NJB 2025/2769:Proceskosten en vordering benadeelde partij tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten van rechtsbijstand als materiële schade: herhaling en toepassing HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793 over vermogensschade die ingevolge art. 6:96 lid 2 BW mede voor vergoeding in aanmerking komt. Onder vermogensschade zijn niet begrepen de door een benadeelde partij gemaakte kosten voor rechtsbijstand; deze gelden als proceskosten waaromtrent de rechter ingevolge art. 532 Sv in de daar bedoelde gevallen een afzonderlijke beslissing dient te geven. Kosten van rechtsbijstand die zijn gemaakt met het oog op het indienen van de vordering tot schadevergoeding waarmee de benadeelde partij zich in het strafproces heeft gevoegd – zoals het samenstellen van het dossier ten behoeve van die voeging en daarop betrekking hebbende besprekingen met de benadeelde partij – worden geacht te zijn begrepen in de hiervoor bedoelde proceskostenveroordeling en komen dus niet voor afzonderlijke vergoeding in aanmerking. In casu kon het hof onder meer kosten ‘voor verzamelen bewijs’ als vermogensschade niet-zijnde proceskosten aanmerken. A-G: anders.