NJB 2025/1118:Opzettelijk in strijd te handelen met bij ministeriële regeling aangewezen voorschriften van EU-verordeningen bij de invoer van producten met krokodillenleer, art. 3.37 Wet natuurbescherming en art. 1 onder 1° jo art. 2 lid 1 WED: hieruit volgt dat het (voorwaardelijk) opzet van de verdachte gericht moet zijn geweest op het ontbreken van de benodigde vergunning. Het hof heeft aan zijn oordeel dat sprake is van “(vol) opzet” in het bijzonder ten grondslag gelegd dat de verdachte zich er niet van heeft vergewist dat de vereiste vergunningen waren afgegeven voordat de goederen werden geëxporteerd en geïmporteerd. Mede erop gelet dat de verdediging heeft aangevoerd dat de verdachte, op grond van de door hem met de verkoper gemaakte afspraak, erop heeft vertrouwd dat de verkoper van de goederen zou zorgdragen voor onder meer de vereiste vergunning voor de invoer van de goederen, heeft het hof ontoereikend gemotiveerd dat het opzet van de verdachte was gericht op het zonder invoervergunning binnenbrengen van de genoemde goederen.