Zie voor het advies (met een link naar de beleidsreactie): https://www.rsj.nl/documenten/rapporten/2021/01/14/het-perspectiefbesluit-in-de-jeugdbeschermingen voor een laatste stand van zaken de kamerbrief van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de Minister voor Rechtsbescherming van 22 november 2021https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-31839-812.html
Hof Arnhem-Leeuwarden, 03-07-2023, nr. 200.308.962, nr. 200.306.922, nr. 200.308.966
ECLI:NL:GHARL:2023:5554
- Instantie
Hof Arnhem-Leeuwarden
- Datum
03-07-2023
- Zaaknummer
200.308.962
200.306.922
200.308.966
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Bestuursrecht algemeen / Handhaving algemeen
Personen- en familierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHARL:2023:5554, Uitspraak, Hof Arnhem-Leeuwarden, 03‑07‑2023; (Hoger beroep)
ECLI:NL:GHARL:2023:3979, Uitspraak, Hof Arnhem-Leeuwarden, 11‑05‑2023; (Hoger beroep, Tussenbeschikking)
ECLI:NL:GHARL:2022:6492, Uitspraak, Hof Arnhem-Leeuwarden, 26‑07‑2022; (Hoger beroep, Tussenbeschikking)
Cassatie: ECLI:NL:HR:2023:1148
ECLI:NL:GHARL:2022:6496, Uitspraak, Hof Arnhem-Leeuwarden, 26‑07‑2022
- Vindplaatsen
Jeugdrecht.nl JR-2022-0053
JR-Updates.nl 2022-0053
PFR-Updates.nl 2022-0053
Uitspraak 03‑07‑2023
Inhoudsindicatie
Dwangsom. De beslissing van de officier van justitie is verzonden door middel van partijenpost met gebruikmaking van het basispakket van PostNL. Dit brengt mee dat er in deze zaak rekening mee moet worden gehouden dat de beslissing van de officier van justitie pas op de vijfde of zesde dag nadat deze is aangeboden aan PostNL bij de ontvanger is bezorgd. Een redelijke wetstoepassing brengt in dit geval mee dat voor de beantwoording van de vraag wanneer het besluit bekend is gemaakt en dus of tijdig is beslist, niet kan worden uitgegaan van de datum waarop de beslissing van de officier van justitie aan PostNL is aangeboden.
Partij(en)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 14 januari 2022, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. I.N.D.J. Rissema, kantoorhoudende te Dordrecht.
Het tussenarrest
De inhoud van het tussenarrest van 20 oktober 2022 wordt hier overgenomen.
Zaaknummer | : Wahv 200.306.922/01 |
CJIB-nummer | : 234627118 |
Uitspraak d.d. | : 3 juli 2023 |
Het verdere procesverloop
De advocaat-generaal heeft naar aanleiding van het tussenarrest nadere informatie overgelegd.
De gemachtigde van de betrokkene heeft daarop gereageerd.
De advocaat-generaal heeft nogmaals aanvullende informatie overgelegd. Deze informatie is (in kopie) naar de gemachtigde van de betrokkene gestuurd, waarbij de gemachtigde de gelegenheid heeft gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is gebruik gemaakt.
De beoordeling
1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 95,- voor: “motorvoertuig op meer dan twee wielen parkeren bij blauwe streep terwijl niet is voorzien van een duidelijke geplaatste parkeerschijf”. Deze gedraging zou zijn verricht op 19 juni 2020 om 14:47 uur op de Kerkstraat, ter hoogte van nummer 15a, in Schoonhoven met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de betrokkene betwist een bord E10 te zijn gepasseerd op de door haar afgelegde route. Op basis van het dossier kan niet worden vastgesteld dat het bord E10 aanwezig was. Het enkele feit dat het bord E10 er op enig moment (het moment van de foto van Google Maps Street View) heeft gestaan is onvoldoende. De verklaring van de ambtenaar kan deze conclusie ook niet dragen, omdat daarin slechts wordt gesteld dat het hem ambtshalve bekend is dat het bord E10 op iedere toegangsweg staat geplaatst. Daarnaast verklaart de ambtenaar ‘dit bord was aanwezig tijdens de gedraging’, maar onduidelijk is welk bord de ambtenaar bedoelt. Hij verklaart immers verder in het geheel niet dat hij de bebording heeft gecontroleerd.
3. In het aanvullend proces-verbaal van 24 augustus 2021 heeft de ambtenaar verklaard dat op de door de betrokkene gereden route er een bord E10 in de Havenstraat staat op ongeveer 20 tot 30 meter afstand van waar de betrokkene heeft geparkeerd. De advocaat-generaal heeft verder een aanvullend proces-verbaal van 3 juni 2022 overlegd. Hierin verklaart de ambtenaar dat zij op het moment van de controle heeft geconstateerd dat het bord duidelijk zichtbaar en aanwezig was.
4. De ambtenaar verklaart expliciet dat zij ten tijde van de gedraging de relevante bebording heeft gecontroleerd. De bebording bevindt zich ook op korte afstand van de pleeglocatie. Gelet hierop blijkt uit het dossier dat door middel van een bord E10 de parkeerschijfzone was aangegeven. De grond treft geen doel.
5. De gemachtigde voert verder aan de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat de officier van justitie geen dwangsom verschuldigd is. De betrokkene heeft de beslissing van de officier van justitie op 15 januari 2021 ontvangen, waardoor het voor de hand ligt dat de beslissing op 14 januari 2021 is verstuurd. De gemachtigde heeft ter zitting daar aan toegevoegd dat het parket CVOM een ‘Nextweek flex abonnement’ bij PostNL heeft en dat dat meebrengt dat de post niet zoals gebruikelijk een dag na verzending wordt bezorgd, maar dat dit wel tot een week later kan zijn. De gevolgen van deze omstandigheid dienen voor rekening van de officier van justitie te komen. Daarmee is de officier van justitie gedurende zeven dagen een dwangsom verbeurd. De kantonrechter heeft, zonder motivering daarvan, overwogen dat de beslissing van de officier van justitie is verzonden op 4 januari 2021, maar verzending op deze datum blijkt niet uit het dossier.
6. De advocaat-generaal stelt zich op het standpunt dat de (motivering van de) beslissing van de officier van justitie op 7 januari 2021 is verzonden en dat deze beslissing daarom tijdig is gegeven en geen dwangsom verschuldigd is.
7. Artikel 4:17 van de Algemene wet bestuursrecht houdt, voor zover van belang in:
“1. Indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, verbeurt het bestuursorgaan aan de aanvrager een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogte 42 dagen. (…)
3. De eerst dagen waarover de dwangsom verschuldigd is, is de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.”
8. De kantonrechter heeft het verzoek tot vaststelling van de verschuldigdheid en de hoogte van een dwangsom in verband met het niet tijdig beslissen op het administratief beroep afgewezen omdat vanaf 7 januari 2021 recht op een dwangsom bestond en de officier van justitie op 4 januari 2021, dus op tijd, heeft beslist.
9. Niet in geding is dat de officier van justitie niet tijdig heeft beslist op het administratief beroep. Het hof stelt vast dat de gemachtigde de officier van justitie bij brief van 23 december 2020, door de officier van justitie ontvangen op 24 december 2020, in gebreke heeft gesteld.
10. Uit rechtspraak van het hof volgt dat de bepalingen over de termijnen waarbinnen het bestuursorgaan een besluit dient te nemen, (mede) ertoe strekken te waarborgen dat belanghebbenden binnen de in het desbetreffende geval geldende termijn worden geïnformeerd over de besluitvorming, en bij voorkeur over de inhoud daarvan (vgl. het arrest van het hof van 17 juni 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:4926). Voor het antwoord op de vraag wanneer de betrokkene is geïnformeerd, is van belang wanneer een besluit bekend is gemaakt. Dat is op de dag van verzending van het besluit. Van verzending is sprake als het besluit aan het postbedrijf wordt aangeboden ter bezorging.
11. Uit het zaakoverzicht blijkt dat de beslissing van de officier van justitie met dagtekening 12 januari 2021 is verzonden door het CJIB. Uit het dossier blijkt overigens ook dat de gemachtigde op 12 januari 2021 op de hoogte was van de beslissing van de officier van justitie, omdat hij op die datum ook beroep bij de kantonrechter heeft ingesteld.
12. Het dossier bevat (de motivering van de) de beslissing van de officier van justitie met dagtekening 4 januari 2021, die is geadresseerd aan de gemachtigde van de betrokkene. De advocaatgeneraal heeft de verzendadministratie van de Hoorpoule, afdeling Mulder beoordelen overgelegd. Hierin wordt verklaard dat de betreffende brieven ter post zijn bezorgd op 7 januari 2021. Naar het oordeel van het hof is hiermee aannemelijk gemaakt dat de beslissing van de officier van justitie op 7 januari 2021 is aangeboden aan PostNL.
13. De gemachtigde stelt dat hij deze brief pas op 15 januari 2021 heeft ontvangen.
14. Uit door de advocaat-generaal overgelegde informatie blijkt dat poststukken van het parket CVOM worden verstuurd door middel van partijenpost. Hierbij wordt gebruikgemaakt van het basispakket van PostNL. Dit houdt in dat de post dagelijks wordt opgehaald. Voor het bezorgen van de post wordt een bezorgsnelheid gehanteerd van 48-72 uur, verspreid over twee aaneengesloten dagen. De verdeling van twee bezorgdagen (bijvoorbeeld een poststuk dat op maandag wordt aangeboden aan PostNL wordt op woensdag of donderdag bij de geadresseerde bezorgd) gebeurt op basis van postcodes. Deze verdeling is 50/50, wat inhoudt dat 50% van wat wordt aangeboden op woensdag wordt bezorgd en 50% op donderdag. Uit door de gemachtigde overgelegde informatie van de website van PostNL blijkt dat hierbij door de verzender kan worden bepaald of de post wordt bezorgd op dinsdagwoensdag, woensdag-donderdag, donderdag-vrijdag of vrijdag-zaterdag.
15. Onder 12. is overwogen dat (de motivering van) de beslissing van de officier van justitie is aangeboden aan PostNL op donderdag 7 januari 2021. De hiervoor genoemde informatie, met name dat een bezorgsnelheid van 48-72 uur wordt gehanteerd, verspreid over twee aaneengesloten dagen, brengt mee dat er rekening mee moet worden gehouden dat deze beslissing eerst op dinsdag 12 januari 2021 of woensdag 13 januari 2021 is bezorgd. De officier van justitie heeft daarmee niet aannemelijk gemaakt dat (de motivering van) de beslissing van de officier van justitie eerder dan op 13 januari 2021 bij de gemachtigde is bezorgd. Een redelijke wetstoepassing brengt in dit geval mee dat voor de beantwoording van de vraag wanneer het besluit bekend is gemaakt en dus of tijdig is beslist, niet kan worden uitgegaan van de datum waarop (de motivering van) de beslissing van de officier van justitie aan PostNL is aangeboden.
16. Het voorgaande brengt mee dat niet kan worden vastgesteld dat de betrokkene eerder dan op 12 januari 2021, door de in overweging 11 bedoelde door het CJIB toegezonden beslissing, is geïnformeerd over de beslissing op het administratief beroep. Dit betekent in dit geval dat de officier van justitie niet tijdig heeft beslist in de zin van artikel 4:17, eerste lid, van de Awb. De officier van justitie is een dwangsom verschuldigd van 8 januari 2021 tot 12 januari 2021. De hoogte van de sanctie bedraagt € 92,- (4 x € 23,-). Het hof zal de beslissing van de kantonrechter vernietigen voor zover het verzoek om vaststelling van de verschuldigdheid en de hoogte van een dwangsom is afgewezen en bepalen dat de officier van justitie een dwangsom is verschuldigd.
17. Het hof zal beslissen als hierna vermeld. Er is geen aanleiding voor het toekennen van een proceskostenvergoeding.
De beslissing
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter voor zover daarbij het verzoek om vaststelling de verschuldigdheid en hoogte van een dwangsom is afgewezen;
bepaalt dat de officier van justitie een dwangsom van € 92,- verschuldigd is;
bevestigt de beslissing van de kantonrechter voor het overige;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Van der Zee-Venema als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.
Uitspraak 11‑05‑2023
Inhoudsindicatie
Machtiging uithuisplaatsing. Geen ouderschapsbeoordeling plaatsgevonden. Raadsonderzoek gelast.
Partij(en)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummers gerechtshof 200.306.992, 200.308.962 en 200.308.966
(zaaknummers rechtbank Midden-Nederland 526104, 531709, 534662 en 534758)
beschikking van 11 mei 2023
inzake
[verzoekster] ,
wonende te [woonplaats1] ,verzoekster in hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. M.A. van de Weerd te Den Haag,
en
de gecertificeerde instelling
Stichting Samen Veilig Midden-Nederland,
gevestigd te Utrecht,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de GI.
Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:
[de pleegouders] ,
wonende op een geheim adres,
verder te noemen: de pleegouders,
advocaat: mr. G.R. Dorhout-Tielken te Soest.
1. Het verloop van het geding in hoger beroep
In alle zaken
1.1
Voor het verloop van het geding tot 26 juli 2022 verwijst het hof naar zijn tussenbeschikking van die datum.
1.2
Het verdere verloop blijkt uit:
- een brief van de GI met producties van 7 februari 2023;
- een journaalbericht van mr. Dorhout-Tielken van 8 februari 2023 met productie;
- een journaalbericht van mr. Van de Weerd van 9 februari 2023 met producties;
- een mailbericht van de GI van 14 maart 2023 met productie;
- een journaalbericht van mr. Van de Weerd van 21 maart 2023 met producties;
- een mailbericht van de GI van 29 maart 2023 met producties.
1.3
Op 31 maart 2023 is de mondelinge behandeling voortgezet.
Aanwezig waren:
- de moeder, bijgestaan door mr. E.L. de Craen, als waarnemer van mr. Van de Weerd;
- twee vertegenwoordigers van de GI;
- een vertegenwoordiger van de raad;
- de heer [naam1] (pleegvader), bijgestaan door zijn advocaat;
- een vertegenwoordiger van [naam2] als informant;
- [de vader] (hierna: de vader) als informant.
2. De nadere feiten
In alle zaken
2.1
In augustus 2022 heeft de GI de onderhavige zaak intern overgedragen van de regio Foodvalley naar de regio Zuid-Oost.
2.2
Inmiddels zijn de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] (hierna: [de minderjarige] ), geboren [in] 2018 in [plaats1] , door de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, verlengd tot 6 april 2024.
3. De motivering van de beslissing
In alle zaken
3.1
Op de mondelinge behandeling bleek dat de GI en de raad het door mr. Van de Weerd overgelegde journaalbericht van 30 maart 2023 met bijbehorende producties 17 tot en met 24 niet hadden ontvangen. Mr. Dorhout-Tielken heeft bezwaar gemaakt tegen overlegging daarvan, aangezien deze laat was en de GI en de raad deze niet hadden ontvangen. Het hof heeft daarop beslist dat op het journaalbericht en die bijlagen geen acht wordt geslagen, omdat deze omvangrijk en niet eenvoudig te doorgronden zijn, zonder noodzaak pas de dag voorafgaand aan de mondelinge behandeling zijn ingekomen ter griffie van het hof en alle betrokkenen in redelijkheid niet voldoende hebben kunnen kennisnemen van de bijlagen en zich onvoldoende hebben kunnen voorbereiden op een verweer daartegen.
3.2
Het hof blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in de tussenbeschikking van 26 juli 2022, voor zover hierna niet anders wordt overwogen of beslist.
3.3
In die beschikking heeft het hof de bestreden beschikkingen van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 30 september 2021 en 19 januari 2022, uitgesproken onder zaaknummers 526104 respectievelijk 531709, vernietigd voor zover het de beslissing over het perspectiefbesluit op basis van de geschillenregeling betreft en de GI alsnog niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot beoordeling van het perspectiefbesluit op basis van artikel 1:262b BW.
Verder heeft het hof:
- de overige beslissingen – te weten de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing, het verzoek tot vervallen verklaring van de schriftelijke aanwijzing en het verzoek tot gelasten van een deskundigenbericht op grond van artikel 810a Rv – aangehouden in afwachting van het verloop van het traject in [plaats2] ;
- voor de periode vanaf de datum van de tussenbeschikking tot aan de start van het traject in [plaats2] een voorlopige omgangsregeling vastgesteld tussen de moeder en [de minderjarige] waarbij de moeder één uur per week begeleid contact heeft met [de minderjarige] op het kantoor van de GI in Veenendaal.
3.4
De moeder stelt dat zij overal aan heeft meegewerkt en alle stappen heeft gezet die van haar werden verwacht. Na de uithuisplaatsing is er geen hulpverlening meer voor haar ingezet.
De moeder stelt dat het traject in [plaats2] voortijdig is beëindigd als gevolg van handelen door de vader. Het is onterecht dat dit aan haar wordt toegerekend en daardoor het traject is beëindigd. De moeder heeft de relatie met de vader na het incident van januari 2023 direct definitief beëindigd.
De moeder is van mening dat zij [de minderjarige] een stabiele en rustige thuissituatie kan bieden; zij is leerbaar en heeft een groei doorgemaakt in sensitief en responsief reageren zoals zij ook bij de omgang laat zien. Het gedrag dat [de minderjarige] volgens de pleegouders na de omgang met de moeder laat zien, hoeft niet voort te komen uit een negatieve ervaring van [de minderjarige] tijdens de omgang of een trigger in de omgang voor [de minderjarige] , maar kan goed voortkomen uit het feit dat hij de moeder mist.
Het perspectief van [de minderjarige] kan nog niet worden bepaald, omdat nog niet alle middelen om een ouder en kind samen een toekomst te geven, zijn uitgeput. De moeder heeft nog steeds recht op een ouderschapsbeoordeling en staat daarvoor open. De gehele structuur om [de minderjarige] heen lijkt volgens de moeder echter te zijn gericht op het verblijf van [de minderjarige] bij de pleegouders en niet op een hereniging met de moeder. Er is geen contact met de pleegouders, terwijl zij herhaaldelijk, maar tevergeefs, heeft verzocht daar in het belang van [de minderjarige] verandering in aan te brengen. De moeder wil zo nodig meewerken aan een raadsonderzoek. Ook staat de moeder nog open voor een onderzoek op grond van artikel 810a lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).
3.5
De GI voert aan dat zij een nauwe samenwerking is aangegaan met GGZ Drenthe-Beilen. Het traject is op initiatief van GGZ Drenthe-Beilen voortijdig beëindigd vanwege het broze en kwetsbare systeem van de ouders waarbij sprake is van een patroon van huiselijk geweld, alcoholgebruik, het niet uitspreken van zorgen en incidenten. Het incident in januari 2023, waaruit werd afgeleid dat er niets was veranderd bij de ouders, is daarbij een belangrijke factor geweest. De GI vindt het niet in het belang van [de minderjarige] dat de moeder het traject in [plaats2] nog gaat voortzetten. De GI maakt zich zorgen om de toxische relatie tussen de ouders, waarbij nog steeds sprake is van huiselijk geweld. Het patroon van de ouders – van aantrekken en afstoten in combinatie met alcoholgebruik – lijkt onvoldoende te zijn veranderd. Het afstand nemen van elkaar heeft niet geleid tot vermindering van de kans op huiselijk geweld.
[de minderjarige] is een sensitieve getraumatiseerde jongen met hechtingproblemen die veel sturing en begeleiding nodig heeft. Hij is gebaat bij een stabiele en rustige thuissituatie waarbij oog is voor zijn behoeften. [de minderjarige] heeft behoefte aan duidelijkheid in zijn opvoedingsperspectief. Hij woont al de helft van zijn leven bij de pleegouders en is daar gehecht. Het is in zijn belang om bij hen op te groeien. Er lijkt een mate van wantrouwen te bestaan tussen de ouders en de pleegouders.
De omgang tussen [de minderjarige] en de moeder loopt goed. In aanloop naar de opname in [plaats2] heeft [naam3] de moeder opvoedondersteuning gegeven en daaruit bleek dat de moeder beschikt over opvoedvaardigheden. De omgang is wel afhankelijk van de stemming van de moeder. Na de omgang laat [de minderjarige] zorgelijk gedrag zien. Het vraagt veel van de pleegouders om [de minderjarige] hierin goed te begeleiden.
[de minderjarige] heeft momenteel een keer per week omgang; de ene week met de moeder en de andere week met de vader. Het geeft [de minderjarige] te veel stress als beide ouders gelijktijdig omgang met hem hebben. De omgang wordt begeleid door [naam2] en vindt plaats op kantoor van de GI. De GI vindt dat de omgang moet worden teruggeschroefd naar eenmaal per drie weken, waarbij [de minderjarige] de ene keer omgang heeft met de moeder en de andere keer met de vader.
3.6
De pleegouders voeren aan dat het goed is dat het traject in [plaats2] is afgesloten. De opstart van dit traject heeft al veel impact gehad op het leven van [de minderjarige] en dat van het pleeggezin. De wekelijkse omgangsregeling heeft de opvoed- en schoolsituatie van [de minderjarige] verstoord. Na de omgang van [de minderjarige] met de moeder en de vader laat hij ander gedrag zien; [de minderjarige] heeft woede aanvallen, vernielt spullen, wil niet eten en heeft een terugval in babygedrag. Deze gedragsverandering zou worden geobserveerd en onderzocht in het traject in [plaats2] .
De pleegouders hebben hun medewerking verleend aan het opstarten van het traject in [plaats2] . Zij hielden daarbij het belang van [de minderjarige] voor ogen en vonden het belangrijk dat de eerder ingezette hulpverlening kon worden gecontinueerd. De pleegouders wilden voorkomen dat de positieve ontwikkeling die [de minderjarige] – mede dankzij de inzet van gespecialiseerde hulpverlening – bij hen heeft doorgemaakt, zou worden doorbroken. [de minderjarige] is een kwetsbaar en beschadigd kind voor wie stabiliteit en continuïteit in de door de pleegouders geboden veilige opvoedsituatie van groot belang is. [de minderjarige] heeft duidelijkheid nodig. Het is in zijn belang dat hij mag opgroeien in het pleeggezin, zodat hij verder tot ontwikkeling kan komen en opgelopen trauma’s kan verwerken.
De pleegouders verzoeken het hof de bestreden beschikkingen van 19 januari 2022 en de bestreden beschikking van 23 maart 2022 te bekrachtigen.
3.7
De raad heeft op de mondelinge behandeling geadviseerd dat het voor zowel [de minderjarige] als de ouders van belang is dat er duidelijkheid komt over het perspectief van [de minderjarige] . De raad heeft aangeboden een onderzoek te gelasten naar het perspectief van [de minderjarige] om zo de visie van de GI te toetsen. De raad zal daarbij alle informatie naast elkaar leggen en met alle betrokkenen spreken om te kunnen beoordelen of en zo ja welke hulpverlening er is ingezet om de mogelijkheden van terugkeer van [de minderjarige] naar de moeder te bekijken. In een dergelijk onderzoek wordt duidelijk of er nog hulp kan worden ingezet, observaties nodig zijn, zaken moeten worden uitgezocht of dat het belangrijk is dat [de minderjarige] duidelijkheid krijgt en zijn huidige verblijf moet worden gecontinueerd.
Verder vindt de raad de wekelijkse omgangsregeling die er momenteel is met de ouders een enorme belasting voor [de minderjarige] , te meer gelet op de heftige reactie van [de minderjarige] daarna. De raad vindt het in het belang van [de minderjarige] dat goed moet worden bekeken wat de oorzaak is van de reactie van [de minderjarige] op de omgang. De raad ziet meerdere mogelijke oorzaken, waaronder de spanningen die [de minderjarige] voelt omdat de belangrijke mensen om hem heen zich op eilandjes bevinden zonder enige verbinding en onderlinge afstemming. Het is ook mogelijk dat er trauma’s worden getriggerd tijdens de omgang. Dat laatste kan ook een trauma van verlies zijn ofwel het missen van de ouders. De raad kan zich voorstellen dat de omgangsregeling voorlopig wordt teruggeschroefd vanwege de belasting voor [de minderjarige] en het pleeggezin.
3.8
De vader voert aan dat [de minderjarige] een vader nodig heeft. Hij wil het beste voor [de minderjarige] en wil daar samen met de moeder en de pleegouders aan werken.
3.9
[naam2] voert aan dat het mogelijk is dat de omgang met een ouder goed verloopt maar dat een kind daarna toch ontregeld is vanwege, mogelijk onbewuste, triggers van een trauma.
3.10
Het hof oordeelt als volgt.
In de zaken 200.306.992 en 200.308.962
3.11
De perioden waarvoor de machtigingen in de zaak 200.306.992 respectievelijk 200.308.962 zijn verlengd, zijn op 6 april 2022 respectievelijk 7 april 2023 verstreken. Gelet op het door artikel 8 EVRM gewaarborgde recht op eerbiediging van haar gezinsleven, heeft de moeder een rechtens relevant belang om de rechtmatigheid van de verlenging van beide machtigingen over de periode tot 7 april 2023 te laten toetsen en behoort aan haar niet haar procesbelang te worden ontzegd op de enkele grond dat de periode waarvoor de maatregel gold, inmiddels is verstreken.
3.12
Op grond van artikel 1:265b, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. Ingevolge artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter op verzoek van de gecertificeerde instelling, de raad of het openbaar ministerie de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing telkens met ten hoogste een jaar verlengen.
In alle zaken
3.13
Het hof stelt vast dat het ingezette traject in [plaats2] vroegtijdig is beëindigd op initiatief van GGZ Drenthe-Beilen na een incident tussen de ouders in januari 2023. Dit betekent dat er nog steeds geen ouderschapsbeoordeling heeft plaatsgevonden en dat onduidelijk is wat de moeder nog nodig heeft om [de minderjarige] in de thuissituatie te kunnen laten opgroeien. Duidelijk is dat de omgangsregeling tussen [de minderjarige] en de moeder goed verloopt en dat de moeder beschikt over opvoedingsvaardigheden, zoals [naam3] heeft gezien in de aanloop van het traject in [plaats2] .
Het hof overweegt dat nog steeds onduidelijk is wat de oorzaak is van het zorgelijke gedrag van [de minderjarige] – dat hij al voor de uithuisplaatsing had en nog steeds heeft – en de forse ontwikkelingsachterstand.
Zoals het hof in de tussenbeschikking van 26 juli 2022 al heeft overwogen, wordt van de GI verwacht dat zij in het kader van de uithuisplaatsing alle mogelijke hulpverlening inzet die nodig is om tot een terugplaatsing van [de minderjarige] te komen en voordat het perspectief kan worden vastgesteld.
3.14
Op de mondelinge behandeling heeft de raad aangeboden om een onderzoek te doen, waarin duidelijk wordt wat [de minderjarige] nodig heeft, of de moeder dat kan bieden en zo nee, of alle mogelijkheden zijn benut om een mogelijke terugplaatsing bij de moeder te bewerkstelligen. In een dergelijk onderzoek zal duidelijk worden of er nog hulpverlening kan worden ingezet en zo ja welke, of er nog observaties nodig zijn dan wel andere zaken moeten worden uitgezocht.
Het hof zal van het aanbod van de raad gebruik maken omdat het hof zich op grond van de thans beschikbare informatie onvoldoende voorgelicht acht om een verantwoorde beslissing te kunnen geven. Daarom zal het hof de behandeling van de zaak aanhouden en de raad verzoeken een onderzoek in te stellen, zoals hiervoor vermeld, en naar de vraag welke omgangsregeling tussen [de minderjarige] en de moeder het meest in het belang van [de minderjarige] is. Het hof verzoekt de raad in het kader van het onderzoek contacten – en zo mogelijk het verloop daarna – tussen [de minderjarige] en de moeder te observeren. Het hof zal de raad verzoeken om over het verloop van een en ander te rapporteren.
3.15
In afwachting van het raadsrapport zal het hof een – andere – voorlopige omgangsregeling vastleggen tussen [de minderjarige] en de moeder, omdat [de minderjarige] kennelijk fors ontregeld is na de omgang. Onduidelijk is wat daarvan de oorzaak is. Het hof acht de door de GI voorgestelde omgangsregeling van eenmaal per zes weken tussen [de minderjarige] en de moeder te beperkt en zal een omgangsregeling opleggen waarbij zij eenmaal per twee weken begeleid contact met elkaar hebben op het kantoor van de GI.
Het hof overweegt dat het de raad vrij staat om zo nodig gedurende het onderzoek de omgangsregeling in frequentie en/of duur te veranderen.
3.16
Op grond van het vorenstaande zal het hof iedere verdere beslissing aanhouden.
4. De beslissing
Het hof, beschikkende in hoger beroep:
alvorens verder te beslissen:
verzoekt de raad een nader onderzoek in te (doen) stellen als hiervoor onder 3.14 omschreven en daaromtrent uiterlijk op 5 september 2023 te rapporteren aan het hof;
bepaalt dat de behandeling van de zaak zal worden voortgezet op dinsdag 26 september 2023 om 9.00 uur, waarvoor de moeder, de GI, de pleegouders en de raad (en [naam2] en de vader als informant) zullen worden opgeroepen;
bepaalt dat het onderzoek door de raad zal worden verricht onder leiding van het hierbij tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof mr. K.A.M. van Os-ten Have;
bepaalt dat de raad zich voor vragen of opmerkingen betreffende het onderzoek zal kunnen wenden tot voornoemde raadsheer-commissaris;
bepaalt dat partijen hun inlichtingen en verzoeken dienen te richten aan de raadsheer-commissaris;
stelt voor de periode vanaf heden de volgende voorlopige omgangsregeling vast tussen de moeder en [de minderjarige] : de moeder heeft één uur per twee weken begeleid contact met [de minderjarige] op kantoor van de GI, waarbij de frequentie en duur van deze regeling door de raad in het kader van zijn onderzoek mag worden gewijzigd.
Deze beschikking is gegeven door mrs. K.A.M. van Os-ten Have, M.H.F. van Vugt en A.L.H. Ernes, bijgestaan door mr. L.J.G. Scheffer-Overbeek als griffier, en is op 11 mei 2023 uitgesproken door mr. R. Prakke-Nieuwenhuizen in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
Uitspraak 26‑07‑2022
Inhoudsindicatie
Een geschil over een door de gezinsvoogdijinstelling genomen perspectiefbesluit is geen geschil dat door middel van de geschillenregeling aan de kinderrechter kan worden voorgelegd. De GI is alsnog niet-ontvankelijk verklaard door het hof. Artikel 1:262b BW.
Partij(en)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummers gerechtshof 200.306.992, 200.308.962 en 200.308.966
(zaaknummers rechtbank Midden-Nederland 526104, 531709, 534662 en 534758)
beschikking van 26 juli 2022
inzake
[verzoekster] ,
wonende te [woonplaats1] ,verzoekster in hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. M.A. van de Weerd te Den Haag,
en
de gecertificeerde instelling
Stichting Samen Veilig Midden-Nederland,
gevestigd te Utrecht,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de GI.
Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:
[de pleegouders] ,
wonende op een geheim adres,
verder te noemen: de pleegouders.
1. 1. Het geding in eerste aanleg
In de zaak 200.306.992
1.1
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 30 september 2021 en 19 januari 2022, uitgesproken onder zaaknummers 526104 respectievelijk 531709.
In de zaken 200.308.962 en 200.308.966
1.2
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 23 maart 2022, uitgesproken onder zaaknummers 534662 (verlenging uithuisplaatsing) en 534758 (schriftelijke aanwijzing).
2. Het geding in hoger beroep
In de zaak 200.306.992
2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met producties, ingekomen op 16 februari 2022;
- een journaalbericht van mr. Van de Weerd van 22 februari 2022 met een productie;
- een brief (standpuntstuk) van de GI van 8 maart 2022 met producties;
- een mailbericht namens mr. Van de Weerd van 25 maart 2022 met een bijlage.
In de zaak 200.308.962
2.2
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met producties, ingekomen op 24 maart 2022.
In de zaak 200.308.966
2.3
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met producties, ingekomen op 24 maart 2022;
- het verweerschrift van de GI met producties.
2.4
De mondelinge behandeling heeft op 5 juli 2022 plaatsgevonden. Gelet op de onderlinge samenhang zijn deze zaken gelijktijdig behandeld. Aanwezig waren:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- twee vertegenwoordigers van de GI;
- de pleegvader;
- een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming (hierna: de raad);
- [de vader] (hierna: de vader) informant;
- een vertegenwoordiger van [naam1] als informant.
3. De feiten
3.1
De moeder en de vader zijn de ouders van [de minderjarige] (hierna: [de minderjarige] ), geboren [in] 2018 te [plaats1] . De moeder is belast met het gezag over [de minderjarige] .
3.2
Bij beschikking van 7 april 2020 heeft de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie, [de minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI tot 7 april 2021. De ondertoezichtstelling is daarna verlengd, voor het laatst bij de bestreden beschikking en wel tot 7 april 2023.
3.3
Bij beschikking van 11 januari 2021 heeft de kinderrechter een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing voor [de minderjarige] verleend. Op 20 januari 2021 heeft de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een crisispleeggezin verleend tot 6 april 2021.
Bij beschikking van 15 maart 2021 heeft de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een crisispleeggezin verlengd tot 6 oktober 2021.
3.4
Bij (tussen)beschikking van 30 september 2021 heeft de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een crisispleeggezin verlengd tot 6 februari 2022 en iedere verdere beslissing aangehouden.
3.5
Bij de bestreden beschikking van 19 januari 2022 heeft de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd tot 6 april 2022, deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard, en de visie van de GI onderschreven dat het perspectief van [de minderjarige] bij de pleegouders ligt.
3.6
De GI heeft op 2 februari 2022 een schriftelijke aanwijzing gegeven waarin is opgenomen dat de moeder meewerkt aan één uur begeleide omgang met [de minderjarige] , eenmaal per drie weken op het kantoor van de GI. Tweemaal per jaar zal er een evaluatie plaatsvinden, om te kijken hoe dit verloopt en wat [de minderjarige] aan kan. De eerste evaluatie is gepland over drie maanden. Aan de hand daarvan kan de omgang op termijn worden bijgesteld in vorm, duur en frequentie. De draagkracht van [de minderjarige] is hierin leidend.
3.7
Bij de bestreden beschikking van 23 maart 2022 heeft de kinderrechter –uitvoerbaar bij voorraad – de machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 7 april 2023 en verder het primaire verzoek van de moeder tot vervallenverklaring van de schriftelijke aanwijzing van 2 februari 2022 en het subsidiaire verzoek tot vaststelling van een nieuwe omgangsregeling, waarbij sprake is van frequenter en langduriger contact, afgewezen.
3.8
[de minderjarige] is op 12 januari 2021 geplaatst bij de pleegouders.
4. De omvang van het geschil
In de zaak 200.306.992
4.1
De moeder is met twee grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking van 19 januari 2022. De moeder verzoekt het hof:
- -
primair: de bestreden beschikking te vernietigen, voor zover deze ziet op de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing, te bepalen dat het opgroeiperspectief van [de minderjarige] nog niet is bepaald, dat de gezinsopname bij [naam2] doorgang moet vinden en te bepalen dat het opvoedbesluit dat [de minderjarige] verder opgroeit in het pleeggezin nog niet mag worden genomen. Verder verzoekt de moeder, opnieuw beschikkende, het verzoek van de GI tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing alsnog af te wijzen;
- -
subsidiair: op grond van artikel 810a lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) het NIFP – of een soortgelijke instelling – als deskundige aan te wijzen om de in het beroepschrift geformuleerde vragen te beantwoorden.
4.2
De GI voert verweer en verzoekt het hof het verzoek van de moeder in hoger beroep af te wijzen en de bestreden beschikking van 19 januari 2022 te bekrachtigen.
In de zaak 200.308.962
4.3
De moeder is met twee grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking van 23 maart 2022. De moeder verzoekt het hof:
- -
primair: de bestreden beschikking te vernietigen, voor zover deze ziet op de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing, te bepalen dat het opgroeiperspectief van [de minderjarige] nog niet is bepaald, dat de gezinsopname bij [naam2] doorgang moet vinden en te bepalen dat het opvoedbesluit dat [de minderjarige] verder opgroeit in het pleeggezin nog niet mag worden genomen. Verder verzoekt de moeder, opnieuw beschikkende, het verzoek van de GI tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing af te wijzen;
- -
subsidiair: op grond van artikel 810a lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) het NIFP – of een soortgelijke instelling – als deskundige aan te wijzen om in ieder geval de in het beroepschrift geformuleerde vragen te beantwoorden.
4.4
De GI voert ter mondelinge behandeling verweer en zij verzoekt het hof het verzoek van de moeder in hoger beroep af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.
In de zaak 200.308.966
4.5
De moeder is met een grief in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking van 23 maart 2022. De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen, voor zover deze ziet op de afwijzing van het verzoek tot vervallenverklaring van de schriftelijke aanwijzing van 2 februari 2022 en, opnieuw beschikkende, te bepalen dat de schriftelijke aanwijzing van 2 februari 2022 geheel, althans gedeeltelijk vervallen wordt verklaard.
Daarnaast verzoekt de moeder het hof een omgangsregeling vast te stellen die de mogelijkheid biedt om tenminste langduriger en frequenter contact te laten plaatsvinden tussen de moeder en [de minderjarige] , gezien het standpunt van de moeder over het perspectief, en die meer in het belang is van [de minderjarige] en meer in lijn is met de wensen van de moeder.
4.6
De GI voert verweer en zij verzoekt het hof, naar het hof begrijpt, het verzoek van de moeder in hoger beroep af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.
5. De motivering van de beslissing
In de zaak 200.306.992 perspectiefbesluit
5.1
De grieven van de moeder richten zich mede tegen het oordeel van de kinderrechter dat hij de visie van de GI inhoudende dat het opgroeiperspectief van [de minderjarige] bij de pleegouders ligt, onderschrijft. Naar het hof begrijpt vindt de moeder dat de kinderrechter zich niet in het kader van de geschillenregeling van artikel 1:262b van het Burgerlijk Wetboek (BW) had mogen uitlaten over het perspectiefbesluit.
5.2
Het hof overweegt als volgt. Het uitgangspunt van een ondertoezichtstelling is - kort gezegd - dat de ouders binnen een voor het kind aanvaardbare termijn in staat zijn zelf weer de verantwoordelijkheid voor de opvoeding en verzorging van het kind te dragen (artikel 1:255 lid 1 BW). De verwachting dat de ouders dat binnen die termijn weer zelf kunnen moet immers zijn gerechtvaardigd wil de kinderrechter het kind onder toezicht kunnen stellen (artikel 1:255 lid 1 aanhef en sub b BW). Het feit dat een kind in het kader van de ondertoezichtstelling in het belang van zijn verzorging en opvoeding of tot onderzoek van zijn geestelijke of lichamelijke gesteldheid uit huis wordt geplaatst (artikel 1:265b BW), doet aan dat uitgangspunt niet af.
Is een kind uit huis geplaatst dan zal de gecertificeerde instelling binnen de hiervoor gemelde aanvaardbare termijn besluiten of het kind weer bij zijn ouder(s) kan gaan wonen of dat het beter is dat het kind ergens anders zal opgroeien. Dat besluit wordt het perspectiefbesluit genoemd. Als het perspectiefbesluit inhoudt dat het kind niet meer bij zijn ouders kan wonen, maar ergens anders moet opgroeien, heeft dat grote consequenties voor de ouders en het kind. Omdat het beleid van de gecertificeerde instelling niet langer gericht is op de terugplaatsing van het kind bij de ouders, past de instelling haar praktische invulling van de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing aan: doorgaans wordt de omgang tussen de ouder(s) en het kind verminderd en worden de ouders voorbereid op een ouderrol ‘op afstand’. Kortom, van zo’n perspectiefbesluit hangt nogal wat af.
Het perspectiefbesluit heeft in het huidige systeem van kinderbeschermingswetgeving geen zelfstandige betekenis en kent (derhalve) geen eigen rechtspositieregeling: de ouders kunnen het perspectiefbesluit niet laten toetsen door de kinderrechter. De beantwoording van de vraag waar het opgroeiperspectief van een kind ligt, en daarmee de facto de toetsing van het perspectiefbesluit, komt in het huidige systeem aan de orde in het kader van de beoordeling door de rechtbank van een verzoek van de raad om het gezag van de ouders te beëindigen (artikel 1:266 e.v. BW). Tegen het oordeel van de rechtbank staat hoger beroep open, zodat het verzoek tot gezagsbeëindiging (en dus ook het perspectiefbesluit) door twee feitelijke instanties kan worden beoordeeld.
Alhoewel er stemmen zijn opgegaan om afzonderlijke toetsing van het perspectiefbesluit mogelijk te maken, wordt daar vooralsnog niet in voorzien, zo blijkt bijvoorbeeld uit de beleidsreactie van de Minister van Justitie en Veiligheid van 25 maart 2021 op het advies ‘Het perspectiefbesluit in de jeugdbescherming’ van de Raad voor de Strafrechtstoepassing en jeugdbescherming van 18 december 2020.1.
5.3
De GI heeft in deze zaak het voorgenomen perspectiefbesluit ter beoordeling aan de kinderrechter voorgelegd in het kader van de geschillenregeling uit artikel 1:262b van het Burgerlijk Wetboek (BW). De toelichting bij het amendement dat ten grondslag ligt aan deze geschillenregeling luidt als volgt:
“Gedurende de uitvoering van de ondertoezichtstelling is het mogelijk dat er tussen ouders, kinderen, pleegouders of zorgaanbieders verschillen van mening ontstaan over de aanpak van de problemen. Soms lukt het niet om die problemen op te lossen en verschillen van mening in goed overleg te overbruggen, hetgeen als gevolg heeft dat het conflict een goede samenwerkings- of vertrouwensrelatie tussen de betrokkenen in de weg staat en de behartiging van de belangen van de minderjarigen kan belemmeren. Om deze reden wordt voorgesteld om een geschillenregeling in te voeren naar analogie van de regeling zoals deze nu bestaat voor de ouders met gezag om een geschil over de uitoefening van het gezag voor te leggen aan de kinderrechter (artikel 253a). Krachtens de nieuwe regeling krijgen het Bureau Jeugdzorg, de minderjarige van twaalf jaar of ouder, de ouders met gezag, de pleegouders en de zorgaanbieder waar het kind verblijft de mogelijkheid om geschillen voor te leggen aan de kinderrechter. Het betreft een verzoekschriftprocedure (met verplichte procesvertegenwoordiging) waardoor een drempel wordt ingebouwd en niet ieder klein geschil aan de kinderrechter zal worden voorgelegd. Advocaten kunnen een zeeffunctie vervullen bij geschillen en oplossingen aanreiken waardoor een gang naar de rechter niet meer nodig is.
Van de geschillenregeling zijn geschillen rondom gedragingen als bedoeld in artikel 67, eerste lid, onder b, van de Wet op de jeugdzorg [in de wet opgenomen als artikel 4.2.1 van de Jeugdwet, toevoeging Hof] uitgesloten. Over deze gedragingen kan op grond van hoofdstuk XII van de Wet op de jeugdzorg een klacht worden ingediend bij een klachtencommissie.
De kinderrechter heeft de vrijheid om in concreto vast te stellen welke oplossing of regeling het best het belang van alle betrokkenen, die van de minderjarige in het bijzonder, dient. Dit in tegenstelling tot een beslissing op andere verzoeken die hem in het kader van de ondertoezichtstelling kunnen bereiken. Gezien de aard van de procedure, het is immers een geschillenregeling, ligt dit ook voor de hand. Betrokkenen hebben een verschil van mening en leggen dit aan de kinderrechter voor. De kinderrechter dient de ruimte te hebben om voorstellen van een betrokkene, niet zijnde de indiener van het verzoekschrift, te beoordelen en eventueel te volgen. Het geschil dient weggenomen te worden opdat de uitvoering van de ondertoezichtstelling verbeterd kan worden.”2.
Met die regeling lijkt dan ook een relatief eenvoudige rechtsgang te zijn beoogd voor de oplossing van verschillen van mening over de aanpak van de problemen die de goede samenwerkings- of vertrouwensrelatie tussen de betrokkenen zodanig in de weg staan dat zij de behartiging van de belangen van het kind kunnen belemmeren. De kinderrechter heeft bij de beslechting van het geschil de vrijheid om ‘in concreto vast te stellen welke oplossing of regeling het best het belang van alle betrokkenen, die van de minderjarige in het bijzonder, dient. Hij heeft die vrijheid kennelijk ‘in tegenstelling tot een beslissing op andere verzoeken die hem in het kader van de ondertoezichtstelling kunnen bereiken’. Wat er van die laatste ‘tegenstelling’ zij, uit de toelichting volgt dat de geschillenregeling is bedoeld voor geschillen die niet in het kader van de beoordeling van andere verzoeken aan de kinderrechter kunnen worden voorgelegd. Uit artikel 1:262b BW volgt al dat de regeling evenmin is bedoeld om gedragingen als bedoeld in artikel 4.2.1. van de Jeugdwet aan de kinderrechter voor te leggen. Uit de hiervoor geciteerde wetsgeschiedenis blijkt niet dat de regeling een zo ruim bereik heeft dat ook geschillen die aan de rechtbank behoren te worden voorgelegd door de kinderrechter, in eerste en enige instantie, kunnen worden beslecht.
5.4
Het hof is op grond van wat hiervoor is overwogen van oordeel dat een geschil over het door de GI genomen perspectiefbesluit geen geschil is dat door middel van de geschillenregeling aan de kinderrechter kan worden voorgelegd, maar pas aan de orde komt bij de beoordeling door de rechtbank van de ver(der) strekkende maatregel tot gezagsbeëindiging.
5.5
De kinderrechter ging dan ook voor zijn beurt, of beter gezegd: voor de beurt van de rechtbank, door in een lopende procedure tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing een perspectiefbesluit van de GI te toetsen en vervolgens te beslissen dat het opgroeiperspectief van [de minderjarige] niet meer bij de moeder ligt. De kinderrechter had de GI in haar verzoek dan ook niet ontvankelijk dienen te verklaren.
5.6
Dat klemt te meer nu door de inhoudelijke behandeling van het verzoek van de GI door de kinderrechter de rechtsbescherming van de moeder tegen een eventuele gezagsbeëindigende maatregel in het geding komt: tegen een oordeel van de kinderrechter in het kader van de geschillenregeling staat geen hoger beroep open (artikel 807 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)).
Dat zou in dit geval betekenen dat de moeder geen mogelijkheid zou hebben om een besluit, dat geen wettelijke basis kent, maar wel zeer ver strekkende gevolgen heeft, en op basis waarvan niet alleen een al ingezet intensief hulpverleningstraject gericht op onderzoek naar thuisplaatsing is beëindigd, maar ook een schriftelijke aanwijzing is gegeven waarin de contactregeling met [de minderjarige] aanzienlijk is beperkt, in hoger beroep aan het hof voor te leggen.
Bovendien zou daardoor de bijzondere situatie ontstaan dat het perspectiefbesluit tussen de GI en de ouders als vaststaand heeft te gelden, terwijl de raad nog geen onderzoek naar de wenselijkheid van een gezagsbeëindigende maatregel heeft gedaan, laat staan een verzoek tot het treffen van die maatregel bij de rechtbank heeft ingediend en de rechtbank nog in alle vrijheid, ongebonden aan het oordeel van de kinderrechter, over dat verzoek moet kunnen beslissen.
Uit het voorgaande volgt ook dat de kinderrechter de geschillenregeling van artikel 1:262b BW ten onrechte heeft toegepast, zodat de moeder in haar verzoek in hoger beroep voor zover zich dat richt tegen de beslissing van de kinderrechter over het perspectiefbesluit ontvankelijk is: anders dan de GI stelt, wordt het appelverbod van artikel 807 Rv - kort gezegd - doorbroken.
5.7
Op basis van het vorenstaande zal het hof het verzoek van de moeder in hoger beroep voor zover het de beslissing op het verzoek van de GI in de geschillenregeling betreft toewijzen, de bestreden beschikking in zoverre vernietigen en de GI alsnog niet-ontvankelijk verklaren in dit verzoek.
In de zaak 200.306.992
5.8
De periode waarvoor de machtiging is verleend, is op 6 april 2022 verstreken. Gelet op het door artikel 8 EVRM gewaarborgde recht op eerbiediging van haar gezinsleven, heeft de moeder een rechtens relevant belang om de rechtmatigheid van de machtiging over de periode tot 6 april 2022 te laten toetsen en behoort aan haar niet haar procesbelang te worden ontzegd op de enkele grond dat de periode waarvoor de maatregel gold, inmiddels is verstreken.
In de zaken 200.306.992, 200.308.962 en 200.308.966
5.9
Ingevolge artikel 1:265b, eerste lid, BW kan de kinderrechter de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. Ingevolge artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter op verzoek van de gecertificeerde instelling, de raad of het openbaar ministerie de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing telkens met ten hoogste een jaar verlengen.
5.10
Het hof overweegt dat de moeder – en de vader – op 27 januari 2021 waren aangemeld bij GGZ Drenthe, expertisecentrum voor behandeling en beoordeling van ouderschap in [plaats2] (hierna: [plaats2] ). Uit het eindadvies beoordeling ouderschap van
7 januari 2022 blijkt dat de ouders bijna het gehele voortraject van de uiteindelijke klinische opname en hereniging positief hebben doorlopen. De ouders zouden na het opstellen van een veiligheidsplan (‘Zorgen voor Veiligheid’) beginnen aan de klinische opname en hereniging met [de minderjarige] .
Het hof stelt vast dat alle begeleiding van de GI tot december 2021 gericht was op een thuisplaatsing van [de minderjarige] . De GI heeft echter de behandeling door [naam2] voortijdig beëindigd op basis van een voorgenomen opvoedbesluit (van 29 november 2021) dat [de minderjarige] zou opgroeien bij de pleegouders. Volgens de – onvoldoende gefundeerde stelling van de – GI is de draagkracht van [de minderjarige] onvoldoende voor de klinische opname en hereniging met zijn ouders in [plaats2] . Naar het oordeel van het hof mag echter van de GI worden verwacht dat zij alle mogelijke hulpverlening inzet voordat een dergelijk opvoedbesluit kan worden genomen. Het doel van een ondertoezichtstelling met een machtiging tot uithuisplaatsing is immers om ervoor te zorgen dat de ouders de verzorging en opvoeding voor de kinderen op termijn weer zelf kunnen dragen. Nu het traject in [plaats2] nog niet was afgerond, kan het perspectief van [de minderjarige] nog niet worden vastgesteld.
5.11
Het hof acht dan ook voor [de minderjarige] van belang dat de ouders alsnog een kans krijgen om de behandeling in [plaats2] af te ronden. Het hof acht zich op grond van de thans beschikbare informatie dan ook onvoldoende voorgelicht om een verantwoorde beslissing te kunnen geven. Daarom zal het hof de behandeling van de zaak aanhouden in afwachting van het verloop en/of het eindverslag van voormeld traject in [plaats2] . Het hof verzoekt de GI het nodige te ondernemen zodat de ouders het traject in [plaats2] kunnen voortzetten. Het hof zal de moeder en de GI verzoeken het hof over het verloop van het traject te informeren.
5.12
Voor de periode dat de behandeling in [plaats2] nog niet is gestart, is het in het belang van [de minderjarige] om de door de schriftelijke aanwijzing van 2 februari 2022 beperkte omgangsregeling voorlopig uit te breiden naar een omgangsregeling tussen de moeder – en de vader – en [de minderjarige] van eenmaal per week, zoals deze gold vóór de schriftelijke aanwijzing. Het hof zal deze voorlopige contactregeling hieronder vastleggen.
5.13
Op basis hiervan zal het hof de overige beslissingen, te weten de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing, het verzoek tot vervallen verklaring van de schriftelijke aanwijzing en het verzoek tot gelasten van een deskundigenbericht op grond van artikel 810a Rv aanhouden.
6. De beslissing
Het hof, beschikkende in hoger beroep:
vernietigt de beschikkingen van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 30 september 2021 en 19 januari 2022, uitgesproken onder zaaknummers 526104 respectievelijk 531709 voorzover het de beslissing over het perspectiefbesluit op basis van de geschillenregeling betreft;
verklaart de GI alsnog niet-ontvankelijk in haar verzoek tot beoordeling van het perspectiefbesluit op basis van artikel 1:262b BW;
alvorens verder te beslissen:
houdt iedere verdere beslissing aan tot 26 januari 2023 pro forma in afwachting van het verloop van het traject in [plaats2] en verzoekt de moeder en de GI het hof hierover binnen twee weken na deze datum dan wel omgaand na afronding van het traject in [plaats2] (indien dit op een eerdere datum is) te informeren;
bepaalt dat de behandeling van de zaak zal worden voortgezet op een nader, na ontvangst van de informatie zoals bedoeld in rechtsoverweging 5.8, te bepalen datum, waarvoor partijen, de raad en de pleegouders (en de vader als informant) zullen worden opgeroepen;
stelt voor de periode vanaf heden tot aan de start van [naam2] de volgende voorlopige omgangsregeling vast tussen de moeder en [de minderjarige] : de moeder heeft één uur per week begeleid contact met [de minderjarige] op het kantoor van de GI te [woonplaats1] .
Deze beschikking is gegeven door mrs. K.A.M. van Os-ten Have, M.H.F. van Vugt en A.L.H. Ernes, bijgestaan door mr. L.J.G. Scheffer-Overbeek als griffier, en is op 26 juli 2022 uitgesproken door mr. J.H. Lieber in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 26‑07‑2022
Uitspraak 26‑07‑2022
Mrs. K.A.M. van Os-ten Have, M.H.F. van Vugt, A.L.H. Ernes, Mr. L.J.G. Scheffer-Overbeek, Mr. J.H. Lieber
Partij(en)
beschikking van 26 juli 2022
inzake
[de moeder],
wonende te [woonplaats],
verzoekster in hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. M.A. van de Weerd te Den Haag,
en
de gecertificeerde instelling
Stichting Samen Veilig Midden-Nederland,
gevestigd te Utrecht,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de GI.
Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:
de heer [de pleegvader] en mevrouw [de pleegmoeder],
wonende op een geheim adres,
verder te noemen: de pleegouders.
1. Het geding in eerste aanleg
In de zaak 200.306.992
1.1
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 30 september 2021 en 19 januari 2022, uitgesproken onder zaaknummers 526104 respectievelijk 531709.
In de zaken 200.308.962 en 200.308.966
1.2
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 23 maart 2022, uitgesproken onder zaaknummers 534662 (verlenging uithuisplaatsing) en 534758 (schriftelijke aanwijzing).
2. Het geding in hoger beroep
In de zaak 200.306.992
2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- —
het beroepschrift met producties, ingekomen op 16 februari 2022;
- —
een journaalbericht van mr. Van de Weerd van 22 februari 2022 met een productie;
- —
een brief (standpuntstuk) van de GI van 8 maart 2022 met producties;
- —
een mailbericht namens mr. Van de Weerd van 25 maart 2022 met een bijlage.
In de zaak 200.308.962
2.2
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- —
het beroepschrift met producties, ingekomen op 24 maart 2022.
In de zaak 200.308.966
2.3
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- —
het beroepschrift met producties, ingekomen op 24 maart 2022;
- —
het verweerschrift van de GI met producties.
2.4
De mondelinge behandeling heeft op 5 juli 2022 plaatsgevonden. Gelet op de onderlinge samenhang zijn deze zaken gelijktijdig behandeld. Aanwezig waren:
- —
de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- —
twee vertegenwoordigers van de GI;
- —
de pleegvader;
- —
een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming (hierna: de raad);
- —
[de vader] (hierna: de vader) informant;
- —
een vertegenwoordiger van De Rading als informant.
3. De feiten
3.1
De moeder en de vader zijn de ouders van [de minderjarige] (hierna: [de minderjarige]), geboren op [geboortedatum] 2018 te [geboorteplaats]. De moeder is belast met het gezag over [de minderjarige].
3.2
Bij beschikking van 7 april 2020 heeft de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie, [de minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI tot 7 april 2021. De ondertoezichtstelling is daarna verlengd, voor het laatst bij de bestreden beschikking en wel tot 7 april 2023.
3.3
Bij beschikking van 11 januari 2021 heeft de kinderrechter een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing voor [de minderjarige] verleend. Op 20 januari 2021 heeft de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een crisispleeggezin verleend tot 6 april 2021.
Bij beschikking van 15 maart 2021 heeft de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een crisispleeggezin verlengd tot 6 oktober 2021.
3.4
Bij (tussen)beschikking van 30 september 2021 heeft de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een crisispleeggezin verlengd tot 6 februari 2022 en iedere verdere beslissing aangehouden.
3.5
Bij de bestreden beschikking van 19 januari 2022 heeft de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd tot 6 april 2022, deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard, en de visie van de GI onderschreven dat het perspectief van [de minderjarige] bij de pleegouders ligt.
3.6
De GI heeft op 2 februari 2022 een schriftelijke aanwijzing gegeven waarin is opgenomen dat de moeder meewerkt aan één uur begeleide omgang met [de minderjarige], eenmaal per drie weken op het kantoor van de GI. Tweemaal per jaar zal er een evaluatie plaatsvinden, om te kijken hoe dit verloopt en wat [de minderjarige] aan kan. De eerste evaluatie is gepland over drie maanden. Aan de hand daarvan kan de omgang op termijn worden bijgesteld in vorm, duur en frequentie. De draagkracht van [de minderjarige] is hierin leidend.
3.7
Bij de bestreden beschikking van 23 maart 2022 heeft de kinderrechter -uitvoerbaar bij voorraad — de machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 7 april 2023 en verder het primaire verzoek van de moeder tot vervallenverklaring van de schriftelijke aanwijzing van 2 februari 2022 en het subsidiaire verzoek tot vaststelling van een nieuwe omgangsregeling, waarbij sprake is van frequenter en langduriger contact, afgewezen.
3.8
[de minderjarige] is op 12 januari 2021 geplaatst bij de pleegouders.
4. De omvang van het geschil
In de zaak 200.306.992
4.1
De moeder is met twee grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking van 19 januari 2022. De moeder verzoekt het hof:
- —
primair: de bestreden beschikking te vernietigen, voor zover deze ziet op de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing, te bepalen dat het opgroeiperspectief van [de minderjarige] nog niet is bepaald, dat de gezinsopname bij [a-plaats] doorgang moet vinden en te bepalen dat het opvoedbesluit dat [de minderjarige] verder opgroeit in het pleeggezin nog niet mag worden genomen. Verder verzoekt de moeder, opnieuw beschikkende, het verzoek van de GI tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing alsnog af te wijzen;
- —
subsidiair: op grond van artikel 810a lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) het NIFP — of een soortgelijke instelling — als deskundige aan te wijzen om de in het beroepschrift geformuleerde vragen te beantwoorden.
4.2
De GI voert verweer en verzoekt het hof het verzoek van de moeder in hoger beroep af te wijzen en de bestreden beschikking van 19 januari 2022 te bekrachtigen.
In de zaak 200.308.962
4.3
De moeder is met twee grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking van 23 maart 2022. De moeder verzoekt het hof:
- —
primair: de bestreden beschikking te vernietigen, voor zover deze ziet op de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing, te bepalen dat het opgroeiperspectief van [de minderjarige] nog niet is bepaald, dat de gezinsopname bij [a-plaats] doorgang moet vinden en te bepalen dat het opvoedbesluit dat [de minderjarige] verder opgroeit in het pleeggezin nog niet mag worden genomen. Verder verzoekt de moeder, opnieuw beschikkende, het verzoek van de GI tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing af te wijzen;
- —
subsidiair: op grond van artikel 810a lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) het NIFP — of een soortgelijke instelling — als deskundige aan te wijzen om in ieder geval de in het beroepschrift geformuleerde vragen te beantwoorden.
4.4
De GI voert ter mondelinge behandeling verweer en zij verzoekt het hof het verzoek van de moeder in hoger beroep af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.
In de zaak 200.308.966
4.5
De moeder is met een grief in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking van 23 maart 2022. De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen, voor zover deze ziet op de afwijzing van het verzoek tot vervallenverklaring van de schriftelijke aanwijzing van 2 februari 2022 en, opnieuw beschikkende, te bepalen dat de schriftelijke aanwijzing van 2 februari 2022 geheel, althans gedeeltelijk vervallen wordt verklaard.
Daarnaast verzoekt de moeder het hof een omgangsregeling vast te stellen die de mogelijkheid biedt om tenminste langduriger en frequenter contact te laten plaatsvinden tussen de moeder en [de minderjarige], gezien het standpunt van de moeder over het perspectief, en die meer in het belang is van [de minderjarige] en meer in lijn is met de wensen van de moeder.
4.6
De GI voert verweer en zij verzoekt het hof, naar het hof begrijpt, het verzoek van de moeder in hoger beroep af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.
5. De motivering van de beslissing
In de zaak 200.306.992 perspectiefbesluit
5.1
De grieven van de moeder richten zich mede tegen het oordeel van de kinderrechter dat hij de visie van de GI inhoudende dat het opgroeiperspectief van [de minderjarige] bij de pleegouders ligt, onderschrijft. Naar het hof begrijpt vindt de moeder dat de kinderrechter zich niet in het kader van de geschillenregeling van artikel 1:262b van het Burgerlijk Wetboek (BW) had mogen uitlaten over het perspectiefbesluit.
5.2
Het hof overweegt als volgt. Het uitgangspunt van een ondertoezichtstelling is — kort gezegd — dat de ouders binnen een voor het kind aanvaardbare termijn in staat zijn zelf weer de verantwoordelijkheid voor de opvoeding en verzorging van het kind te dragen (artikel 1:255 lid 1 BW). De verwachting dat de ouders dat binnen die termijn weer zelf kunnen moet immers zijn gerechtvaardigd wil de kinderrechter het kind onder toezicht kunnen stellen (artikel 1:255 lid 1 aanhef en sub b BW). Het feit dat een kind in het kader van de ondertoezichtstelling in het belang van zijn verzorging en opvoeding of tot onderzoek van zijn geestelijke of lichamelijke gesteldheid uit huis wordt geplaatst (artikel 1:265b BW), doet aan dat uitgangspunt niet af.
Is een kind uit huis geplaatst dan zal de gecertificeerde instelling binnen de hiervoor gemelde aanvaardbare termijn besluiten of het kind weer bij zijn ouder(s) kan gaan wonen of dat het beter is dat het kind ergens anders zal opgroeien. Dat besluit wordt het perspectiefbesluit genoemd. Als het perspectiefbesluit inhoudt dat het kind niet meer bij zijn ouders kan wonen, maar ergens anders moet opgroeien, heeft dat grote consequenties voor de ouders en het kind. Omdat het beleid van de gecertificeerde instelling niet langer gericht is op de terugplaatsing van het kind bij de ouders, past de instelling haar praktische invulling van de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing aan: doorgaans wordt de omgang tussen de ouder(s) en het kind verminderd en worden de ouders voorbereid op een ouderrol ‘op afstand’. Kortom, van zo'n perspectiefbesluit hangt nogal wat af.
Het perspectiefbesluit heeft in het huidige systeem van kinderbeschermingswetgeving geen zelfstandige betekenis en kent (derhalve) geen eigen rechtspositieregeling: de ouders kunnen het perspectiefbesluit niet laten toetsen door de kinderrechter. De beantwoording van de vraag waar het opgroeiperspectief van een kind ligt, en daarmee de facto de toetsing van het perspectiefbesluit, komt in het huidige systeem aan de orde in het kader van de beoordeling door de rechtbank van een verzoek van de raad om het gezag van de ouders te beëindigen (artikel 1:266 e.v. BW). Tegen het oordeel van de rechtbank staat hoger beroep open, zodat het verzoek tot gezagsbeëindiging (en dus ook het perspectiefbesluit) door twee feitelijke instanties kan worden beoordeeld.
Alhoewel er stemmen zijn opgegaan om afzonderlijke toetsing van het perspectiefbesluit mogelijk te maken, wordt daar vooralsnog niet in voorzien, zo blijkt bijvoorbeeld uit de beleidsreactie van de Minister van Justitie en Veiligheid van 25 maart 2021 op het advies ‘Het perspectiefbesluit in de jeugdbescherming’ van de Raad voor de Strafrechtstoepassing en jeugdbescherming van 18 december 2020.1.
5.3
De GI heeft in deze zaak het voorgenomen perspectiefbesluit ter beoordeling aan de kinderrechter voorgelegd in het kader van de geschillenregeling uit artikel 1:262b van het Burgerlijk Wetboek (BW). De toelichting bij het amendement dat ten grondslag ligt aan deze geschillenregeling luidt als volgt:
‘Gedurende de uitvoering van de ondertoezichtstelling is het mogelijk dat er tussen ouders, kinderen, pleegouders of zorgaanbieders verschillen van mening ontstaan over de aanpak van de problemen. Soms lukt het niet om die problemen op te lossen en verschillen van mening in goed overleg te overbruggen, hetgeen als gevolg heeft dat het conflict een goede samenwerkings- of vertrouwensrelatie tussen de betrokkenen in de weg staat en de behartiging van de belangen van de minderjarigen kan belemmeren. Om deze reden wordt voorgesteld om een geschillenregeling in te voeren naar analogie van de regeling zoals deze nu bestaat voor de ouders met gezag om een geschil over de uitoefening van het gezag voor te leggen aan de kinderrechter (artikel 253a). Krachtens de nieuwe regeling krijgen het Bureau Jeugdzorg, de minderjarige van twaalf jaar of ouder, de ouders met gezag, de pleegouders en de zorgaanbieder waar het kind verblijft de mogelijkheid om geschillen voor te leggen aan de kinderrechter. Het betreft een verzoekschriftprocedure (met verplichte procesvertegenwoordiging) waardoor een drempel wordt ingebouwd en niet ieder klein geschil aan de kinderrechter zal worden voorgelegd. Advocaten kunnen een zeeffunctie vervullen bij geschillen en oplossingen aanreiken waardoor een gang naar de rechter niet meer nodig is.
Van de geschillenregeling zijn geschillen rondom gedragingen als bedoeld in artikel 67, eerste lid, onder b, van de Wet op de jeugdzorg [in de wet opgenomen als artikel 4.2.1 van de Jeugdwet, toevoeging Hof] uitgesloten. Over deze gedragingen kan op grond van hoofdstuk XII van de Wet op de jeugdzorg een klacht worden ingediend bij een klachtencommissie.
De kinderrechter heeft de vrijheid om in concreto vast te stellen welke oplossing of regeling het best het belang van alle betrokkenen, die van de minderjarige in het bijzonder, dient. Dit in tegenstelling tot een beslissing op andere verzoeken die hem in het kader van de ondertoezichtstelling kunnen bereiken. Gezien de aard van de procedure, het is immers een geschillenregeling, ligt dit ook voor de hand. Betrokkenen hebben een verschil van mening en leggen dit aan de kinderrechter voor. De kinderrechter dient de ruimte te hebben om voorstellen van een betrokkene, niet zijnde de indiener van het verzoekschrift, te beoordelen en eventueel te volgen. Het geschil dient weggenomen te worden opdat de uitvoering van de ondertoezichtstelling verbeterd kan worden.’2.
Met die regeling lijkt dan ook een relatief eenvoudige rechtsgang te zijn beoogd voor de oplossing van verschillen van mening over de aanpak van de problemen die de goede samenwerkings- of vertrouwensrelatie tussen de betrokkenen zodanig in de weg staan dat zij de behartiging van de belangen van het kind kunnen belemmeren. De kinderrechter heeft bij de beslechting van het geschil de vrijheid om ‘in concreto vast te stellen welke oplossing of regeling het best het belang van alle betrokkenen, die van de minderjarige in het bijzonder, dient. Hij heeft die vrijheid kennelijk ‘in tegenstelling tot een beslissing op andere verzoeken die hem in het kader van de ondertoezichtstelling kunnen bereiken’. Wat er van die laatste ‘tegenstelling’ zij, uit de toelichting volgt dat de geschillenregeling is bedoeld voor geschillen die niet in het kader van de beoordeling van andere verzoeken aan de kinderrechter kunnen worden voorgelegd. Uit artikel 1:262b BW volgt al dat de regeling evenmin is bedoeld om gedragingen als bedoeld in artikel 4.2.1. van de Jeugdwet aan de kinderrechter voor te leggen. Uit de hiervoor geciteerde wetsgeschiedenis blijkt niet dat de regeling een zo ruim bereik heeft dat ook geschillen die aan de rechtbank behoren te worden voorgelegd door de kinderrechter, in eerste en enige instantie, kunnen worden beslecht.
5.4
Het hof is op grond van wat hiervoor is overwogen van oordeel dat een geschil over het door de GI genomen perspectiefbesluit geen geschil is dat door middel van de geschillenregeling aan de kinderrechter kan worden voorgelegd, maar pas aan de orde komt bij de beoordeling door de rechtbank van de ver(der) strekkende maatregel tot gezagsbeëindiging.
5.5
De kinderrechter ging dan ook voor zijn beurt, of beter gezegd: voor de beurt van de rechtbank, door in een lopende procedure tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing een perspectiefbesluit van de GI te toetsen en vervolgens te beslissen dat het opgroeiperspectief van [de minderjarige] niet meer bij de moeder ligt. De kinderrechter had de GI in haar verzoek dan ook niet ontvankelijk dienen te verklaren.
5.6
Dat klemt te meer nu door de inhoudelijke behandeling van het verzoek van de GI door de kinderrechter de rechtsbescherming van de moeder tegen een eventuele gezagsbeëindigende maatregel in het geding komt: tegen een oordeel van de kinderrechter in het kader van de geschillenregeling staat geen hoger beroep open (artikel 807 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)).
Dat zou in dit geval betekenen dat de moeder geen mogelijkheid zou hebben om een besluit, dat geen wettelijke basis kent, maar wel zeer ver strekkende gevolgen heeft, en op basis waarvan niet alleen een al ingezet intensief hulpverleningstraject gericht op onderzoek naar thuisplaatsing is beëindigd, maar ook een schriftelijke aanwijzing is gegeven waarin de contactregeling met [de minderjarige] aanzienlijk is beperkt, in hoger beroep aan het hof voor te leggen. Bovendien zou daardoor de bijzondere situatie ontstaan dat het perspectiefbesluit tussen de GI en de ouders als vaststaand heeft te gelden, terwijl de raad nog geen onderzoek naar de wenselijkheid van een gezagsbeëindigende maatregel heeft gedaan, laat staan een verzoek tot het treffen van die maatregel bij de rechtbank heeft ingediend en de rechtbank nog in alle vrijheid, ongebonden aan het oordeel van de kinderrechter, over dat verzoek moet kunnen beslissen.
Uit het voorgaande volgt ook dat de kinderrechter de geschillenregeling van artikel 1:262b BW ten onrechte heeft toegepast, zodat de moeder in haar verzoek in hoger beroep voor zover zich dat richt tegen de beslissing van de kinderrechter over het perspectiefbesluit ontvankelijk is: anders dan de GI stelt, wordt het appelverbod van artikel 807 Rv — kort gezegd — doorbroken.
5.7
Op basis van het vorenstaande zal het hof het verzoek van de moeder in hoger beroep voor zover het de beslissing op het verzoek van de GI in de geschillenregeling betreft toewijzen, de bestreden beschikking in zoverre vernietigen en de GI alsnog niet-ontvankelijk verklaren in dit verzoek.
In de zaak 200.306.992
5.8
De periode waarvoor de machtiging is verleend, is op 6 april 2022 verstreken. Gelet op het door artikel 8 EVRM gewaarborgde recht op eerbiediging van haar gezinsleven, heeft de moeder een rechtens relevant belang om de rechtmatigheid van de machtiging over de periode tot 6 april 2022 te laten toetsen en behoort aan haar niet haar procesbelang te worden ontzegd op de enkele grond dat de periode waarvoor de maatregel gold, inmiddels is verstreken.
In de zaken 200.306.992, 200.308.962 en 200.308.966
5.9
Ingevolge artikel 1:265b, eerste lid, BW kan de kinderrechter de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
Ingevolge artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter op verzoek van de gecertificeerde instelling, de raad of het openbaar ministerie de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing telkens met ten hoogste een jaar verlengen.
5.10
Het hof overweegt dat de moeder — en de vader — op 27 januari 2021 waren aangemeld bij GGZ [provincie], expertisecentrum voor behandeling en beoordeling van ouderschap in [a-plaats] (hierna: [a-plaats]). Uit het eindadvies beoordeling ouderschap van 7 januari 2022 blijkt dat de ouders bijna het gehele voortraject van de uiteindelijke klinische opname en hereniging positief hebben doorlopen. De ouders zouden na het opstellen van een veiligheidsplan (‘Zorgen voor Veiligheid’) beginnen aan de klinische opname en hereniging met [de minderjarige].
Het hof stelt vast dat alle begeleiding van de GI tot december 2021 gericht was op een thuisplaatsing van [de minderjarige]. De GI heeft echter de behandeling door [a-plaats] voortijdig beëindigd op basis van een voorgenomen opvoedbesluit (van 29 november 2021) dat [de minderjarige] zou opgroeien bij de pleegouders. Volgens de — onvoldoende gefundeerde stelling van de — GI is de draagkracht van [de minderjarige] onvoldoende voor de klinische opname en hereniging met zijn ouders in [a-plaats]. Naar het oordeel van het hof mag echter van de GI worden verwacht dat zij alle mogelijke hulpverlening inzet voordat een dergelijk opvoedbesluit kan worden genomen. Het doel van een ondertoezichtstelling met een machtiging tot uithuisplaatsing is immers om ervoor te zorgen dat de ouders de verzorging en opvoeding voor de kinderen op termijn weer zelf kunnen dragen. Nu het traject in [a-plaats] nog niet was afgerond, kan het perspectief van [de minderjarige] nog niet worden vastgesteld.
5.11
Het hof acht dan ook voor [de minderjarige] van belang dat de ouders alsnog een kans krijgen om de behandeling in [a-plaats] af te ronden. Het hof acht zich op grond van de thans beschikbare informatie dan ook onvoldoende voorgelicht om een verantwoorde beslissing te kunnen geven. Daarom zal het hof de behandeling van de zaak aanhouden in afwachting van het verloop en/of het eindverslag van voormeld traject in [a-plaats]. Het hof verzoekt de GI het nodige te ondernemen zodat de ouders het traject in [a-plaats] kunnen voortzetten. Het hof zal de moeder en de GI verzoeken het hof over het verloop van het traject te informeren.
5.12
Voor de periode dat de behandeling in [a-plaats] nog niet is gestart, is het in het belang van [de minderjarige] om de door de schriftelijke aanwijzing van 2 februari 2022 beperkte omgangsregeling voorlopig uit te breiden naar een omgangsregeling tussen de moeder — en de vader — en [de minderjarige] van eenmaal per week, zoals deze gold vóór de schriftelijke aanwijzing. Het hof zal deze voorlopige contactregeling hieronder vastleggen.
5.13
Op basis hiervan zal het hof de overige beslissingen, te weten de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing, het verzoek tot vervallen verklaring van de schriftelijke aanwijzing en het verzoek tot gelasten van een deskundigenbericht op grond van artikel 810a Rv aanhouden.
6. De beslissing
Het hof, beschikkende in hoger beroep:
vernietigt de beschikkingen van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 30 september 2021 en 19 januari 2022, uitgesproken onder zaaknummers 526104 respectievelijk 531709 voorzover het de beslissing over het perspectiefbesluit op basis van de geschillenregeling betreft;
verklaart de GI alsnog niet-ontvankelijk in haar verzoek tot beoordeling van het perspectiefbesluit op basis van artikel 1:262b BW;
alvorens verder te beslissen:
houdt iedere verdere beslissing aan tot 26 januari 2023 pro forma in afwachting van het verloop van het traject in [a-plaats] en verzoekt de moeder en de GI het hof hierover binnen twee weken na deze datum dan wel omgaand na afronding van het traject in [a-plaats] (indien dit op een eerdere datum is) te informeren;
bepaalt dat de behandeling van de zaak zal worden voortgezet op een nader, na ontvangst van de informatie zoals bedoeld in rechtsoverweging 5.8, te bepalen datum, waarvoor partijen, de raad en de pleegouders (en de vader als informant) zullen worden opgeroepen;
stelt voor de periode vanaf heden tot aan de start van [a-plaats] de volgende voorlopige omgangsregeling vast tussen de moeder en [de minderjarige]: de moeder heeft één uur per week begeleid contact met [de minderjarige] op het kantoor van de GI te Veenendaal.
Deze beschikking is gegeven door mrs. K.A.M. van Os-ten Have, M.H.F. van Vugt en A.L.H. Ernes, bijgestaan door mr. L.J.G. Scheffer-Overbeek als griffier, en is op 26 juli 2022 uitgesproken door mr. J.H. Lieber in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 26‑07‑2022
Zie voor het advies (met een link naar de beleidsreactie): https://www.rsj.nl/documenten/rapporten/2021/01/14/het-perspectiefbesluit-in-de-jeugdbescherming en voor een laatste stand van zaken de kamerbrief van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de Minister voor Rechtsbescherming van 22 november 2021 https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-31839-812.html