Kamerstukken II, 2012-2013, 33 684, nr. 3 (MvT), p. 180-182.
Rb. Noord-Nederland, 06-12-2024, nr. C/18/235781 / JE RK 24-382
ECLI:NL:RBNNE:2024:4759
- Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
- Datum
06-12-2024
- Zaaknummer
C/18/235781 / JE RK 24-382
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBNNE:2024:4759, Uitspraak, Rechtbank Noord-Nederland, 06‑12‑2024; (Beschikking)
ECLI:NL:RBNNE:2024:2723, Uitspraak, Rechtbank Noord-Nederland, 16‑07‑2024; (Beschikking)
- Vindplaatsen
PFR-Updates.nl 2025-0028
Sdu Nieuws Personen- en familierecht 2024/524
JPF 2024/115 met annotatie van J.H. de Graaf
Uitspraak 06‑12‑2024
Inhoudsindicatie
Beschikking waarin de rechter de Hoge Raad vraagt om bij wijze van prejudiciële beslissing rechtsvragen te beantwoorden.
Partij(en)
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Groningen
Zaakgegevens: C/18/235781 / JE RK 24-382 (ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing)
C/18/239726 / FA RK 24/6000 (gezagsbeëindiging)
Beschikking van 6 december 2024
in de zaken van
de gecertificeerde instelling,
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,
die is gevestigd in Amsterdam,
en die hierna "de GI" wordt genoemd,
en
de Raad voor de Kinderbescherming, regio Noord-Nederland, locatie Groningen, die hierna “de Raad” wordt genoemd,
die betrekking hebben op
[naam kind] ,
die is geboren op [geboortedatum] 2021 in [geboorteplaats] ,
en die hierna " [naam kind] " wordt genoemd.
De rechter erkent als belanghebbenden:
[naam moeder] ,
die woont in [woonplaats] ,
en die hierna "de moeder" wordt genoemd,
advocaat: mr. J.S. Özsaran, die kantoor houdt in Groningen,
[naam vader] ,
die woont in [woonplaats] ,
en die hierna "de vader" wordt genoemd,
advocaat: mr. J.S. Özsaran, die kantoor houdt in Groningen,
[naam oma mz] ,
die woont in [woonplaats] ,
en die hierna "oma (mz.)" wordt genoemd.
advocaat: mr. N. Groeneveld, die kantoor houdt in Hoogezand.
1. Het (verdere) verloop van de procedure
1.1.
De rechter verwijst voor het verloop van de procedure naar zijn beschikking van 20 november 2024. Daarin heeft de rechter de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van [naam kind] verlengd voor de duur van zes maanden, of zoveel eerder of later als hij nader bepaalt. Daarnaast heeft de rechter overwogen voornemens te zijn om op de voet van artikel 302 Rv de Hoge Raad der Nederlanden rechtsvragen voor te leggen ter beantwoording bij wijze van prejudiciële beslissing. De rechter heeft partijen in de gelegenheid gesteld om zich schriftelijk uit te laten over dit voornemen en over de inhoud van de te stellen vragen.
1.2.
Partijen hebben geen reactie gegeven.
1.3.
In deze beschikking herhaalt de rechter wat in de beschikking van 20 november 2024 is overwogen, omdat dit relevant is voor de publicatie van de beschikking en voor de vragen die naar de Hoge Raad moeten worden gestuurd.
1.4.
De rechter wijst erop dat wanneer hij in deze beschikking "de rechter" schrijft, dit moet worden gelezen als de kinderrechter voor de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing of de rechtbank voor de gezagsbeëindiging, afhankelijk van de zaak die wordt behandeld.
2. De (verdere) beoordeling
Waar gaat het om in de gevoegd behandelde zaken?
2.1.
Het gaat in de gevoegd behandelde zaken om de vraag of de rechter de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing van [naam kind] moet verlengen voor de door de GI resterende verzochte duur, of dat het nemen een verderstrekkende maatregel in de vorm van een gezagsbeëindiging van de ouders noodzakelijk is.
2.2.
De rechter zal in deze beschikking nog geen definitieve beslissingen nemen. Daarvoor is redengevend dat hij rechtsvragen heeft die voor de beslissing rechtstreeks van belang zijn en die volgens hem moeten worden beantwoord voordat definitieve beslissingen kunnen worden genomen.
2.3.
De rechter heeft daarom besloten prejudiciële vragen aan de Hoge Raad te stellen. In deze beschikking legt hij uit waarom hij die vragen wil stellen en welke vragen hij voornemens is om te stellen. Aan de belanghebbenden wordt de gelegenheid geboden zich over het voornemen en de inhoud van de vragen uit te laten.
2.4.
In deze beschikking worden ook de maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing verlengd, om de later in deze beschikking te geven redenen.
Waarom wil de rechter prejudiciële vragen stellen?
2.5.
De rechter wil twee prejudiciële vragen stellen. De eerste vraag heeft betrekking op de verdragsrechtelijke en wettelijke borging van de veiligheid van kinderen die door een kinderbeschermingsmaatregel worden geplaatst in een pleeggezin. De tweede vraag heeft betrekking op de uitvoering van een voogdijmaatregel wanneer ouders en andere belanghebbenden een geschil met de voogd hebben over de voogdij. Het antwoord op de daarover te stellen vragen vindt de rechter noodzakelijk om een definitieve beslissing te kunnen nemen op de verzoeken die ten aanzien van [naam kind] zijn gedaan.
Wat wil de rechter aan de Hoge Raad vragen?
2.6.
In de tussenbeschikking van 16 juli 2024 is overwogen, voor zover hier van belang:
"De kinderrechter vindt dat uit de hiervoor beschreven feiten en omstandigheden zonder meer blijkt dat het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van [naam kind] dat een machtiging tot uithuisplaatsing wordt verleend.
Die machtiging is eerder gegeven en is door de GI uitgevoerd door plaatsing van [naam kind] bij de oma (mz.). Die plaatsing acht de kinderrechter in strijd met het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind (IVRK) en met de Nederlandse wet. Daartoe overweegt de kinderrechter als volgt.
Pleegkinderen hebben volgens het IVRK recht op bijzondere bescherming met betrekking tot hun veiligheid. Uit dit verdrag en de daarop gebaseerde regelgeving volgt dat de overheid verplicht is toezicht te houden op de veiligheid van pleegkinderen en hen te beschermen tegen kindermishandeling. Kinderen die mishandeling hebben meegemaakt hebben op grond van artikel 39 van het IVRK recht op passende behandeling die hun herstel en herintegratie in de samenleving bevordert.
Het is om die reden dat de Nederlandse wet preventie van mishandeling regelt met een wettelijk voorgeschreven screening van pleeggezinnen voorafgaand aan de plaatsing. De kinderrechter verwijst naar artikel 5.1 van de Jeugdwet.
De preventie van mishandeling in de pleegzorg krijgt vorm en inhoud met deze in de wet geregelde screening en borgt dat pleegouders in staat zijn om een veilige en stimulerende omgeving te bieden. Bij netwerkpleegzorg moet bovendien extra aandacht voor de veiligheid zijn, omdat er soms nog geen beoordeling van de veiligheid heeft plaatsgehad terwijl het pleegkind zich al wel in het pleeggezin bevindt. In een dergelijk geval moet de noodzakelijke voorbereiding en beoordeling alsnog binnen dertien weken plaatsvinden. Het derde lid van artikel 5 schrijft daarom ten aanzien van netwerkpleegouders voor dat de pleegzorgaanbieder beoordeelt of de jeugdige veilig en verantwoord bij de netwerkpleegouder kan verblijven.1.
Met het wegvallen van de pleegzorgaanbieder die oordeelt dat de verzorging en opvoeding van de jeugdige door betrokkene niet veilig en verantwoord is voor een goede ontwikkeling van de jeugdige, is de plaatsing in strijd met het IVRM en de Nederlandse wet.
Als het gaat om [naam kind] kan de kinderrechter op grond van het dossier niet vaststellen dat de wettelijke screening heeft plaatsgevonden, maar dat hoe dan ook er geen sprake kan zijn van pleegzorg nadat de pleegzorgaanbieder heeft besloten niet verder te willen gaan met oma (mz.) vanwege de grote veiligheidsrisico's. Over die veiligheidsrisico's rapporteert ook de GI. Het gaat dan om beschuldigingen over mogelijk seksueel misbruik of seksuele insinuaties van de partner van de oma, beschuldigingen over drugsgebruik, het uitwisselingen van morfinepleisters en beschuldigingen over het vervreemden van geld.
De Raad, in zijn onderzoeksrapport van 19 juni 2023, en de GI hebben ondanks deze zorgen gemeend dat de plaatsing door zou moeten gaan op grond van een belangenafweging. De kinderrechter stelt vast dat het IVRK en de Nederlandse wet geen enkele ruimte bieden voor een belangenafweging. Ook kan niet worden gezegd dat het belang van het kind in de zin van artikel 3 IVRK kan worden gediend met een plaatsing in een pleeggezin waarvan vaststaat of zeer aannemelijk is dat het onvoldoende veilig is.
Een en ander brengt met zich dat de kinderrechter geen verantwoordelijkheid wil dragen voor het nemen van een beslissing die een plaatsing in stand houdt waarvan de pleegzorgaanbieder duidelijk en ondubbelzinnig te kennen heeft gegeven dat die niet veilig en verantwoord is. De kinderrechter zal daarom wel de machtiging tot uithuisplaatsing verlengen, voor de duur van de ondertoezichtstelling, zij het dat hij uitdrukkelijk bepaalt dat die niet ten uitvoer mag worden gelegd door plaatsing van [naam kind] bij de oma (mz.). De kinderrechter is zich bewust van de verstrekkende gevolgen van zijn beslissing. Hij zal om die reden de beslissing over de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, maar de beslissing dat die uithuisplaatsing niet ten uitvoer mag worden gelegd bij de oma (mz.), niet. Dat betekent dat tegen dit onderdeel van zijn beslissing een eventueel in te stellen hoger beroep schorsende werking heeft."
2.7.
De rechter heeft de rechtsvraag of het IVRK en de Nederlandse wet ruimte bieden voor een belangenafweging in die zin dat ook wanneer geen pleegzorgscreening heeft plaatsgevonden, of wanneer die pleegzorgscreening niet tot een positief oordeel heeft geleid, dan wel dat na screening de pleegzorgbegeleiding wegvalt vanwege veiligheidsrisico’s voor een kind, er ruimte is voor een belangenafweging die ertoe leidt dat een kind toch geplaatst mag blijven in een pleeggezin waarvan vaststaat of zeer aannemelijk is dat het onvoldoende veilig is. Het derde lid van artikel 5 Jeugdwet schrijft immers voor dat ten aanzien van netwerkpleegouders, de pleegzorgaanbieder beoordeelt of de jeugdige veilig en verantwoord bij de netwerkpleegouder kan verblijven. Wanneer, zoals hier, de pleegzorgaanbieder een negatieve beoordeling geeft is de plaatsing in strijd met de wet. Beantwoording van de vraag is van belang, omdat het nemen van een gezagsbeëindigende maatregel ertoe leidt dat het ouderlijk gezag van de ouders wegvalt en daarin moet worden voorzien met een voogdijmaatregel. Het wordt daardoor mogelijk dat ondanks het ontbreken van de in de tussenbeschikking beschreven borging van de veiligheid, [naam kind] bij de oma (m.z.) opgroeit als pleegkind terwijl de wettelijke borging van zijn veiligheid door de pleegzorgaanbieder ontbreekt.
2.8.
Een gezagsbeëindigende maatregel leidt ertoe dat moet worden voorzien in het gezag door de benoeming van een voogd. In deze specifieke zaak spelen uiteenlopende geschillen over de plaatsing van [naam kind] bij oma (m.z.), geschillen over de verzorging en opvoeding en over het contact tussen ouders en pleegouders. De zeggenschap zou bij het nemen van een gezagsbeëindigende maatregel komen te liggen bij de voogd. De advocaat van de ouders heeft in dit verband een uitdrukkelijk beroep gedaan op in artikel 8 lid 1 EVRM gegarandeerde rechten en erop gewezen dat bij een gezagsbeëindigende maatregel die leidt tot de benoeming van de GI als voogd, ouders niet zullen worden gehoord in hun zorgen en bezwaren tegen de plaatsing van [naam kind] bij de oma (m.z.).
2.9.
De rechter constateert dat in de huidige voogdijregeling een effectief rechtsmiddel om geschillen over de uitvoering van de voogdij aan de rechter voor te kunnen leggen, ontbreekt. De rechter vindt dat gelet op de in art. 8 lid 1 EVRM beschermde rechten, er een effectief rechtsmiddel moet zijn. Hij vraag zich af of in geval van een zodanig geschil de rechter naar analogie artikel 1:253a dan wel 1:377a BW moet toepassen en dat geschil moet behandelen en daarop beslissen, of dat sprake is van een zodanig hiaat in de huidige voogdijregeling dat dit de rechtsvormende taak van de rechter overstijgt en de wetgever met wetgeving in dit hiaat moet voorzien.
2.10.
Een en ander leidt tot het voornemen om de volgende prejudiciële vragen aan de Hoge Raad te stellen.
Vraag 1
2.11.
Is het, gelet op het in de tussenbeschikking van 16 juli 2024 ten aanzien van het toepasselijke verdragsrecht en het wettelijk kader overwogene, mogelijk om een kind toch in een pleeggezin te plaatsen als geen pleegzorgscreening heeft plaatsgevonden, die screening niet positief is of wanneer de pleegzorgaanbieder tot de slotsom komt dat de plaatsing grote veiligheidsrisico's voor een kind met zich brengt en daarom geen verantwoordelijkheid voor die plaatsing wil dragen?
Vraag 2
2.12.
De rechter constateert dat in de huidige voogdijregeling een effectief rechtsmiddel om geschillen over de uitvoering van de voogdij aan de rechter voor te leggen, ontbreekt. Moet in geval van een zodanig geschil de rechter naar analogie artikel 1:253a dan wel 1:377a BW toepassen, of is sprake van een zodanig hiaat in de huidige voogdijregeling dat dit de rechtsvormende taak van de rechter overstijgt en de wetgever in dit hiaat moet voorzien?
2.13.
De rechter zal op de voet van artikel 392 lid 2 Rv de belanghebbenden in de gelegenheid stellen zich uit te laten over het voornemen en de inhoud van de te stellen prejudiciële vragen.
Wat wordt beslist over de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing?
2.14.
De rechter constateert dat de in eerdere beschikkingen vastgestelde concrete ontwikkelingsbedreigingen ten aanzien van [naam kind] niet zijn weggenomen en dat daaraan kan worden toegevoegd dat eveneens een concrete ontwikkelingsbedreiging is de aanhoudende onzekerheid en strijd over het woon- en opvoedperspectief van [naam kind] .
2.15.
De rechter ziet ook dat beide ouders (nog) niet (steeds) in voldoende mate de zorg accepteren die nodig is om de ontwikkelingsbedreigingen bij [naam kind] weg te nemen. De rechter verwijst ook hier naar wat in voorgaande beschikkingen is overwogen.
2.16.
Hieruit volgt dat aan de eerste twee vereisten voor de door de GI verzochte verlenging van de ondertoezichtstelling wordt voldaan. Of ook de derde eis is vervuld, is op dit moment nog onduidelijk. Die derde eis komt erop neer dat de rechter de redelijke verwachting moet kunnen uitspreken dat de ouders, of één van hen, binnen een voor [naam kind] en zijn ontwikkeling aanvaarbare termijn, weer zelf de opvoedingsverantwoordelijkheid kunnen dragen. Die vraag zal de rechter pas goed kunnen beantwoorden wanneer de prejudiciële vragen zijn beantwoord en hij toekomt aan een beoordeling van het verzoek van de Raad om een gezagsbeëindigende maatregel te nemen. De belangen van [naam kind] , gediend met het laten voortduren van de ondertoezichtstelling, wegen echter zodanig zwaar dat de rechter de maatregel vooreerst verlengt voor de duur van zes maanden, of zoveel eerder of later als de rechter nader bepaalt.
2.17.
De rechter vindt het bovendien in het belang van de verzorging en opvoeding van [naam kind] noodzakelijk dat ook de uithuisplaatsing wordt verlengd voor de duur van de ondertoezichtstelling.
2.18.
De rechter neemt daarom de volgende beslissing.
3. De beslissing
De rechter:
3.1.
verzoekt de Hoge Raad der Nederlanden om bij wijze van prejudiciële beslissing de in rechtsoverweging 2.11 en 2.12 omschreven rechtsvragen te beantwoorden;
3.2.
bepaalt dat de griffier onverwijld een afschrift van deze beschikking zendt aan de civiele griffie van de Hoge Raad der Nederlanden, postbus 20303, 2500 EH 's-Gravenhage;
3.3.
bepaalt dat de griffier afschriften van de overige op de procedure betrekking hebbende stukken op eerste verzoek aan de voornoemde griffie van de Hoge Raad zendt;
3.4.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
3.5.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. B.R. Tromp, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 6 december 2024, in aanwezigheid van de griffier.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 06‑12‑2024
Uitspraak 16‑07‑2024
Inhoudsindicatie
Kan een kind bij een pleegouder worden geplaatst als de pleegzorgaanbieder aangeeft dat dit niet veilig en verantwoord is? De kinderrechter beschrijft het verdragsrechtelijk en wettelijk kader en komt tot de conclusie dat een plaatsing onder zodanige omstandigheden niet toelaatbaar is. Er is volgens de kinderrechter daarom geen ruimte voor een belangenafweging.
Partij(en)
beschikking
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling privaatrecht
Locatie Groningen
zaakgegevens: C/18/235781 / JE RK 24-382
beschikking van 16 juli 2024 over de verlenging ondertoezichtstelling en de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,
die is gevestigd in Amsterdam,
en die hierna "de GI" wordt genoemd,
die betrekking heeft op
[naam kind] ,
die is geboren op [geboortedatum] 2021 in [geboorteplaats] ,
en die hierna " [naam kind] " wordt genoemd.
De kinderrechter wijst als belanghebbenden aan:
[naam moeder] ,
die woont in [woonplaats] ,
en die hierna "de moeder" wordt genoemd,
[naam vader] ,
die woont in [woonplaats] ,
en die hierna "de vader" wordt genoemd,
[naam oma mz] ,
die woont in [woonplaats] ,
en die hierna "oma (mz.)" wordt genoemd.
Het procesverloop
De procedure is ingeleid met een verzoekschrift met bijlagen van de GI, dat de rechtbank heeft ontvangen op 24 juni 2024. Daarin verzoekt de GI om de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing van [naam kind] te verlengen voor de duur van één jaar.
Op 16 juli 2024 is de zaak mondeling behandeld. De kinderrechter heeft toen gesproken met de ouders, de oma (mz.) en [naam vertegenwoordiger GI] , die de GI vertegenwoordigt.
Ten slotte is bepaald dat deze beschikking wordt gegeven.
De feiten
De kinderrechter gaat bij de beoordeling van het verzoek uit van de volgende feiten.
[naam kind] is een nu ruim twee jaar oude jongen die niet bij zijn ouders of zijn beide zussen woont. [naam kind] woont vanaf dat hij ongeveer 12 weken oud was bij zijn oma (mz.). Zijn beide zussen wonen ook niet bij hun ouders. Zus [naam zus 1] , nu vijf jaar oud, woont in een pleeggezin en zus [naam zus 2] , nu zeven jaar oud, woont bij haar oma (vz.).
Dat het gezin niet meer intact is, hangt samen met de persoonlijke problematiek van de ouders die met zich heeft gebracht dat zij hebben ingestemd met een vrijwillige uithuisplaatsing van hun kinderen.
Die uithuisplaatsing is geformaliseerd met kinderbeschermingsmaatregelen die zijn genomen op het moment dat de ouders kenbaar maakten met hun kinderen te willen worden herenigd.
Uit het huwelijk van de ouders zijn [naam zus 1] en [naam zus 2] geboren. Op grond van dat huwelijk oefenen de ouders over deze kinderen samen het gezag uit. Het huwelijk van de ouders is door echtscheiding in juli 2021 ontbonden. [naam kind] is niet geboren uit het huwelijk en de ouders oefenen niet van rechtswege over hem gezamenlijk het gezag uit. De ouders hebben recent geregeld dat zij alsnog samen het gezag over hem uitoefenen.
Als het gaat om [naam kind] heeft de kinderrechter op 19 januari 2023 een beschikking gegeven waarin hij onder toezicht van de GI is gesteld en waarin aan de GI een machtiging tot zijn uithuisplaatsing is verleend.
Die machtiging wordt door de GI ten uitvoer gelegd bij de oma (mz.), hoewel er geen pleegzorg meer wordt verleend, omdat de instantie die de pleegzorg begeleidde heeft geconstateerd dat, samengevat weergegeven, de oma (mz.) niet in staat is een voldoende veilige opvoedsituatie te bieden aan [naam kind] .
De GI constateert dat de genomen kinderbeschermingsmaatregelen niet hebben geleid tot wat ervan werd gehoopt en gedacht en verzoekt daarom deze maatregelen te verlengen. De huidige maatregelen verlopen op 19 juli 2024.
De beoordeling
Waar gaat het om in deze zaak?
Het gaat in deze zaak om de vraag of de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing van [naam kind] moeten worden verleend voor de door de GI verzochte duur van één jaar.
Wat beslist de kinderrechter over de ondertoezichtstelling?
De wet regelt in de artikelen 1:260 en 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (hierna "BW") dat een ondertoezichtstelling kan worden verlengd als aan drie voorwaarden is voldaan: (i) een kind moet nog steeds in zijn ontwikkeling ernstig worden bedreigd; (ii) de ouder(s) accepteren de zorg die het kind nodig heeft niet of niet in voldoende mate en (iii) de gerechtvaardigde verwachting is er dat de ouder(s) binnen een voor het kind en zijn ontwikkeling aanvaardbare termijn de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding weer zelf aankunnen.
De kinderrechter vindt dat [naam kind] in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd. Die ontwikkelingsbedreigingen zijn al vastgesteld in de beschikking waarin de eerste ondertoezichtstelling is uitgesproken. Die ontwikkelingsbedreigingen gelden nog onverkort. De zorgen over de ontwikkeling van [naam kind] zijn alleen maar toegenomen, iets wat samenhangt met de problematiek die speelt bij de oma (mz.).
Over de risico’s en de onveiligheid is de instantie die de pleegzorg begeleidde duidelijk. In een brief van Pleegzorg Leger des Heils Noordoost van oktober 2023 is opgenomen, voor zover hier van belang:
"Op meerdere Pleegzorg criteria komen grote zorgen naar voren, o.a. over het niet nakomen van de omgangsregeling, het niet open zijn naar hulpverlening, de grillige en op dit moment verslechterde relatie tussen oma en moeder en diverse beschuldigingen die heen en weer gedaan worden (o.a. over mogelijk middelenmisbruik, mogelijk seksueel grensoverschrijdend gedrag, onbegeleide omgang buiten de afspraken, etc.) waarvan hulpverleners ‘bewijzen’ ontvangen die de zorgen omtrent de veiligheid van [naam kind] doen toenemen. In hoeverre de negatieve uitspraken van familieleden over elkaar op waarheid berusten, kan Pleegzorg niet nagaan. Beide partijen benoemen zorgelijke signalen en onveilige situaties waar [naam kind] in terecht kan komen en waar de volwassenen om hem heen met elkaar niet goed uitkomen op de huidige manier. Er bestonden reeds zorgen over de plaatsing van [naam kind] bij oma ten tijde van het netwerkonderzoek een jaar geleden. Deze zijn het afgelopen jaar verder toegenomen. Er is op dit moment geen zicht op hoe het daadwerkelijk gaat met [naam kind] . [naam oma mz] houdt van [naam kind] en haar intenties zijn goed, maar wat haar verteld wordt beklijft niet. Acties zijn ingegeven door emoties van haar of haar dochter. Dat maakt het emotionele opvoedklimaat heel instabiel. Op 7 juli en 21 augustus zijn er gesprekken geweest met [naam oma mz] waarbij de afspraken door Pleegzorg duidelijk benoemd zijn en dat ze zich hier aan moet houden. Het lukt haar toch niet om grenzen aan te geven aan ouders, te weinig zicht op [naam kind] . Nu maanden later blijkt nog steeds dat dit niet lukt en dat er weinig verbetering is. Gezien meerdere criteria van Pleegzorg dermate onder spanning staan en de verantwoordelijkheid voor de veiligheid van [naam kind] in het pleeggezin onder het Leger des Heils valt, trekt Pleegzorg Leger des Heils de conclusie niet meer achter de plaatsing van [naam kind] bij oma te kunnen staan."
De kinderrechter constateert dat uit het voorgaande volgt dat aan de eerste wettelijke voorwaarde voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan.
Het is de vraag of ook de tweede wettelijke voorwaarde is vervuld. Die voorwaarde komt erop neer dat de zorg die nodig is om de ontwikkelingsbedreiging weg te nemen niet door de ouders, die samen het gezag over [naam kind] uitoefenen, wordt geaccepteerd. Door de GI zijn geen concrete feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit blijkt dat de ouders de zorg niet aanvaarden. Hoewel de GI dit niet in een geordend verband heeft aangevoerd, ziet de kinderrechter echter wel aanknopingspunten om aan te nemen dat zij de zorg die nodig is niet voldoende kunnen benutten. Uit een arrest van de Hoge Raad van 16 februari 20218 blijkt dat ook dan een ondertoezichtstelling kan worden uitgesproken of verlengd (ECLI:NL:HR:2018:218).
Die aanknopingspunten komen er als het om de moeder gaat, samengevat weergegeven, op neer dat de moeder als gevolg van haar persoonlijke problematiek en cognitieve beperkingen, onvoldoende leerbaar is. Dit heeft er onder meer toe geleid dat ingezette hulpverlening vanuit Verslavingszorg Noord-Nederland (VNN) voortijdig en zonder succes werd beëindigd. De vorenbedoelde problematiek van de moeder wordt in een neuropsychologisch onderzoek, verricht door een aan VNN verbonden GZ-psycholoog, als volgt beschreven:
"Concluderend kan worden gesteld dat er volgens de testen sprake is van ernstige cognitieve beperkingen. Deze zijn waargenomen op gebied van cognitieve flexibiliteit (multitasking, gelijktijdig verwerken en verdeelde aandacht), problemen in de centrale coherentie en op plannings- en organisatietaken in een ongestructureerde omgeving (executief functioneren). Ook het verbale geheugen (inprenten, ophalen, uitgestelde herinnering en herkenning), verwerken van visuele informatie en de snelheid van informatiewerking zijn aangedaan. Daaruit kan men afleiden dat moeder niet goed in staat is om de gevolgen van haar gedrag te overzien, snel overvraagd zal worden en dat haar zelfredzaamheid beperkt zal zijn."
Als het om de vader gaat komen die aanknopingspunten er, samengevat weergegeven, op neer dat hij ook kampt met persoonlijke problematiek en een beperkte leerbaarheid. Ook bij hem heeft het ertoe geleid dat ingezette hulpverlening niet heeft gebracht wat ervan werd gehoopt en gedacht. Over de vader wordt in dit verband door een psycholoog van VNN gerapporteerd, voor zover hier van belang, dat de vader op een laag niveau functioneert. Er wordt een beschrijving gegeven van wat dit in de praktijk betekent en als verklaring wordt gegeven dat dit het gevolg kan zijn van zijn middelengebruik in de afgelopen jaren. De vader wordt verder beschreven als een man die graag een "normaal" leven wil leiden, graag wil werken en een goede partner wil zijn met een gezinsleven. Echter, zo wordt ook gerapporteerd, door zijn lage niveau en middelengebruik lijken de problemen in zijn relatie en de zorg voor zijn jonge kinderen hem te overvragen, waardoor er chaos en onrust in zijn hoofd ontstaat.
De kinderrechter kan niet vaststellen in hoeverre deze belemmeringen voortkomen uit het middelengebruik in de periode dat diagnostiek is uitgevoerd en of deze hoe dan ook de ouders belemmeren in hun mogelijkheden om de zorg die nodig is te benutten. Hij zal daarom in deze beschikking een nader uit te leggen onderzoeksvraag stellen aan de Raad. Vooralsnog ziet de kinderrechter voldoende aanknopingspunten om ervan uit te gaan dat de ouders niet in staat zijn om de zorg die nodig is voldoende te benutten in de door de Hoge Raad bedoelde zin.
Op dit moment is daarom voldaan aan de eerste twee voorwaarden voor het verlengen van de ondertoezichtstelling. Of ook aan de derde voorwaarde is voldaan, is op zijn minst twijfelachtig.
In de eerste plaats geldt dat de persoonlijke problematiek van de ouders en de door de Raad en de GI geconstateerde verzwaarde opvoedvraag van [naam kind] , in samenhang genomen met de duur van zijn plaatsing, de vraag oproepen of binnen een voor [naam kind] en zijn ontwikkeling aanvaardbare termijn nog kan worden verwacht dat de ouders zelf weer de verantwoordelijkheid voor zijn verzorging en opvoeding kunnen dragen. Verder neemt de kinderrechter in overweging dat [naam kind] duidelijkheid moet krijgen over zijn woonperspectief. Of onder deze omstandigheden de derde voorwaarde ook is vervuld, kan de kinderrechter op grond van wat er nu aan stellingen is ingenomen door de GI, niet vaststellen. Hij zal ook op dit punt een onderzoeksopdracht aan de Raad geven. Die onderzoeksopdracht is erop gericht om vast te stellen of de aanvaardbare termijn inmiddels is verstreken, en of een ondertoezichtstelling in combinatie met een uithuisplaatsing nog geëigende maatregelen zijn dan wel of kan worden gekoerst naar een overdracht aan het vrijwillig kader of dat juist een verderstrekkende maatregel in de vorm van een gezagsbeëindigende maatregel volgens de Raad noodzakelijk is.
Een en ander brengt met zich dat de kinderrechter op dit moment de ondertoezichtstelling zal verlengen, zij het slechts voor korte duur, en dat hij de beslissing op de resterende duur van het verzoek zal aanhouden. Hij zal die beslissing aanhouden ter overbrugging van het moment dat de Raad zijn onderzoek heeft voltooid en schriftelijk aan de kinderrechter zal adviseren.
Wat beslist de kinderrechter over de uithuisplaatsing?
De kinderrechter vindt dat uit de hiervoor beschreven feiten en omstandigheden zonder meer blijkt dat het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van [naam kind] dat een machtiging tot uithuisplaatsing wordt verleend.
Die machtiging is eerder gegeven en is door de GI uitgevoerd door plaatsing van [naam kind] bij de oma (mz.). Die plaatsing acht de kinderrechter in strijd met het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind (IVRK) en met de Nederlandse wet. Daartoe overweegt de kinderrechter als volgt.
Pleegkinderen hebben volgens het IVRK recht op bijzondere bescherming met betrekking tot hun veiligheid. Uit dit verdrag en de daarop gebaseerde regelgeving volgt dat de overheid verplicht is toezicht te houden op de veiligheid van pleegkinderen en hen te beschermen tegen kindermishandeling. Kinderen die mishandeling hebben meegemaakt hebben op grond van artikel 39 van het IVRK recht op passende behandeling die hun herstel en herintegratie in de samenleving bevordert.
Het is om die reden dat de Nederlandse wet preventie van mishandeling regelt met een wettelijk voorgeschreven screening van pleeggezinnen voorafgaand aan de plaatsing. De kinderrechter verwijst naar artikel 5.1 van de Jeugdwet.
De preventie van mishandeling in de pleegzorg krijgt vorm en inhoud met deze in de wet geregelde screening en borgt dat pleegouders in staat zijn om een veilige en stimulerende omgeving te bieden. Bij netwerkpleegzorg moet bovendien extra aandacht voor de veiligheid zijn, omdat er soms nog geen beoordeling van de veiligheid heeft plaatsgehad terwijl het pleegkind zich al wel in het pleeggezin bevindt. In een dergelijk geval moet de noodzakelijke voorbereiding en beoordeling alsnog binnen dertien weken plaatsvinden. Het derde lid van artikel 5 schrijft daarom ten aanzien van netwerkpleegouders voor dat de pleegzorgaanbieder beoordeelt of de jeugdige veilig en verantwoord bij de netwerkpleegouder kan verblijven.1.
Met het wegvallen van de pleegzorgaanbieder die oordeelt dat de verzorging en opvoeding van de jeugdige door betrokkene niet veilig en verantwoord is voor een goede ontwikkeling van de jeugdige, is de plaatsing in strijd met het IVRM en de Nederlandse wet.
Als het gaat om [naam kind] kan de kinderrechter op grond van het dossier niet vaststellen dat de wettelijke screening heeft plaatsgevonden, maar dat hoe dan ook er geen sprake kan zijn van pleegzorg nadat de pleegzorgaanbieder heeft besloten niet verder te willen gaan met oma (mz.) vanwege de grote veiligheidsrisico's. Over die veiligheidsrisico's rapporteert ook de GI. Het gaat dan om beschuldigingen over mogelijk seksueel misbruik of seksuele insinuaties van de partner van de oma, beschuldigingen over drugsgebruik, het uitwisselingen van morfinepleisters en beschuldigingen over het vervreemden van geld.
De Raad, in zijn onderzoeksrapport van 19 juni 2023, en de GI hebben ondanks deze zorgen gemeend dat de plaatsing door zou moeten gaan op grond van een belangenafweging. De kinderrechter stelt vast dat het IVRK en de Nederlandse wet geen enkele ruimte bieden voor een belangenafweging. Ook kan niet worden gezegd dat het belang van het kind in de zin van artikel 3 IVRK kan worden gediend met een plaatsing in een pleeggezin waarvan vaststaat of zeer aannemelijk is dat het onvoldoende veilig is.
Een en ander brengt met zich dat de kinderrechter geen verantwoordelijkheid wil dragen voor het nemen van een beslissing die een plaatsing in stand houdt waarvan de pleegzorgaanbieder duidelijk en ondubbelzinnig te kennen heeft gegeven dat die niet veilig en verantwoord is. De kinderrechter zal daarom wel de machtiging tot uithuisplaatsing verlengen, voor de duur van de ondertoezichtstelling, zij het dat hij uitdrukkelijk bepaalt dat die niet ten uitvoer mag worden gelegd door plaatsing van [naam kind] bij de oma (mz.). De kinderrechter is zich bewust van de verstrekkende gevolgen van zijn beslissing. Hij zal om die reden de beslissing over de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, maar de beslissing dat die uithuisplaatsing niet ten uitvoer mag worden gelegd bij de oma (mz.), niet. Dat betekent dat tegen dit onderdeel van zijn beslissing een eventueel in te stellen hoger beroep schorsende werking heeft.
Omdat de tot zover genomen kinderbeschermingsmaatregelen ingrijpend zijn en de ouders gelet op hun cognitieve beperkingen niet goed hun belangen kunnen overzien of hun procespositie kunnen inschatten (vgl. EHRM 7 mei 2002, 46311/99 (McVicar/ The United Kingdom), zal de kinderrechter ambtshalve een advocaat aan de ouders toevoegen, op de wijze als hierna wordt bepaald.
De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de ondertoezichtstelling van [naam kind] tot 26 november 2024, of zoveel korter of langer als hij nader bepaalt;
verleent aan de GI een machtiging tot uithuisplaatsing van [naam kind] voor de duur van de ondertoezichtstelling;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bepaalt dat de machtiging tot uithuisplaatsing niet ten uitvoer mag worden gelegd in het netwerkpleeggezin van de oma (mz.);
gelast dat de Raad een onderzoek doet naar de vraag of een verdere verlenging van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing nog geëigend is dan wel of een verwijzing naar het vrijwillig kader kan volgen dan wel of een verderstrekkende maatregel in het belang van [naam kind] noodzakelijk is;
bepaalt dat de Raad uiterlijk één week voor de hierna te bepalen mondelinge behandeling schriftelijk aan de kinderrechter en de belanghebbenden moet rapporteren;
bepaalt dat de zaak opnieuw mondeling wordt behandeld op dinsdag 12 november 2024 om 9:00 uur, zo nodig gevoegd met nieuwe verzoeken die worden gedaan en betrekking hebben op [naam kind] , in het gerechtsgebouw aan het Guyotplein 1 in Groningen;
voegt aan de ouders als advocaat toe mr. J.S. Özsaran, die kantoor houdt in Groningen;
wijst de ouders, de GI en de Raad erop dat deze beschikking geldt als een oproep om aan de mondelinge behandeling deel te nemen; een nadere oproep zal niet worden verstuurd;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. B.R. Tromp, (kinder)rechter, bijgestaan door mr. S. Eding, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2024. De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 18 juli 2024. | ||
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld: - door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, - door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet door een advocaat worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden | ||
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 16‑07‑2024
Kamerstukken II, 2012-2013, 33 684, nr. 3 (MvT), p. 180-182.