverwante producten die niet voldoen aan de §§ 4 tot en met 10e of aan de uit hoofde van deze wet vastgestelde voorschriften’ verboden.
16
In § 5d van deze wet is bepaald:
- ‘(1)
De etikettering van verpakkingseenheden en van elke buitenverpakking en het tabaksproduct zelf bevat geen enkel element of kenmerk dat:
[…]
- 3.
verwijst naar een smaak, geur- of smaakstoffen of andere additieven, of het ontbreken daarvan,
[…]
- (3)
De krachtens de leden 1 en 2 verboden elementen en kenmerken omvatten met name teksten, symbolen, namen, merken en al dan niet figuratieve tekens.
[…]’
17
§ 14, lid 1, van de tabakswet luidt als volgt:
‘Eenieder die
- 1.
in strijd met § 2 tabaksproducten of aanverwante producten in de handel brengt,
[…]
begaat een bestuursrechtelijke overtreding, tenzij de feiten krachtens andere bestuursrechtelijke bepalingen aan een strengere sanctie zijn onderworpen, en moet worden veroordeeld tot een bestuurlijke geldboete van maximaal 7 500 EUR, of 15 000 EUR in geval van recidive.
[…]’
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
18
Bij besluit van 30 mei 2022 heeft de bestuurlijke instantie MM, de bestuurder van een vennootschap die optreedt als groothandelaar in tabak, een bestuurlijke geldboete van 1 000 EUR opgelegd die, indien deze niet wordt betaald, kan worden omgezet in een boetevervangende gevangenisstraf, op grond dat deze vennootschap aan een tabakswinkel sigaretten had geleverd in een verpakkingseenheid waarop de vermeldingen ‘perfect afgerond’ en ‘met slow curing’ waren aangebracht, die in strijd met § 14, lid 1, punt 1, juncto § 2, lid 1, punt 1, en § 5d, lid 1, punt 3, van de tabakswet zouden duiden op een smaak.
19
MM heeft tegen dit besluit beroep ingesteld bij het Landesverwaltungsgericht Oberösterreich (bestuursrechter in eerste aanleg van de deelstaat Oberösterreich, Oostenrijk). Bij vonnis van 1 september 2022 heeft deze rechter dit beroep gegrond verklaard, het besluit van 30 mei 2022 vernietigd en de tegen MM ingeleide bestuurlijke sanctieprocedure beëindigd.
20
Deze rechter was van oordeel dat de bestuurlijke instantie zich in haar besluit had gebaseerd op het feit dat de levering van het tabaksproduct aan de tabakswinkel had geleid tot het ‘in de handel brengen’ ervan in de zin van § 1, punt 2, van de tabakswet. Aangezien deze bepaling de definitie van het begrip ‘in de handel brengen’ in artikel 2, punt 40, van richtlijn 2014/40 overneemt, heeft die rechter geoordeeld dat dit begrip restrictief moest worden uitgelegd, in die zin dat het verwijst naar de terbeschikkingstelling van producten aan consumenten, al dan niet tegen betaling en ongeacht de plaats van productie van deze producten. Aangezien een dergelijke ‘terbeschikkingstelling’ niet wordt gedefinieerd in deze richtlijn, heeft die rechter geoordeeld dat moest worden uitgegaan van de definitie van het begrip ‘detaillist’ in artikel 2, punt 41, van die richtlijn.
21
Hieruit volgt dat een product moet worden geacht ‘in de handel te zijn gebracht’ wanneer het verkrijgbaar is bij detaillisten of via verkoop op afstand. Het aanhouden van een voorraad tabaksproducten met het oog op rechtstreekse levering aan de consument, dat wil zeggen de laatste fase voorafgaand aan de verkoop aan de consument, die over het algemeen plaatsvindt in een tabakswinkel, valt dus onder ‘terbeschikkingstelling’.
22
Het Landesverwaltungsgericht Oberösterreich heeft daaruit afgeleid dat de door MM bestuurde vennootschap het betrokken tabaksproduct niet ‘in de handel had gebracht’, aangezien zij het had geleverd aan een detaillist die een onderneming is en geen consument.
23
De bestuurlijke instantie heeft tegen het vonnis van 1 september 2022 beroep in Revision ingesteld bij het Verwaltungsgerichtshof (hoogste bestuursrechter, Oostenrijk), de verwijzende rechter. De minister is vervolgens in de plaats van de bestuurlijke instantie in deze procedure getreden.
24
De verwijzende rechter is van oordeel dat hij, om het hoofdgeding te kunnen beslechten, moet beslissen of het zowel in het Unierecht als in het nationale recht neergelegde verbod om een tabaksproduct in de handel te brengen waarvan de verpakkingseenheid niet voldoet aan de presentatievoorschriften ervan, geldt vanaf de fase van de levering van dat product door een groothandelaar aan een detaillist, dan wel pas vanaf de fase van de levering ervan door die detaillist aan een consument.
25
Deze rechter merkt in dit verband op dat de lidstaten volgens artikel 23, lid 2, van richtlijn 2014/40 erop moeten toezien dat tabaksproducten en aanverwante producten die niet voldoen aan deze richtlijn, niet in de handel worden gebracht. Krachtens artikel 2, punt 40, van die richtlijn heeft het begrip ‘in de handel brengen’ betrekking op de terbeschikkingstelling van producten aan consumenten in de Unie, al dan niet tegen betaling, inclusief via verkoop op afstand, ongeacht de plaats van productie ervan. Deze richtlijn bevat echter geen definitie van het begrip ‘terbeschikkingstelling van producten’, dat nochtans doorslaggevend is voor de uitlegging van het bovengenoemde begrip ‘in de handel brengen’.
26
In deze context merkt die rechter in de eerste plaats op dat de Duitse versie van artikel 2, punt 40, van richtlijn 2014/40 niet in de weg staat aan een uitlegging van het begrip ‘in de handel brengen’ die de terbeschikkingstelling van het product aan een detaillist omvat.
27
In de tweede plaats heeft het Hof in punt 20 van zijn arrest van 9 maart 2023, Pro Rauchfrei II (C-356/22, EU:C:2023:174), geoordeeld dat, volgens de gebruikelijke betekenis van het in deze bepaling gebruikte woord ‘terbeschikkingstelling’, een tabaksproduct moet worden geacht ‘in de handel te zijn gebracht’ wanneer de consument dit product kan kopen. Dat is alleen het geval wanneer het product beschikbaar is voor verkoop, zelfs voordat het is gekocht en betaald.
28
De zaak die tot dat arrest heeft geleid, die betrekking had op de uitlegging van een andere bepaling van die richtlijn, betrof echter de toepassing van het begrip ‘in de handel brengen’ op een specifieke vorm van verkoop van tabaksproducten aan consumenten bij een detaillist en niet, zoals aan de orde in het hoofdgeding, de terbeschikkingstelling van tabaksproducten door een groothandelaar aan een detaillist. De verwijzende rechter vraagt zich bijgevolg af of de door het Hof in dat arrest gegeven uitlegging aldus moet worden begrepen dat het ‘in de handel brengen’ van tabaksproducten altijd, ongeacht de betrokken bepaling van die richtlijn, plaatsvindt wanneer het tabaksproduct rechtstreeks aan een consument ter beschikking wordt gesteld, en niet in een eerdere fase van de toeleveringsketen.
29
In de derde plaats merkt deze rechter op dat de Duitse wetgever, anders dan de Oostenrijkse, met betrekking tot de definitie van het begrip ‘in de handel brengen’ heeft gepreciseerd dat de terbeschikkingstelling van tabaksproducten elke levering van een voor distributie, consumptie of gebruik op de Uniemarkt bestemd product in het kader van een commerciële activiteit omvat. De Duitse wetgever heeft aldus de definitie van het begrip ‘in de handel brengen’ overgenomen die inmiddels is opgenomen in artikel 3, punt 2, van verordening 2019/1020, teneinde de samenhang tussen de materiële bepalingen en de markttoezichtmaatregelen te waarborgen.
30
Tegen deze achtergrond heeft het Verwaltungsgerichtshof de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:
‘Moet artikel 23, lid 2, gelezen in samenhang met artikel 2, punt 40, en artikel 13, lid 1, onder c), van [richtlijn 2014/40] aldus worden uitgelegd dat het verbod om tabaksproducten in de handel te brengen waarvan de verpakkingseenheid elementen of kenmerken bevat die verwijzen naar de smaak, ook geldt voor de levering van die tabaksproducten door een groothandelaar aan een detaillist of enkel voor de verkoop bij een detaillist aan consumenten?’
Beantwoording van de prejudiciële vraag
31
Volgens vaste rechtspraak is het, in het kader van de bij artikel 267 VWEU ingestelde procedure van samenwerking tussen de nationale rechterlijke instanties en het Hof, de taak van het Hof om de nationale rechter een nuttig antwoord te geven aan de hand waarvan hij het bij hem aanhangige geschil kan oplossen. Daartoe dient het Hof in voorkomend geval de voorgelegde vragen te herformuleren. Het staat in dit verband aan het Hof om uit alle door de nationale rechter verschafte gegevens, met name uit de motivering van de verwijzingsbeslissing, de elementen van het Unierecht te putten die, gelet op het voorwerp van het geschil, uitlegging behoeven [zie in die zin arresten van 29 november 1978, Redmond, 83/78, EU:C:1978:214, punt 26; 28 november 2000, Roquette Frères, C-88/99, EU:C:2000:652, punt 18, en 30 april 2024, M.N. (EncroChat), C-670/22, EU:C:2024:372, punt 78].
32
In casu staat vast, zoals blijkt uit de verwijzingsbeslissing, dat de door MM bestuurde vennootschap aan een detaillist tabaksproducten heeft geleverd waarvan de etikettering van de verpakkingseenheden een element of een kenmerk bevatte dat verwijst naar een smaak in de zin van artikel 13, lid 1, onder c), van richtlijn 2014/40. Uit deze beslissing blijkt echter niet dat de uitlegging van deze bepaling noodzakelijk is om de verwijzende rechter in staat te stellen het hoofdgeding te beslechten.
33
In die omstandigheden moet worden geoordeeld dat deze rechter met zijn vraag in essentie wenst te vernemen of artikel 23, lid 2, juncto artikel 2, punt 40, van richtlijn 2014/40 aldus moet worden uitgelegd dat de op de lidstaten rustende verplichting om erop toe te zien dat tabaksproducten waarvan de etikettering van de verpakkingseenheid niet voldoet aan de voor deze producten geldende presentatievoorschriften niet in de handel worden gebracht, beperkt is tot de fase van de levering ervan door een detaillist aan de consument.
34
Krachtens artikel 23, lid 2, van richtlijn 2014/40 zien de lidstaten erop toe dat tabaksproducten en aanverwante producten die niet voldoen aan deze richtlijn, met inbegrip van de daarin voorgeschreven uitvoerings- en gedelegeerde handelingen, niet in de handel worden gebracht. Artikel 2, punt 40, van die richtlijn definieert het begrip ‘in de handel brengen’ als de terbeschikkingstelling van producten aan consumenten in de Unie, al dan niet tegen betaling, inclusief via de verkoop op afstand, ongeacht de plaats van productie ervan.
35
Op basis van deze definitie heeft het Hof geoordeeld dat een tabaksproduct moet worden geacht ‘in de handel te zijn gebracht’ wanneer de consumenten deze producten kunnen kopen, dat wil zeggen zodra dit product voor verkoop beschikbaar is (zie in die zin arrest van 9 maart 2023, Pro Rauchfrei II, C-356/22, EU:C:2023:174, punt 20).
36
Deze uitlegging van het begrip ‘in de handel brengen’, die is gebaseerd op de gebruikelijke betekenis van het woord ‘terbeschikkingstelling’ in artikel 2, punt 40, van richtlijn 2014/40, maakt het echter niet mogelijk om, zoals de advocaat-generaal in essentie heeft opgemerkt in de punten 46 en 49 van zijn conclusie, vast te stellen of de lidstaten, om te voldoen aan de bij artikel 23, lid 2, van deze richtlijn opgelegde verplichting, enkel controle moeten uitoefenen in de fase van de verkoop door de detaillist aan de consument of ook controle moeten uitoefenen in een eerdere fase van de toeleveringsketen.
37
Bovendien kan de Duitse taalversie van deze bepaling, waarnaar de verwijzende rechter verwijst en die verschilt van met name de Franse en de Engelse versie ervan, evenmin doorslaggevend zijn. Volgens vaste rechtspraak kan de in een van de taalversies van een Unierechtelijke bepaling gebruikte formulering immers niet als enige grondslag voor de uitlegging van die bepaling dienen of voorrang hebben boven de andere taalversies (zie in die zin arresten van 12 november 1969, Stauder, 29/69, EU:C:1969:57, punt 3, en 21 maart 2024, Cobult, C-76/23, EU:C:2024:253, punt 25).
38
Voor de beantwoording van de door de verwijzende rechter gestelde vraag moet dus rekening worden gehouden met de context van artikel 23, lid 2, van richtlijn 2014/40 en met de doelstellingen die worden nagestreefd door de regeling waarvan deze bepaling deel uitmaakt (zie in die zin arrest van 30 januari 2019, Planta Tabak, C-220/17, EU:C:2019:76, punt 60).
39
Wat in de eerste plaats de context van artikel 23, lid 2, van richtlijn 2014/40 betreft, moet ten eerste worden opgemerkt dat deze bepaling een horizontale strekking heeft voor zover zij ertoe strekt dat tabaks- en aanverwante producten die niet voldoen aan enige bepaling van deze richtlijn, met inbegrip van de daarin voorgeschreven uitvoerings- en gedelegeerde handelingen, niet in de handel worden gebracht.
40
Ten tweede verplicht artikel 23, lid 3, van deze richtlijn de lidstaten om, teneinde de doeltreffendheid van deze bepaling te waarborgen, regels vast te stellen voor sancties die zullen worden opgelegd bij overtredingen van de ingevolge deze richtlijn vastgestelde nationale bepalingen en alle nodige maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat deze sancties worden toegepast. Zoals de advocaat-generaal in punt 55 van zijn conclusie heeft opgemerkt, heeft de toepassing van deze regels betrekking op alle bepalingen van richtlijn 2014/40, ongeacht de fase van de toeleveringsketen waarop zij van toepassing zijn, en is zij dus niet beperkt tot de fase van de levering van niet-conforme tabaksproducten door een detaillist aan consumenten.
41
In die omstandigheden zou een uitlegging van de in artikel 23, lid 2, van richtlijn 2014/40 aan de lidstaten opgelegde verplichting die deze beperkt tot de terbeschikkingstelling van tabaksproducten aan consumenten, niet alleen incoherent zijn met de in lid 3 van dat artikel 23 geboden mogelijkheid om elke gedraging te sanctioneren die niet in overeenstemming is met de bepalingen van deze richtlijn, ongeacht de fase van de toeleveringsketen waarop die bepalingen van toepassing zijn, maar ook afbreuk doen aan de doeltreffendheid van de aan de lidstaten opgelegde controleverplichting, en dus aan die richtlijn zelf.
42
Ten derde wordt de uitlegging van deze aan de lidstaten opgelegde verplichting die betrekking heeft op de verschillende fasen van de toeleveringsketen en niet beperkt is tot enkel de fase van de levering van tabaksproducten door een detaillist aan consumenten, ook bevestigd door de ruimere regelgevende context van richtlijn 2014/40.
43
In dit verband blijkt uit artikel 2 van verordening 2019/1020 en punt 55 van bijlage I bij die verordening dat zij van toepassing is op producten die onder richtlijn 2014/40 vallen. Volgens artikel 1 van verordening 2019/2010 heeft zij tot doel om het markttoezicht op producten waarvoor een harmonisatiewetgeving van de Unie geldt die binnen de werkingssfeer van die verordening valt te verbeteren om te waarborgen dat op de markt van de Unie alleen conforme producten worden aangeboden.
44
Volgens artikel 3, punt 2, van verordening 2019/1020 wordt onder het begrip ‘in de handel brengen’ verstaan ‘het voor het eerst in de Unie op de markt aanbieden van een product’, te weten, overeenkomstig artikel 3, punt 1, ervan, ‘het in het kader van een handelsactiviteit, al dan niet tegen betaling verstrekken van een product met het oog op distributie, consumptie of gebruik op de markt van de Unie’.
45
Een uitlegging van de in artikel 23, lid 2, van richtlijn 2014/40 aan de lidstaten opgelegde verplichting die deze beperkt tot de levering van tabaksproducten door een detaillist aan consumenten, zou echter niet in overeenstemming zijn met het doel van verordening 2019/1020. Dit geldt temeer daar, zoals blijkt uit de overwegingen 12 en 14 van deze verordening, deze verordening moet worden toegepast op alle marktdeelnemers die actief zijn in de toeleveringsketen en die rechtstreeks zijn betrokken door de harmonisatiewetgevingen van de Unie waarop zij betrekking heeft.
46
Bovendien staat in overweging 43 van die verordening te lezen dat de markttoezichtautoriteiten handelen in het belang van marktdeelnemers, eindgebruikers en het publiek, om ervoor te zorgen dat de naleving van die wetgevingen in de hele toeleveringsketen door middel van passende controles wordt gewaarborgd. Een van de markttoezichtmaatregelen die deze autoriteiten kunnen opleggen is de in artikel 16, lid 3, onder b), van verordening 2019/1020 neergelegde mogelijkheid om te voorkomen dat een product op de markt wordt aangeboden.
47
Uit de context van artikel 23, lid 2, van richtlijn 2014/40 blijkt dus dat de in deze bepaling neergelegde, op de lidstaten rustende verplichting niet aldus kan worden uitgelegd dat zij beperkt is tot de fase van de levering van tabaksproducten door een detaillist aan consumenten.
48
In de tweede plaats vindt een dergelijke uitlegging steun in de door deze richtlijn nagestreefde doelstelling van gezondheids- en consumentenbescherming.
49
Richtlijn 2014/40 is gebaseerd op artikel 114 VWEU en streeft volgens artikel 1 ervan een tweeledig doel na, namelijk het beter doen functioneren van de interne markt voor tabaks- en aanverwante producten en het bereiken van een hoog niveau van bescherming van de volksgezondheid, met name voor jongeren (arresten van 4 mei 2016, Polen/Parlement en Raad, C-358/14, EU:C:2016:323, punt 80, en 30 januari 2019, Planta Tabak, C-220/17, EU:C:2019:76, punt 38). De wil van de Uniewetgever om een hoog niveau van gezondheids- en consumentenbescherming te garanderen wordt duidelijk bevestigd in de overwegingen 8 en 59 van richtlijn 2014/40.
50
Indien de bij artikel 23, lid 2, van richtlijn 2014/40 aan de lidstaten opgelegde controleverplichting zou worden beperkt tot de fase van de levering van tabaksproducten door een detaillist aan consumenten, zou dit leiden tot, zoals de advocaat-generaal in punt 69 van zijn conclusie heeft benadrukt, een aanzienlijk risico dat producten die niet aan deze richtlijn voldoen en die dus schadelijk zijn voor de gezondheid van de consument, aan de consument ter beschikking worden gesteld.
51
Ter verwezenlijking van de doelstelling om een hoog niveau van gezondheids- en consumentenbescherming te garanderen, veronderstelt deze controleverplichting dat in de verschillende fasen van de toeleveringsketen toezicht wordt uitgeoefend, door ervoor te zorgen dat de lidstaten voor elke handeling die ertoe leidt dat het product uiteindelijk aan de consument wordt aangeboden, erop toezien dat de voorschriften van richtlijn 2014/40 worden nageleefd.
52
Gelet op een en ander moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat artikel 23, lid 2, juncto artikel 2, punt 40, van richtlijn 2014/40 aldus moet worden uitgelegd dat de op de lidstaten rustende verplichting om erop toe te zien dat tabaksproducten waarvan de etikettering van de verpakkingseenheid niet voldoet aan de voor deze producten geldende presentatievoorschriften, niet in de handel worden gebracht, niet beperkt is tot de fase van de levering ervan door een detaillist aan de consument.
Kosten
53
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Tweede kamer) verklaart voor recht:
Artikel 23, lid 2, juncto artikel 2, punt 40, van richtlijn 2014/40/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de productie, de presentatie en de verkoop van tabaks- en aanverwante producten en tot intrekking van richtlijn 2001/37/EG
moet aldus worden uitgelegd dat
de op de lidstaten rustende verplichting om erop toe te zien dat tabaksproducten waarvan de etikettering van de verpakkingseenheid niet voldoet aan de voor deze producten geldende presentatievoorschriften, niet in de handel worden gebracht, niet beperkt is tot de fase van de levering ervan door een detaillist aan de consument.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 15‑05‑2025
Conclusie 23‑01‑2025
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Richtlijn 2014/40/EU — In de handel brengen van tabaksproducten waarvan de verpakking onrechtmatige elementen bevat — Begrip ‘in de handel brengen’ — Levering van tabaksproducten door een groothandelaar aan een detaillist — Geldboete opgelegd aan de groothandelaar
M. Szpunar
Partij(en)
Zaak C-717/231.
Bundesminister für Soziales, Gesundheit, Pflege und Konsumentenschutz
in tegenwoordigheid van:
Bezirkshauptmannschaft Grieskirchen,
M M
[verzoek van het Verwaltungsgerichtshof (hoogste bestuursrechter, Oostenrijk) om een prejudiciële beslissing]
I. Inleiding
1.
2.
De eerdere rechtspraak van het Hof lijkt enige aanwijzingen te verschaffen met betrekking tot de reikwijdte van de definitie die aan dit begrip moet worden gegeven. Ik stel echter voor om deze rechtspraak te verfijnen op basis van een volledigere uitlegging aan de hand van de bewoordingen en de context van de bepalingen van richtlijn 2014/40 en het doel dat met deze bepalingen wordt nagestreefd.
II. Toepasselijke bepalingen
A. Unierecht
1. Richtlijn 2014/40
3.
Overweging 8 van richtlijn 2014/40 luidt als volgt:
‘Overeenkomstig artikel 114, lid 3, [VWEU] moet voor wetgevingshandelingen worden uitgegaan van een hoog beschermingsniveau voor de volksgezondheid en moet met name rekening worden gehouden met nieuwe op wetenschappelijke feiten gebaseerde gegevens. Tabaksproducten zijn geen gewone producten, en gezien de buitengewoon schadelijke effecten van tabak voor de menselijke gezondheid moet groot belang worden gehecht aan de bescherming van de volksgezondheid, met name om het roken bij jongeren te verminderen.’
4.
Artikel 1 van deze richtlijn heeft als opschrift ‘Onderwerp’ en bepaalt:
‘Deze richtlijn beoogt de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten betreffende:
[…]
- b)
bepaalde aspecten van de etikettering en verpakking van tabaksproducten, met inbegrip van de gezondheidswaarschuwingen die moeten voorkomen op de verpakkingseenheden van tabaksproducten en op de buitenverpakkingen, alsmede traceerbaarheids- en veiligheidskenmerken die voor tabaksproducten gelden om de naleving van deze richtlijn te waarborgen;
[…]
teneinde de interne markt voor tabak en aanverwante producten beter te doen functioneren, waarbij wordt uitgegaan van een hoog niveau van bescherming van de volksgezondheid, met name voor jongeren, en teneinde te voldoen aan de verplichtingen van de Unie die voortvloeien uit het [Kaderverdrag van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO)] inzake tabaksontmoediging (WHO Framework Convention for Tobacco Control — FCTC).’
5.
Artikel 2 van deze richtlijn heeft als opschrift ‘Definities’ en bepaalt:
‘In deze richtlijn gelden de volgende definities:
[…]
- 40.
‘in de handel brengen’: de terbeschikkingstelling van producten aan consumenten in de Unie, al dan niet tegen betaling, inclusief via de verkoop op afstand, ongeacht de plaats van productie ervan; in het geval van grensoverschrijdende verkopen op afstand wordt het product geacht in de handel te zijn gebracht in de lidstaat waar zich de consument bevindt;
- 41.
‘detaillist’: verkooppunt waar tabaksproducten in de handel worden gebracht, ook als dat door een natuurlijk persoon gebeurt.’
6.
Artikel 8 van de richtlijn, met als opschrift ‘Algemene bepalingen’, dat deel uitmaakt van hoofdstuk II van de richtlijn, met als opschrift ‘Etikettering en verpakking’, bepaalt in lid 3:
‘De lidstaten zorgen ervoor dat de gezondheidswaarschuwingen op een verpakkingseenheid en op elke buitenverpakking zodanig afgedrukt zijn dat zij niet verwijderd kunnen worden, en niet uitwisbaar en volledig zichtbaar zijn; dit houdt ook in dat zij, wanneer tabaksproducten in de handel worden gebracht, niet geheel of gedeeltelijk worden verborgen of onderbroken door accijnszegels, prijsaanduidingen, veiligheidskenmerken, omhulsels, hulzen, dozen of andere zaken. Op verpakkingseenheden van andere tabaksproducten dan sigaretten en shagtabak in buidels mogen de gezondheidswaarschuwingen met behulp van een sticker worden aangebracht, mits deze niet kan worden verwijderd. De gezondheidswaarschuwingen blijven bij het openen van de verpakkingseenheid intact behalve voor verpakkingen met een klapdeksel, waarbij de gezondheidswaarschuwingen bij het openen van de verpakking mogen worden doorgescheurd mits dit de grafische integriteit en de zichtbaarheid van de tekst, de foto's en de informatie over het stoppen met roken niet in het gedrang brengt.’
7.
Artikel 13 van richtlijn 2014/40 heeft als opschrift ‘Presentatie van het product’ en luidt als volgt:
- ‘1.
De etikettering van verpakkingseenheden en van elke buitenverpakking en het tabaksproduct zelf bevat geen enkel element of kenmerk dat:
[…]
- c)
verwijst naar een smaak, geur- of smaakstoffen of andere additieven, of het ontbreken daarvan;
[…]’
8.
Artikel 19 van de richtlijn heeft als opschrift ‘Kennisgeving van nieuwsoortige tabaksproducten’ en bepaalt in lid 1:
‘De lidstaten schrijven voor dat de producenten en importeurs van nieuwsoortige tabaksproducten de bevoegde autoriteiten van de lidstaten kennisgeven van elk dergelijk product dat zij in de betrokken lidstaat in de handel willen brengen. De kennisgeving wordt zes maanden voor de beoogde datum van het in de handel brengen in elektronische vorm ingediend. […]
[…]’
9.
Artikel 20 van de richtlijn heeft als opschrift ‘Elektronische sigaretten’ en bepaalt in de eerste alinea van lid 2:
‘Producenten en importeurs van elektronische sigaretten en navulverpakkingen doen kennisgeving bij de bevoegde autoriteiten van de lidstaten van dergelijke producten die zij voornemens zijn in de handel te brengen. De kennisgeving geschiedt elektronisch, en wel zes maanden vóór de datum waarop zij voornemens zijn het product in de handel te brengen. […]’
10.
Artikel 23 van deze richtlijn heeft als opschrift ‘Samenwerking en handhaving’ en bepaalt in de leden 2 en 3:
- ‘2.
De lidstaten zien erop toe dat tabaksproducten en aanverwante producten die niet voldoen aan deze richtlijn, daarin voorgeschreven uitvoerings- en gedelegeerde handelingen eronder begrepen, niet in de handel worden gebracht. De lidstaten zien erop toe dat tabaksproducten en aanverwante producten niet in de handel worden gebracht indien niet aan de informatieverstrekkingsverplichtingen van deze richtlijn wordt voldaan.
- 3.
De lidstaten stellen regels vast voor sancties die zullen worden opgelegd bij overtredingen van de ingevolge deze richtlijn vastgestelde nationale bepalingen en nemen alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat deze sancties worden toegepast. De vastgestelde sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn. Eventuele financiële administratieve sancties die kunnen worden opgelegd voor een opzettelijke overtreding kunnen zo worden vastgesteld dat zij het met de overtreding beoogde economische voordeel neutraliseren.’
2. Verordening 2019/1020
11.
De overwegingen 1, 14 en 43 van verordening (EU) 2019/10203. luiden als volgt:
- ‘(1)
Om het vrije verkeer van producten binnen de Unie te waarborgen, moet ervoor worden gezorgd dat de producten voldoen aan de harmonisatiewetgeving van de Unie en bijgevolg aan voorschriften die een hoog beschermingsniveau bieden voor openbare belangen, zoals de gezondheid en veiligheid in het algemeen, de gezondheid en veiligheid op het werk, de bescherming van consumenten, de bescherming van het milieu, de openbare veiligheid en de bescherming van andere openbare belangen die door die wetgeving worden beschermd. Een krachtige handhaving van deze voorschriften is van essentieel belang voor de goede bescherming van deze belangen, alsook voor de totstandbrenging van de voorwaarden waaronder op de goederenmarkt van de Unie eerlijke mededinging kan heersen. Er zijn bijgevolg voorschriften nodig om deze handhaving te waarborgen, ongeacht of de producten via offline- dan wel onlinekanalen in de handel worden gebracht en ongeacht of ze in de Unie worden vervaardigd.
[…]
- (14)
Moderne toeleveringsketens omvatten zeer uiteenlopende marktdeelnemers en de harmonisatiewetgeving van de Unie moet ten aanzien van al die marktdeelnemers worden gehandhaafd, waarbij naar behoren rekening moet worden gehouden met hun respectieve rol in de toeleveringsketen en met de mate waarin zij bijdragen tot het op de markt van de Unie aanbieden van de producten. Daarom moet deze verordening van toepassing zijn op marktdeelnemers die rechtstreeks zijn betrokken door de in bijlage I bij deze verordening vermelde harmonisatiewetgeving van de Unie, […].
[…]
- (43)
De markttoezichtautoriteiten handelen in het belang van marktdeelnemers, van eindgebruikers en van het publiek om te waarborgen dat de openbare belangen die onder de desbetreffende harmonisatiewetgeving van de Unie inzake producten vallen, door middel van passende handhavingsmaatregelen consistent in stand gehouden en beschermd worden, en dat de naleving van die wetgeving in de hele toeleveringsketen door middel van passende controles wordt gewaarborgd, rekening houdend met het feit dat louter administratieve controles in veel gevallen geen fysieke of laboratoriumcontroles kunnen vervangen om na te gaan of producten aan de desbetreffende harmonisatiewetgeving van de Unie voldoen. De markttoezichtautoriteiten moeten bijgevolg uiterst transparant te werk gaan en alle informatie die zij relevant achten voor het beschermen van de belangen van eindgebruikers in de Unie, openbaar beschikbaar maken.’
12.
Artikel 1 van deze verordening heeft als opschrift ‘Onderwerp’ en bepaalt in lid 1:
‘Deze verordening beoogt de werking van de interne markt te verbeteren door het markttoezicht op de in artikel 2 bedoelde producten waarvoor de harmonisatiewetgeving van de Unie geldt, te verbeteren om te waarborgen dat op de markt van de Unie alleen conforme producten worden aangeboden die voldoen aan voorschriften die een hoog beschermingsniveau bieden voor openbare belangen, zoals de gezondheid en veiligheid in het algemeen, de gezondheid en veiligheid op het werk, de bescherming van consumenten, de bescherming van het milieu en de openbare veiligheid, en andere openbare belangen die door die wetgeving worden beschermd.’
13.
Artikel 2 van deze verordening heeft als opschrift ‘Toepassingsgebied’ en bepaalt in lid 1:
‘Deze verordening is van toepassing op producten waarop de in bijlage I vermelde harmonisatiewetgeving van de Unie van toepassing is (hierna ‘de harmonisatiewetgeving van de Unie’ genoemd), voor zover de harmonisatiewetgeving van de Unie geen specifieke bepalingen met hetzelfde doel bevat, waarin bepaalde aspecten van markttoezicht en handhaving specifieker zijn geregeld.’
14.
Artikel 3 van deze verordening heeft als opschrift ‘Definities’ en bepaalt:
‘Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:
- 1)
‘op de markt aanbieden’: het in het kader van een handelsactiviteit, al dan niet tegen betaling, verstrekken van een product met het oog op distributie, consumptie of gebruik op de markt van de Unie;
- 2)
‘in de handel brengen’: het voor het eerst in de Unie op de markt aanbieden van een product;
[…]’
15.
Artikel 16 van verordening 2019/1020 heeft als opschrift ‘Markttoezichtmaatregelen’ en bepaalt in lid 3:
‘Voor de toepassing van lid 2 kunnen de door de marktdeelnemer te nemen corrigerende maatregelen onder meer het volgende omvatten:
[…]
- c)
het product onmiddellijk uit de handel nemen of terugroepen en het publiek waarschuwen voor het betrokken risico;
[…]’
B. Oostenrijks recht
16.
Krachtens § 1 van de Tabak- und Nichtraucherinnen- bzw. Nichtraucherschutzgesetz (wet inzake tabak en de bescherming van niet-rokers; hierna: ‘TNRSG’) van 1 juli 19954. wordt voor de toepassing van deze wet onder ‘in de handel brengen’ de ‘terbeschikkingstelling van producten aan consumenten, al dan niet tegen betaling en ongeacht de plaats van productie van deze producten’ verstaan.
17.
Volgens § 2, lid 1, van deze wet is het in de handel brengen van ‘tabaksproducten en aanverwante producten die niet voldoen aan de §§ 4 tot en met 10e of aan de uit hoofde van deze wet vastgestelde voorschriften’ verboden.
18.
§ 5d van deze wet bepaalt:
- ‘(1)
De etikettering van een verpakkingseenheid en van elke buitenverpakking en het tabaksproduct zelf bevat geen enkel element of kenmerk dat:
[…]
- 3.
verwijst naar een smaak, geur- of smaakstoffen of andere additieven, of het ontbreken daarvan;
[…]
- (3)
De krachtens de leden 1 en 2 verboden elementen en kenmerken omvatten met name teksten, symbolen, namen, merken en al dan niet figuratieve tekens.
[…]’
19.
§ 14, lid 1, van deze wet bepaalt:
‘Eenieder die
- 1.
in strijd met § 2 tabaksproducten of aanverwante producten in de handel brengt;
[…]
begaat een bestuursrechtelijke overtreding, tenzij de feiten krachtens andere bestuursrechtelijke bepalingen aan een strengere sanctie zijn onderworpen, en moet worden veroordeeld tot een bestuurlijke geldboete van maximaal 7 500 EUR, of 15 000 EUR in geval van recidive.
[…]’
III. Hoofdgeding, prejudiciële vraag en procedure bij het Hof
20.
Op 30 mei 2022 heeft de Bezirkshauptmannschaft Grieskirchen (districtsbestuur Grieskirchen, Oostenrijk; hierna: ‘bestuurlijke instantie’) een bestuurlijke geldboete van 1 000 EUR opgelegd aan M M, een groothandelaar in tabak, op grond van het feit dat de onderneming die hij bestuurt aan een tabakswinkel (detaillist) sigaretten had geleverd in een verpakkingseenheid met een verboden etiket. De vermeldingen ‘perfect afgerond’ en ‘met slow curing’ op die verpakkingseenheid zouden duiden op een smaak. De bestuurlijke instantie was van oordeel dat de groothandelaar daarmee § 14, lid 1, punt 1, TNRSG had geschonden, gelezen in samenhang met § 2, lid 1, punt 1, en § 5d, lid 1, punt 3, van die wet.
21.
M M heeft tegen dit besluit beroep ingesteld bij het Landesverwaltungsgericht Oberösterreich (bestuursrechter in eerste aanleg van de deelstaat Oberösterreich, Oostenrijk), die bij beslissing van 1 september 2022 dit beroep gegrond heeft verklaard, het besluit van de bestuurlijke instantie van 30 mei 2022 heeft vernietigd en de bestuurlijke sanctieprocedure heeft beëindigd.
22.
Volgens deze bestuursrechter in eerste aanleg had de bestuurlijke instantie ten onrechte geoordeeld dat de levering van de betrokken producten aan de detaillist had geleid tot het in de handel brengen ervan. In § 1, punt 2, TNRSG is de definitie van ‘in de handel brengen’ van artikel 2, punt 40, van richtlijn 2014/40 overgenomen, zodat dit begrip moet worden begrepen als de terbeschikkingstelling van producten aan consumenten, al dan niet tegen betaling en ongeacht de plaats van productie van deze producten. Bijgevolg zou een product moeten worden geacht voor consumenten ‘in de handel te zijn gebracht’ wanneer het verkrijgbaar is bij detaillisten of via verkoop op afstand, en zou de ‘terbeschikkingstelling’ aan de consument overeenkomen met het aanhouden van een voorraad tabaksproducten met het oog op rechtstreekse levering aan de consument, dat wil zeggen de laatste fase vóór de verkoop aan de consument, die over het algemeen plaatsvindt in een tabakswinkel. De bestuursrechter in eerste aanleg van de deelstaat Oberösterreich heeft daarom geconcludeerd dat M M de betrokken producten niet ‘in de handel had gebracht’, aangezien hij deze had geleverd aan een detaillist, die zelf ook een ondernemer is en geen consument.
23.
De bestuurlijke instantie heeft tegen het besluit van 1 september 2022 beroep in Revision ingesteld bij de verwijzende rechter, het Verwaltungsgerichtshof (hoogste bestuursrechter, Oostenrijk). De Bundesminister für Soziales, Gesundheit, Pflege und Konsumentenschutz (federale minister van Sociale Zaken, Volksgezondheid, Zorg en Consumentenbescherming, Oostenrijk) is vervolgens in de plaats van de bestuurlijke instantie in de procedure getreden.
24.
Om uitspraak te kunnen doen in het hoofdgeding moet volgens de verwijzende rechter worden bepaald of het in het Unierecht neergelegde verbod — dat inhoudelijk overeenstemt met het Oostenrijkse recht — om een tabaksproduct in de handel te brengen waarvan de verpakkingseenheid de presentatievoorschriften schendt, geldt vanaf de fase van de levering van dat product door een groothandelaar aan een detaillist, dan wel pas vanaf de fase van de levering ervan door de detaillist aan een consument. De uitlegging van het in artikel 23, lid 2, van richtlijn 2014/40 gehanteerde begrip ‘in de handel brengen’ is in dit verband doorslaggevend. Deze richtlijn bevat echter geen definitie van het begrip ‘terbeschikkingstelling van producten’, dat een centraal element vormt van het begrip ‘in de handel brengen’, zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 40, van die richtlijn.
25.
In de eerste plaats merkt de verwijzende rechter op dat de Duitse versie5. van artikel 2, punt 40, van richtlijn 2014/40 niet in de weg staat aan een uitlegging van het begrip ‘in de handel brengen’ die de terbeschikkingstelling van het product aan een detaillist omvat. De Engelse6. en de Franse7. versie verschaffen hierover geen opheldering.
26.
In de tweede plaats merkt deze rechter op dat het Hof met betrekking tot artikel 2, punt 40, van richtlijn 2014/40 in het arrest Pro Rauchfrei II8. heeft geoordeeld dat, volgens de gebruikelijke betekenis van het in deze bepaling gebruikte woord ‘terbeschikkingstelling’, een tabaksproduct moet worden geacht ‘in de handel te zijn gebracht’ wanneer de consument dit product kan kopen. Dat is alleen het geval wanneer het product voor verkoop beschikbaar is, zelfs voordat het is gekocht en betaald. Hieruit volgt dat de levering van het bedoelde product door een groothandelaar aan een detaillist in casu niet het ‘in de handel brengen’ ervan is.
27.
Gelet op de feitelijke verschillen tussen de zaak die aanleiding heeft gegeven tot het arrest Pro Rauchfrei II9. en de zaak in het hoofdgeding, vraagt de verwijzende rechter zich echter af of de door het Hof in dat arrest gegeven uitlegging aldus moet worden begrepen dat het ‘in de handel brengen’ van tabaksproducten altijd, ongeacht de betrokken bepaling van richtlijn 2014/40, veronderstelt dat het tabaksproduct rechtstreeks aan een consument ter beschikking wordt gesteld (bijvoorbeeld door verkoop) en dat die terbeschikkingstelling niet in een eerdere fase van de toeleveringsketen kan plaatsvinden.
28.
In dit verband merkt de verwijzende rechter op dat de overwegingen van advocaat-generaal Tanchev in zijn conclusie in de zaak Pro Rauchfrei10., volgens welke de groothandel uitdrukkelijk is uitgesloten van het begrip ‘in de handel brengen’, niet door het Hof zijn overgenomen in zijn arrest. Volgens deze rechter suggereert een systematische lezing van richtlijn 2014/40 daarentegen dat het begrip ‘in de handel brengen’, dat in artikel 2, punt 40, van deze richtlijn op algemene wijze wordt gedefinieerd, van toepassing kan zijn op verschillende marktdeelnemers die betrokken zijn bij de handel in tabaksproducten, al naargelang de toepasselijke bepaling van de richtlijn en de situatie in kwestie. De bij artikel 23, lid 2, van die richtlijn aan de lidstaten opgelegde verplichting om erop toe te zien dat tabaksproducten die niet aan de richtlijn voldoen, niet ‘in de handel worden gebracht’, kan dus in sommige gevallen gelden voor producenten, importeurs of groothandelaren en in andere gevallen alleen voor detaillisten.
29.
In de derde plaats verwijst de verwijzende rechter naar de Duitse wetgeving. De Duitse wetgever heeft zich namelijk gebaseerd op een uitlegging van het begrip ‘in de handel brengen’ die, al naargelang de betrokken bepaling van richtlijn 2014/40, ofwel alle bij de handel in tabaksproducten betrokken marktdeelnemers omvat, ofwel slechts enkele van hen. Volgens de verwijzende rechter worden in de Duitse wetgeving weliswaar in essentie de definities van artikel 2 van de richtlijn overgenomen, maar wordt in die wetgeving met betrekking tot de definitie van het begrip ‘in de handel brengen’ gepreciseerd dat de terbeschikkingstelling van tabaksproducten elke levering van een voor distributie, consumptie of gebruik op de Uniemarkt bestemd product in het kader van een commerciële activiteit omvat. De Duitse wetgever heeft dus de definitie van ‘in de handel brengen’ van artikel 2, punt 2, van verordening (EG) nr. 765/200811. overgenomen om de samenhang tussen de materiële bepalingen en de markttoezichtmaatregelen te waarborgen.
30.
Bijgevolg stelt de verwijzende rechter dat § 1, lid 1, punt 1, van de Duitse tabakswet waarborgt dat het begrip ‘in de handel brengen’ niet alleen de rechtstreekse levering van tabaksproducten aan een consument omvat, maar elke levering, ongeacht de schakel in de toeleveringsketen, van deze producten. In het verlengde van deze bepaling bepaalt § 3, lid 1, van deze wet dat marktdeelnemers en de eigenaren van eerste verkooppunten op dezelfde manier verplicht zijn om in het kader van hun handelsactiviteit erop toe te zien dat alleen producten in de handel worden gebracht die aan de vereisten van deze wet voldoen.
31.
Echter zijn er geen vergelijkbare regels in het Oostenrijkse recht, dat zich heeft beperkt tot een omzetting waarbij de in artikel 2, punt 40, van richtlijn 2014/40 geboden definitie en het in artikel 23, lid 2, daarvan opgelegde verbod op het in de handel brengen, bijna woordelijk zijn overgenomen in respectievelijk § 1, punt 2, en § 2, lid 1, punt 1, TNRSG.
32.
Tegen deze achtergrond heeft het Verwaltungsgerichtshof de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:
‘Moet artikel 23, lid 2, gelezen in samenhang met artikel 2, punt 40, en artikel 13, lid 1, onder c), van [richtlijn 2014/40] aldus moet worden uitgelegd dat het verbod om tabaksproducten in de handel te brengen waarvan de verpakkingseenheid elementen of kenmerken bevat die verwijzen naar de smaak, ook geldt voor de levering van die tabaksproducten door een groothandelaar aan een detaillist of enkel voor de verkoop bij een detaillist aan consumenten?’
33.
M M, de Oostenrijkse, de Nederlandse en de Belgische regering, alsook de Europese Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend. Dezelfde partijen, met uitzondering van de Belgische regering, hebben mondelinge opmerkingen gemaakt tijdens de terechtzitting van 23 oktober 2024.
IV. Analyse
34.
Met zijn enige vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 23, lid 2, juncto artikel 2, punt 40, van richtlijn 2014/40 aldus moet worden uitgelegd dat de op de lidstaten rustende verplichting om ervoor te zorgen dat tabaksproducten waarvan de verpakkingseenheid inbreuk maakt op de voorschriften van deze richtlijn inzake de presentatie van deze producten, niet in de handel worden gebracht, ook geldt in de fase van de levering van deze producten door een groothandelaar aan een detaillist of pas in de fase van de levering van deze producten door een detaillist aan de consument.
35.
Alvorens van start te gaan met de analyse van deze prejudiciële vraag, acht ik het noodzakelijk om enkele voorafgaande opmerkingen over het voorwerp ervan te maken.
36.
Ik merk op dat de partijen in het geschil zich in essentie hebben geconcentreerd op de uitlegging van artikel 2, punt 40, van richtlijn 2014/40, waarin het begrip ‘in de handel brengen’ in de zin van deze richtlijn op abstracte wijze wordt gedefinieerd. Ik ben echter van mening dat het in deze zaak niet gaat om de uitlegging van de definitie van het begrip ‘in de handel brengen’ in abstracto, maar om de uitlegging van een materiële bepaling van de richtlijn waarin dit begrip ten uitvoer wordt gelegd.
37.
Naar mijn mening heeft de onderhavige zaak eerder betrekking op de reikwijdte van de verplichting van de lidstaten om te verhinderen dat er tabaksproducten in de handel worden gebracht die niet aan richtlijn 2014/40 voldoen. Het Hof moet dienaangaande beslissen of een dergelijke verplichting alleen gepaard gaat met toezicht op de fase van de verkoop van die producten door de detaillist aan de consument, dan wel ook met toezicht op eerdere fasen in de toeleveringsketen, zoals in casu de groothandel.
38.
Ik zal mijn analyse daarom toespitsen op de uitlegging van artikel 23, lid 2, van richtlijn 2014/40, voor zover deze bepaling de lidstaten verplicht om erop toe te zien dat tabaksproducten die niet aan deze richtlijn voldoen, niet in de handel worden gebracht.
39.
Volgens vaste rechtspraak moet voor de uitlegging van een bepaling van Unierecht niet alleen rekening worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de context ervan en met de doelstellingen die worden nagestreefd door de regeling waarvan zij deel uitmaakt12..
40.
Ik zal derhalve een letterlijke (A), systematische (B) en teleologische (C) uitlegging geven van artikel 23, lid 2, van richtlijn 2014/40 om te bepalen of de levering van tabaksproducten door een groothandelaar aan een detaillist valt onder de verplichting van de lidstaten om ervoor te zorgen dat er geen enkel product in de handel wordt gebracht dat niet aan die richtlijn voldoet.
A. Letterlijke uitlegging
41.
Artikel 23, lid 2, van richtlijn 2014/40 legt de lidstaten een algemene toezichtverplichting op teneinde ervoor te zorgen dat producten die niet aan deze richtlijn voldoen, niet in de handel worden gebracht.
42.
Partijen zijn het erover eens dat naar artikel 2, punt 40, van richtlijn 2014/40 moet worden verwezen om te bepalen wat, in de context van een dergelijke toezichtverplichting, de betekenis van het begrip ‘in de handel brengen’ is.
43.
De Commissie voert aan dat de bewoordingen van artikel 2, punt 40, van richtlijn 2014/40 duidelijk zijn en bepalen dat het in de handel brengen pas plaatsvindt wanneer de consument rechtstreeks toegang heeft tot de betrokken producten. Een uitlegging van dit begrip die ook de levering van producten door een groothandelaar aan een detaillist omvat, zou in strijd zijn met de bewoordingen van deze bepaling.
44.
Ik ben het hiermee eens. Artikel 2, punt 40, van richtlijn 2014/40 geeft een algemene definitie van het begrip ‘in de handel brengen’ die veronderstelt dat consumenten toegang hebben tot de betrokken producten.
45.
Net als de Belgische en de Nederlandse regering ben ik echter van mening dat op basis van enkel een verwijzing naar de definitie van het begrip ‘in de handel brengen’ in de zin van artikel 2, punt 40, van richtlijn 2014/40 niet precies kan worden bepaald of de in artikel 23, lid 2, van deze richtlijn aan de lidstaten opgelegde toezichtverplichting ook ziet op toezicht in de fase van de levering van de betrokken producten door een groothandelaar aan een detaillist.
46.
Zoals de Commissie zelf opmerkt, legt artikel 23, lid 2, van richtlijn 2014/40 de lidstaten namelijk een resultaatsverplichting op, te weten dat producten die niet aan deze richtlijn voldoen, niet ter beschikking worden gesteld aan de consument. Zo maakt het begrip ‘in de handel brengen’, zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 40, van deze richtlijn, het alleen mogelijk om te bepalen wat het door artikel 23, lid 2, daarvan vereiste resultaat is. Daarentegen kan aan de hand van dit begrip niet worden vastgesteld of een dergelijk resultaat vereist dat de lidstaten ook in de fase van de groothandel uitvoering geven aan hun toezichtverplichting, dan wel of zij alleen uitvoering geven aan deze verplichting in de fase van de levering van de betrokken producten door de detaillist aan de consument.
47.
De verwijzing door het Hof in het arrest Pro Rauchfrei II13. naar de definitie van ‘in de handel brengen’, zal waarschijnlijk evenmin de omvang van de in artikel 23, lid 2, van richtlijn 2014/40 vervatte verplichting verduidelijken. In de zaak die aan het onderhavige arrest ten grondslag ligt, moest het Hof bepalen of de verkoop van tabaksproducten via een automaat waarin de producten niet zichtbaar zijn, betekent dat deze producten ‘in de handel worden gebracht’ in de zin van artikel 8, lid 3, van die richtlijn, dat bepaalt dat wanneer producten in de handel worden gebracht, de gezondheidswaarschuwingen op die producten niet mogen worden verborgen. Dienaangaande heeft het Hof geoordeeld dat volgens de gebruikelijke betekenis van het woord ‘terbeschikkingstelling’ een tabaksproduct moet worden geacht ‘in de handel te zijn gebracht’ wanneer de consument dit product kan kopen. Wanneer een tabaksproduct voor verkoop beschikbaar is, moet het worden geacht in de handel te zijn gebracht, zelfs voordat het is gekocht en betaald.
48.
In die omstandigheden verduidelijkt het arrest Pro Rauchfrei II14. het begrip ‘in de handel brengen’ overeenkomstig artikel 2, punt 40, van richtlijn 2014/40 in overeenstemming met de letterlijke uitlegging volgens welke het in de handel brengen veronderstelt dat consumenten rechtstreeks toegang hebben tot de betrokken producten.
49.
Ook hier geeft een dergelijke oplossing echter slechts het resultaat aan dat de lidstaten krachtens artikel 23, lid 2, van richtlijn 2014/40 moeten bereiken, namelijk dat de consument geen producten mag kunnen verkrijgen die niet aan deze richtlijn voldoen. Aan de hand van deze oplossing kan echter niet worden vastgesteld of de lidstaten voor de verwezenlijking van dit resultaat alleen in de fase van de verkoop door de detaillist aan de consument of ook in een vroegere fase van de toeleveringsketen controle moeten uitoefenen.
50.
De formulering van artikel 23, lid 2, van richtlijn 2014/40 is in dat opzicht niet ondubbelzinnig. Zoals elk van de partijen aangeeft, schrijft deze bepaling het te bereiken resultaat voor. Die bepaling regelt daarentegen niet welke middelen de lidstaten moeten inzetten om dat resultaat te bereiken, namelijk één enkele controle in de laatste fase van de toeleveringsketen of ook controles eerder in de toeleveringsketen.
51.
Aangezien uit de bewoordingen van artikel 23, lid 2, van richtlijn 2014/40 niet ondubbelzinnig blijkt of de verplichting van de lidstaten om ervoor te zorgen dat een tabaksproduct dat niet aan deze richtlijn voldoet, niet ‘in de handel wordt gebracht’, impliceert dat toezicht moet worden gehouden op de fase waarin die producten door een groothandelaar aan een detaillist worden geleverd, acht ik het derhalve noodzakelijk om de bewoordingen van de definitie van dit begrip te analyseren in het licht van de context van deze bepaling en de door deze richtlijn nagestreefde doelstellingen.
B. Systematische uitlegging
52.
Ten eerste behoort artikel 23 van richtlijn 2014/40, met als opschrift ‘Samenwerking en handhaving’, tot de slotbepalingen van deze richtlijn en bepaalt lid 2 ervan dat ‘[d]e lidstaten […] erop [toezien] dat tabaksproducten en aanverwante producten die niet voldoen aan deze richtlijn […], niet in de handel worden gebracht’.
53.
Artikel 23, lid 3, van richtlijn 2014/40 verplicht op zijn beurt de lidstaten om regels vast te stellen voor sancties die zullen worden opgelegd bij overtredingen van de ingevolge deze richtlijn vastgestelde nationale bepalingen.
54.
Ik begrijp derhalve dat artikel 23, lid 2, van richtlijn 2014/40 de lidstaten een algemene toezichtverplichting oplegt om ervoor te zorgen dat producten die niet aan deze richtlijn voldoen, niet ter beschikking worden gesteld aan de consument, en dat artikel 23, lid 3, van deze richtlijn die algemene toezichtverplichting concretiseert door een sanctieregeling voor inbreuken op de voorschriften van deze richtlijn in te voeren.
55.
De toepassing van deze sanctieregeling wordt geenszins beperkt tot de schending van de bepalingen van richtlijn 2014/40 in de fase van de verstrekking van niet-conforme tabaksproducten door een detaillist aan consumenten. Integendeel, zoals de Commissie opmerkt, hebben deze sancties betrekking op alle bepalingen van die richtlijn, ongeacht de fase van de toeleveringsketen waarop zij van toepassing zijn.
56.
In deze omstandigheden ben ik van mening dat de bij artikel 23, lid 2, van richtlijn 2014/40 aan de lidstaten opgelegde toezichtverplichting evenmin aan een dergelijke beperking mag worden onderworpen.
57.
Ten tweede moet, in een door de Commissie beklemtoonde bredere context, worden opgemerkt dat richtlijn 2014/40 tot op zekere hoogte wordt aangevuld door verordening 2019/1020, die voorziet in markttoezichtmaatregelen waarmee wordt beoogd te waarborgen dat de betrokken producten voldoen aan de materiële bepalingen van de harmonisatiewetgeving.
58.
Verordening 2019/1020 is namelijk van toepassing op producten die vallen onder de in bijlage I bij deze verordening vermelde harmonisatiewetgeving van de Unie, waaronder richtlijn 2014/40. Als zodanig beoogt deze verordening het markttoezicht op de onder die richtlijn vallende producten te versterken, opdat alleen producten die aan deze richtlijn voldoen, in de handel worden gebracht.
59.
Met andere woorden, verordening 2019/1020 beoogt de doeltreffendheid te vergroten van de in richtlijn 2014/40 vastgestelde mechanismen met betrekking tot de overeenstemming van tabaksproducten met de bepalingen van deze richtlijn.
60.
Daartoe legt verordening 2019/1020 de lidstaten met name de verplichting op om markttoezicht uit te oefenen en om in geval van non-conformiteit van een product een aantal maatregelen te nemen, waaronder het gelasten van de betrokken marktdeelnemer om de nodige maatregelen te nemen om een einde te maken aan de non-conformiteit. Deze verordening beperkt de toezichtverplichting, die de reeds in richtlijn 2014/40 opgelegde toezichtverplichting versterkt, dus niet tot de fase van de levering van het product door de detaillist aan de consument, maar vult deze verplichting aan door de lidstaten te verplichten concrete maatregelen te nemen.
61.
Zoals de Commissie zelf benadrukt, wordt hiermee beoogd te waarborgen dat richtlijn 2014/40 in de gehele toeleveringsketen van tabaksproducten volledig wordt toegepast. Zo staat in overweging 12 van verordening 2019/1020 te lezen dat ‘[v]an de marktdeelnemers in de hele toeleveringsketen moet worden verwacht dat zij bij het in de handel brengen […] van producten […] aan alle toepasselijke wettelijke voorschriften voldoen’.
62.
Een dergelijk mechanisme lijkt mij te bevestigen dat de toezichtverplichting van artikel 23, lid 2, van richtlijn 2014/40 aldus moet worden uitgelegd dat zij dezelfde reikwijdte heeft als die van verordening 2019/1020.
63.
Om deze redenen ben ik van mening dat uit een systematische uitlegging volgt dat de in artikel 23, lid 2, van richtlijn 2014/40 aan de lidstaten opgelegde toezichtverplichting impliceert dat de lidstaten niet alleen aan deze verplichting moeten voldoen in de fase van de levering van de betrokken producten door de detaillist aan de consument, maar ook in de fase van de groothandel.
64.
Een dergelijke uitlegging lijkt mij bovendien te worden bevestigd door de teleologische uitlegging van die bepaling.
C. Teleologische uitlegging
65.
Zoals het Hof reeds heeft geoordeeld, streeft richtlijn 2014/40 volgens artikel 1 ervan een tweeledig doel na, namelijk het beter doen functioneren van de interne markt voor tabak en aanverwante producten, waarbij wordt uitgegaan van een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid, met name voor jongeren15..
66.
De doelstelling om een hoog niveau van bescherming van de gezondheid te waarborgen, wordt bevestigd in de overwegingen 8, 13, 18, 21, 36, 54 en 59 van richtlijn 2014/40.
67.
In het licht van deze doelstelling acht ik het noodzakelijk om de in artikel 23, lid 2, van richtlijn 2014/40 aan de lidstaten opgelegde algemene toezichtverplichting aldus uit te leggen dat dit toezicht niet alleen plaatsvindt in de fase van de verkoop van het betrokken product door de detaillist aan de consument, maar ook bij elke handeling die er noodzakelijkerwijs toe leidt dat het product uiteindelijk aan de consument ter beschikking wordt gesteld.
68.
Het beperken van het toezicht door de lidstaten op de naleving van de voorschriften van richtlijn 2014/40 tot de laatste fase van de toeleveringsketen van tabaksproducten zou mijns inziens afbreuk doen aan de doeltreffendheid van de toezichtverplichting die deze richtlijn aan de lidstaten oplegt.
69.
Een dergelijke uitlegging zou vereisen dat krachtens richtlijn 2014/40 alleen de detaillist aansprakelijk wordt gesteld voor het in de handel brengen van producten die niet aan deze richtlijn voldoen, ook al heeft deze, voor een groot aantal voorschriften van die richtlijn betreffende de samenstelling of de verpakking van die producten, hierover geen controle. Mijns inziens zou dit leiden tot een aanzienlijk risico dat producten die niet aan de richtlijn voldoen en die dus schadelijk zijn voor de gezondheid van de consument, aan de consument ter beschikking worden gesteld.
70.
De door mij voorgestelde uitlegging — volgens welke de verplichting voor de lidstaten om te waarborgen dat geen enkel product dat niet aan richtlijn 2014/40 voldoet, in de handel wordt gebracht, veronderstelt dat in de verschillende fasen van de toeleveringsketen controle wordt uitgeoefend — maakt het daarentegen mogelijk om de doelstelling van een hoog niveau van bescherming van de gezondheid te verwezenlijken door ervoor te zorgen dat de lidstaten voor elke handeling die er noodzakelijkerwijs toe leidt dat het product uiteindelijk ter beschikking wordt gesteld aan de consument, nagaan of aan de vereisten van richtlijn 2014/40 is voldaan.
71.
Evenzo vormt de doelstelling in verband met het goed functioneren van de interne markt mijns inziens een reden om het standpunt van de Commissie niet te onderschrijven dat de in artikel 23, lid 2, van richtlijn 2014/40 neergelegde toezichtverplichting de lidstaten alleen verplicht om toezicht uit te oefenen op de verkoop door de detaillist aan de consument, en het aan de lidstaten wordt overgelaten om desgewenst nationale maatregelen te nemen in een vroegere fase van de toeleveringsketen om ervoor te zorgen dat niet-conforme producten niet ter beschikking worden gesteld aan de consument.
72.
Een dergelijke uitlegging zou namelijk het risico met zich meebrengen dat er verschillen ontstaan tussen de wetgevingen van de lidstaten en dat er aan andere marktdeelnemers in de toeleveringsketen dan de detaillisten verschillende verplichtingen worden opgelegd op grond van de door de lidstaten vastgestelde nationale maatregelen.
73.
Ik ben derhalve van mening dat de teleologische uitlegging van artikel 23, lid 2, van richtlijn 2014/40 tot de conclusie leidt dat de op de lidstaten rustende verplichting om ervoor te zorgen dat tabaksproducten waarvan de verpakkingseenheid inbreuk maakt op de voorschriften van deze richtlijn inzake de presentatie van deze producten, niet in de handel worden gebracht, niet alleen geldt in de fase van de verkoop van deze producten door een detaillist aan de consument, maar ook in de fase van de levering ervan door een groothandelaar aan een detaillist.
V. Conclusie
74.
Gelet op al het voorgaande geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vraag van het Verwaltungsgerichtshof als volgt te beantwoorden:
Artikel 23, lid 2, juncto artikel 2, punt 40, van richtlijn 2014/40/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de productie, de presentatie en de verkoop van tabaks- en aanverwante producten en tot intrekking van richtlijn 2001/37/EG
moet aldus worden uitgelegd dat
de op de lidstaten rustende verplichting om ervoor te zorgen dat tabaksproducten waarvan de verpakkingseenheid inbreuk maakt op de voorschriften van deze richtlijn inzake de presentatie van deze producten, niet in de handel worden gebracht, niet alleen geldt in de fase van de levering van deze producten door een detaillist aan de consument, maar ook in de fase van de levering ervan door een groothandelaar aan een detaillist.
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 23‑01‑2025
Oorspronkelijke taal: Frans.
Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de productie, de presentatie en de verkoop van tabaks- en aanverwante producten en tot intrekking van richtlijn 2001/37/EG (PB 2014, L 127, blz. 1).
Verordening van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende markttoezicht en conformiteit van producten en tot wijziging van richtlijn 2004/42/EG en de verordeningen (EG) nr. 765/2008 en (EU) nr. 305/2011 (PB 2019, L 169, blz. 1.)
BGBl. I nr. 431/1995, in de versie van BGBl. I nr. 66/2019.
‘die entgeltliche oder unentgeltliche Bereitstellung von Produkten […] für Verbraucher’. Cursivering van mij.
‘to make products […] available to consumers’.
‘le fait de mettre des produits […] à la disposition des consommateurs’.
Arrest van 9 maart 2023 (C-356/22, EU:C:2023:174, punt 20).
Arrest van 9 maart 2023 (C-356/22, EU:C:2023:174).
C-370/20, EU:C:2021:627.
Verordening van het Europees Parlement en de Raad van 9 juli 2008 tot vaststelling van de eisen inzake accreditatie en markttoezicht betreffende het verhandelen van producten en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 339/93 (PB 2008, L 218, blz. 30). Artikel 2, punt 2, van die verordening is overgenomen in artikel 3, punt 2, van verordening 2019/1020.
Arresten van 30 januari 2019, Planta Tabak (C-220/17, EU:C:2019:76, punt 60), en 26 september 2018, Baumgartner (C-513/17, EU:C:2018:772, punt 23).
Arrest van 9 maart 2023 (C-356/22, EU:C:2023:174).
Arrest van 9 maart 2023 (C-356/22, EU:C:2023:174).
Arrest van 4 mei 2016, Polen/Parlement en Raad (C-358/14, EU:C:2016:323, punt 80).