Hof Amsterdam, 24-10-2023, nr. 23-002628-21
ECLI:NL:GHAMS:2023:2678
- Instantie
Hof Amsterdam
- Datum
24-10-2023
- Zaaknummer
23-002628-21
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHAMS:2023:2678, Uitspraak, Hof Amsterdam, 24‑10‑2023; (Raadkamer)
Cassatie: ECLI:NL:HR:2026:44
Uitspraak 24‑10‑2023
Inhoudsindicatie
Belediging ambtenaar en vordering benadeelde partij
proces-verbaal terechtzitting
GERECHTSHOF AMSTERDAM
datum arrest 24 oktober 2023
parketnummer 23-002628-21
datum vonnis eerste aanleg 24 september 2021
parketnummer 13-232846-20
Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van dit gerechtshof, enkelvoudige kamer, op 24 oktober 2023.
Tegenwoordig:
mr. R.A.E. van Noort raadsheer,
en mr. A.C. Vermeijden griffier.
Het openbaar ministerie wordt vertegenwoordigd door mr. J.T. van Horen, advocaat-generaal.
De raadsheer doet de zaak tegen na te noemen verdachte uitroepen.
De verdachte,
opgeroepen als:
[verdachte] ,
geboren [geboortedag] 1979 te [geboorteplaats] ,
adres: [adres 1] ,
is niet verschenen.
Als raadsman van de verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. J.H.S. Vogel, advocaat te Rotterdam, die desgevraagd verklaart dat de verdachte op de hoogte is van de zitting en door de verdachte uitdrukkelijk te zijn gemachtigd als advocaat de verdachte te verdedigen.
De benadeelde partij [benadeelde partij 1] is ter terechtzitting verschenen. Hij verklaart dat de andere benadeelde partij, [benadeelde partij 2] vandaag niet aanwezig kan zijn.
Het hof hervat het onderzoek ter terechtzitting in de stand waarin het zich op 21 maart 2023 bevond.
De raadsheer deelt mede dat het onderzoek ter terechtzitting op 21 maart 2023 is geschorst nadat de verdachte de raadsheer had gewraakt. Het wrakingsverzoek is later ingetrokken.
De raadsman van de verdachte, die hoger beroep heeft ingesteld, wordt in de gelegenheid gesteld mondeling zijn bezwaren tegen het vonnis op te geven. Hij zegt dat zijn cliënt vindt dat hij ten onrechte is veroordeeld en ook dat hij de straf te zwaar vindt.
Desgevraagd door de voorzitter verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 1] zijn eerder ingediende verzoek tot immateriële schadevergoeding te handhaven, te weten € 400,00.
De voorzitter bespreekt kort samengevat de inhoud van de stukken in het dossier en vermeldt dat het coronavirus in Nederland circuleerde ten tijde van de tenlastegelegde feiten en er allerlei maatregelen van kracht waren in verband hiermee.
De raadsman antwoordt op vragen van de raadsheer:
De drie personen, werkzaam bij de parketpolitie van de rechtbank Amsterdam, die betrokken waren bij het incident in eerste aanleg, zijn als getuigen zijn gehoord bij de rechter-commissaris.
Er lopen op dit moment veel strafzaken tegen cliënt. De wrakingsverzoeken die hij doet bij de rechtbank worden in principe niet meer in behandeling genomen. Er is reden tot zorg. De zorgcoördinator van de politie Amsterdam heeft cliënt in beeld. Ik heb net nog contact gehad met de zorgregisseur van de gemeente Amsterdam hoe rechtszaken voorkomen kunnen worden. Ik bagatelliseer het bijten niet, maar je kunt je wel afvragen of zaken niet op een andere manier opgelost kunnen worden. Cliënt heeft autistische trekken en er zijn zorgen omtrent zijn psyche. Cliënt zegt hulp te zoeken voor zijn psychische problemen. Ik heb vandaag een mailtje gekregen van de vader van cliënt die schrijft dat de situatie van cliënt dermate is verslechterd dat hij een beroep wil doen op uw begrip voor de situatie van zijn zoon. Cliënt kan niet meer voor zichzelf zorgen vanwege psychische problemen, ondanks zijn intelligentie. De lat om bij de psychiatrie binnen te komen ligt hoog. Hij is allergisch voor de Reclassering, dus er komt geen rapport. Als het wat beter gaat met cliënt maak ik een afspraak met hem en de zorgregisseur om te bezien of er zaken bespoedigd kunnen worden. Het is duidelijk dat cliënt in de knel zit. Er zijn gebiedsverboden geweest. Cliënt woont in de [adres 1] , schuin tegenover het advocatenkantoor dat hem in het verleden heeft bijgestaan. Hij wordt ervan beschuldigd hen lastig te vallen. Daarom dat gebiedsverbod. Cliënt heeft in voorlopige hechtenis gezeten omdat hij het straatverbod overtrad. Zijn bijstandsuitkering stopt dan, terwijl zijn huur gewoon doorloopt, waardoor hij het dubbel voor zijn kiezen krijgt. Hij heeft ook al wat gevangenisstraf ondergaan, maar het lijkt nu strafrechtelijk rustig. Cliënt heeft aangeklopt bij de intake van de GGZ. Daar is hij verwezen naar een forensische instelling. Hij staat op de wachtlijst voor [instelling] . Of daarvoor een zorgmachtiging nodig is weet ik niet.
De advocaat-generaal en de raadsman delen mede geen behoefte te hebben aan het voorhouden van stukken.
De raadsheer stelt de benadeelde partij [benadeelde partij 1] in staat het woord te voeren.
De benadeelde partij voert het volgende aan:
Ik heb inderdaad € 400,00 verzocht als schadevergoeding. Het gaat om een zaak uit 2020, midden in de Covid periode, toen er maatregelen van toepassing waren. Ik ben door het gebeuren wel in de stress geraakt. Van nature ben ik niet bang aangelegd, maar ik heb wel kinderen thuis. Elke week was er wel crisis, dus stress. Toen ik ben gebeten ben ik gelijk naar het AMC gereden. Daar heb ik een prik gehad. Later heb ik aangifte gedaan. Mijn schoonvader heeft COPD. Het gebeuren heeft veel meer impact gehad dan wij dachten. In het verleden ben ik bij defensie werkzaam geweest en heb ik gewerkt als portier, zodat ik wel wat gewend ben qua geweldsexplosies. Maar dit was heel heftig, mijn collega kreeg een gooi van de verdachte. Daarna hebben wij gehandeld zoals wij geleerd hebben. Ik zag dat de verdachte mij beet.
De advocaat-generaal voert het woord en leest de vordering voor. Die wordt aan het gerechtshof overgelegd en in het dossier gevoegd. De advocaat-generaal voert het volgende aan:
Feit 1 kan wettig en overtuigen worden bewezen en staat niet ter discussie. Feit 2, het spugen in het gezicht, is primair ten laste gelegd als bedreiging en subsidiair als belediging. In eerste aanleg is de verdachte voor het primair tenlastegelegde veroordeeld. Het was toen een heftige tijd met maatregelen en ziekenhuisopnames, die nog in het geheugen gegrift staat. De maatregelen waren er om de risico’s van besmetting te beperken. Met andere woorden, er was sprake van een onzekere tijd. Er zijn mensen veroordeeld die willens en wetens andere mensen in het gezicht spuugden. Het is van belang om vast te stellen onder weke omstandigheden er is gespuugd om te kunnen concluderen dat er sprake is geweest van bedreiging. In deze zaak is de verdachte volledig door het lint gegaan. Weliswaar in een situatie dat er sprake was van corona maatregelen, maar niet met uitlatingen dat hij corona had en de ander wilde besmetten. Het opzet dat je iemand anders iets aan wil doen ontbreekt. Het subsidiaire feit, belediging, kan wel wettig en overtuigend worden bewezen. Dat maakt het feit niet minder ernstig. Het blijft vies. Maar er hangt wel een andere kwalificatie aan. Ik acht feit 1 en feit 2 subsidiair wettig en overtuigend bewezen. Vier weken gevangenisstraf zoals opgelegd door de politierechter vind ik wel gepast. Argumenten om daar fors van af te wijken heb ik niet. Inmiddels heeft de verdachte documentatie van dertien pagina’s. Verbetering lijkt niet op te treden. Ik mis de argumenten om anders te reageren dan met afstraffing. Ik wil er wel rekening mee houden dat het een ouder feit betreft, uit 2020. Het moet de verdachte duidelijk zijn dat hij niet zo kan reageren.
Ik vorder dat de verdachte ten aanzien van het onder 1 en onder 2 subsidiair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken met aftrek van voorarrest.
Ten aanzien van de benadeelde partijen vorder ik dat er beslist zal worden als in eerste aanleg, beiden € 400,00 schadevergoeding, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel met toekenning van de wettelijke rente vanaf 15 september 2020.
De raadsman voert het woord tot verdediging.
Ten aanzien van het onder 2 primair tenlastegelegde. Om bewezen te achten dat door het spugen de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht dan wel zware mishandeling moet dit kunnen volgen uit de kennis die de verdachte heeft en de omstandigheden van het geval, waaruit voorwaardelijk opzet afgeleid zou kunnen worden. In deze zaak zijn die omstandigheden en kennis niet aanwezig.
Spugen kan wel belediging opleveren hetgeen onder 2 subsidiair is tenlastegelegd. Er zit echter wel een verhaal aan vast. Ik was die dag ook op de rechtbank, voor een zaak van de verdachte. Ik heb het incident echter niet meegekregen die dag. Ik zat in de zaal en er werd gezegd dat mijn cliënt niet zou verschijnen en dat hij beneden (cellencomplex) zat. De zaak heeft daarna stilgelegen. Ik heb een enorme waslijst aan zaken van cliënt. Hij heeft deze zomer een aantal weken vastgezeten. In oktober ook twee weken. Dat heeft er wel enigszins bij hem ingehakt. Het contact met de zorgcoördinator verliep niet goed. Er lijkt langzaam sprake te zijn van een iets gunstigere ontwikkeling. Nadat hij eerst totaal geen afspraken wilde maken, wil hij nu toch wel iets van de grond krijgen. Ik snap dat de advocaat-generaal zocht naar een mogelijkheid om tot een voorwaardelijke straf te komen. Ik ga dat toch voorstellen. Ik verzoek het hof één dag gevangenisstraf op te leggen, met aftrek van voorarrest die de verdachte al in verzekering heeft doorgebracht. Er wacht cliënt in hoger beroep nog het een en ander aan rechtszaken. Er zal alleen iets veranderen als er iets structureels van de grond komt. Ik heb nu contact met de zorgregisseur en komende maand is er een afspraak bij Fivoor waar cliënt graag naar toe wil. Indien hij meerdere straffen opgelegd krijgt zal dit worden doorkruist. Er is een kleine kans dat het gaat lukken, ik maak het niet mooier dan het is.
Over de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] heb ik geen opmerkingen. [benadeelde partij 2] heeft de vordering gebaseerd op feit 2 primair, dan is € 400,00 wel veel geld voor een belediging, ondanks dat spugen vervelend is.
De advocaat-generaal wordt in de gelegenheid gesteld het woord te voeren in repliek.
De advocaat-generaal voert het volgende aan:
Ik kan mij inleven in de positie van de raadsman. Ik vind het wel erg dun. De verdachte is allergisch voor de Reclassering, eigenlijk voor iedereen die gezag uitstraalt. Er is begeleiding aangeboden en er zijn veel feiten door hem gepleegd tegen gezagsdragers. Mijn standpunt is dat de verdachte zijn kansen heeft gehad en er nu zelf voor moet zorgen dat hij uit de problemen blijft.
De raadsman wordt in de gelegenheid gesteld het woord te voeren, in dupliek.
De raadsman voert het volgende aan.
Er schijnt autisme in de familie van cliënt voor te komen. Er zit een psychiatrische kant aan deze zaak. Gezien de aard en de omstandigheden van deze feiten speelt dat een rol. Het is niet makkelijk om voor de psychische problemen van cliënt hulp te krijgen.
Aan de raadsman wordt het recht gelaten het laatst te spreken.
De raadsheer verklaart het onderzoek gesloten en deelt mee terstond mondeling arrest te zullen wijzen.
De raadsheer spreekt het arrest uit ter openbare terechtzitting.
De raadsheer geeft aan dat de verdachte en de advocaat-generaal binnen 14 dagen beroep in cassatie kunnen instellen tegen dit arrest.
AANTEKENING VAN HET MONDELING ARREST
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
Feit 1:
hij op of omstreeks 15 september 2020 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk mishandelend een ambtenaar, te weten (de in uniform geklede) [benadeelde partij 1] , werkzaam bij de parketpolitie van de rechtbank Amsterdam, gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, tijdens controle en/of handhaving werkzaamheden, (met kracht) in de/een arm(en), althans het lichaam heeft gebeten, waardoor voornoemde [benadeelde partij 1] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;
feit 2 primair:
hij op of omstreeks 15 september 2020 te Amsterdam [benadeelde partij 2] , werkzaam bij de parketpolitie van de rechtbank Amsterdam heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door op (zeer) korte afstand tegen/op/in en/of in de richting van, het gezicht, althans het hoofd van voornoemde [benadeelde partij 2] te spugen;
feit 2 subsidiar:
hij op of omstreeks 15 september 2020 te Amsterdam opzettelijk beledigend (een) ambtenaar, te weten [benadeelde partij 2] , werkzaam bij de parketpolitie van de rechtbank Amsterdam, gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, op/tegen/in het gezicht en/of de reichting van het gezicht althans het hoofd van voornoemde [benadeelde partij 2] heeft gespuugd, terwijl hij, verdachte, zich op zeer korte afstand bevond van voorneomde [benadeelde partij 2] .
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378avan het Wetboek van Strafvordering.
Vrijspraak
Ten aanzien van het onder 2 primair tenlastegelegde
Met de raadsman en de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet had op het ontstaan van redelijke vrees bij [benadeelde partij 2] , zodat de verdachte van feit 2 primair wordt vrijgesproken.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en onder 2 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan met dien verstande dat:
feit 1:
hij op 15 september 2020 te Amsterdam, opzettelijk mishandelend een ambtenaar, te weten, de in uniform geklede [benadeelde partij 1] , werkzaam bij de parketpolitie van de rechtbank Amsterdam, gedurende en terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, tijdens controle en handhaving werkzaamheden, met kracht in de arm heeft gebeten, waardoor voornoemde [benadeelde partij 1] letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;
feit 2 subsidiair:
hij op 15 september 2020 te Amsterdam opzettelijk beledigend een ambtenaar, te weten [benadeelde partij 2] , werkzaam bij de parketpolitie van de rechtbank Amsterdam, gedurende en terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in het gezicht en in de richting van het gezicht heeft gespuugd, terwijl hij, verdachte, zich op korte afstand bevond van voornoemde [benadeelde partij 2] .
Hetgeen onder 1 en 2 subsidiair meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals die hieronder zijn opgenomen.
Bewijsmiddelen
Ten aanzien van feit 1
1. Een proces-verbaal aangifte, met bijlagen, met nummer PL1300-2020195660-6 van 15 september 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [doorgenummerde pagina’s 6 tot en met 9].
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 15 september 2020 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van [benadeelde partij 1]:
Ik doe aangifte van mishandeling.
Functie
Ik ben werkzaam bij Parket politie rechtbank Amsterdam (BB&V), gevestigd op [adres 2] .
Melding
Op dinsdag 15 september 2020, rond 15.10 uur, bevond ik mij in de kantine van de
wacht bij de BB&V. Daar kreeg ik via de assistent-wachtcommandant mondeling de
melding om te gaan naar de bode met het verzoek of er twee collega's konden kijken
bij balie 6. Ik ging vervolgens samen mijn collega's [benadeelde partij 2] en [verbalisant]
richting balie 6.
Ter plaatse
Diezelfde dag, ongeveer 1 minuut later, kwamen wij aan bij balie 6.
De situatie was als volgt:
Beneden op de begane grond zit een bodebalie. Daar zorgen ze ervoor dat elk persoon
die naar een rechtszaal moet een apparaatje krijgt. De rechtszaal bevindt zich op de
derde etage. Met dit apparaatje ontvang je een signaal wanneer je naar boven mag. De
verdachte was in het bezit van zo'n kastje. De verdachte moest dus op afroep naar
boven, en niet op eigen gelegenheid. Dit is een Corona-maatregel.
Wij kregen te horen dat de verdachte al meerdere keer aangesproken en gecorrigeerd
was door het personeel van de rechtbank. Dit heeft de verdachte waarschijnlijk niet
opgevolgd, en daarom werden wij opgeroepen.
Aanspreken
Ik zag dat mijn collega [verbalisant] voorop liep. Ik hoorde dat hij de verdachte als eerste
aansprak. Hij sprak hem in zowel de Nederlandse als de Engelse taal aan. Wij zagen
dat de verdachte niet reageerde op het aanroepen. Ook qua lichaamstaal totaal niet.
Ik zag dat de verdachte op het knopje van de lift had gedrukt. Hij stond pal voor de
lift namelijk. Ik kreeg hierdoor in de gaten dat de verdachte van plan was om in de
lift te stappen en naar boven te gaan. Dit is niet de bedoeling, omdat dit op afroep
is.
Ik nam links van de verdachte positie in, [verbalisant] stond aan zijn rechterzijde en
[benadeelde partij 2] stond achter de verdachte. De verdachte stond met zijn gezicht richting de
lift. Ik zag dat de liftdeur open ging. [verbalisant] tikte de verdachte aan bij zijn
schouder, omdat het niet de bedoeling was dat de verdachte de lift in zou stappen. De
verdachte wilde namelijk niet luisteren. De verdachte draaide zich om naar [verbalisant] . Ik
zag dat de verdachte [verbalisant] een los duwtje gaf met beiden handen. Ik zag dat [verbalisant] de verdachte wilde vastpakken. Ik zag dat de verdachte zijn rechterhand tot een vuist maakte en hiermee wilde uithalen naar [verbalisant] . Ik zag dat de verdachte zijn rechterarm omhoog trok. Ik anticipeerde direct op dit moment om te voorkomen dat mijn collega geslagen zou worden door de verdachte. Ik pakte de
verdachte van achteren vast en liet me samen met hem lichtelijk achterover en naar beneden vallen.
Bijten
Ik lag vervolgens op mijn rug in het hoekje tussen de lift en de bank naast de lift.
Wij wilden naar een fixatie van de ledematen van de verdachte toewerken. Ik zag
vervolgens dat de verdachte in mijn linker bovenarm ter hoogte van mijn biceps beet.
Hij beet ongeveer een seconde of 20 lang. Op dat moment voelde ik niet veel. Dit kwam
denk ik door de adrenaline. Ik voelde wel dat mijn huid ergens tussen zat.
Tijdens aangifte
Nu, tijdens het doen van aangifte, op dinsdag 15 september 2020 te 21.45 uur, heb ik
wel een branderig gevoel ter hoogte van mijn linker biceps. Ik zie ook een rode
bijt-afdruk. Ik heb hier een foto van gemaakt en deze kan bij de aangifte worden
gevoegd.
Noot verbalisant: ik zie op de linker biceps van de aangever een rode afdruk in de
vorm van een gebit. De afdruk is ook lichtelijk opgezwollen.
Ten aanzien van feit 2 subsidiair
2. Een proces-verbaal aangifte, met bijlagen, met nummer PL1300-2020195660-7 van 16 september 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [doorgenummerde pagina’s 3 tot en met 5].
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 15 september 2020 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van [benadeelde partij 2]:
Ik ben werkzaam als parket politie bij de rechtbank Amsterdam gelegen aan de
Parnassusweg 220 te Amsterdam.
Op dinsdag 15 september 2020 omstreeks 14:20 uur was ik werkzaam als bijzonder
opsporingsambtenaar en was ik belast met surveillancedienst binnen de genoemde
rechtbank.
Ik kreeg samen met mijn collega's [benadeelde partij 1] en [verbalisant] , de melding om te gaan naar
bodebalie 5. Daar zou namelijk een man aan de balie staan die zich recalcitrant
gedroeg en niet wilde luisteren naar de bode. Zij heeft vervolgens een noodoproep
gedaan en daardoor kwamen wij met enige spoed die kant op.
In de rechtbank gelden op het moment extra regels door corona. De man had aangegeven
aan de bode hier niet aan mee te willen werken en liep dus daarom richting de lift.
Mijn collega's en ik probeerden de man aan te spreken. Wij zagen dat de man niet op
ons aanroepen reageerde. Ik zag dat de man door bleef lopen richting de lift.
Op een gegeven moment kwam de man aan bij de lift. Ik zag dat collega [verbalisant] de
weg versperde naar de lift. Dit deed hij door zijn arm uit te steken voor de man, om
zodoende nogmaals duidelijk te maken dat de man niet de lift in mocht.
Ik zag dat de man ineens de hand van mijn collega [verbalisant] weg sloeg en ineens in
de richting van mijn collega dook om hem aan te vliegen. [verbalisant] stond op dat
moment naast de man. [benadeelde partij 1] stond achter de man. Ik stond weer achter collega
[benadeelde partij 1] . De man ging ineens helemaal door het lint. Hij probeerde mijn collega vast te pakken,
maar gelijk op dat moment grijpt collega [benadeelde partij 1] de man van achteren vast.
Wij hebben alle drie de man tot kalmte gemaand. De man heeft volgens mij al die tijd
niets gezegd, maar bleef zich volop verzetten.
Er ontstond een worsteling, waarbij wij de man probeerden te fixeren. Door het verzet
van de man, lukte dit niet. Tijdens dit verzet zag ik dat de man om zich heen zat te
bijten. Het leek erop alsof hij op zoek was naar een arm om in te bijten. Zijn hoofd
en zijn mond gingen namelijk heel gericht naar een arm van mijn collega.
Vervolgens zag ik dat hij zijn hoofd een beetje naar achteren haalde en vervolgens
zag ik dat hij in mijn richting spuugde. Ik voelde natte spetters spuug in mijn
gezicht. Ik voelde mij hierdoor niet alleen beledigd, maar ik was ook bang dat ik
hierdoor een ziekte op zou kunnen lopen. Ik weet niet of de persoon ziek is, maar ik vind spugen een van de smerigste dingen die iemand mij aan kan doen.
Ten aanzien van feiten 1 en 2 subsidiair
3. Een proces-verbaal van verhoor getuige van 24 maart 2021, opgemaakt door mr. F.G. Hijink, rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Amsterdam [ongenummerde pagina’s].
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 24 maart 2021 tegenover de rechter-commissaris afgelegde verklaring van [verbalisant] :
Als een collega gebeten wordt, dan vergeet je dat natuurlijk niet.
We werden naar de melding gestuurd. Hij liep naar de lift en wij liepen tegen zijn rug te praten. Ik probeerde een gesprek met hem aan te gaan. Zodra de liftdeuren opengingen, is hij feitelijk gelijk vol gas gegaan. Ik werk vijftien jaar bij de rechtbank en ik heb eigenlijk nooit zo meegemaakt dat iemand zo uit het niets ontploft. We raakten in één keer in een stoeipartij. Ik zei eerder dus ‘Meneer,
meneer! Hoe gaat het?’ of ‘Gaat alles goed?’. Toen de liftdeuren opengingen en ik dus ‘in
gesprek’ was met hem, wilde hij meteen doorlopen. Eigenlijk kan je het geen aanspreken
noemen. Ik wilde eigenlijk vragen wat er nu gebeurd was en waarover het geschil met de
bode ging. Hij negeerde me compleet, dus toen legde ik nog een hand op hem en toen ging
het los.
Hij deed heel raar. Hij ging gelijk het gevecht aan, zodat we niet eens de kans kregen om het gesprek aan te gaan. U vraagt mij of ik ook het spugen heb gezien. Ik hoorde hem duidelijk spugen. Ik zag het ook. Alles ging in een razend tempo. Het was meteen spugen. Hij beet mijn collega vol in de arm en toen heb ik hem ook vastgepakt.
4. Een proces-verbaal van aanhouding van 15 september 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [doorgenummerde pagina’s 18 tot en met 19].
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en [verbalisant] :
Op 15 september, omstreeks 15:30 uur bevonden wij ons, in uniform gekleed en belast met zittingswerkzaamheden op de rechtbank aan de Parnassusweg 220 te Amsterdam. Wij hebben eenpersoon aangehouden.
Het bleek te gaan om:
Naam : [verdachte]
Geboortedatum : [geboortedag] -1979
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.
Het onder 2 subsidiair bewezenverklaarde levert op:
eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.
Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.
Oplegging van straf
De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte ten aanzien van het onder 1 en onder 2 primair tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier weken met aftrek van voorarrest.
Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte ten aanzien van het onder 1 en onder 2 subsidiair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken met aftrek van voorarrest.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder dit is begaan, en gelet de persoon van de verdachte.
Het hof heeft bij de strafoplegging in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte is, nadat hij was aangesproken door ambtenaren werkzaam bij de parketpolitie van de rechtbank Amsterdam, die hem in woord en gebaar duidelijk maakten dat hij vanwege de corona maatregelen niet de lift mocht gebruiken, door het lint gegaan, waarbij hij een ambtenaar heeft gebeten en een andere ambtenaar in het gezicht heeft gespuugd.
Het hof rekent het de verdachte aan dat hij geweld heeft gebruikt tegen een ambtenaar die zijn taak uitvoerde en die door het bijten pijn en letsel heeft opgelopen.
Daarnaast rekent het hof de verdachte aan dat hij niet heeft geschroomd om de andere ambtenaar te bespugen. Het bespugen van iemand is zeer smerig en vernederend. Dit is grievend geweest voor de ambtenaar, die gewoon zijn werk deed. De verdachte heeft met dit bijzonder onsmakelijke gedrag een gebrek aan respect voor het openbaar gezag aan de dag gelegd.
Gelet op de ernst en aard van de feiten, kan niet worden volstaan met een andere straf dan een gevangenisstraf. Het hof houdt rekening met hetgeen de raadsman van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft aangevoerd ten aanzien van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarnaast houdt het hof rekening met de oudheid van het feit.
Het hof acht, alles afwegende, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 400,00 ter zake van immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep volledig toegewezen.
De benadeelde partij heeft zich, ter terechtzitting in hoger beroep, opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
De advocaat-generaal heeft gevorderd de vordering toe te wijzen tot een bedrag van € 400,00.
De raadsman heeft de vordering niet betwist.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Hij heeft niet alleen lichamelijk letsel opgelopen, maar het handelen van de verdachte heeft ook psychische gevolgen gehad voor hem. Het hof stelt het bedrag aan immateriële schade naar billijkheid vast op € 400,00. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.
Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.
Het toegewezen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 september 2020 tot de dag der algehele voldoening.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 500,00 ter zake van immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 400,00 en voor het overige is de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.
De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd. Het hof heeft in hoger beroep te oordelen over de gevorderde schadevergoeding voor zover deze in eerste aanleg is toegewezen.
De advocaat-generaal heeft gevorderd de vordering toe te wijzen tot een bedrag van € 400,00.
De raadsman heeft de hoogte van de vordering betwist.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 2 subsidiair bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Het handelen van de verdachte heeft psychische gevolgen voor hem gehad. Het hof stelt het bedrag aan immateriële schade naar billijkheid vast op € 200,00. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat het bewezenverklaarde feit een dusdanige ernstige inbreuk op de (lichamelijke) integriteit van de benadeelde partij vormt, dat dit in zichzelf als aantasting van de persoon op andere wijze dient te worden beschouwd.
De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. Voor het overige is uit het onderzoek ter terechtzitting onvoldoende gebleken dat de benadeelde partij rechtstreekse schade heeft geleden. De verdachte is in zoverre niet tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering voor het overige zal worden afgewezen.
Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.
Het toegewezen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 september 2020 tot de dag der algehele voldoening.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en onder 2 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 en 2 subsidiair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) week.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 400,00 (vierhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 1] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 400,00 (vierhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 8 (acht) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 15 september 2020.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] ter zake van het onder 2 subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 200,00 (tweehonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 2] , ter zake van het onder 2 subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 200,00 (tweehonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 4 (vier) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 15 september 2020.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de raadsheer en de griffier is vastgesteld en ondertekend.