CvA, tevens Incidentele conclusie ex art.843a Rv, nr. 59.
HR, 11-10-2013, nr. 12/05443
ECLI:NL:HR:2013:910
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
11-10-2013
- Zaaknummer
12/05443
- Roepnaam
B&S c.s./Newconomy
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Burgerlijk procesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2013:910, Uitspraak, Hoge Raad (Civiele kamer), 11‑10‑2013; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:40, Gevolgd
Beroepschrift, Hoge Raad, 17‑09‑2012
- Wetingang
- Vindplaatsen
JBPr 2014/5 met annotatie van mr. A.E.H. van der Voort Maarschalk
TvPP 2014, afl. 1, p. 22
Uitspraak 11‑10‑2013
Inhoudsindicatie
Ontvankelijkheid. Rechtbank stelt cassatieberoep tegen tussenvonnis open. Geen sprongcassatie overeengekomen. Cassatieberoep ontvankelijk?
Partij(en)
11 juni 2013
Eerste Kamer
nr. 12/05443
EE
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
1. B&S HOLLAND TRADING GROUP B.V.,gevestigd te Farmsum, gemeente Delfzijl,
2. B&S INTERNATIONAL B.V.,gevestigd te Farmsum, gemeente Delfzijl,
EISERESSEN tot cassatie,
advocaat: mr. J. de Bie Leuveling Tjeenk,
t e g e n
1. NEWCONOMY VENTURES B.V.,gevestigd te Amsterdam,
2. [verweerder 2],wonende te [woonplaats],
VERWEERDERS in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als B&S c.s. en Newconomy c.s.
1. Het geding in feitelijke instantie
Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de vonnissen in de zaak 129863/ HA ZA 11-682 van de rechtbank Groningen van 4 april 2012 en 29 augustus 2012.
Het vonnis van 29 augustus 2012 van de rechtbank is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het vonnis van 29 augustus 2012 van de rechtbank hebben B&S c.s. beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen Newconomy c.s. is verstek verleend.
De zaak is voor B&S c.s. toegelicht door hun advocaat en mede door mr. R.L.M.M. Tan, advocaat te Amsterdam.
De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van B&S c.s. in hun cassatieberoep.
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.1
B&S c.s. hebben bij de rechtbank een incidentele vordering op grond van art. 843a Rv ingesteld. In dit incident hebben zij pleidooi verzocht. Bij het in cassatie bestreden vonnis heeft de rechtbank dit pleidooi geweigerd. Zij heeft overwogen:
“2.5. Op grond van het voorgaande zal het verzoek tot pleidooi worden afgewezen.
Omdat het hier een beslissing betreft waarin het verzoek om pleidooi toe te staan wordt afgewezen is deze gegeven in de vorm van een vonnis.
2.6.
Tegen dit tussenvonnis staat cassatieberoep open. Cassatie is een rechtsmiddel dat op grond van artikel 404 Rv schorsende werking heeft.”
3.2
De Hoge Raad verstaat de laatst aangehaalde overweging aldus dat de rechtbank tussentijds beroep van haar vonnis heeft opengesteld. Gelet evenwel op de door Newconomy c.s. ingestelde vorderingen (zoals weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 1.1) en het feit dat partijen geen sprongcassatie zijn overeengekomen, stond voor B&S c.s. hoger beroep open tegen het vonnis van de rechtbank - hetgeen zij ook hebben ingesteld, naar eigen zeggen - en derhalve niet cassatieberoep. B&S c.s. zijn derhalve niet-ontvankelijk in hun cassatieberoep.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart B&S c.s. niet-ontvankelijk in hun beroep;
veroordeelt B&S c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Newconomy c.s. begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren C.A. Streefkerk, als voorzitter, C.E. Drion en G. Snijders, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president F.B. Bakels op 11 oktober 2013.
Beroepschrift 17‑09‑2012
CASSATIEDAGVAARDING
Heden, [de zeventiende september] tweeduizendtwaalf, op verzoek van
- 1.
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid B&S HOLLAND TRADING GROUP B.V. (‘B&S Holland’), gevestigd te Farmsum (gemeente Delfzijl), en
- 2.
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid B&S INTERNATIONAL B.V. (‘B&S International’), gevestigd te Farmsum (gemeente Delfzijl) (tezamen ‘B&S c.s.’),
die beiden te dezer zake woonplaats kiezen aan de Claude Debussylaan 80, 1082 MD Amsterdam, ten kantore van Mr J. de Bie Leuveling Tjeenk (De Brauw Blackstone Westbroek N.V.), die door B&S c.s. tot advocaat bij de Hoge Raad wordt gesteld,
heb ik,
[…]
AAN:
- 1.
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid NEWCONOMY VENTURES B.V. (‘Newconomy’), gevestigd te Amsterdam,
en
- 2.
[verweerder 2] (‘[verweerder 2]’, en samen met Newconomy. ‘Newconomy c.s.’), wonende te [woonplaats], [(gemeente [gemeente])]
die te dezer zake beiden in de vorige instantie laatstelijk woonplaats gekozen hebben ten kantore van de advocaat Mr M.W. Huijzer, kantoor houdende aan de Rozenlaan 115, 3051 LP te Rotterdam, op dat laatstgenoemde adres overeenkomstig het bepaalde in artikel 63 lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering dit exploot doende en twee afschriften van dit exploot:
- □
latende aan:[P.A.A. de […]]
- □
[…]
AANGEZEGD:
dat B&S c.s. in cassatieberoep komen van het door de Rechtbank te Groningen onder zaaknummer 129863/ HA ZA 11-682 gewezen tussenvonnis tussen B&S c.s. als eisers in het incident en Newconomy c.s. als verweerders in het incident, dat is uitgesproken op 29 augustus 2012.
Voorts heb ik, deurwaarder, mijn exploot doende en afschrift latende als voormeld, Newconomy c.s.
GEDAGVAARD:
om op vrijdag dertig november tweeduizendtwaaif (30-11-2012) 's ochtends om 10.00 uur (de ‘Roldatum’), niet in persoon, maar vertegenwoordigd door een advocaat bij de Hoge Raad der Nederlanden te verschijnen in het geding ten overstaan van de Hoge Raad der Nederlanden, te houden in het gebouw van de Hoge Raad aan de Kazemestraat 52 te Den Haag.
MET AANZEGGING
dat van elke verweerder in cassatie bij verschijning in het geding een griffierecht zal worden geheven, en wel ter hoogte van EUR 728,- voor Newconomy en ter hoogte van EUR 302,- voor [verweerder 2];
dat van verweerders in cassatie die bij dezelfde advocaat verschijnen en gelijkluidende conclusies nemen, op basis van artikel 15 van de Wet griffierechten burgerlijke zaken slechts eenmaal een gezamenlijk griffierecht wordt geheven (en wel het voor rechtspersonen geldende griffierecht);
dat in het geval een verweerder in cassatie onvermogend is, een lager griffierecht wordt geheven, te weten EUR 302-, indien hij op het tijdstip waarop het griffierecht wordt geheven heeft overgelegd:
- 1o.
een afschrift van het besluit tot toevoeging, bedoeld in artikel 29 van de Wet op de rechtsbijstand, of indien dit niet mogelijk is ten gevolge van omstandigheden die redelijkerwijs niet aan hem zijn toe te rekenen, een afschrift van de aanvraag als bedoeld in artikel 24, tweede lid, van de Wet op de rechtsbijstand, dan wel
- 2o.
een verklaring van de raad voor rechtsbijstand, als bedoeld in artikel 1 van die wet, waaruit blijkt dat zijn inkomen niet meer bedraagt dan de bedragen, bedoeld in artikel 35, derde en vierde lid, telkens onderdelen a tot en met d dan wel in die artikelleden, telkens onderdeel e, van die wet (met dien verstande dat als gevolg van een inmiddels vari kracht geworden wijziging van de Wet op de rechtsbijstand nu geldt dat de verkiaring wordt verstrekt door het bestuur van de raad voor rechtsbijstand, bedoeld in artikel 2 van die wet, terwijl de bedragen waaraan het inkomen wordt getoetst zijn vermeld in artikel 2, eerste en tweede lid, van het Besluit eigen bijdrage rechtsbijstand);
dat elke verweerder in cassatie ervoor moet zorgen dat het door hem verschuldigde griffierecht binnen vier weken na de roldatum waarop die verweerder in cassatie in het geding verschijnt is bijgeschreven op de rekening van het gerecht waar deze zaak dient dan wel ter griffie is gestort;
dat indien een verweerder in cassatie op de voorgeschreven wijze (te weten: vertegenwoordigd door een advocaat bij de Hoge Raad der Nederlanden) verschijnt maar het door zijn verschijning verschuldigde griffierecht niet tijdig voldoet, en de voorgeschreven termijnen en formaliteiten in acht zijn genomen, de Hoge Raad tegen die verweerder in cassatie verstek verleent en het door hem in het cassatieberoep gevoerde verweer buiten beschouwing laat, alsmede het recht van die verweerder in cassatie om in cassatie te kernen vervalt;
dat indien op de Roldatum of een door de Hoge Raad nader bepaalde roldatum ten minste één van de verweerders in cassatie op de voorgeschreven wijze (te weten: vertegenwoordigd door een advocaat bij de Hoge Raad der Nederlanden) in het geding verschijnt en het door zijn verschijning verschuldigde griffierecht tijdig heeft voldaan, en ten aanzien van de overige verweerder in cassatie de voorgeschreven termijnen en formaliteiten in acht zijn genomen, tegen die overige verweerder in cassatie verstek wordt verleend en tussen B&S c.s. en de verschenen verweerder in cassatie wordt voortgeprocedeerd, waama tussen alle partijen één arrest wordt gewezen, dat als een arrest op tegenspraak wordt beschouwd;
TENEINDE:
alsdan namens B&S c.s. tegen voormeld vonnis te horen aanvoeren het navolgende:
Middel van cassatie:
schending van het recht en/of verzuim van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormen, doordat de Rechtbank in haar te dezen bestreden vonnis op de daarin vermelde gronden heeft recht gedaan als in hat dictum van dat vonnis, zulks om de navolgende, zonodig in onderlinge samenhang te beschouwen redenen.
Inleiding
1.
Verweerders in cassatie, Newconomy c.s. hebben bij dagvaarding van 14 oktober 2011, eisers tot cassatie, B&S c.s., gedagvaard voor de Rechtbank Groningen. In deze procedure (de ‘hoofdzaak’), gaat het — zeer kort samengevat — om vorderingen die samenhangen met het door B&S c.s. binnen (voormalig) Publishing Partners Nederland B.V. (‘PPN’) gevoerde beleid, een vennootschap waarvan zij bestuurder respectievelijk aandeelhouder waren.
2.
Een van de hoofdpunten van het geschil in de hoofdzaak is dat Newconomy c.s. B&S c.s. verwijten dat een vordering van NLG 2.000.000 op [verweerder 2], welke vordering in het kader van een in 2001 door PPN, gedurende de tijd dat B&S International BV. bestuurder was van PPN, gesloten schikking met (thans) Vivenda Media Group N.V. (‘Vivenda’) aan PPN is overgedragen, (volgens de stellingen van Newconomy c.s. ten onrechte) is verrekend met een dividenduitkering aan [verweerder 2]. Volgens Newconomy c.s. bestond de aan PPN overgedragen vordering van NLG 2.000.000, die onderwerp was van de verrekening, niet en om die reden zou [verweerder 2] alsnog recht hebben op betaling van dat bedrag van B&S c.s. De curator van PPN zou in 2010 een schikking met Vivenda hebben getroffen en in het Kader van de procedure die tot die schikking aanleiding heeft gegeven zou volgens Newconomy c.s. duidelijk zijn geworden dat de voornoemde vordering van NLG 2.000.000 inderdaad niet bestond en dat de curator de daaruit volgende beweerde vordering van [verweerder 2] tot terugbetaling van het in zijn visie ten onrechte verrekende bedrag heeft overgedragen aan Newconomy.
3.
B&S c.s. hebben reeds bij hun incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring van 29 februari 2012 Newconomy c.s. uitgenodigd om de processtukken uit de procedure tussen (de curator van) PPN en Vivenda en de schikkingsdocumentatie in het geding te brengen en zich, voor het geval Newconomy c.s. aan die uitnodiging geen gehoor zouden geven, uitdrukkelijk (zie alinea 58 van die conclusis) het recht voorbehouden om een tweede incidentele vordering (ex artiket 843a Rv) in te dienen. Bij incidentele conclusie van antwoord van 28 maart 2012 hebben Newconomy c.s. (in alinea 31) daarop gereageerd met de mededeling dat er ‘natuurlijk’ geen enkele rechtsplicht bestaat voor Newconomy c.s. om die stukken ter beschikking te stellen.
4.
Tegelijkertijd met het nemen van hun conclusie van antwoord in de hoofdzaak op 18 juli 2012 hebben B&S c.s. dan ook blj incidentele conclusie ex artikel 843a Rv gevorderd dat Newconomy c.s. veroordeeld worden om alle processtukken uit de gevoerde procedure tegen Vivenda in het geding te brengen alsmede de schikkingsovereenkomst. Daartoe hebben zij aangevoerd dat B&S c.s. Newconomy c.s. verzocht hebben om de stukken uit de procedure tegen Vivenda in het geding te brengen, maar dat Newconomy c.s. dit hebben geweigerd, terwijl Newconomy c.s. wel op basis van diezelfde stukken, die dan beweerdelijk tot een schikking zouden hebben geleid (en waarvan ook geen stukken in het geding waren gebracht) bij dagvaarding allerlei stellingen namens Newconomy c.s. innemen, die B&S c.s. bij gebreke van die stukken niet kan verifiëren en waartegen zij zich niet kan verweren.1.
5.
Bij conclusie van antwoord in het incident van 1 augustus 2012 hebben Newconomy c.s. geantwoord pp deze incidentele vordering ex artikel 843a Rv, waarbij zij geconcludeerd hebben tot niet-ontvankelijk verklaring, althans ontzegging van deze vordering.
6.
B&S c.s. hebben vervolgens op 15 augustus 2012 pleidooi in het incident verzocht. Newconomy c.s. hebben bezwaar gemaakt tegen het gevraagde pleidooi, waarop B&S c.s. hebben gereageerd. De rolrechter heeft partijen op 15 augustus 2012 zijn beslissing om geen pleidooi toe te staan mondeling laten mededelen. B&S c.s. hebben bij faxbrief van 17 augustus 2012 hierop gereageerd.
7.
De Rechtbank Groningen heeft vervolgens in zijn in cassatie bestreden vonnis het verzoek tot het houden van pleidooi afgewezen. Daarbij heeft zij voorts bepaald dat tegen dit vonnis tussentijds cassatieberoep openstaat en dat het instellen van cassatieberoep schorsende werking heeft.
8.
De bepaling in het bestreden vonnis dat tussentijds cassatieberoep openstaat beheist een kennelijke vergissing. B&S c.s. hebben zich bij faxbrief van 3 september 2012 tot de Rechtbank gewend op de voet van artikel 31 Rv met het verzoek het vonnis te herstellen in die zin dat tussentijds hoger beroep wordt opengesteld. Newconomy c.s. hebben bij faxbrief van 4 september 2012 tegen dit verzoek aangevoerd dat geen sprake is van een vergissing en dat de Rechtbank terecht tussentijds cassatieberop heeft opengesteld.
9.
De Rechtbank heeft bij brief van 13 september 2012 het verzoek tot herstel van het bestreden vonnis afgewezen. Om te voorkomen de Rechtbank vonnis wijst in het incident voordat B&S c.s. gelegenheid heeft gehad de afwijzing door de Rechtbank van haar pleidooiverzoek aan een hogere instantie voor te leggen, stellen B&S c.s. zowel cassatieberoep als hoger beroep in. Ondanks het feit dat de Rechtbank cassatieberoep heeft opengesteld van het tussenvonnis van 29 augustus 2012, is B&S c.s. ontvankelijk in haar hoger beroep op de voet van 340 Rv. Verlof van de Rechtbank is daarvoor niet vereist, omdat in het verlof tot het instellen van cassatieberoep, het verlof tot het instellen van hoger beroep op grond van art. 340 Rv. besloten ligt.2. Het onderhavige cassatieberoep is ingesteld voor het geval dat nodig is in het kader van art. 340 Rv.
Klachten
10.
Het cassatiemiddel richt zich tegen het oordeel van de Rechtbank in rov. 2.1 t/m 2.5 en het dictum, tot afwijzing van het verzoek om pleidooi in het incident Dit oordeel is rechtens onjuist althans ontoereikend gemotiveerd.
Onderdeel 1 — recht op pleidooi
11.
De Rechtbank heeft in rov. 2.2 miskend dat B&S c.s. op grond van artikel 134 jo 208 lid 1 Rv, alsmede artikel 6 EVRM, recht hadden op pleidooi in het incident, en dat, indien zoals in het onderhavige geval geen comparitiezitting heeft plaatsgevonden, een verzoek tot pleidooi slechts in zeer uitzonderlijke gevallen kan worden afgewezen, te weten indien
- (i)
door de wederpartij klemmende redenen tegen toewijzing worden aangevoerd; of
- (ii)
toewijzing strijdig zou zijn met de eisen van een goede procesorde.
Daarbij dient de rechter in elk van deze gevallen zijn redenen voor afwijzing van het verzoek uitdrukkelijk te vermelden en zijn beslissing daaromtrent deugdelijk te motiveren. De Rechtbank heeft niet geoordeeld dat sprake was van klemmende redenen tegen toewijzing van het verzoek om pleidooi, noch heeft zij geoordeeld dat toewijzing strijdig zou zijn met de goede procesorde, althans, zo zij dit wel heeft gedaan, is dit oordeel ontoereikend gemotiveerd, nu haar vonnis hier geen blijk van geeft. Aldus heeft de Rechtbank ten onrechte, althans onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd, het verzoek om pleidooi afgewezen.
12.
Daarbij heeft de Rechtbank voorts in rov. 2.1, bij zijn oordeel over het verzoek om pleidooi ten onrechte geoordeeld dat een bewuste keuze van de wetgever om de mogelijkheid tot het nemen van verdere conclusies (van repliek en dupliek) te beperken zich niet met een ongeclausuleerd recht op pleidooi in een incident verdraagt, onder verwijzing naar artikel 208 lid 2 Rv en de parlementaire geschiedenis bij deze bepaling.3. Daarbij heeft de Rechtbank miskend dat het recht op pleidooi (ook in het incident)zijn oorsprong vindt in (mede aan artikel 6 EVRM ontleende) fundamentele beginselen van procesrecht, die meebrengen dat een procespartij, indien zij zulks verzoekt, de gelegenheid behoort te hebben haar standpunt mondeling ten overstaan van de rechter uiteen te zetten, zodat enige beperking op het nemen van schriftelijke conclusies (op grond van artikel 208 lid 2 Rv) niet aan dit recht om mondeling gehoord te worden kan afdoen.
13.
Mede in het licht van de hoge motiveringseisen die aan afwijzing van een verzoek om pleidooi worden gesteld (zie nr. 11), is het oordeel van de Rechtbank voorts rechtens onjuist althans onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd, waar de Rechtbank in rov. 2.2 oordeelt dat de afwijzing van het verzoek om pleidooi geen strijd oplevert met artikel 6 EVRM omdat er in de hoofdzaak nog een mondelinge behandeling zal plaatsvinden in de vorm van een comparitie of een pleidooi. Dat in de hoofdzaak een mondelinge behandeling kan plaatsvinden, is immers irrelevant voor de vraag of B&S c.s. hun standpunt in het incident ex artikel 843a Rv mondeling kunnen toelichten, nu de Rechtbank op het incident zal beslissen voordat deze mondelinge behandeling in de hoofdzaak plaatsvindt.4. Daarmee kan een mondelinge behandeling in de hoofdzaak geen recht doen aan het recht van B&S c.s. op een mondelinge behandeling in het incident.
Onderdeel 2 — motivering verzoek om pleidooi
14.
De Rechtbank heeft voorts in rov. 2.3 en 2.4, rechtens onjuist, althans onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd, geoordeeld dat van partijen die pleidooi vragen in een incident verwacht mag wonden dat zij deugdelijk motiveren waarom pleidooi in dit specifieke geval aangewezen is. De Rechtbank heeft miskend dat een verzoek om pleidooi niet gemotiveerd behoeft te worden, nu als uitgangspunt recht op pleidooi bestaat (zie Onderdeel 1), althans dat het enkele feit dat een motivering ontbreekt niet, althans niet zonder meer, kan leiden tot afwijzing van het wettelijk en verdragsrechtelijk verankerd recht op pleidooi. Voor zover de Rechtbank heeft bedoeld te verwijzen naar artikel 5.1 van het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de rechtbanken, waarin vermeld staat dat een partij die pleidooi vraagt dit gemotiveerd dient te doen, heeft de Rechtbank miskend dat het bepaalde in een procesreglement niet kan afdoen aan het hiervoor beschreven recht op pleidooi.
15.
Hier komt nog bij dat B&S c.s. hun pleidooiverzoek in eerste instantie niet hadden toegelicht, omdat zij ten behoeve van hun pleidooiverzoek verhinderdata van Newconomy c.s. hadden gevraagd en deze laatsten deze verhinderdata hadden gegeven, zonder bezwaar te maken tegen het pleidooiverzoek. Toen bleek dat Newconomy c.s. op 14 augustus 2012, de dag vóór de rolzitting waarop formeel het pleidooiverzoeK werd gedaan, alsnog bezwaar maakten tegen het pleidooiverzoek, hebben B&S c.s. op de dag van die rolzitting, 15 augustus 2012, een verzoek gedaan om twee weken uitstel te krijgen ten einde hun pleidooiverzoek te mogen toelichten. Ten onrechte en in ieder geval zonder toereikende motivering heeft de Rechtbank dat verzoek gepasseerd en meteen op 15 augustus 2012 het pleidooiverzoek afgewezen. De Rechtbank heeft miskend dat zij B&S c.s. in de genoemde omstandigheden in de gelegenheid had moeten stellen om het pleidooiverzoek toe te lichten. Althans heeft de Rechtbank niet voldoende gemotiveerd waarom zij B&S c.s. niet in de gelegenheid heeft gesteld haar pleidooiverzoek toe te lichten. Voor zover de Rechtbank de fax van B&S c.s. van 17 augustus 2012 als toelichting op het pleidooiverzoek heeft aangemerkt, is dat onbegrijpelijk nu uit die fax onmiskenbaar blijkt dat die is geschreven nadat de Rechtbank reeds had beslist het pleidooiverzoek af te wijzen, nu in die fax is vermeld de beslissing van de Rechtbank ‘dat de zaak voor vonnis in het incident staat’. Daaraan doet niet af dat het bestreden vonnis dateert van 29 augustus 2012. Dat vonnis behelst klaarblijkelijk de schriftelijKe neerslag van de beslissing het pleidooiverzoek af te wijzen die reeds op 15 augustus 2012 was genomen.
OP GROND VAN DIT MIDDEL:
Vorderen B&S c.s. dat het vonnis waartegen het cassstieberoep is gericht door de Hoge Raad zal worden vernietigd, met zodanige verdere beslissing als de Hoge Raad passend zal achten, kosten rechtens.
[(tk)] Deurwaarder
De kosten van dit exploot zijn: [€ 76.17]
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 17‑09‑2012
HR 21 maart 2008, NJ 2008/178, rov. 3.5.1.
De rechtbank doelt hierbij schijnbaar op de parlementaire geschiedenis, zoals aangehaald in haar tussenvonnis van 4 april 2012, rov. 2.1, naar aanleiding van een door B&S c.s. opgeworpen vrijwaringsincident waarin tevens pleidooi was verzocht.