ECLI:NL:GHSHE:2024:961 (parketnummer 20-002832-23).
HR, 11-11-2025, nr. 24/01114
ECLI:NL:HR:2025:1650
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
11-11-2025
- Zaaknummer
24/01114
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Materieel strafrecht (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:1650, Uitspraak, Hoge Raad, 11‑11‑2025; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:896
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2024:961
ECLI:NL:PHR:2025:896, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 26‑08‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1650
Beroepschrift, Hoge Raad, 14‑10‑2024
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2025-0351
GZR-Updates.nl 2025-0218
Uitspraak 11‑11‑2025
Inhoudsindicatie
Verkrachting (art. 242 (oud) Sr) en feitelijke aanranding van eerbaarheid, meermalen gepleegd (art. 246 (oud) Sr) van patiënt door huisarts. Duur van bijkomende straf van ontzetting van recht om beroep van huisarts of ander medisch of paramedisch beroep uit te oefenen, art. 60.1 jo. 63 Sr. Toepassing van ambtshalve cassatie i.v.m. overschrijding van wettelijke maximumduur van bijkomende straf? HR ambtshalve (n.a.v. opmerkingen in CAG): In recente rechtspraak heeft HR overwogen dat hij zijn bevoegdheid tot ambtshalve cassatie o.g.v. art. 440.1 Sv tegenwoordig bijzonder spaarzaam toepast. Bij beperkte capaciteit om cassatieberoepen te behandelen en gelet op noodzaak om strafzaken binnen aanvaardbare termijn af te doen, ligt het immers in de rede de behandeling in cassatie te concentreren op ingediende klachten. Daarbij speelt een rol dat, omdat cassatieklachten moeten worden ingediend door raadsman of OM, HR er in beginsel van moet kunnen uitgaan dat misslagen in bestreden uitspraak of fouten in de aan die uitspraak voorafgegane procedure zijn opgemerkt, terwijl het achterwege blijven van daarop toegespitste klacht kan berusten op weloverwogen keuze (vgl. HR:2023:921). Dat is ook geen onredelijke veronderstelling in geval zoals dit waarin het gaat om duur van opgelegde bijkomende straf. Denkbaar is immers dat verdachte in dat onderdeel van strafoplegging berust, terwijl het ter discussie stellen daarvan consequenties kan hebben voor de (na eventuele terugwijzing) op te leggen hoofdstraf. Volgt verwerping. Samenhang met 24/01111. CAG (strekking): vernietiging t.a.v. opgelegde bijkomende straf.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/01114
Datum 11 november 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 22 maart 2024, nummer 20-002832-23, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat D.N. de Jonge bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de opgelegde ontzetting uit het recht om het beroep van huisarts of een ander medisch of paramedisch beroep uit te oefenen.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Ambtshalve opmerking over de duur van de opgelegde bijkomende straf
Naar aanleiding van het gestelde in de conclusie van de advocaat-generaal onder 4 en 5 over de toepassing van ambtshalve cassatie in verband met de wettelijke maximumduur van de betreffende bijkomende straf merkt de Hoge Raad het volgende op. In recente rechtspraak heeft de Hoge Raad overwogen dat hij zijn bevoegdheid tot ambtshalve cassatie op grond van artikel 440 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering tegenwoordig bijzonder spaarzaam toepast. Bij een beperkte capaciteit om cassatieberoepen te behandelen en gelet op de noodzaak om strafzaken binnen een aanvaardbare termijn af te doen, ligt het immers in de rede de behandeling in cassatie te concentreren op de ingediende klachten. Daarbij speelt een rol dat, omdat cassatieklachten moeten worden ingediend door een raadsman of door het openbaar ministerie, de Hoge Raad er in beginsel van moet kunnen uitgaan dat misslagen in de bestreden uitspraak of fouten in de aan die uitspraak voorafgegane procedure zijn opgemerkt, terwijl het achterwege blijven van een daarop toegespitste klacht kan berusten op een weloverwogen keuze. (Vgl. HR 27 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:921.) Dat is ook geen onredelijke veronderstelling in een geval zoals dit waarin het gaat om de duur van een opgelegde bijkomende straf. Denkbaar is immers dat een verdachte in dat onderdeel van de strafoplegging berust, terwijl het ter discussie stellen daarvan consequenties kan hebben voor de – na een eventuele terugwijzing – op te leggen hoofdstraf.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 november 2025.
Conclusie 26‑08‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Verkrachting en aanranding van patiënt door huisarts (art. 242 en 246 Sr (oud)). Middel over de schakelbewijsconstructie van deze zaak met een afzonderlijke berechte zaak met drie gevallen van verkrachting. Het middel faalt. Ambtshalve opmerkingen over de duur van de ontzetting uit het beroep van huisarts. De conclusie strekt tot vernietiging van de ontzetting uit het beroep van huisarts in deze zaak en tot verwerping van het beroep voor het overige (81.1 RO). Samenhang met 24/1111.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/01114
Zitting 26 augustus 2025
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,
hierna: de verdachte.
Inleiding
1.1
Het gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft bij arrest van 22 maart 2024 het vonnis van de rechtbank Limburg van 18 oktober 20231.bevestigd, behoudens ten aanzien van de opgelegde gevangenisstraf, de beslissing ter zake de wettelijke rente over het toegewezen bedrag aan de benadeelde partij en de betalingsverplichting uit hoofde van de opgelegde schadevergoedingsmaatregel, alsmede de beslissing over de proceskosten en de verdachte (daarmee) wegens 1. primair "verkrachting" en 2. primair “feitelijke aanranding van de eerbaarheid, meermalen gepleegd” , veroordeeld tot twee jaren gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest. Het hof heeft daarnaast de verdachte het recht tot uitoefening van het beroep van huisarts of een ander medisch of paramedisch beroep ontzegd voor de duur van vier jaren. Het hof heeft voorts een vordering van de benadeelde partij (gedeeltelijk) toegewezen en in dat verband een schadevergoedingsmaatregel opgelegd
1.2
Er bestaat samenhang met de zaak 24/01111. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
1.3
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en D.N. de Jonge, advocaat in Rotterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
De zaak in het kort
2.1
Het hof heeft in de onderhavige zaak ten laste van de verdachte bewezenverklaard – kort gezegd - dat hij het slachtoffer [slachtoffer 1] in hoedanigheid als huisarts heeft verkracht en aangerand. In de samenhangende zaak 24/01111 waarin ik – als gezegd – vandaag ook concludeer, heeft het hof bewezen geacht dat de verdachte in hoedanigheid als huisarts drie slachtoffers, te weten [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] , tevens jarenlang patiënten van de verdachte, heeft verkracht. Het hof heeft in die zaak vastgesteld dat de slachtoffers alle drie kwetsbare, oudere personen waren.
2.2
Het hof heeft in beide samenhangende zaken voor de bewijsmotivering gebruik gemaakt van schakelbewijs en geoordeeld – kort gezegd – dat het handelen van de verdachte in de zaak van aangeefster [slachtoffer 1] op essentiële punten overeenkomt dan wel kenmerkende gelijkenissen vertoont met het handelen in de zaken van aangeefsters [slachtoffer 2] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 3] .
Het middel
3.1
Het middel heeft betrekking op de bewezenverklaring van feit 1 primair en feit 2 primair en is gericht tegen de door het hof gebruikte schakelbewijsconstructie. In dat verband wordt aangevoerd dat de door het hof omschreven feiten en omstandigheden waarin het schakelbewijs is gevonden niet uit de bewijsmiddelen volgen en dat de door het hof omschreven feiten en omstandigheden niet de conclusie rechtvaardigen dat de handelswijze van de verdachte in de verschillende zaken op essentiële punten overeenkomt.
De bewezenverklaring en de bewijsoverwegingen van de rechtbank en het hof
3.2
Het hof heeft het vonnis van de rechtbank ten aanzien van de bewezenverklaring bevestigd. De rechtbank heeft ten laste van de verdachte onder 1 primair en onder 2 primair bewezenverklaard dat:
“Feit 1 primair:
in de periode van 1 januari 2018 tot en met 26 februari 2020 in de gemeente [...] door feitelijkheden [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] en bestaande die feitelijkheden hierin dat hij, verdachte, in zijn hoedanigheid van huisarts van die [slachtoffer 1] en derhalve bekend met de lichamelijke en psychische gesteldheid van die [slachtoffer 1] en daarbij misbruik makend van de vertrouwensrelatie tussen arts en patiënt, in het kader van een medisch onderzoek en/of medische controle
- tegen die [slachtoffer 1] heeft gezegd dat en/of aan die [slachtoffer 1] heeft gevraagd of zij op het bed moest/wilde gaan liggen en zij haar broek en onderbroek uit moest/wilde trekken
- onverhoeds en onvoorzien zonder hel dragen van medische handschoenen zijn, verdachtes. vingers in de vagina van die [slachtoffer 1] heeft geduwd en/of gebracht en vervolgens onverhoeds en onvoorzien met zijn, verdachtes, vingers heen en weer is gegaan en/of heen en weer gaande bewegingen heeft gemaakt in de vagina van die [slachtoffer 1] en
- onverhoeds en onvoorzien zonder het dragen van medische handschoenen met zijn verdachtes. vinger(s) en/of hand de clitoris van die [slachtoffer 1] heeft aangeraakt en/of betast en met zijn, verdachtes. vinger(s) en/of hand heen en weer gaande bewegingen heeft gemaakt op/tegen/over de clitoris van die [slachtoffer 1] en
- toen die [slachtoffer 1] aan hem, verdachte, had toegevoegd woorden (van de strekking): "Wat ben je nou aan het doen?", aan die [slachtoffer 1] heeft toegevoegd woorden (van de strekking): "Ja. ik moet toch controleren of het goed is, dat doe ik zo." en/of "Ik moet toch dat onderzoek doen." en of tegen die [slachtoffer 1] heeft gezegd dat haar blaas weer verzakt was en/of
- toen die [slachtoffer 1] haar benen bij elkaar had gedaan, tegen die [slachtoffer 1] heeft gezegd dat hij het moest onderzoeken en/of dat hij op deze manier het onderzoek moest doen en
- met zijn, verdachtes, hand het been van die [slachtoffer 1] (weer) naar buiten heeft geduwd en/of gedaan en
- tegen die [slachtoffer 1] heeft gezegd dat hij fatsoenlijk moest voelen of er iets was, in welke psychische overwichts- en afhankelijkheidssituatie die [slachtoffer 1] zich niet of niet voldoende kon en/of durfde te verzetten tegen en/of te onttrekken aan die seksuele handelingen van verdachte en daaraan geen of niet voldoende weerstand kon en/of durfde te bieden.
Feit 2 primair:
in de periode van 1 januari 2018 tot en met 26 februari 2020 in de gemeente [...] meermalen, telkens door feitelijkheden [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, te weten het meermalen, telkens
- met zijn, verdachtes, buik en/of de voorkant van zijn, verdachtes, (onder)lichaam tegen de rug en/of (de achterkant van) het (onder)lichaam van die [slachtoffer 1] aan gaan en/of blijven staan en/of drukken en/of brengen van zijn, verdachtes, buik en/of de voorkant van zijn, verdachtes, (onder)lichaam op/tegen de rug en/of (de achterkant van) het (onder)lichaam van die [slachtoffer 1] en
- vervolgens zonder het dragen van medische handschoenen met zijn, verdachtes, vinger(s) en/of hand(en) in/aan de (ontblote) liezen van die [slachtoffer 1] voelen en/of duwen en bij/in de buurt van de (ontblote) anus van die [slachtoffer 1] voelen en/of op en neer wrijven
en bestaande die feitelijkheden hierin dat hij, verdachte, in zijn hoedanigheid van huisarts van die [slachtoffer 1] en derhalve bekend met de lichamelijke en psychische gesteldheid van die [slachtoffer 1] en daarbij misbruik makend van de vertrouwensrelatie tussen arts en patiënt, meermalen, telkens in het kader van een medisch onderzoek en/of medische controle
- tegen die [slachtoffer 1] heeft gezegd dat zij haar broek en onderbroek naar beneden en/of omlaag moest doen en dat zij haar shirt en/of hemd omhoog moest doen en dat zij voorover moest bukken en
- toen die [slachtoffer 1] vroeg waarom zij dat moest doen voor pijn in de onderrug, tegen die [slachtoffer 1] heeft gezegd dat hij het goed moest nakijken en navoelen en
- toen die [slachtoffer 1] aan hem, verdachte, had toegevoegd (de) woorden (van de strekking): "Waarom moet die broek zo ver naar beneden, ik heb toch last van mijn rug?", aan die [slachtoffer 1] heeft toegevoegd (de) woorden (van de strekking): "Ik moet je stuitje kunnen voelen." en
- achter die [slachtoffer 1] is gaan staan en zijn, verdachtes, buik en/of de voorkant van zijn, verdachtes, (onder)lichaam op/tegen de rug en/of(de achterkant van) het (onder)lichaam van die [slachtoffer 1] aan heeft gedrukt en/of gebracht en/of met zijn, verdachtes, buik en/of de voorkant van zijn, verdachtes. (onder)lichaam tegen de rug en/of(de achterkant van) het (onder)lichaam van die [slachtoffer 1] aan is gaan en/of blijven staan en
- (vervolgens) zijn, verdachtes, armen en/of handen (van achteren) om het lichaam van die [slachtoffer 1] heen heeft geslagen en/of gedaan en
- onverhoeds en onvoorzien zonder het dragen van medische handschoenen met zijn, verdachtes, vinger(s) en/of hand(en) in/aan de (ontblote) liezen van die [slachtoffer 1] heeft gevoeld en/of geduwd en
- onverhoeds en onvoorzien zonder het dragen van medische handschoenen met zijn, verdachtes. vinger(s) en/of hand(en) in de buurt van en/of bij de anus van die [slachtoffer 1] is gekomen en/of heeft gevoeld en/of geduwd en/of(op en neer) heeft gewreven en
- toen die [slachtoffer 1] aan hem, verdachte, had toegevoegd (de) woorden (van de strekking): "Wat ben je toch aan het doen?", tegen die [slachtoffer 1] heeft gezegd dat hij op deze manier dat onderzoek deed,
in welke psychische overwichts- en afhankelijkheidssituatie die [slachtoffer 1] zich niet of niet voldoende kon en/of durfde te verzetten tegen en/of te onttrekken aan die ontuchtige handelingen van verdachte en/of daaraan geen of niet voldoende weerstand kon en/of durfde te bieden.”
3.3
Het hof heeft de bewijsoverweging van de rechtbank ten aanzien van het onder 1 primair en 2 primair bewezenverklaarde bevestigd. Deze bewijsoverweging van de rechtbank houdt – voor zover van belang en met weglating van voetnoten – in:
“3.3 Het oordeel van de rechtbank
De aangifte van [slachtoffer 1] vermeldt - zakelijk weergegeven - onder meer hel volgende:
Ik ben globaal patiënt geweest hij dokter [verdachte] tussen 2015 en 2020. Het is in de laatste 2 jaar dat dit heeft plaatsgevonden. Het heeft plaatsgevonden in de praktijk van dokter [verdachte] .
Ik ben drie à vier keer bij dokter [verdachte] geweest voor mijn rug. Daarvan heeft hij twee keer aan mijn poepgat gevoeld. Iedere keer als ik een rug-onderzoek had, dan moest ik mijn broek uit doen en voorover bukken. Hij stond achter mij en drukte zich dan tegen mij aan. Hij voelde dan aan mijn liezen met zijn handen. Hij ging met zijn handen om mijn lichaam heen. Mijn broek was dan naar beneden en zijn handen waren op mijn blote huid. Mijn onderbroek zat dan iets lager dan zijn handen. Ik voelde dokter [verdachte] in mijn rug. Ik voelde zijn buik en onderlichaam tegen mij aan.
Ik moest mijn hemd helemaal omhoog doen en ook mijn broek naar beneden doen. Ik vroeg hem dan waarom ik mijn broek uit moest doen. Ik voelde dat hij naar mijn poepgat voelde. Ik vind niet dat het op deze manier hoort. Hij ging achter mij staan en voelde dan aan mijn liezen en hij stond dan achter mij. Ik vroeg dan "Wat ben je toch aan het doen?". Hij zei dan dat hij op deze manier dat onderzoek deed. Ik was dan ook bloot van onderen.
Hij zei kan je je hemd omhoog doen en je broek naar beneden. Ik zei dat ik rugpijn had in de onderrug. Ik zei "Waarvoor moet ik dat doen? Je moet toch niet helemaal bloot staan?". Dokter [verdachte] stond achter mij en ik moest dan voorover bukken. Hij zei dan dat hij goed moest nakijken en navoelen. Ik deed de broek naar beneden omdat dat moest van hem. Hij zei dat ik de broek helemaal naar beneden moest doen. Hij zei dan ook "Het is goed zo". Ik had de broek dan ver genoeg naar beneden getrokken zoals hij dat vroeg.
Ik heb gezegd: "Waarom moet die broek zo ver naar beneden? Ik heb toch last van mijn rug'”. Hij zegt dat: "Ik moet je stuitje kunnen voelen". Hij voelde dan bij het poepgat met zijn vingers. Gewoon eventjes voelen daar. Hij zat er niet in, maar in de buurt van het poepgat. Hij zat dan niet bij mijn stuitje, maar verder, waar het eigenlijk niet hoort. Ik vind dat het stuitje hoger zit en daar hoort hij niet te zitten. Ik voelde dat zijn vingers in de buurt van mijn poepgat zitten. Hij wreef dan met zijn vingers op en neer.
Dat is niet alleen gebeurd. Ik had last van onderbuik en dokter [verdachte] heeft een inwendig onderzoek gedaan. Dit onderzoek heeft een keer plaatsgevonden. Ik moest op mijn rug op het bed gaan liggen en deed mijn benen wijd. Hij ging met de vingers bij vagina naar binnen. Dat deed hij met een hand. Ik weel niet wat hij met zijn andere hand deed. Hij ging toen maar heen en weer en heen en weer met zijn vinger. Ik vroeg toen: "Wat ben je nou aan het doen'?". Hij zei dat mijn blaas weer verzakt was. Ik deed toen mijn benen een beetje bij elkaar. Hij deed zijn hand net boven mijn knie en duwde naar buiten. Hij zei dat hij het moest onderzoeken. Hij zei dal hij fatsoenlijk moest voelen of er iets is. Ik heb ze toen weer uit elkaar gehouden.
Hij ging met zijn vinger erin en heen en weer, ook over mijn kietelaar. Hij ging een heleboel keer heen en weer. Vier a vijf keer. Hij moest toen weer overnieuw beginnen. Hij zei: "Ik moet toch dat onderzoek doen". Ik probeerde mijn benen dicht te doen. Hij deed mijn benen weer uit elkaar. Hij zei dat hij op deze manier het onderzoek moest doen. Ik durfde dan niks meer te zeggen. Ik heb wel eens gezegd tegen hem dat ik het onderzoek heel onprettig vond maar hij zei daar niets over. De twee assistenten heb ik ook verteld wat hij had gedaan.
Dokter [verdachte] onderzocht mij zonder handschoenen. Dal geldt voor zowel het rug-onderzoek als het inwendig onderzoek. Hij waste daarna wel altijd zijn handen. Ik zag dat hij geen handschoenen aan had.
Ik heb mijn vriendin [getuige 1] verteld dat dokter [verdachte] met zijn vingers naar binnen ging en dat hij mij onzedelijk betast heeft. Ik heb het haar verteld omdat ik er heel erg mee zat. Ik durfde dal niemand te vertellen. Ik heb het meteen een week later verteld. Er was toen net naar builen gekomen dal [verdachte] dingen had gedaan. Ik heb gezegd dat hij dat ook bij mij heeft gedaan.
Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] vermeldt - zakelijk weergegeven - onder meer het volgende:
[slachtoffer 1] kwam bij mij en zei dat ze iets wilde vertellen. Ze was bang omdat ze dacht dat ze niet werd geloofd.
Ze vertelde dat hij onderzoek moest doen, dan zij zich moest bukken en dat hij van achter naar binnen ging. Toen ook nog van voren naar binnen.
Zij had toen gezegd: "Moet dat nu zo lang"?
Hij ging van voren op en neer en het duurde heel lang. Ze heeft ook haar nieuwe dokter verteld wat er is gebeurd.
Ze vertelde dat hij heeft gezegd: Ik moet je onderzoeken, trek je broek maar uit en buk je. (..) Ik heb het over dokter [verdachte] .
Zij vertelde toen wat hij deed bij de onderzoeken en dat ze dat heel erg onprettig vond en niet fijn.
[slachtoffer 1] vertelde me dat ze tegen de dokter had gezegd: "Wat doe je?'. De dokter zou hebben gezegd: “Dat hoort bij het onderzoek, dat moet zo '.
[slachtoffer 1] zei toen tegen mij: "Dat kan toch niet dat zo erin en eruit, dat doe je toch niet ". Toen ze het me vertelde was het duidelijk wat ze bedoelde. Ze vertelde dat het ook het in de vagina was en wrijven langs de kielelaar.
[slachtoffer 1] was heel emotioneel en huilde. Als ze echt verdrietig is, huilt ze. Maar toen ze dit tegen mij vertelde was het heel heftig, ze was erg emotioneel. Dat ze zo emotioneel was. kwam niet zo vaak voor. Alleen als er wat was, als ze verdriet had en ze me daarover vertelde. Dat was niet zo vaak. (..) Ik las haar wel eens voor uit de krant, dat er meer vrouwen aangifte hadden gedaan tegen [verdachte] . Maar als ik het er over had werd [slachtoffer 1] stil en teruggetrokken.
[slachtoffer 1] is trouwens nog steeds erg emotioneel als het over [verdachte] gaat. Nog steeds is het heel zwaar voor haar.
Ze heeft het me verteld voordat ze naar een andere huisarts ging.
Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] vermeldt - zakelijk weergegeven - onder meer het volgende:
Ik ben waarnemend huisarts in de praktijk [A] en in die hoedanigheid heb ik [slachtoffer 1] enkele keren gezien omdat zij patiënt is. [slachtoffer 1] heeft verteld dat er bij haar vorige huisarts eigenlijk een aanranding heeft plaats gevonden. Bij een medisch onderzoek waarvan zij aangeeft dat dat haar inziens niet was geïnitieerd. Dat voorval heeft ze meermaals bij mij vermeld de afgelopen tijd.
Zij vertelde mij dat haar vorige huisarts een medisch onderzoek bij haar deed. Zij vroeg zich af of daar wel noodzaak toe was. En dan hebben we hel over een vaginaal "onderzoek". In ieder geval, een onderzoek waarbij ze vaginaal betast werd, met de vraag of dat inderdaad noodzakelijk was. Ze zei dat ze een rug-onderzoek had en dat ze hele rare positie moest aannemen, dat was voor haar geen normaal onderzoek, zei ze.
Ze heeft me dat twee keer verteld en twee keer was het een identiek verhaal. De eerste keer was 16 maart 2022 en de tweede keer 28 oktober 2022.
Ze zei dat bij dat vaginale onderzoek voor haar gevoel de vinger er continu in en uit ging. Met betrekking tot het rug-onderzoek stond hij dan achter haar. Ze moest dan bepaalde posities aannemen die voor haar maakten dat ze het geen normaal medisch onderzoek vond.
Toen [slachtoffer 1] het vertelde werd ze emotioneel en begon ze te huilen. Ook had ze minder oogcontact mogelijk door schaamte.
Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] vermeldt - zakelijk weergegeven - onder meer:
Ik heb eerder verklaard dat er vrouwelijke patiënten waren die mij verteld hadden over dingen die misschien niet klopten. [slachtoffer 1] was een van die vrouwen.
Wat ik me herinner daarover is dal mevrouw een paar dingen omschreef wat niet medisch leek qua onderzoek. Vaginaal onderzoek wat niet naar behoren verliep.
Zij vroeg geloof ik dat het iets in de trant was of het normaal was als iemand met de vingers vaginaal ging onderzoeken, dat dit heel snel op en afging. Bewegingen die dan werden gemaakt met de vingers, of dat normaal was dat dit dan heel snel heen en weer ging. Dat is wat ik me nog kan herinneren.
(…)
Uit het medisch dossier van [slachtoffer 1] in de periode van 1 januari 2015 tot en met 4 maart 2020 blijkt onder meer dat er bij [slachtoffer 1] sprake is van mentale retardatie/intellectuele achterstand hetgeen zich onder meer uit in het moeilijk kunnen maken van keuzes. Daarnaast blijkt uit een notitie dat [slachtoffer 1] d.d. 26 februari 2020 is overgestapt naar een andere huisarts.
De eigen waarneming van de rechtbank ter terechtzitting: Tijdens het voorlezen van de slachtofferverklaring door [slachtoffer 1] sloeg haar stem over en begon zij te huilen.”
3.4
Het hof heeft de bewijsvoering van de rechtbank als volgt verbeterd:
“I.
Het hof stelt vast dat in het vonnis van de rechtbank sprake is van enkele schrijffouten en omissies. Het vonnis waarvan beroep behoeft in zoverre verbetering. De zinnen waarop de verbetering betrekking heeft komen mitsdien te luiden als volgt:
i. Pagina 6 van het vonnis, in het tot het bewijs gebezigde proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , vierde alinea:
‘Toen [slachtoffer 1] het vertelde werd ze emotioneel en begon ze te huilen. Ook had ze minder oogcontact, mogelijk door schaamte.’;
(…)
Het hof is voorts van oordeel dat het bewijsmiddel op pagina 8 van het vonnis, inhoudende de eigen waarneming van de rechtbank ter terechtzitting in eerste aanleg, alsmede de bewijsoverweging op pagina 11 van het vonnis, inhoudende: ‘De rechtbank heeft tijdens het voorlezen van de slachtofferverklaring door [slachtoffer 1] eveneens waargenomen dat [slachtoffer 1] nog altijd emotioneel is: haarstem sloeg over en zij begon te huilen.', in de bewijsconstructie dienen komen te vervallen.”
3.5
Het hof heeft in het bestreden arrest in verband met het gebruik van schakelbewijs als steunbewijs de volgende overweging opgenomen (met weglating van een voetnoot):
“II.
Naar het oordeel van het hof dient de overweging van de rechtbank inzake het gebruikte zogenaamde schakelbewijs als steunbewijs op pagina 10, tweede tot en met zesde alinea (van ‘Uit de vaste jurisprudentie (...) ’ tot en met (...) bij haar heeft verricht. ’), van het vonnis waarvan beroep te worden vervangen op na te melden wijze.
Voor de vraag of er voor de verklaringen van aangeefster [slachtoffer 1] voldoende steun is te vinden in andere bewijsmiddelen overweegt het hof als volgt.
Uit bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat schakelbewijs als dergelijk steunbewijs kan dienen. Voor het bewijs van het tenlastegelegde strafbare feit mag de rechter de bewezenverklaring mede doen steunen op één of meer bewijsmiddelen waaruit blijkt van redengevende feiten en omstandigheden van een ander, soortgelijk strafbaar feit dat door de verdachte is begaan; dit wordt ‘schakelbewijs' genoemd. Daarbij is ten minste vereist dat de wijze waarop de onderscheidene feiten zijn begaan op essentiële punten overeenkomt of kenmerkende gelijkenissen vertoont en dat het duidelijk is dat de verdachte bij beide feiten betrokken is geweest.
Voor wat betreft het overeenkomen van essentiële punten tussen beide ‘geschakelde’ feiten wordt in de regel in het bijzonder gekeken naar de (werk)wijze waarop de onderscheidene feiten zijn gepleegd, de modus operandi. Daarbij kan ook de feitelijke gang van zaken ten aanzien van de tenlastegelegde feiten meewegen, waaronder de context waarbinnen die feiten zich hebben afgespeeld, de omstandigheden waarmee zij zijn omgeven, het desbetreffende handelen van de verdachte, alsmede de verklaringen die de verdachte daarover heeft afgelegd. Hieruit zou een herkenbaar en gelijksoortig patroon in het handelen van de verdachte kunnen worden opgemaakt.
Inhoudelijk geldt ter zake van het schakelbewijs niet dat daarvan alleen gebruik mag worden gemaakt indien de ontleende modus operandi steunt op de bewijsmiddelen van meer dan één ‘geschakeld’ feit. Evenmin is voorwaarde voor het gebruik van schakelbewijs dat tot de bewezenverklaring van in elk geval één van de feiten kan worden gekomen zonder dat daarvoor mede bewijsmiddelen worden gebezigd die betrekking hebben op een ander feit. Met andere woorden: het bewijs in elk van de zaken kan over en weer redengevend worden geacht, zelfs als geen enkel feit afzonderlijk - dus los van de schakelbewijsconstructie - wettig en overtuigend kan worden bewezen.
Het hof stelt op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen vast dat het handelen van de verdachte in de zaak van aangeefster [slachtoffer 1] op essentiële punten overeenkomt dan wel kenmerkende gelijkenissen vertoont met het handelen in de zaken van aangeefsters [slachtoffer 2] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 3] . Voor de feitelijke gang van zaken en de omstandigheden waaronder de drie laatstgenoemde aangeefsters de door de verdachte verrichte seksuele handelingen hebben moeten ondergaan heeft het hof acht geslagen op de processen-verbaal van aangiften, verhoren, informatieve gesprekken zeden en verdenking, zoals die zich tevens in het procesdossier van de onderhavige zaak bevinden.
Met betrekking tot de overeenkomsten op essentiële punten dan wel kenmerkende gelijkenissen in vorenbedoelde zaken wijst het hof op het volgende:
- Aangeefsters [slachtoffer 2] , [slachtoffer 4] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1] waren patiënt bij de huisartsenpraktijk van de verdachte en betroffen allen (door hun psychische gesteldheid) kwetsbare en op leeftijd zijnde vrouwen. Kennelijk zocht de verdachte zijn slachtoffers uit in deze specifieke doelgroep;
- De verdachte betastte de borsten van aangeefsters (in de gevallen van [slachtoffer 4] en [slachtoffer 3] );
- Het ging telkens om een medisch onderzoek dat niet paste bij de klachten die aangeefsters op het betreffende moment hadden (in de gevallen van [slachtoffer 4] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1] );
- Aangeefsters moesten hun handen op een meubel leggen (in de gevallen van [slachtoffer 4] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1] );
- Aangeefsters stonden ten tijde van de tenlastegelegde handelingen met hun rug naar de verdachte (in de gevallen van [slachtoffer 4] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1] );
- De verdachte bracht zijn vinger(s) in de vagina van aangeefsters, waarna ronddraaiende en/of op- en neergaande bewegingen in de vagina werden gemaakt (in de gevallen van [slachtoffer 2] , [slachtoffer 4] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1] );
- De verdachte verrichte genoemde handelingen met de blote hand, zonder het dragen van medische handschoenen zoals is voorgeschreven (in de gevallen van [slachtoffer 2] , [slachtoffer 4] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1] );
- De verdachte maakte, onderwijl hij de genoemde handelingen verrichtte en nadat aangeefsters vroegen wat hij aan het doen was of hem vroegen te stoppen, opmerkingen of handgebaren die geruststellend waren bedoeld en/of die duidelijk getuigen van een seksuele intentie (in de gevallen van [slachtoffer 2] , [slachtoffer 4] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1] ).
Het hof is van oordeel dat de hiervoor omschreven feiten en omstandigheden de conclusie wettigen dat de handelwijze van de verdachte op essentiële punten overeenkomt dan wel kenmerkende gelijkenissen vertoont. De modus operandi van de verdachte en de feitelijke gang van zaken ten aanzien van de feiten in alle zaken is aldus steeds soortgelijk geweest. Het hof stelt aldus vast dat een herkenbaar en gelijksoortig patroon in het handelen van de verdachte kan worden opgemaakt. Dit schakelbewijs levert naar het oordeel van het hof steunbewijs op voor de verdenking dat de verdachte de door aangeefster beschreven handelingen bij haar heeft verricht. De door de raadsman van de verdachte ten verwere aangevoerde omstandigheid dat er een groot tijdsverloop bestaat tussen de tenlastegelegde feiten en het doen van aangifte door aangeefster, alsmede de - naar het oordeel van het hof ondergeschikte - verschillen waarop hij heeft gewezen, kunnen aan het voorgaande niet afdoen.”
3.6
Het door het hof bevestigde onderdeel van het vonnis van de rechtbank inzake het steunbewijs houdt in:
“Daar komt nog bij dat de getuige [getuige 1] zeer kort na de gedraging van de verdachte, hevige emoties heeft waargenomen bij de aangeefster: zij verklaarde immers dat [slachtoffer 1] erg emotioneel was, huilde en dat het heel heftig was. Volgens [getuige 1] reageerde [slachtoffer 1] normaliter alleen op een dergelijke manier als er wat ergs aan de hand was en ze verdrietig was. Dat kwam volgens [getuige 1] niet vaak voor. [getuige 1] benoemt tijdens het afleggen van haar getuigenverklaring, in december 2022. dat [slachtoffer 1] op dat moment nog altijd emotioneel is en hetgeen er gebeurd is haar nog altijd zwaar valt. Getuige [getuige 2] bevestigt deze waarneming in zijn getuigenverklaring. Hij heeft meermaals met [slachtoffer 1] over het tenlastegelegde gesproken en telkens begon [slachtoffer 1] te huilen en maakte zij minder oogcontact. (…)”
3.7
In de toelichting op het middel wordt eerst aangevoerd dat een aantal feiten en omstandigheden die het hof redengevend heeft geacht bij het gebruik van schakelbewijs ten aanzien van het slachtoffer [slachtoffer 1] niet uit de bewijsmiddelen zijn te ontlenen. De steller van het middel voert aan dat niet uit de bewijsmiddelen kan volgen dat (i) [slachtoffer 1] een vrouw op leeftijd was (ii) dat het uitgevoerde medisch onderzoek niet paste bij de klachten die zij ervoer (iii) dat het slachtoffer [slachtoffer 1] haar handen op een meubel moest leggen en (iv) dat geruststellend bedoelde opmerking zijn gemaakt of opmerkingen die getuigen van een seksuele intentie.
3.8
Aan de steller van het middel kan worden toegeven dat uit de bewijsmiddelen geen leeftijd van het slachtoffer volgt. Uit de bewijsmiddelen volgt wel dat het gaat om een slachtoffer waarbij sprake is van mentale retardatie/intellectuele achterstand. Daaruit heeft het hof kunnen afleiden dat het slachtoffer [slachtoffer 1] in elk geval een kwetsbare vrouw was. Wat betreft de overige door de steller van het middel genoemde omstandigheden, meen ik dat het hof die uit de bewijsmiddelen heeft kunnen afleiden. In verband met het hiervoor onder (iii) genoemde wijs ik erop dat uit de verklaring van de aangeefster [slachtoffer 1] onder meer volgt dat de verdachte in het kader van rugklachten onderzoek bij haar stuitje moest doen, maar in plaats daarvan voelde ze dat zijn vingers in de buurt van haar poepgat zaten en dat hij daar met zijn vingers op en neer wreef. En dat hij bij een inwendig onderzoek in verband met klachten aan haar onderbuik - zonder het dragen van handschoenen - met zijn vingers een heleboel keer heen en weer ging en ook over haar kietelaar. Daarnaast heeft haar volgende huisarts verklaard dat het slachtoffer tweemaal aan hem vroeg of het medisch onderzoek wat de verdachte had gedaan wel noodzakelijk was en dat het voor haar geen normaal onderzoek was. In verband met het hiervoor onder (iv) genoemde wijs ik erop dat uit de verklaring van de aangeefster volgt dat de verdachte, als zij hem vroeg of dit allemaal wel nodig was, onder meer zei “het is goed zo”, "Ik moet je stuitje kunnen voelen", dat hij fatsoenlijk moest voelen of er iets is en "Ik moet toch dat onderzoek doen". Het hof heeft daaruit niet onbegrijpelijk afgeleid dat de verdachte, onderwijl hij de genoemde handelingen verrichtte en nadat aangeefsters vroegen wat hij aan het doen was of hem vroegen te stoppen, opmerkingen maakten die geruststellend waren bedoeld.
3.9
Het middel klaagt daarnaast – als gezegd – over de schakelbewijsconstructie.
Het juridisch kader
3.10
Bij schakelbewijs gaat het om een bewijsvoering waarbij voor de bewezenverklaring van een feit mede redengevend wordt geacht de – uit één of meer bewijsmiddelen blijkende – omstandigheid dat de verdachte bij één of meer andere strafbare feiten betrokken was. De vraag of de redengevendheid van dergelijk – in diverse varianten voorkomend – schakelbewijs begrijpelijk is, moet worden beoordeeld in het licht van de gehele bewijsvoering. Daarbij kan van belang zijn of en in hoeverre de wijze waarop en de omstandigheden waaronder de onderscheidene feiten zijn begaan, op essentiële punten overeenkomen.2.Uit de rechtspraak volgt dat onder deze ‘omstandigheden’ niet alleen wordt begrepen de wijze waarop de delictshandelingen in engere zin zijn verricht, maar ook de context waarbinnen de feiten zich hebben toegedragen en de omstandigheden waarmee zij zijn omgeven.3.De overeenkomst van omstandigheden hoeft niet zover te gaan dat de feitencomplexen identiek zijn.4.Het is voor het gebruik van schakelbewijs niet nodig dat eerst is vastgesteld dat de feiten zijn begaan.5.Evenmin is vereist dat ten minste één van de feiten kan worden bewezen zonder het gebruik van schakelbewijs.6.
3.11
Uit de overweging dat van belang kan zijn of en in hoeverre de wijze waarop en de omstandigheden waaronder de onderscheidene feiten zijn begaan, op essentiële punten overeenkomen, volgt dat niet aan iedere (reeks van) overeenkomst(en) dezelfde bewijswaarde toekomt.7.Die bewijswaarde zal onder andere afhangen van de mate waarin een omstandigheid uniek is, de mate van overeenkomst, het aantal overeenkomsten en het aantal herhalingen.8.Dat niet alle zaken dezelfde overeenkomsten worden aangetroffen, maakt naar mijn idee niet dat aan de wel bestaande overeenkomsten geen bewijswaarde meer kan worden toegekend, zolang tenminste niet kan worden gezegd dat de in verschillende zaken waargenomen patronen onverenigbaar zijn met elkaar.
3.12
Het is deze variatie in bewijswaarde die maakt dat de redengevendheid van het schakelbewijs voor de bewezenverklaring dient te worden beoordeeld in het licht van de hele bewijsvoering. Wanneer zowel het bestaan van een strafbaar feit als de betrokkenheid van de verdachte enkel berust op schakelbewijs, zullen daaraan hogere eisen moeten worden gesteld dan wanneer ander bewijs aanwezig is en het schakelbewijs slechts een kleiner onderdeel is van de bewijsconstructie.
De bespreking van het middel
3.13
Van dit laatste is sprake in deze zaak. Het primaire bewijs in de onderhavige zaak is immers gelegen in de verklaring van het slachtoffer over wat haar is overkomen. Deze verklaring is door het hof als betrouwbaar aangemerkt en dat oordeel is in cassatie niet bestreden. Het schakelbewijs dient hier dan ook slechts als steunbewijs, waarbij ik met het hof opmerk dat in de onderhavige zaak ook al ander steunbewijs bestaat..
3.14
Het hof heeft geoordeeld dat het feitencomplex in de zaak van aangeefster [slachtoffer 1] en in de afzonderlijk berechte zaken van aangeefsters [slachtoffer 2] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 3] op essentiële punten overeenkomt dan wel kenmerkende gelijkenissen vertoont. De belangrijkste daarvan lijkt mij dat (i) de vier aangeefsters patiënt waren bij de huisartsenpraktijk van de verdachte en dat het allen (door hun psychische gesteldheid) kwetsbare en op leeftijd zijnde vrouwen betroffen (met inachtneming van hetgeen voorgaande onder 3.7 en 3.8), (ii) de verdachte zijn vinger(s) in de vagina van aangeefsters bracht, waarna ronddraaiende en/of op- en neergaande bewegingen in de vagina werden gemaakt en (iii) de verdachte dit deed met de blote hand, zonder het dragen van medische handschoenen zoals is voorgeschreven. Ik acht deze feiten en omstandigheden waarop en waaronder de onderscheidene feiten zijn begaan op zich al toereikend voor het oordeel dat de handelwijze van de verdachte op essentiële punten overeenkomt dan wel kenmerkende gelijkenissen vertoont en dat dit gegeven voldoende steunbewijs oplevert voor de in iedere zaak afgelegde verklaring van het slachtoffer.
3.15
Voor zover in de toelichting op het middel wordt betoogd dat deze handelingen onvoldoende specifiek zijn omdat zij gerelateerd kunnen worden aan regulier medisch onderzoek, wijs ik erop dat die handelingen volgens de overwegingen van het hof een seksuele aard hadden. Dit acht ik niet onbegrijpelijk gelet op de aard van de handelingen, de reactie daarop van de slachtoffers, de uitlatingen van de verdachte alsmede hetgeen aan de handelingen voorafging dan wel erna volgde. In dat verband wijs ik er verder op dat het hof bij drie van de vier aangeefsters wel expliciet heeft vastgesteld dat het medisch onderzoek niet paste bij de klachten die de aangeefsters op dat moment hadden.
3.16
Bezien in het licht van de hele bewijsvoering komt aan de overige door het hof genoemde overeenkomsten slechts een beperkte betekenis toe. Alleen al daarom kan hetgeen verder in het middel is aangevoerd niet tot cassatie leiden.9.
Ambtshalve opmerkingen in verband met de strafoplegging
4.1
Ambtshalve merk ik op dat de duur van de door het hof opgelegde ontzegging van het recht tot uitoefening van het beroep van huisarts of een ander medisch of paramedisch beroep de aandacht vraagt.
4.2
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 8 maart 2024 houdt voor zover van belang in:
“De voorzitter deelt mede, dat de strafzaak tegen de verdachte gelijktijdig, doch niet gevoegd, zal worden behandeld met de eveneens ter terechtzitting van heden aangebrachte strafzaak onder parketnummer 20-002467-22 tegen de verdachte. Met instemming van de advocaat-generaal en de verdediging worden de verklaringen die de verdachte heden voor het hof geeft geacht te zijn afgelegd in beide zaken.”
4.3
Het hof heeft in de onderhavige zaak aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren opgelegd en het recht tot uitoefening van het beroep van huisarts of een ander medisch of paramedisch beroep ontzegd voor de duur van vier jaren. In de samenhangende zaak 24/01111 heeft het hof de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren en het recht tot uitoefening van het beroep van huisarts of een ander medisch of paramedisch beroep ontzegd voor de duur van tien jaren. In totaal overschrijdt de duur van de ontzetting uit het recht dus de gevangenisstraf met zeven jaren.10.
4.4
In verband met de maximale duur van de op te leggen ontzegging van het recht om bepaalde beroepen uit te oefenen zijn de volgende wettelijke bepalingen van belang:
Art. 57 Sr luidt voor zover van belang:
“1. Bij samenloop van feiten die als op zichzelf staande handelingen moeten worden beschouwd en meer dan één misdrijf opleveren waarop gelijksoortige hoofdstraffen zijn gesteld, wordt één straf opgelegd.
2. Het maximum van deze straf is het totaal van de hoogste straffen op de feiten gesteld, doch - voor zover het gevangenisstraf of hechtenis betreft - niet meer dan een derde boven het hoogste maximum.
Art. 60 Sr luidt voor zover van belang:
“In de gevallen van de artikelen 57 en 58 gelden ten aanzien van bijkomende straffen de volgende bepalingen:
1°. de straffen van ontzetting van dezelfde rechten worden opgelost in één straf, in duur de opgelegde hoofdstraf of hoofdstraffen ten minste twee en ten hoogste vijf jaren te boven gaande, of ingeval geen andere hoofdstraf dan geldboete is opgelegd, in één straf van ten minste twee en ten hoogste vijf jaren;”
Art. 63 Sr houdt in:
“Indien iemand, nadat hem een straf is opgelegd, schuldig wordt verklaard aan een misdrijf of een overtreding voor die strafoplegging gepleegd, zijn de bepalingen van deze titel voor het geval gelijktijdig straf wordt opgelegd van toepassing.”
Art. 28 Sr luidt voor zover van belang:
“1. De rechten waarvan de schuldige, in de bij de wet bepaalde gevallen, bij rechterlijke uitspraak kan worden ontzet, zijn:
(…)
5°.de uitoefening van bepaalde beroepen.”
Artikel 31 luidt voor zover van belang:
“1. Wanneer ontzetting van rechten wordt uitgesproken, bepaalt de rechter de duur als volgt:
(…)
2°.bij veroordeling tot tijdelijke gevangenisstraf of tot hechtenis, voor een tijd de duur van de hoofdstraf ten minste twee en ten hoogste vijf jaren te boven gaande;
2. De ontzetting van het recht vermeld in artikel 28, eerste lid, onder 3°, gaat in op de dag dat de veroordeling daartoe onherroepelijk is geworden. De ontzetting van een van de andere in artikel 28, eerste lid, vermelde rechten gaat in op de dag waarop de rechterlijke uitspraak kan worden ten uitvoer gelegd.”
Art. 242 (oud) Sr luidt:
“Hij die door geweld of een andere feitelijkheid of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid iemand dwingt tot het ondergaan van handelingen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, wordt als schuldig aan verkrachting gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren of geldboete van de vijfde categorie.”
Art. 251 (oud) Sr luidt11.:
“1. Bij veroordeling wegens een der in de artikelen 240b tot en met 247 onderscheidenlijk 248a tot en met 250 omschreven misdrijven, kan ontzetting van de in artikel 28, eerste lid, onder 1°, 2° en 4°, vermelde rechten worden uitgesproken.
2. Indien de schuldige aan een der misdrijven in de artikelen 240b tot en met 247 en 248a tot en met 250 omschreven, het misdrijf in zijn beroep begaat, kan hij van de uitoefening van dat beroep worden ontzet.”
4.5
Uit de op de voet van art. 434 lid 1 Sv aan de Hoge Raad zowel in de onderhavige zaak als in de zaak met nummer 24/01111 toegezonden stukken blijkt niet welke van beide arresten op 22 maart 2024 door het hof als eerste is uitgesproken. Daarom moet het ervoor worden gehouden dat de zaak met het hoogste parketnummer en dat als laatste door de rechtbank is gewezen - de onderhavige zaak met parketnummer 20-002832-23 - als laatste is uitgesproken.12.
4.6
Het hof had zich bij de strafoplegging in de onderhavige zaak ingevolge art. 63 Sr rekenschap moeten geven van de beperkingen die art. 60 Sr aan een cumulatie van bijkomende straffen stelt. Het hof heeft dit miskend door aan de verdachte in de twee samenhangende zaken gecumuleerd veertien jaar ontzetting uit het recht om het beroep van huisarts of een ander medisch of paramedisch beroep uit te oefenen op te leggen (waarvan zeven jaren de hoofdstraf overstijgen), terwijl slechts een ontzegging van maximaal twaalf jaren opgelegd had kunnen worden (waarvan vijf jaren de hoofdstraf overstijgen).
4.7
Gelet op de ontzetting uit een recht die is opgelegd in de zaak met nummer 24/01111 bestaat in de onderhavige zaak geen ruimte meer voor een aanvullende oplegging van een dergelijke ontzetting.
Afronding
5.1
Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 Wet RO ontleende motivering.
5.2
Verder heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
5.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de opgelegde ontzetting uit het recht om het beroep van huisarts of een ander medisch of paramedisch beroep uit te oefenen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 26‑08‑2025
HR 23 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:654 rov 2.4., onder verwijzing naar HR 26 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1303 rov. 3.8. Zie voor een uitgebreide beschouwing over schakelbewijs ook de conclusie van AG Aben ECLI:NL:PHR:2023:555, randnrs. 293-322.
HR 1 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1455 en HR 14 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU5496, rov. 6.3.2.
HR 17 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1216 onder verwijzing naar de conclusie van AG Paridaens, ECLI:NL:PHR:2024:577, randnr. 27.
HR 1 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1455.
HR 12 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3118.
Het hof heeft dit overigens erkend waar het heeft vrijgesproken van het onder 4 tenlastegelegde onder de overweging dat het schakelbewijs onvoldoende steun biedt aan de aangifte.
Vgl. AG Aben ECLI:NL:PHR:2023:555, randnrs. 303-310.
Vgl. HR 17 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1216 onder verwijzing naar de conclusie van AG Paridaens, ECLI:NL:PHR:2024:577, randnr. 29.
Zie voor de relatie tussen de duur van de hoofdstraf en de duur van de ontzetting uit een recht ook HR 15 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1400, rov. 2.
Vgl. HR 16 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL7583, rov. 2.6.
Beroepschrift 14‑10‑2024
De Hoge Raad der Nederlanden te
's‑Gravenhage
SCHRIFTUUR IN CASSATIE
Datum betekening: 16 juli 2024 (termijn verlengd t/m 14 oktober 2024)
Geacht College,
Ondergetekende,
mr. D.N. de Jonge, advocaat te Rotterdam, kantoorhoudende op het adres Oudehoofdplein 4 (3011 TM) te Rotterdam (Cleerdin & Hamer Advocaten), die in deze zaak bepaaldelijk is gevolmachtigd door rekwirant in cassatie:
de heer [verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1969 te [geboorteplaats],
thans verblijvend in de [verblijfplaats], [a-straat 01] ([postcode]) te [a-plaats],
heeft hierbij de eer aan uw College te doen toekomen een schriftuur in cassatie ten vervolge op het tijdig ingestelde beroep in cassatie tegen het arrest d.d. 22 maart 2024 gewezen tegen rekwirant in de zaak met parketnummer 20/002832-23.
In deze zaak is rekwirant door de Rechtbank Limburg bij vonnis van 18 oktober 2023 veroordeeld wegens verkrachting (feit 1 primair) en feitelijke aanranding van de eerbaarheid, meermalen gepleegd (feit 2 primair) tot een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar. Ook is de vordering benadeelde partij deels toegewezen en de schadevergoedingsmaatregel opgelegd. Het Gerechtshof 's‑Hertogenbosch heeft het vonnis bevestigd met verbetering en aanvulling van de gronden (de bewijsvoering). De strafoplegging is vernietigd en opgelegd aan rekwirant is een gevangenisstraf van 2 jaren en een beroepsverbod voor de duur van 4 jaren. Tevens is de vordering benadeelde partij vermeerderd met de wettelijke rente.
Het beroep in cassatie tegen bovenvermeld arrest is tijdig, te weten op 22 maart 2024, ingesteld Door mr. R. Engwegen, advocaat te Echt.
Rekwirant voert het navolgende middel van cassatie aan:
I. Schending van art. 242 Sr en/of de artt. 338, 339, 341, 342, 344, 350, 358, 359 en 415 Sv, althans en in elk geval schending en/of onjuiste toepassing van het recht en/of verzuim van vormen
Meer in het bijzonder is de bewezenverklaring door het Hof van feit 1 primair en feit 2 primair niet naar de eis der wet met redenen omkleed, althans niet voldoende begrijpelijk gemotiveerd nu moet worden vastgesteld dat bewijsmiddelen zijn gebezigd die niet redengevend zijn voor de bewezenverklaring van feiten 1 primair en 2 primair, omdat die bewijsmiddelen zien op andere feiten (ten aanzien van aangeefsters [slachtoffer 2], [slachtoffer 4] en [slachtoffer 3]), althans dat het oordeel van het Hof dat in de onderhavige zaak ten aanzien van de feiten 1 primair en 2 primair gebruik kan worden gemaakt van de constructie van het zogeheten ‘schakelbewijs’ onjuist, althans zonder nadere toelichting (welke ontbreekt) en mede gelet op hetgeen daartoe naar voren was gebracht niet voldoende begrijpelijk is, aangezien de door het Hof omschreven feiten en omstandigheden waarin het schakelbewijs is gevonden
- —
niet (telkens) uit de bewijsmiddelen volgen en/of
- —
de in het arrest omschreven feiten en omstandigheden niet de conclusie rechtvaardigen dat de handelswijze van rekwirant op essentiële punten overeenkomt dan wel kenmerkende gelijkenissen vertoont waardoor van een herkenbaar en gelijksoortig patroon gesproken zou kunnen worden en de gebezigde bewijsmiddelen ten aanzien van het ene feit dus niet (zonder meer) redengevend zijn voor de bewezenverklaring van het andere feit.
De redengevendheid van het schakelbewijs zoals gebezigd door het Hof is, ook in het licht van de gehele bewijsvoering, niet (zonder nadere toelichting die ontbreekt) begrijpelijk en de bewezenverklaring is aldus niet naar de eis der wet met redenen omkleed en in ieder geval niet voldoende begrijpelijk gemotiveerd.
Toelichting
Het Hof heeft blijkens het arrest d.d. 22 maart 2024 het vonnis d.d. 18 oktober 2023 bevestigd, voor zover inhoudende dat ten aanzien van rekwirant bewezen kan worden verklaard dat hij:
‘Feit 1 primair:
in de periode van 1 januari 2018 tot en met 26 februari 2020 in de gemeente [gemeente] door feitelijkheden [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1]
en bestaande die feitelijkheden hierin dat hij, verdachte, in zijn hoedanigheid als huisarts van die [slachtoffer 1] en derhalve bekend met de lichamelijke en psychische gesteldheid van die [slachtoffer 1] en daarbij misbruik makend van de vertrouwensrelatie tussen arts en patiënt eenmaal, in het kader van een medisch onderzoek en/of medische controle
- —
tegen die [slachtoffer 1] heeft gezegd dat en/of aan die [slachtoffer 1] heeft gevraagd of zij op het bed moest/wilde gaan liggen en zij haar broek en onderbroek uit moest/wilde trekken en/of
- —
onverhoeds en onvoorzien zonder het dragen van medische handschoenen zijn, verdachtes, vingers in de vagina van die [slachtoffer 1] heeft geduwd en/of gebracht en vervolgens onverhoeds en onvoorzien met zijn, verdachtes, vingers heen en weer is gegaan en/of heen en weer gaande bewegingen heeft gemaakt in de vagina van die [slachtoffer 1] en
- —
onverhoeds en onvoorzien zonder het dragen van medische handschoenen met zijn, verdachtes, vinger(s) en/of hand de clitoris van die [slachtoffer 1] heeft aangeraakt en/of betast en met zijn, verdachtes, vinger(s) en/of hand heen en weer gaande bewegingen heeft gemaakt op/tegen/over de clitoris van die [slachtoffer 1] en
- —
toen die [slachtoffer 1] aan hem, verdachte, had toegevoegd woorden (van de strekking): ‘Wat ben je nou aan het doen?’, aan die [slachtoffer 1] heeft toegevoegd woorden (van de strekking) ‘Ja, ik moet toch controleren of het goed is, dat doe ik zo’ en/of ‘Ik moet toch dat onderzoek doen’ en/of tegen die [slachtoffer 1] heeft gezegd dat haar blaas weer verzakt was en/of het moest onderzoeken en/of dat hij op deze manier het onderzoek moest doen en
- —
met zijn, verdachtes, hand het been van die [slachtoffer 1] (weer) naar buiten heeft geduwd en/of gedaan en
- —
tegen die [slachtoffer 1] heeft gezegd dat hij fatsoenlijk moest voelen of er iets was, in welke psychische overwichts- en afhankelijkheidssituatie die [slachtoffer 1] zich niet of niet voldoende kon en/of durfde te verzetten tegen en/of te onttrekken aan die seksuele handelingen van verdachte en daaraan geen of niet voldoende weerstand kon en/of durfde te bieden.
Feit 2 primair
in de periode van 1 januari 2018 tot en met 26 februari 2020 in de gemeente [gemeente] meermalen, telkens door feitelijkheden [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, te weten meermalen, telkens
- —
met zijn, verdachtes, buik en/of de voorkant van zijn, verdachtes (onder)lichaam tegen de rug en/of (de achterkant van) het (onder)lichaam van die [slachtoffer 1] aan gaan en/of blijven staan en/of drukken en/of brengen van zijn, verdachtes, buik en/of de voorkant van zijn, verdachtes, (onder)lichaam op/tegen de rug en/of (de achterkant van) het (onderlichaam) van die [slachtoffer 1] en
- —
vervolgens zonder het dragen van medische handschoenen met zijn, verdachtes, vinger(s) en/of hand(en) in/aan de ontblote liezen van die [slachtoffer 1] voelen en/of duwen en bij/in de buurt van de (ontblote) anus van die [slachtoffer 1] voelen en/of op en neer wrijven
en bestaande die feitelijkheden hierin dat hij, verdachte, in zijn hoedanigheid van huisarts van die [slachtoffer 1] en daarbij misbruik makend van de vertrouwensrelatie tussen arts en patiënt, meermalen, telkens in het kader van een medisch onderzoek en/of medische controle
- —
tegen die [slachtoffer 1] heeft gezegd dat zij haar broek en onderbroek naar beneden en/of omlaag moest doen en dat zij haar shirt en/of hem omhoog moest doen en dat zij voorover moest bukken en
- —
toen die [slachtoffer 1] vroeg waarom zij dat moest doen voor pijn in de onderrug, tegen die [slachtoffer 1] heeft gezegd dat hij het goed moest nakijken en navoelen en
- —
toen die [slachtoffer 1] hem, verdachte, had toegevoegd (de) woorden (van de strekking) ‘Waarom moet die broek zo ver naar beneden, ik heb toch last van mijn rug?’, aan die [slachtoffer 1] heeft toegevoegd (de) woorden (van de strekking) ‘Ik moet je stuitje kunnen voelen’ en
- —
achter die [slachtoffer 1] is gaan staan en zijn, verdachtes, buik en/of de voorkant van zijn, verdachtes, (onder)lichaam op/tegen de rug en/of (de achterkant van) het (onder)lichaam van die [slachtoffer 1] aan heeft gedrukt en/of gebracht en/of met zijn, verdachtes, buik en/of de voorkant van zijn, verdaches, (onder)lichaam tegen de rug en/of (de achterkant van) het (onder)lichaam van die [slachtoffer 1] is gaan en/of blijven staan en
- —
(vervolgens) zijn, verdachtes, armen en/of handen (van achteren) om het lichaam van die [slachtoffer 1] heen heeft geslagen en/of gedaan en
- —
onverhoeds en onvoorzien zonder het dragen van medische handschoenen met zijn, verdachtes, vinger(s) en/of hand(en) in/aan de ontblote liezen van die [slachtoffer 1] heeft gevoeld en/of geduwd en
- —
onverhoeds en onvoorzien zonder het dragen van medische handschoenen met zijn verdachtes, vinger(s) en/of hand(en) in de buurt van en/of bij de anus van die [slachtoffer 1] is gekomen en/of heeft gevoeld en/of geduwd en/of (op en neer) heeft gewreven en
- —
toen die [slachtoffer 1] aan hem, verdachte, had toegevoegd (de) woorden (van de strekking) ‘Wat ben je toch aan het doen?’ tegen die [slachtoffer 1] heeft gezegd dat hij op deze manier dat onderzoek deed,
in welke psychische overwichts- en afhankelijkheidssituatie die [slachtoffer 1] zich niet of niet voldoende kon en/of durfde te verzetten tegen en/of te onttrekken aan die ontuchtige handelingen van verdachte en/of daaraan geen of niet voldoende weerstand kon en/of durfde te bieden.’
Ten aanzien van deze feiten geldt dat de bewijsmiddelen zijn opgenomen in het bevestigde vonnis, deze staan gerelateerd op p. 3 t/m 8 van het vonnis d.d. 18 oktober 2023. Het merendeel van de bewijsmiddelen heeft geen betrekking op hetgeen bewezen is verklaard ten aanzien van aangeefster [slachtoffer 1], maar ziet op andere feiten, ten aanzien van [slachtoffer 2], [slachtoffer 4] en [slachtoffer 3]. Het Hof heeft de bewijsoverweging van de rechtbank die ziet op het gebruik van schakelbewijs vervangen door een eigen overweging. Deze overweging staat onder II. vanaf p. 3 in het arrest d.d. 22 maart 2024. Na algemene overwegingen over schakelbewijs, overweegt het Hof als volgt:
‘Het hof stelt op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen vast dat het handelen van de verdachte in de zaak van aangeefster [slachtoffer 1] op essentiele punten overeenkomt dan wel kenmerkende gelijkenissen vertoont met het handelen in de zaken van aangeefsters [slachtoffer 2], [slachtoffer 4] en [slachtoffer 3]. Voor de feitelijke gang van zaken en de omstandigheden waaronder de drie laatstgenoemde aangeefsters de door de verdachte verrichte seksuele handelingen hebben moeten ondergaan heeft het hof acht geslagen op de processen-verbaal van aangiften, verhoren, informatieve gesprekken zeden en verdenking, zoals die zich tevens in het procesdossier van de onderhavige zaak bevinden.
Met betrekking tot de overeenkomsten op essentiële punten dan wel kenmerkende gelijkenissen in vorenbedoelde zaken wijst het hof op het volgende:
- —
Aangeefsters [slachtoffer 2], [slachtoffer 4], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1] waren patiënt bij de huisartsenpraktijk van de verdachte en betroffen allen (door hun psychische gesteldheid) kwetsbare en op leeftijd zijnde vrouwen. Kennelijk zocht de verdachte zijn slachtoffers in deze specifieke doelgroep;
- —
De verdachte betastte de borsten van aangeefsters (in de gevallen van [slachtoffer 4] en [slachtoffer 3]);
- —
Het ging telkens om een medisch onderzoek dat niet paste bij de klachten die aangeefsters op het betreffende moment hadden (in de gevallen van [slachtoffer 4], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1]);
- —
Aangeefsters moesten hun handen op een meubel leggen (in de gevallen van [slachtoffer 4], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1]), waarna hun broek onverhoeds en onvoorzien naar beneden werd getrokken (in de gevallen van [slachtoffer 4] en [slachtoffer 3]);
- —
Aangeefsters moesten op aanwijzen van de verdachte op hun rug gaan liggen, waarna de verdachte allereerst aan hun buik voelde (in de gevallen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 4]);
- —
Aangeefsters stonden ten tijde van de tenlastegelegde handelingen met hun rug naar de verdachte (in de gevallen van [slachtoffer 4], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1]);
- —
De verdachte bracht zijn vinger(s) in de vagina van aangeefsters, waarna ronddraaiende en/of op- en neergaande bewegingen in de vagina werden gemaakt (in de gevallen van [slachtoffer 2], [slachtoffer 4], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1]);
- —
De verdachte verrichte genoemde handelingen met de blote hand, zonder het dragen van medische handschoenen zoals is voorgeschreven (in de gevallen van [slachtoffer 2], [slachtoffer 4], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1]);
- —
De verdachte maakte, onderwijl hij de genoemde handelingen verrichtte en nadat aangeefsters vroegen wat hij aan het doen was of hem vroegen te stoppen, opmerkingen of handgebaren die geruststellend waren bedoeld en/of die duidelijk getuigden van een seksuele intentie (in de gevallen van [slachtoffer 2], [slachtoffer 4], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1]).
Het hof is van oordeel dat de hiervoor omschreven feiten en omstandigheden de conclusie wettigen dat de handelwijze van de verdachte op essentiële punten overeenkomt dan wel kenmerkende gelijkenissen vertoont. De modus operandi van de verdachte en de feitelijke gang van zaken ten aanzien van de tenlastegelegde feiten is aldus steeds soortgelijk geweest. Het hof stelt aldus vast dat een herkenbaar en gelijksoortig patroon in het handelen van de verdachte kan worden opgemaakt. Dit schakelbewijs levert naar het oordeel van het hof steunbewijs op voor de verdenking dat de verdachte de door aangeefster beschreven handelingen bij haar heeft verricht. De door de raadsman van de verdachte ten verwere aangevoerde omstandigheid dat er een groot tijdsverloop bestaat tussen de tenlastegelegde feiten en het doen van aangifte door aangeefster, alsmede de — naar het oordeel van het hof ondergeschikte — verschillen waarop hij heeft gewezen, kunnen aan het voorgaande niet afdoen.’
Opgemerkt wordt dat de raadsman van rekwirant, mr. R. Engwegen, verweer heeft gevoerd tegen het gebruik van schakelbewijs, zijn standpunt staan opgenomen in de overgelegde pleitnotities d.d. 8 maart 2024 vanaf p. 32. In de kern is aangevoerd dat de modus operandi in de vier zaken niet in belangrijke mate overeenkomt, maar hier juist grote verschillen in zitten. De handelingen zouden niet in elk van de gevallen hetzelfde zijn, maar ook heeft de raadsman naar voren gebracht dat het onvoldoende specifiek is te stellen dat de onderzoeken die rekwirant zou hebben verricht niet passend waren bij de klachten van zijn patiënten. Ten aanzien van [slachtoffer 1] is daarbij specifiek opgemerkt dat het onderzoek wel bij haar klachten paste omdat het zou gaan om een mogelijke blaasverzakking en daar een inwendig onderzoek wel voor gedaan kan worden. Tevens heeft de raadsman gesteld dat de ‘geruststellende’ of ‘kalmerende’ opmerkingen of gebaren ook niet overeenkwamen, maar daarin juist cruciale verschillen zaten. Ten aanzien van [slachtoffer 1] heeft hij gesteld dat de bewoordingen juist niet geruststellend waren (en [slachtoffer 1] ook heeft verklaard dat zij niet gerustgesteld werd) en evenmin van seksuele aard/gericht op het genot waren. Resumerend is gesteld dat de overeenkomsten minimaal waren en onvoldoende specifiek, er te weinig essentiële en/of kenmerkende gelijkenissen in het gestelde handelen te ontwaren waren op grond waarvan schakelbewijs zou kunnen worden gebruikt.
Voor de feitelijke gang van zaken en de omstandigheden waaronder [slachtoffer 2], [slachtoffer 4] en [slachtoffer 3] seksuele handelingen hebben moeten ondergaan, heeft het Hof acht geslagen op de genoemde bewijsmiddelen. Uw College heeft overwogen dat indien voor de bewezenverklaring van een feit mede redengevend wordt geacht de — uit een of meer bewijsmiddelen blijkende — omstandigheid dat de verdachte bij een of meer andere strafbare feiten betrokken was, de vraag of de redengevendheid van dergelijk schakelbewijs begrijpelijk is dient te worden beoordeeld in het licht van de gehele bewijsvoering.1. De feiten en omstandigheden waarin de gelijke handelswijze dan gevonden is, moeten in dat geval naar het standpunt van rekwirant aan de gebezigde bewijsmiddelen te ontlenen zijn.
De feiten en omstandigheden zoals die in de opsomming van het Hof ten aanzien van [slachtoffer 1] terugkomen en waarin gelijkenissen zijn gezien met de andere aangeefsters zijn niet, althans niet geheel/zonder meer, te ontlenen aan de bewijsmiddelen. Uit die bewezenverklaring volgt niet:
- —
Dat ook [slachtoffer 1] een vrouw op leeftijd was (eerste gedachtestreepje in de opsomming van het Hof in het arrest op p. 4);
- —
Dat het telkens ging om medisch onderzoek dat niet paste bij de klachten die aangeefster [slachtoffer 1] op dat moment had (derde gedachtestreepje in de opsomming van het Hof). Ten aanzien van de keer dat rekwirant met zijn vinger in de vagina van [slachtoffer 1] zou hebben bewogen, blijkt uit de bewijsmiddelen dat zij last had van haar onderbuik en rekwirant heeft gezegd dat haar blaas weer verzakt was. Namens rekwirant is zoals aangegeven juist ten aanzien van [slachtoffer 1] ook betoogd dat bij haar klachten een inwendig onderzoek wel kon plaatsvinden (en dit is door het Hof in het arrest niet weerlegd of op gerespondeerd);
- —
Dat [slachtoffer 1] de handen op een meubel moest leggen (vierde gedachtestreepje);
- —
Dat geruststellend bedoelde opmerkingen zijn gemaakt, of opmerkingen die duidelijk getuigden van een seksuele intentie (laatste gedachtestreepje). Uit het vonnis inzake [slachtoffer 1] blijkt enkel dat opmerkingen zouden zijn gemaakt over het op die manier doen van onderzoek, goed onderzoek moeten doen en/of opmerkingen die zagen op hetgeen rekwirant constateerde zoals dat haar blaas weer verzakt was. Ook hier is door de raadsman verweer op gevoerd en ook hier heeft het Hof niet op gerespondeerd terwijl uit die bewezenverklaring dat geruststellende dan wel seksuele karakter van de opmerkingen niet zonder meer is af te leiden.
Naar het standpunt van rekwirant is het daarmee al de redengevendheid van het gebezigde schakelbewijs (zonder nadere toelichting die ontbreekt) niet begrijpelijk, ook niet in het licht van de gehele bewijsvoering.
Daar komt bij dat ook niet alle door het Hof redengevend geachte feiten en omstandigheden ten aanzien van [slachtoffer 2], [slachtoffer 4] en Padlina-Oost uit de bewijsmiddelen volgen. Uit de bewijsmiddelen volgt niet (zonder meer):
- —
Dat [slachtoffer 4] en [slachtoffer 3] (en [slachtoffer 1] dus, zie hierboven) hun handen op een meubel moesten leggen (vierde gedachtestreepje). Uit de bewijsmiddelen kan enkel worden afgeleid [slachtoffer 4] haar handen op de tafel legde om zich vast te houden, ten aanzien van [slachtoffer 3] dat zij met haar handen leunde op een kastje. Bij de door het Hof genoemde overeenkomsten gaat het echter om iets dat beide aangeefsters (en [slachtoffer 1]) zouden hebben moeten doen, hetgeen dan iets zou zeggen over de handelswijze van rekwirant. Dat twee van de aangeefsters op enig moment hun handen op een meubel hebben gehad, is daartoe niet voldoende. Uit de bewijsmiddelen volgt niet dat dit op aangeven/in opdracht van rekwirant was en deel uitmaakte van een handelswijze dan wel kenmerkend kan worden geacht. Zoals gezegd blijkt deze omstandigheid ten aanzien van [slachtoffer 1] geheel niet.
Voorts heeft het Hof feiten en omstandigheden die zich in de ene zaak hebben voorgedaan mede redengevend geacht voor de andere zaak, ongeacht of die omstandigheden passend waren bij de klachten of het medische onderzoek dat rekwirant verrichtte of niet. Dit is niet zonder meer begrijpelijk, nu handelingen die passend zijn bij gemelde klachten of vallen binnen een medisch onderzoek naar bepaalde klachten, niet (zonder meer) als onderdeel kunnen worden gezien van een bepaald patroon van ongewenste, ontuchtige, seksuele handelingen of een modus operandi waar het in onderhavige zaak om gaat. Ongetwijfeld zal rekwirant in zijn jarenlange loopbaan als huisarts heel veel soortgelijke handelingen bij zijn patiënten hebben verricht en zou dat een patroon van die handelingen kunnen worden genoemd. Voor zover die handelingen echter passend zijn bij de klachten van de patiënten en hetgeen hij in het kader van een medisch onderzoek moest uitoefenen, zijn die gedragingen (en een patroon daarvan) irrelevant. Naar het standpunt van rekwirant heeft het Hof delen uit bewijsmiddelen gehaald en daar een rijtje feiten en omstandigheden van gemaakt die zich ten aanzien van meerdere aangeefsters voor zouden hebben gedaan, maar is daarbij voorbij gegaan aan het feit dat niet elke (ongeveer overeenkomende) omstandigheid ten aanzien van elke aangeefster als deel uitmakend van enige (seksuele) handelswijze kan worden aangemerkt en vooral de samenhang van die feitelijke omstandigheid en het seksuele karakter ook niet steeds uit de bewijsmiddelen volgt. Bepaalde feiten en omstandigheden zoals door het Hof genoemd vallen wel binnen de context van een doktersbezoek, dan wel het uitvoeren van een medisch onderzoek. Zo kan hier gewezen worden:
- —
op de omstandigheid van het betasten van de borsten van aangeefster [slachtoffer 3], wat overeen zou komen met het betasten van de borsten van aangeefster [slachtoffer 4], hetgeen de tweede genoemde overeenkomst op essentiële punten/kenmerkende gelijkenissen op zou moeten leveren. Opgemerkt wordt reeds dat deze omstandigheid zich dus bij [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] niet heeft voorgedaan. Bij [slachtoffer 3] blijkt uit haar aangifte die als bewijsmiddel is gebezigd dat dit betasten/het omhoog doen van haar blouse altijd gebeurde als hij haar voor klachten in verband met de ziekte van Tietze onderzocht. Dat dit onder het medisch onderzoek valt is namens rekwirant door zijn raadsman bij pleidooi ook naar voren gebracht (pleitnotities mr. Engwegen zoals overgelegd d.d. 8 maart 2024, p. 20). Dat het deel uit de bewijsmiddel gebezigde aangifte van [slachtoffer 3] over het betasten van haar borsten en/of het feit dat dit overeenkomt met de gedragingen ten aanzien van [slachtoffer 4] redengevend is geacht voor de bewezenverklaring van de overige feiten is dan ook niet zonder meer begrijpelijk;
- —
de omstandigheid dat bij aangeefster [slachtoffer 2] sprake zou zijn geweest van het op haar rug moeten gaan liggen en dat rekwirant aan haar buik zou hebben gevoeld en dit overeen zou komen met de situatie bij [slachtoffer 4] (vijfde gedachtestreepje). De naam van [slachtoffer 2] is echter niet door het Hof genoemd bij de overeenkomst (derde gedachtestreepje) dat sprake zou zijn van medisch onderzoek dat niet passend was bij haar klachten waardoor de redengevendheid van het op haar rug moeten gaan liggen en dat eerst aan haar buik werd gevoeld (en dit overeen zou komen met de situatie bij [slachtoffer 4]) niet zonder meer valt in te zien/begrijpelijk is. Bij [slachtoffer 2] blijkt uit de bewijsmiddelen dat zij zich gemeld had met maagpijn, dat zij op het ligbed moest gaan liggen en rekwirant aan haar buik zou hebben gevoeld, waarbij hij aan haar maag voelde. Dat bevreemdt niet. Ten aanzien van [slachtoffer 4] is overigens wel melding gemaakt van de omstandigheid dat het medisch onderzoek niet passend zou zijn bij de klachten van aangeefsters, echter wordt niet gespecificeerd dat dit ook betrekking had op de keer dat zij op bed moest gaan liggen en aan haar buik zou zijn gevoeld. Uit de bewijsmiddelen volgt dat [slachtoffer 4] die keer bezocht werd door rekwirant in het kader van buikonderzoeken omdat zij pijn had aan haar buik. De redengevendheid van de omstandigheid dat zij daarvoor op bed/op haar rug moest gaan liggen en rekwirant aan haar buik zou hebben gevoeld, valt ook hier niet zonder meer in te zien/die redengevendheid is niet zonder meer begrijpelijk in het licht van de verdere bewijsvoering;
- —
de omstandigheid dat aangeefsters [slachtoffer 4], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1] met hun rug naar rekwirant stonden (zesde gedachtestreepje). Ook hier geldt dat dit iets zegt over hun feitelijke positie, maar niet zonder meer iets over dat dit van rekwirant moest of deel uitmaakte van een handelswijze en geen deel uitmaakte van een medisch onderzoek/niet passend was bij door hen gemelde klachten. Uit de bewijsmiddelen ten aanzien van [slachtoffer 4] blijkt enkel dat het met de rug naar rekwirant toe staan heeft plaatsgevonden toen rekwirant naar de uitslag /schurft kwam kijken en deze schurft onder meer op haar rug zat, waardoor niet zou bevreemden dat zij met haar rug naar rekwirant toe heeft gestaan. Ten aanzien van [slachtoffer 1] geldt dat uit de bewijsmiddelen volgt dat [slachtoffer 1] last had van haar rug en daar onderzoek naar werd gedaan/dit de reden was van het bezoek aan rekwirant — waarbij het met de rug naar hem toe staan niet bevreemdt. Het redengevend achten van deze omstandigheid/de overeenkomst dat meerdere aangeefsters met de rug naar rekwirant toe stonden is niet zonder meer begrijpelijk. Dit overigens ook in het licht van het toch al erg algemene en niet erg typerende karakter van deze omstandigheid.
Opgemerkt moet nog worden — zoals ook de raadsman ten overstaan van het Hof heeft gedaan en waar in de bewijsvoering geen aandacht aan wordt besteed — dat alleen uit de opsomming van de feiten en omstandigheden door het Hof en het daarbij noemen ten aanzien van welke aangeefsters van die omstandigheden sprake zou zijn, in feite al volgt dat juist geen eenduidige, kenmerkende handelswijze/modus operandi van seksuele gedragingen volgt uit die opsomming. Maar juist van feiten en omstandigheden die zich telkens maar bij een deel van de aangeefsters voordoen en daarmee dus direct ook afwijken van de gang van zaken bij de overige aangeefsters. Een herkenbaar en gelijksoortig patroon in het handelen van rekwirant (zoals door het Hof wel vastgesteld) kan daaruit niet (voldoende begrijpelijk) volgen. Dat geldt in onderhavige zaak te meer ten aanzien van het tweede bewezenverklaarde feit, waarbij het niet gaat om het seksueel binnendringen van het lichaam — anders dan bij feit 1 primair en de feiten ten aanzien van [slachtoffer 2], [slachtoffer 4] en [slachtoffer 3]. En voorts gaat het daarbij, ook anders dan bij alle overige feiten, om het betasten van andere lichaamsdelen, te weten de liezen en de anus van [slachtoffer 1] terwijl het in de andere gevallen steeds gaat om het betasten van de vagina en/of seksueel binnendringen in de vagina met de vingers. Mede gelet op hetgeen daartoe naar voren was gebracht is de motivering van het Hof, waarin niet veel meer wordt overwogen dan dat door de raadsman is gewezen op naar het oordeel van het Hof ondergeschikte verschillen, van de redengevendheid van het schakelbewijs niet zonder meer begrijpelijk. De punten die door de raadsman zijn aangekaart raken op zijn minst op onderdelen de kern van de feitelijke gedragingen waarin van kenmerkende gelijkenissen sprake zou zijn.
In het bijzonder volgt uit de schakelbewijsconstructie ook niet dat steeds bij bezoeken aan of van (deze) patiënten zich hetzelfde afspeelde, dat de volgorde van gebeurtenissen waardoor gelegenheid werd gecreëerd de feiten te plegen steeds hetzelfde was en steeds handelingen werden gepleegd die niets van doen hadden met de klachten waarmee de patiënten zich hadden gemeld (en al die handelingen dus onderdeel uitmaakten van kortgezegd het misbruik). In dat kader is ook niet zonder meer begrijpelijk dat redengevend is geacht dat rekwirant opmerkingen of handgebaren met een geruststellende bedoeling en/of die getuigden van een seksuele intentie zou hebben gemaakt op het moment dat de aangeefster vroegen te stoppen, of vroegen wat hij aan het doen was. Zoals ook de raadsman naar voren heeft gebracht is dat te algemeen van aard en te weinig specifiek om redengevend te zijn voor de bewijsvoering van de feiten over en weer. Te meer nu uit de bewijsvoering blijkt hoe uiteenlopend die opmerkingen en handgebaren waren:
- —
Tegen [slachtoffer 2] zou zijn gezegd dat zij zich moest ontspannen en zou zijn gevraagd of zij zelf wilde voelen omdat zij nat was van onderen;
- —
Tegen [slachtoffer 4] zou zijn gezegd ‘blijf maar rustig staan’ in het ene geval en of zij het lekker vond en of zij zich wel eens klaar maakte in het andere geval;
- —
Bij [slachtoffer 3] zou rekwirant een vinger op te mond hebben gelegd, dat zij haar mond moest houden;
- —
Tegen [slachtoffer 1] zou zijn gezegd: ‘Ja, ik moet toch controleren of het goed is, dat doe ik zo’ en/of ‘ik moet toch dat onderzoek doen’ en/of dat haar blaas weer verzakt was en dat hij op deze manier dat onderzoek deed.
Geen van deze uitlatingen staan met elkaar in zinvol verband, zij zien op andere situaties, houden andere bewoordingen in (qua woordkeus is daaraan ook niets specifieks voor rekwirant te ontlenen), de ene keer is het verbaal en de andere keer non-verbaal, maar ook het doel/strekking van de uitlatingen loopt uiteen. Naar het standpunt van rekwirant gaat het er voor de vraag of schakelbewijs kan worden gebruikt niet om verschillende omstandigheden zodanig te veralgemeniseren/onder een algemene noemer te brengen (zoals in ieder geval ten aanzien van het laatste gedachtestreepje in de opsomming van het Hof het geval is) en vervolgens die meer algemene overeenkomst te zien als een kenmerkende handelswijze/deeluitmakend van een herkenbaar patroon. Het gaat juist om het specifieke van de feiten en omstandigheden die overeenkomen, daarin is de bewijskracht gelegen dat de verdachte ook die feiten begaan zal hebben.2.
De belangrijkste overeenkomsten komen er naar het standpunt van rekwirant in de kern op neer dat tijdens een bezoek aan of van hem als huisarts van de aangeefsters sprake is geweest van een situatie waarin hij zonder handschoenen vingers in de vagina heeft gebracht en ronddraaiende en/of op en neer gaande bewegingen heeft gemaakt. Die feiten en omstandigheden zijn echter niet dusdandig specifiek dat hierin op essentiële punten gelijkenissen/een herkenbaar en gelijksoortig patroon/een modus operandi kan worden gezien op grond waarvan (mede) kan worden aangenomen dat rekwirant ook die feiten heeft begaan en de bewijsmiddelen ten aanzien van het ene feit mede redengevend zijn voor het andere feit. De overige omstandigheden kunnen zoals hiervoor naar voren gebracht ofwel niet (ten aanzien van alle genoemde aangeefsters) uit de bewijsvoering volgen, ofwel zijn deze door het Hof ontdaan van de context van een (wel bij de klachten passend) medisch onderzoek, ofwel plegen deze zoals ook door het Hof zelf overwogen onderdeel te zijn van onderzoeken die door een huisarts worden verricht, ofwel zijn deze zo algemeen van aard dat de overeenkomsten niet redengevend zijn voor een bepaalde handelswijze.
De redengevendheid van het schakelbewijs zoals gebezigd door het Hof is, ook in het licht van de gehele bewijsvoering, niet (zonder nadere toelichting die ontbreekt) begrijpelijk en de bewezenverklaring is aldus niet naar de eis der wet met redenen omkleed en in ieder geval niet voldoende begrijpelijk gemotiveerd. Gelet op al het bovenstaande kan het arrest van het Hof niet in stand blijven.
Het is op bovengenoemde gronden dat rekwirant uw College eerbiedig verzoekt om het arrest zoals gewezen door het Gerechtshof te 's‑Hertogenbosch d.d. 22 maart 2024 te vernietigen en een zodanige uitspraak te doen als uw College juist en noodzakelijk voorkomt.
De bepaaldelijk gevolmachtigde,
mr. D.N. de Jonge
Rotterdam, 14 oktober 2024
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 14‑10‑2024
Hoge Raad 12 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3118
2 Zie ook A-G Aben in zijn conclusie voor Hoge Raad 15 november 2011, NJ 2012, 279 : ‘Schakelbewijs kan een nuttige functie vervullen. Het probleem is alleen dat de bewijskracht ervan lastig is te bepalen en dikwijls wordt overschat. Mensen zijn nu eenmaal geneigd om meer verbanden en patronen te zien dan er werkelijk zijn.5.3.2. Voor het gebruik van schakelbewijs moet eerst kunnen worden vastgesteld dat bepaalde gedragspatronen kenmerkend zijn voor de verdachte en (dus) niet of in mindere mate voor andere individuen. Daartoe dient het vergelijkingsmateriaal. Dat betreft doorgaans getuigenverklaringen over andere delicten dan het onderwerpelijke. Zij bevatten mededelingen over gedragingen (1) die bij diverse gelegenheden (misdrijven) zijn waargenomen, (2) die telkens kunnen worden toegeschreven aan de verdachte, en (3) die onderling gelijkenis vertonen. Onuitgesproken blijft veelal de veronderstelling dat deze gedragingen niet dan wel zelden kunnen worden geassocieerd met anderen dan de verdachte.Vervolgens moet de feitenrechter beoordelen of het hier bedoelde gedragspatroon en eventueel signalement ook is gezien bij het tenlastegelegde misdrijf. Afhankelijk van het specifieke karakter van het waargenomen patroon kan hieraan betekenis worden toegekend voor de vraag of de verdachte het tenlastegelegde misdrijf heeft begaan.’