Dit is een fictieve naam, die niet overeenkomt met de werkelijke naam van enige partij in de procedure.
HvJ EU, 10-07-2025, nr. C-99/24
ECLI:EU:C:2025:563
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
10-07-2025
- Magistraten
N. Jääskinen, A. Arabadjiev, R. Frendo
- Zaaknummer
C-99/24
- Roepnaam
Chmieka
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2025:563, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 10‑07‑2025
Uitspraak 10‑07‑2025
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken — Verordening (EU) nr. 1215/2012 — Artikel 66 — Werkingssfeer ratione temporis — Rechtsvordering die wordt ingesteld door een eiser — Uitvaardiging van een betalingsbevel — Verzet van een verweerder tegen dit bevel met het oog op een heroverweging van de betrokken zaak — Verordening (EU) nr. 44/2001 — Artikel 5, punt 3 — Bevoegdheid inzake verbintenissen uit onrechtmatige daad — Artikel 6, punt 1 — Pluraliteit van de verweerders — Artikel 22, punt 1 — Exclusieve bevoegdheid betreffende zakelijke rechten op onroerende goederen en de verhuur van onroerende goederen — Vordering tot betaling van een vergoeding voor de niet-contractuele bewoning van een in een lidstaat gelegen onroerend goed — Verweerder met woonplaats in een andere lidstaat
N. Jääskinen, A. Arabadjiev, R. Frendo
Partij(en)
In zaak C-99/24 [Chmieka] i.,*
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Sąd Rejonowy w Koszalinie I Wydział Cywilny (rechter in eerste aanleg, eerste civiele kamer Koszalin, Polen) bij beslissing van 31 januari 2024, ingekomen bij het Hof op 7 februari 2024, in de procedure
G.M.K.-Z.B.M.
tegen
S.O.,
wijst
HET HOF (Negende kamer),
samengesteld als volgt: N. Jääskinen (rapporteur), kamerpresident, A. Arabadjiev en R. Frendo, rechters,
advocaat-generaal: J. Richard de la Tour,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
- —
de Poolse regering, vertegenwoordigd door B. Majczyna en S. Żyrek als gemachtigden,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door J. Hottiaux en S. Noë als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de bepalingen van hoofdstuk II en artikel 66 van verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2012, L 351, blz. 1), alsmede van de bepalingen van hoofdstuk II van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2001, L 12, blz. 1).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen G.M.K.-Z.B.M., een Poolse gemeentelijke entiteit, en S.O., een natuurlijke persoon met woonplaats in Nederland, over de betaling van een vergoeding voor de niet-contractuele bewoning van een in Polen gelegen onroerend goed.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
Verordening nr. 44/2001
3
De overwegingen 11, 12 en 15 van verordening nr. 44/2001 luidden:
- ‘(11)
De bevoegdheidsregels moeten in hoge mate voorspelbaar zijn, waarbij als beginsel geldt dat de bevoegdheid in het algemeen gegrond wordt op de woonplaats van de verweerder; de bevoegdheid moet altijd op die grond kunnen worden gevestigd, behalve in een gering aantal duidelijk omschreven gevallen waarin het voorwerp van het geschil of de autonomie van de partijen een ander aanknopingspunt wettigt. […]
- (12)
Naast de woonplaats van de verweerder moeten er alternatieve bevoegdheidsgronden mogelijk zijn, gebaseerd op de nauwe band tussen het gerecht en de vordering of de noodzaak een goede rechtsbedeling te vergemakkelijken.
[…]
- (15)
Met het oog op een harmonische rechtsbedeling in de Gemeenschap moeten parallel lopende processen zoveel mogelijk worden beperkt en moet worden voorkomen dat in twee lidstaten onverenigbare beslissingen worden gegeven. […]’
4
Hoofdstuk II van verordening nr. 44/2001, met als opschrift ‘Bevoegdheid’, bevatte een afdeling 1, ‘Algemene bepalingen’, waarin de artikelen 2 tot en met 4 van deze verordening waren opgenomen.
5
Artikel 2, lid 1, van die verordening bepaalde het volgende:
‘Onverminderd deze verordening worden zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat, ongeacht hun nationaliteit, opgeroepen voor de gerechten van die lidstaat.’
6
Artikel 3 van die verordening bepaalde in lid 1:
‘Degenen die op het grondgebied van een lidstaat woonplaats hebben, kunnen slechts voor het gerecht van een andere lidstaat worden opgeroepen krachtens de in de afdelingen 2 tot en met 7 van [hoofdstuk II] gegeven regels.’
7
Afdeling 2 van hoofdstuk II van verordening nr. 44/2001, met als opschrift ‘Bijzondere bevoegdheid’, bevatte de artikelen 5 tot en met 7.
8
Artikel 5 van die verordening luidde:
‘Een persoon die woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, kan in een andere lidstaat voor de volgende gerechten worden opgeroepen:
- 1)
- a)
ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst: voor het gerecht van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd;
[…]
- 3)
ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad: voor het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen;
[…]’
9
In artikel 6 van die verordening was bepaald:
‘Deze persoon kan ook worden opgeroepen:
- 1)
indien er meer dan één verweerder is: voor het gerecht van de woonplaats van een hunner, op voorwaarde dat er tussen de vorderingen een zo nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven;
[…]’
10
Afdeling 6 van hoofdstuk II van verordening nr. 44/2001, met als opschrift ‘Exclusieve bevoegdheid’, bevatte artikel 22, dat luidde als volgt:
‘Ongeacht de woonplaats zijn bij uitsluiting bevoegd:
- 1)
voor zakelijke rechten op en huur en verhuur, pacht en verpachting van onroerende goederen: de gerechten van de lidstaat waar het onroerend goed gelegen is.
Voor huur en verhuur, pacht en verpachting van onroerende goederen voor tijdelijk particulier gebruik voor ten hoogste zes opeenvolgende maanden: ook de gerechten van de lidstaat waar de verweerder woonplaats heeft, mits de huurder of pachter een natuurlijke persoon is en de eigenaar en de huurder of pachter woonplaats in dezelfde lidstaat hebben;
[…]’
Verordening nr. 1215/2012
11
Verordening nr. 44/2001 is ingetrokken bij en vervangen door verordening 1215/2012.
12
Overweging 34 van verordening nr. 1215/2012 luidt als volgt:
‘De continuïteit tussen het Verdrag [van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 1972, L 299, blz. 32), zoals gewijzigd bij de achtereenvolgende verdragen inzake toetreding van nieuwe lidstaten tot dit verdrag (hierna: ‘Executieverdrag’)], verordening [nr. 44/2001] en deze verordening moet gewaarborgd worden; daartoe zijn overgangsbepalingen nodig. Deze continuïteit moet ook gelden voor de uitleg door het Hof van Justitie van de Europese Unie van het [Executieverdrag] […] en de verordeningen ter vervanging daarvan.’
13
Hoofdstuk II van verordening nr. 1215/2012, met als opschrift ‘Bevoegdheid’, bevat een afdeling 2, ‘Bijzondere bevoegdheid’, waarin de artikelen 7 tot en met 9 van deze verordening zijn opgenomen.
14
Artikel 7 van die verordening luidt:
‘Een persoon die woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, kan in een andere lidstaat voor de volgende gerechten worden opgeroepen:
- 1)
- a)
ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst, voor het gerecht van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd;
[…]
- 2)
ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad, voor het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen;
[…]’
15
Artikel 8 van die verordening bepaalt:
‘Een persoon die op het grondgebied van een lidstaat woonplaats heeft, kan ook worden opgeroepen:
- 1)
indien er meer dan één verweerder is: voor het gerecht van de woonplaats van een hunner, op voorwaarde dat er tussen de vorderingen een zo nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven;
[…]’
16
Afdeling 6 van hoofdstuk II van verordening nr. 1215/2012, met als opschrift ‘Exclusieve bevoegdheid’, bevat artikel 24, dat luidt als volgt:
‘Ongeacht de woonplaats van partijen zijn bij uitsluiting bevoegd:
- 1)
voor zakelijke rechten op en huur en verhuur, pacht en verpachting van onroerende goederen: de gerechten van de lidstaat waar het onroerend goed gelegen is.
Voor huur en verhuur, pacht en verpachting van onroerende goederen voor tijdelijk particulier gebruik voor ten hoogste zes opeenvolgende maanden zijn evenwel ook bevoegd de gerechten van de lidstaat waar de verweerder woonplaats heeft, mits de huurder of pachter een natuurlijke persoon is en de eigenaar en de huurder of pachter woonplaats in dezelfde lidstaat hebben;
[…]’
17
In hoofdstuk VI van deze verordening, met als opschrift ‘Overgangsbepalingen’, bepaalt artikel 66:
- ‘1.
Deze verordening is slechts van toepassing op rechtsvorderingen die zijn ingesteld, authentieke akten die zijn verleden of geregistreerd, en gerechtelijke schikkingen die zijn goedgekeurd of getroffen op of na 10 januari 2015.
- 2.
Niettegenstaande artikel 80 blijft verordening [nr. 44/2001] van toepassing op beslissingen gegeven inzake rechtsvorderingen die zijn ingesteld, op authentieke akten die zijn verleden of geregistreerd, en op gerechtelijke schikkingen die zijn goedgekeurd of getroffen vóór 10 januari 2015 en die onder die verordening vallen.’
Pools recht
Wet inzake de bescherming van de rechten van huurders
18
Artikel 18, lid 1, van de ustawa o ochronie praw lokatorów, mieszkaniowym zasobie gminy i o zmianie Kodeksu cywilnego (wet inzake de bescherming van de rechten van huurders, de huisvesting door de gemeente en tot wijziging van het burgerlijk wetboek) van 21 juni 2001 (Dz. U. nr. 71, volgnr. 733), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie (hierna: ‘wet inzake de bescherming van de rechten van huurders’), bepaalt:
‘Diegenen die zonder titel woonruimte bewonen zijn gehouden maandelijks een vergoeding te betalen totdat de woonruimte is ontruimd.’
Wetboek van burgerlijke rechtsvordering
19
Artikel 505 van de ustawa — Kodeks postępowania cywilnego (wet houdende het wetboek van burgerlijke rechtsvordering) van 17 november 1964 (Dz. U. nr. 43, volgnr. 296), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie (hierna: ‘wetboek van burgerlijke rechtsvordering’), bepaalt:
- ‘§ 1.
Een verweerder kan verzet aantekenen tegen een betalingsbevel.
- § 2.
Het betalingsbevel verliest zijn werking in de mate waarin verzet daartegen is aangetekend. Verzet dat door slechts een van de medeverweerders wordt aangetekend in eenzelfde zaak en dat betrekking heeft op een of meer toegewezen vorderingen, doet het betalingsbevel zijn werking slechts ten aanzien van die vorderingen verliezen.
[…]’
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
20
In 1994 sloot T.O., een natuurlijke persoon, met de Poolse gemeentelijke entiteit G.M.K.-Z.B.M. een huurovereenkomst voor een woning in Koszalin (Polen). Zij woonde daar met haar drie kinderen, onder wie S.O. De huurovereenkomst werd later door deze gemeentelijke entiteit opgezegd. In de loop van 2007 heeft een Poolse rechter de uitzetting van de bewoners van de woning gelast, maar volgens die gemeentelijke entiteit hebben zij de woning niet verlaten.
21
Op 15 maart 2013 heeft G.M.K.-Z.B.M. bij de Sąd Rejonowy w Koszalinie I Wydział Cywilny (rechter in eerste aanleg, eerste civiele kamer Koszalin, Polen), de verwijzende rechter, een vordering tot betaling van een vergoeding ingesteld. Met deze vordering, die — naar het lijkt — is gebaseerd op artikel 18 van de wet inzake de bescherming van de rechten van huurders, heeft G.M.K.-Z.B.M. gevorderd dat T.O. en haar drie kinderen worden veroordeeld tot betaling van deze vergoeding wegens de niet-contractuele bewoning van de betrokken woning in 2011 en 2012. Het verzoekschrift vermeldde een woonadres voor al deze verweerders in Polen.
22
Naar aanleiding van die vordering is een betalingsbevel uitgevaardigd. Dat bevel is in Polen door een van deze verweerders in naam en voor rekening van alle anderen in ontvangst genomen. Daar er destijds geen verzet tegen het betalingsbevel is ingesteld, is dit bevel definitief geworden en uitvoerbaar verklaard.
23
Op 7 juli 2023 heeft S.O. rechtsgeldig verzet aangetekend tegen dat betalingsbevel op grond van artikel 505 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering. Zij verzocht om heroverweging van de zaak en om de vordering van 15 maart 2013 niet-ontvankelijk te verklaren. S.O. heeft een exceptie van onbevoegdheid van de Poolse rechterlijke instanties aangevoerd, daar zij sinds 2007 uitsluitend haar woonplaats had in Nederland. S.O. voegde daaraan toe dat zij nooit een huurovereenkomst voor de betrokken woning had gesloten.
24
G.M.K.-Z.B.M. heeft daarentegen betoogd dat de Poolse rechterlijke instanties bevoegd waren. Deze entiteit heeft aangevoerd dat tussen de betrokken verweerders een dermate nauwe band bestaat — aangezien zij verwanten van elkaar zijn en samen in die woonruimte hebben gewoond — dat het wenselijk was om de tegen hen ingestelde vorderingen tot betaling gezamenlijk te onderzoeken.
25
In dit verband vraagt de verwijzende rechter zich in de eerste plaats af wat de werkingssfeer ratione temporis van verordening nr. 44/2001 is ten opzichte van die van verordening nr. 1215/2012, die eerstgenoemde verordening heeft vervangen. Meer bepaald vraagt hij zich af hoe het begrip ‘rechtsvorderingen die zijn ingesteld’, zoals gehanteerd in artikel 66 van laatstgenoemde verordening, moet worden uitgelegd. Hij wenst te vernemen of dit begrip in casu betrekking heeft op de vordering tot schadevergoeding die verzoekster in het hoofdgeding op 15 maart 2013 heeft ingesteld, dan wel op het verzet tegen het betalingsbevel dat is uitgevaardigd naar aanleiding van die vordering, waarbij dat verzet op 7 juli 2023 door S.O. is aangetekend met het oog op de heroverweging van de betrokken zaak.
26
In de tweede plaats wenst de verwijzende rechter te vernemen of uit de bepalingen van hoofdstuk II van verordening nr. 44/2001, dan wel uit de bepalingen van hoofdstuk II van verordening nr. 1215/2012 — indien deze laatste verordening van toepassing blijkt te zijn — volgt dat een persoon die woonplaats heeft in een lidstaat kan worden opgeroepen voor een rechterlijke instantie van een andere lidstaat waarbij een vordering is ingesteld betreffende de betaling van een vergoeding wegens de niet-contractuele bewoning van een in die andere lidstaat gelegen onroerend goed.
27
Ten eerste vraagt de verwijzende rechter zich af of een dergelijke vordering valt onder het begrip ‘verbintenissen uit onrechtmatige daad’ in de zin van artikel 5, punt 3, van verordening nr. 44/2001 of artikel 7, punt 2, van verordening nr. 1215/2012. Volgens de verwijzende rechter heeft het Hof in zijn arrest van 25 maart 2021, Obala i Lučice (C-307/19, EU:C:2021:236), geoordeeld dat dit begrip elke rechtsvordering omvat waarmee de aansprakelijkheid van een verweerder wordt ingeroepen en die geen verband houdt met een verbintenis ‘uit overeenkomst’ in de zin van artikel 5, punt 1, onder a), van verordening nr. 44/2001 of artikel 7, punt 1, onder a), van verordening nr. 1215/2012. Uit de Poolse rechtspraak vormt het zonder geldige titel wonen in de woonruimte van een ander volgens de wet inzake de bescherming van de rechten van huurders geen onrechtmatige daad.
28
Ten tweede wenst deze rechter te vernemen of uit artikel 6, punt 1, van verordening nr. 44/2001 of uit artikel 8, punt 1, van verordening nr. 1215/2012 kan worden afgeleid dat hij de bij hem ingestelde vordering moet onderzoeken teneinde een gezamenlijke uitspraak te doen ten aanzien van alle personen tegen wie deze vordering is ingesteld en die in de betrokken woning hebben verbleven. Volgens het Poolse recht is het mogelijk dat ten aanzien van elk van deze personen afzonderlijke beslissingen worden genomen, afhankelijk van de vraag of de betrokken persoon de woning al dan niet heeft bewoond na de beëindiging van de betrokken huurovereenkomst. Deze personen zijn namelijk niet hoofdelijk aansprakelijk. Deze mogelijkheid van afzonderlijke beslissingen zou kunnen pleiten tegen de toepasselijkheid van deze bepalingen op het hoofdgeding als grondslag voor de internationale bevoegdheid van die rechter.
29
Ten derde wenst de verwijzende rechter te vernemen of een vordering tot betaling van een vergoeding wegens de bewoning, zonder geldige titel, van een aan een ander toebehorend onroerend goed nadat de huurovereenkomst betreffende dat goed is beëindigd, een vordering is betreffende ‘zakelijke rechten op en huur en verhuur, pacht en verpachting van onroerende goederen’ in de zin van artikel 22, punt 1, van verordening nr. 44/2001 of artikel 24, punt 1, van verordening nr. 1215/2012. Volgens deze rechterlijke instantie zou een dergelijke uitlegging kunnen worden verworpen in het licht van het arrest van 3 oktober 2013, Schneider (C-386/12, EU:C:2013:633).
30
Ten slotte geeft de verwijzende rechter te kennen dat hij de op 15 maart 2013 door verzoekster in het hoofdgeding ingestelde vordering niet-ontvankelijk zal verklaren, indien geen enkele van de in de punten 27 tot en met 29 van het onderhavige arrest vermelde bepalingen van de verordeningen nr. 44/2001 en nr. 1215/2012 de grondslag kan vormen voor de bevoegdheid van de Poolse rechterlijke instanties.
31
In die omstandigheden heeft de Sąd Rejonowy w Opatowie I Wydział Cywilny de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
- ‘1)
Moet artikel 66 van verordening [nr. 1215/2012] aldus worden uitgelegd dat een rechtsvordering is ‘ingesteld’ wanneer de verzoeker in het kader van een rechtszaak een verzoekschrift heeft ingediend dan wel wanneer de verweerder een verzoek tot heroverweging van de zaak heeft ingediend nadat de zaak definitief is afgedaan?
Naargelang van het antwoord op voorgaande vraag:
- 2)
Moeten de bepalingen van hoofdstuk II van verordening [nr. 44/2001], of, indien van toepassing, de bepalingen van hoofdstuk II van verordening [nr. 1215/2012], aldus worden uitgelegd dat een persoon die woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat kan worden opgeroepen voor de gerechten van een andere lidstaat in een zaak betreffende de betaling van een vergoeding voor het niet-contractuele gebruik dat is gemaakt van een in die andere lidstaat gelegen onroerend goed?’
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste vraag
32
Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 66, lid 1, van verordening nr. 1215/2012 aldus moet worden uitgelegd dat bij de beoordeling of deze verordening ratione temporis van toepassing is een rechtsvordering moet worden geacht te zijn ingesteld, in de zin van deze bepaling, op de datum waarop de eiser zijn vordering heeft ingesteld in een zaak waarin vervolgens een beslissing is gegeven, dan wel op de datum waarop de verweerder later tegen die beslissing verzet heeft aangetekend strekkende tot heroverweging van die zaak.
33
In dit verband zij eraan herinnerd dat artikel 66, lid 1, van verordening nr. 1215/2012 bepaalt dat deze verordening met name van toepassing is op rechtsvorderingen die op of na 10 januari 2015 zijn ingesteld. Artikel 66, lid 2, voegt daaraan toe dat verordening nr. 44/2001 van toepassing blijft op beslissingen die zijn gegeven inzake rechtsvorderingen die zijn ingesteld vóór deze datum.
34
In casu blijkt uit de door de verwijzende rechter verstrekte gegevens dat verzoekster in het hoofdgeding op 15 maart 2013 bij die rechter een vordering tot schadevergoeding heeft ingesteld en dat één van de vier verweerders tegen wie die vordering was gericht, te weten S.O., op 7 juli 2023 bij dezelfde rechter rechtsgeldig verzet heeft aangetekend tegen het betalingsbevel dat naar aanleiding van die vordering was uitgevaardigd.
35
De bewoordingen van de eerste vraag hebben betrekking op het geval waarin de ‘zaak’ die met de betrokken vordering werd ingeleid ‘definitief is afgedaan’. Uit de motivering van de verwijzingsbeslissing blijkt evenwel dat in casu het verzet dat S.O. heeft aangetekend met het oog op de heroverweging van die zaak rechtsgeldig is, zodat het in geding zijnde betalingsbevel krachtens artikel 505, lid 2, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering geen gevolgen meer lijkt te sorteren ten aanzien van deze persoon.
36
In deze context moet met het oog op de toepasselijkheid van verordening nr. 44/2001 dan wel verordening nr. 1215/2012 worden bepaald welke datum beslissend is voor de vaststelling van de in artikel 66 van laatstgenoemde verordening bedoelde rechtsvordering: de datum waarop de eiser zijn vordering heeft ingesteld die vervolgens resulteerde in een beslissing van een rechterlijke instantie of de datum waarop de verweerder tegen die beslissing verzet heeft aangetekend teneinde heroverweging van de zaak door die rechterlijke instantie te verkrijgen.
37
In het kader van een dergelijke toetsing van de rechtstreekse bevoegdheid van een rechterlijke instantie van een lidstaat moet, om vast te stellen of verordening nr. 44/2001 dan wel verordening nr. 1215/2012 krachtens artikel 66, lid 1, van laatstgenoemde verordening ratione temporis van toepassing is, worden uitgegaan van de datum waarop de rechtsvordering is ingesteld bij die aangezochte rechterlijke instantie (zie in die zin arresten van 9 maart 2017, Pula Parking, C-551/15, EU:C:2017:193, punten 25 en 26, en 7 november 2019, Guaitoli e.a., C-213/18, EU:C:2019:927, punt 29).
38
Meer in het bijzonder moet in het kader van artikel 66, lid 1, van verordening nr. 1215/2012 een bij een rechterlijke instantie van een lidstaat aangetekend verzet dat overeenkomstig de toepasselijke nationale procedureregels een verzoek tot heroverweging van de betrokken zaak omvat, zoals in het hoofdgeding, worden geacht aan te sluiten op het oorspronkelijke rechtsmiddel, aangezien dit verzoek van de verweerder een handeling is die een geding inleidt dat geen procedure vormt die losstaat van die welke met dat oorspronkelijke rechtsmiddel is ingeleid, maar het verlengstuk daarvan is.
39
Deze uitlegging strookt met de rechtspraak van het Hof, dat heeft geoordeeld dat in het kader van de toepassing van dat artikel 66, lid 1, een rechterlijke instantie die uitspraak doet in hoger beroep haar eigen internationale bevoegdheid moet onderzoeken aansluitend op die van de rechterlijke instantie waarbij de zaak in eerste aanleg aanhangig is gemaakt, zodat de datum van inleiding van het oorspronkelijke geding als maatstaf moet worden genomen (zie in die zin arresten van 5 oktober 2017, Hanssen Beleggingen, C-341/16, EU:C:2017:738, punten 3, 4, 20 en 22, en 5 september 2019, AMS Neve e.a., C-172/18, EU:C:2019:674, punten 16, 28, 34 en 36).
40
Gelet op een en ander moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 66, lid 1, van verordening nr. 1215/2012 aldus moet worden uitgelegd dat bij de beoordeling of deze verordening ratione temporis van toepassing is een rechtsvordering moet worden geacht te zijn ingesteld, in de zin van deze bepaling, op de datum waarop de eiser zijn vordering heeft ingesteld in een zaak waarin vervolgens een beslissing is gegeven, en niet op de datum waarop de verweerder later tegen die beslissing verzet heeft aangetekend strekkende tot heroverweging van die zaak.
Tweede vraag
Vaststelling van de relevante bepalingen van het Unierecht
41
In het kader van zijn tweede vraag vraagt de verwijzende rechter zich af of hij op alternatieve wijze bevoegd is, te weten — afhankelijk van het antwoord van het Hof op de eerste vraag — hetzij op grond van de bepalingen van hoofdstuk II van verordening nr. 44/2001, in het bijzonder artikel 5, punt 3, artikel 6, punt 1, en artikel 22, punt 1, eerste alinea, daarvan, hetzij op grond van de bepalingen van hoofdstuk II van verordening nr. 1215/2012, in het bijzonder artikel 7, punt 2, artikel 8, punt 1, en artikel 24, punt 1, eerste alinea, daarvan.
42
Uit het antwoord op de eerste vraag volgt dat moet worden geoordeeld dat in het hoofdgeding de rechtsvordering is ingesteld, in de zin van artikel 66, lid 1, van verordening nr. 1215/2012, op de datum waarop verzoekster in het hoofdgeding de vordering heeft ingesteld, te weten 15 maart 2013. Hieruit volgt dat de bepalingen van verordening nr. 44/2001 ratione temporis van toepassing zijn op dit geding en dus moeten worden uitgelegd om de verwijzende rechter in staat te stellen dit geding te beslechten.
43
Uit overweging 34 van verordening nr. 1215/2012 volgt evenwel dat, voor zover daarbij verordening nr. 44/2001, die zelf in de plaats is gekomen van het Executieverdrag, is ingetrokken en vervangen, de door het Hof gegeven uitlegging met betrekking tot de bepalingen van een van deze rechtsinstrumenten ook geldt voor die van de andere rechtsinstrumenten, voor zover deze bepalingen als ‘gelijkwaardig’ kunnen worden beschouwd (zie in die zin arresten van 4 oktober 2024, Mahá, C-494/23, EU:C:2024:848, punt 27, en 30 april 2025, Mutua Madrileña Automovilista, C-536/23, EU:C:2025:293, punt 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Er is sprake van een dergelijke gelijkwaardigheid tussen enerzijds artikel 5, punt 3, artikel 6, punt 1, en artikel 22, punt 1, eerste alinea, van verordening nr. 44/2001 en anderzijds artikel 7, punt 2, artikel 8, punt 1, en artikel 24, punt 1, eerste alinea, van verordening nr. 1215/2012.
44
Na deze precisering is het duidelijk dat de verwijzende rechter met zijn tweede vraag in essentie wenst te vernemen of artikel 5, punt 3, artikel 6, punt 1, en artikel 22, punt 1, eerste alinea, van verordening nr. 44/2001 aldus moeten worden uitgelegd dat een van deze bepalingen van toepassing is op een rechtsvordering tot betaling van een schadevergoeding wegens de niet-contractuele bewoning van een onroerend goed na de beëindiging van een huurovereenkomst betreffende dat onroerend goed, dat is gelegen in een andere lidstaat dan die waar de betrokken verweerder zijn woonplaats heeft.
45
Artikel 22, punt 1, eerste alinea, artikel 5, punt 3, en artikel 6, punt 1, van deze verordening moeten achtereenvolgens worden uitgelegd.
Uitlegging van artikel 22, punt 1, eerste alinea, van verordening nr. 44/2001
46
Wat de eventuele toepassing van artikel 22, punt 1, eerste alinea, van verordening nr. 44/2001 op een rechtsvordering als bedoeld in punt 44 van het onderhavige arrest betreft, zij eraan herinnerd dat volgens deze bepaling de gerechten van de lidstaat waar het onroerend goed in kwestie gelegen is, bij uitsluiting bevoegd zijn om kennis te nemen van vorderingen betreffende ‘zakelijke rechten op en huur en verhuur, pacht en verpachting van onroerende goederen’, ongeacht de woonplaats van de partijen.
47
Dit artikel 22 is opgenomen in afdeling 6 van hoofdstuk II van verordening nr. 44/2001, waarin een aantal regels van exclusieve bevoegdheid zijn opgenomen die afwijken van de algemene regel die is neergelegd in artikel 2, lid 1, van deze verordening, gelezen in samenhang met artikel 3, lid 1, ervan, en in het licht van de overwegingen 11 en 12 van die verordening, namelijk dat de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan de verweerder zijn woonplaats heeft, bevoegd zijn. Aangezien artikel 22, punt 1, eerste alinea, een uitzondering vormt, mag het niet ruimer worden uitgelegd dan het doel ervan verlangt (zie in die zin arresten van 2 oktober 2008, Hassett en Doherty, C-372/07, EU:C:2008:534, punt 19, en 16 november 2023, Roompot Service, C-497/22, EU:C:2023:873, punt 25).
48
Met betrekking tot de doelstelling van artikel 22, punt 1, eerste alinea, van verordening nr. 44/2001 heeft het Hof gewezen op overwegingen van een goede rechtsbedeling, waarbij het heeft benadrukt dat de voornaamste reden voor de exclusieve bevoegdheid van de gerechten van de lidstaat waar het betrokken onroerend goed is gelegen, hierin bestaat dat het gerecht van de plaats waar het onroerend goed is gelegen — vanwege zijn nabijheid — het best in staat is om goede kennis te hebben van de feitelijke situatie en om de ter zake geldende voorschriften en gebruiken, zijnde meestal die van de staat waar het onroerend goed is gelegen, toe te passen. Wat in het bijzonder huur en verhuur van onroerende goederen betreft, wordt deze exclusieve bevoegdheid meer bepaald gerechtvaardigd door de complexiteit van de huurverhouding en door het feit dat deze verhouding wordt geregeld door bijzondere wettelijke voorschriften — waarvan sommige dwingend zijn — van de staat waar het verhuurde onroerend goed is gelegen (zie in die zin arresten van 17 december 2015, Komu e.a., C-605/14, EU:C:2015:833, punten 25 en 30, en 16 november 2023, Roompot Service, C-497/22, EU:C:2023:873, punten 26 en 27).
49
In de eerste plaats moet volgens vaste rechtspraak de uitdrukking ‘voor zakelijke rechten op […] onroerende goederen’ in artikel 22, punt 1, eerste alinea, van verordening nr. 44/2001 autonoom worden uitgelegd met het oog op de eenvormige toepassing ervan in alle lidstaten. De in deze bepaling neergelegde regel van exclusieve bevoegdheid geldt alleen voor vorderingen betreffende dergelijke rechten die binnen de werkingssfeer van deze verordening vallen en die er enerzijds toe strekken om de omvang, de hoedanigheid, de eigendom of het bezit van een onroerend goed of het bestaan van andere zakelijke rechten op een dergelijk goed vast te stellen, en anderzijds om rechthebbenden de bescherming van de aan hun titel verbonden bevoegdheden te verzekeren. Voor de toepassing van deze bepaling volstaat het niet dat de betrokken rechtsvordering verband houdt met een zakelijk recht op een onroerend goed of betrekking heeft op een onroerend goed. Deze vordering moet gebaseerd zijn op een zakelijk recht, dat op een lichamelijke zaak rust en werking heeft jegens iedereen, en niet op een persoonlijk recht, dat alleen tegen de schuldenaar geldend gemaakt kan worden (zie in die zin arresten van 3 oktober 2013, Schneider, C-386/12, EU:C:2013:633, punt 21; 16 november 2016, Schmidt, C-417/15, EU:C:2016:881, punten 30, 31 en 34, en 14 februari 2019, Milivojević, C-630/17, EU:C:2019:123, punten 97, 99 en 100).
50
In de tweede plaats moet, om vast te stellen of een geding betrekking heeft op ‘huur en verhuur, pacht en verpachting van onroerende goederen’ in de zin van artikel 22, punt 1, eerste alinea, van verordening nr. 44/2001, worden onderzocht of dit geding betrekking heeft op een huurovereenkomst voor een onroerend goed en of het voorwerp ervan rechtstreeks verband houdt met de rechten en verplichtingen die uit die huurovereenkomst voortvloeien, aangezien het niet voldoende is dat dit geding verband houdt met een dergelijke overeenkomst. De bevoegdheidsregel die in deze bepaling is neergelegd, ziet dus op geschillen die betrekking hebben op de voorwaarden voor het genot van een onroerend goed, te weten met name geschillen tussen verhuurders en huurders met betrekking tot het bestaan of de uitlegging van huurcontracten, over het herstel van schade die is veroorzaakt door een huurder of over de ontruiming van het verhuurde goed (zie in die zin arrest van 16 november 2023, Roompot Service, C-497/22, EU:C:2023:873, punten 28 en 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
51
In casu blijkt uit de door de verwijzende rechter verstrekte gegevens dat de bij hem aanhangige vordering betrekking heeft op de betaling van een vergoeding voor de bewoning van een woning na het einde van een huurovereenkomst voor die woning. Onbetwist is dat de vier verweerders die in het kader van de oorspronkelijke vordering voor de rechter zijn opgeroepen — te weten T.O. en haar drie kinderen — vanaf de datum waarop de gemeentelijke entiteit die eigenaar is van deze woning de huurovereenkomst met T.O. heeft opgezegd, die woning zonder geldige titel zijn blijven bewonen — voor zover zij daar nog verbleven — en derhalve geen aanspraak meer op dat goed konden doen gelden. Bovendien lijkt niet te worden betwist dat S.O. deze huurovereenkomst niet persoonlijk heeft gesloten, waarbij eraan moet worden herinnerd dat zij het kind van de ondertekenaar van die overeenkomst is, en evenmin later tot die overeenkomst is toegetreden, zodat zij ten aanzien van deze contractuele verhouding als een derde moet worden aangemerkt.
52
Geoordeeld dient te worden dat een dergelijke vordering, die strekt tot betaling van een vergoeding wegens de niet-contractuele bewoning van een onroerend goed na de beëindiging van een daarop betrekking hebbende huurovereenkomst, niet valt binnen de werkingssfeer van de regel van exclusieve bevoegdheid van artikel 22, punt 1, eerste alinea, van verordening nr. 44/2001.
53
Ten eerste voldoet een dergelijke analyse immers aan het vereiste dat de in die bepaling vervatte afwijkende regel strikt moet worden uitgelegd en strookt zij met de doelstellingen van die bepaling, overeenkomstig de in de punten 47 en 48 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak. In het bijzonder is voor het onderzoek van een dergelijke vordering tot schadevergoeding geen onderzoek ter plaatse nodig en evenmin is er een beoordeling van de feiten of de toepassing van de regels en gebruiken van de plaats waar het betrokken onroerend goed zich bevindt vereist, omstandigheden die de exclusieve bevoegdheid van de rechter van de lidstaat op het grondgebied waarvan dit goed is gelegen rechtvaardigen (zie naar analogie arrest van 10 juli 2019, Reitbauer e.a., C-722/17, EU:C:2019:577, punten 47 en 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
54
Ten tweede is deze analyse in overeenstemming met de in de punten 49 en 50 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte uitlegging van de uitdrukking ‘voor zakelijke rechten op […] onroerende goederen’ en van het begrip ‘huur en verhuur, pacht en verpachting van onroerende goederen’ in de zin van artikel 22, punt 1, eerste alinea, van verordening nr. 44/2001. Om te beginnen valt een vordering tot betaling van een vergoeding wegens de niet-contractuele bewoning van een onroerend goed na de beëindiging van een huurovereenkomst betreffende dat onroerend goed namelijk niet onder die uitdrukking, aangezien een dergelijke vordering niet is gebaseerd op een zakelijk recht, dat rechtsgevolgen ten aanzien van iedereen teweeg brengt, maar op een persoonlijk recht, dat alleen kan worden ingeroepen tegen de vermeende schuldenaar van wie die betaling wordt gevorderd. Voorts kan een vordering als die tegen S.O., die ten opzichte van de beëindigde overeenkomst de hoedanigheid van derde heeft, niet onder het begrip ‘huur en verhuur, pacht en verpachting van onroerende goederen’ in de zin van dat artikel 22, punt 1, eerste alinea, vallen, aangezien een dergelijke vordering niet rechtstreeks verband houdt met de uit een huurovereenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen en dus niet is gebaseerd op een huurverhouding (zie naar analogie, met betrekking tot artikel 16, punt 1, van het Executieverdrag, dat overeenkomt met dat artikel 22, punt 1, eerste alinea, arrest van 9 juni 1994, Lieber, C-292/93, EU:C:1994:241, punten 1 en 15, en beschikking van 5 april 2001, Gaillard, C-518/99, EU:C:2001:209, punt 20).
55
Ten derde vindt deze analyse steun in het rapport van P. Schlosser over het Verdrag inzake de toetreding van het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland tot het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken alsmede tot het Protocol betreffende de uitlegging daarvan door het Hof van Justitie (PB 1979, C 59, blz. 71). Blijkens punt 163 van dit rapport vallen schadevorderingen wegens schending van zakelijke rechten niet binnen de werkingssfeer van artikel 16, punt 1, van het Executieverdrag, dat overeenkomt met artikel 22, punt 1, eerste alinea, van verordening nr. 44/2001, aangezien het bestaan en de kern van het zakelijk recht, meestal eigendom, in dit verband slechts van ondergeschikt belang zijn.
56
Bijgevolg moet artikel 22, punt 1, eerste alinea, van verordening nr. 44/2001 aldus worden uitgelegd dat een rechtsvordering tot betaling van een vergoeding wegens de niet-contractuele bewoning van een onroerend goed na de beëindiging van een huurovereenkomst betreffende dat onroerend goed, dat is gelegen in een andere lidstaat dan die van de woonplaats van de betrokken verweerder, geen vordering betreffende ‘zakelijke rechten op […] een onroerend goed’ vormt en niet onder het begrip ‘huur en verhuur, pacht en verpachting van onroerende goederen’ in de zin van die bepaling valt.
Uitlegging van artikel 5, punt 3, van verordening nr. 44/2001
57
Wat de eventuele toepassing van artikel 5, punt 3, van verordening nr. 44/2001 op een rechtsvordering als bedoeld in punt 44 van het onderhavige arrest betreft, zij eraan herinnerd dat uit deze bepaling volgt dat een persoon die woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, ‘ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad’ in een andere lidstaat kan worden opgeroepen voor het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen.
58
Volgens vaste rechtspraak moet de bijzonderebevoegdheidsregel van artikel 5, punt 3, van verordening nr. 44/2001 autonoom worden uitgelegd (zie in die zin arrest van 22 februari 2024, FCA Italy en FPT Industrial, C-81/23, EU:C:2024:165, punt 23 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Voor de uitlegging van deze bepaling doet het dus niet ter zake of in nationale rechtspraak, zoals die betreffende de wet inzake de bescherming van de rechten van huurders, de omstandigheid dat iemand zonder geldige titel in de woonruimten van een ander woont als een ‘onrechtmatige daad’ wordt gekwalificeerd.
59
Het is eveneens vaste rechtspraak dat deze bijzonderebevoegdheidsregel, als afwijking van de in artikel 2 van deze verordening neergelegde algemene regel dat de gerechten van de woonplaats van de verweerder bevoegd zijn, strikt moet worden uitgelegd en dat deze regel berust op het bestaan van een bijzonder nauwe band tussen het geschil en de gerechten van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan, op grond waarvan het om redenen verband houdend met een goede rechtsbedeling en nuttige procesinrichting — met name wat de bewijsvoering betreft — gerechtvaardigd is dat die gerechten bevoegd zijn (zie in die zin arrest van 22 februari 2024, FCA Italy en FPT Industrial, C-81/23, EU:C:2024:165, punten 23–25 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
60
Zoals de verwijzende rechter heeft opgemerkt, blijkt uit de rechtspraak van het Hof dat het begrip ‘verbintenissen uit onrechtmatige daad’ in de zin van artikel 5, punt 3, van verordening nr. 44/2001 elke vordering omvat die geen verband houdt met ‘verbintenissen uit overeenkomst’ in de zin van artikel 5, punt 1, onder a), van deze verordening en beoogt de aansprakelijkheid van een verweerder in het geding te brengen, zodat moet worden nagegaan of aan deze twee voorwaarden is voldaan (zie in die zin arresten van 25 maart 2021, Obala i lučice, C-307/19, EU:C:2021:236, punten 83 en 85, en 9 december 2021, HRVATSKE ŠUME, C-242/20, EU:C:2021:985, punten 42 en 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
61
Wat de eerste voorwaarde betreft, heeft het Hof gepreciseerd dat het autonome begrip ‘verbintenissen uit overeenkomst’ in de zin van artikel 5, punt 1, onder a), van verordening nr. 44/2001 elke vordering omvat die gebaseerd is op een verbintenis die een persoon uit vrije wil is aangegaan jegens een andere persoon (zie in die zin arresten van 10 september 2015, Holterman Ferho Exploitatie e.a., C-47/14, EU:C:2015:574, punt 52, en 9 december 2021, HRVATSKE ŠUME, C-242/20, EU:C:2021:985, punt 44).
62
In casu valt een vordering tot vergoeding als die welke verzoekster in het hoofdgeding tegen S.O. heeft ingesteld niet onder dit begrip ‘verbintenissen uit overeenkomst’, aangezien die vordering is gebaseerd op de omstandigheid dat een persoon een onroerend goed heeft bewoond zonder de vrije toestemming van de eigenaar die tot uiting komt in een huurovereenkomst.
63
Wat de tweede in punt 60 hierboven genoemde voorwaarde betreft, heeft het Hof reeds geoordeeld dat een vordering beoogt de aansprakelijkheid van een verweerder in het geding te brengen wanneer aan de verweerder een schadebrengend feit in de zin van artikel 5, punt 3, van verordening nr. 44/2001 kan worden toegerekend, namelijk een handelen of nalaten dat in strijd is met een verplichting of een door de wet opgelegd verbod. Er moet namelijk een causaal verband kunnen worden aangetoond tussen de schade en de onrechtmatige daad die deze schade heeft veroorzaakt, zonder dat een specifiek onderscheid dient te worden gemaakt voor daarmee gelijkgestelde daden (zie in die zin arrest van 9 december 2021, HRVATSKE ŠUME, C-242/20, EU:C:2021:985, punten 52–54 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
64
In casu berust een vordering tot betaling van een vergoeding wegens de niet-contractuele bewoning van een aan een ander toebehorend onroerend goed op een verbintenis die haar oorsprong vindt in een schadebrengend feit. Die verbintenis is niet onafhankelijk van het gedrag van de verweerder ontstaan, zodat er een oorzakelijk verband kan worden vastgesteld tussen de gestelde schade en een eventueel onrechtmatig handelen of nalaten van die verweerder (zie a contrario arrest van 9 december 2021, HRVATSKE ŠUME, C-242/20, EU:C:2021:985, punt 55).
65
Aangezien in een situatie als die in het hoofdgeding dus is voldaan aan de twee in punt 60 van het onderhavige arrest genoemde voorwaarden, zoals de Poolse regering en de Europese Commissie in hun schriftelijke opmerkingen hebben opgemerkt, moet een vordering tot vergoeding wegens de niet-contractuele bewoning van een onroerend goed worden geacht te vallen onder ‘verbintenissen uit onrechtmatige daad’ in de zin van artikel 5, punt 3, van verordening nr. 44/2001.
66
Bijgevolg zou de verwijzende rechter zich in het hoofdgeding in beginsel bevoegd kunnen verklaren op grond van dat artikel 5, punt 3, als rechter van de ‘plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan’ in de zin van die bepaling, aangezien het betrokken onroerend goed in Polen, en meer bepaald in het territoriale rechtsgebied van die rechterlijke instantie is gelegen. In dit verband zij er om te beginnen aan herinnerd dat het begrip ‘plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan’ zowel ziet op de plaats waar de gestelde schade is ingetreden als op de plaats van de schadeveroorzakende gebeurtenis. Voorts maakt deze bepaling het mogelijk om op basis van de plaats waar de gestelde schade is ingetreden de bevoegdheid van een rechter vast te stellen ten aanzien van alle vermeend aansprakelijke partijen, mits die schade is ingetreden in het rechtsgebied van de aangezochte rechter (zie in die zin arresten van 5 juli 2018, flyLAL-Lithuanian Airlines, C-27/17, EU:C:2018:533, punt 42, en 4 juli 2024, MOL, C-425/22, EU:C:2024:578, punt 26).
67
Gelet op de door de verwijzende rechter uiteengezette feiten is het voor een nuttig antwoord echter noodzakelijk om te preciseren dat hij dient na te gaan of in het bij hem aanhangige geding een ‘schadebrengend feit zich heeft voorgedaan’ in de zin van artikel 5, punt 3, van verordening nr. 44/2001 als gevolg van de handelwijze van S.O. en, meer in het bijzonder, of S.O. het onroerend goed persoonlijk heeft bewoond in de periode die in het hoofdgeding aan de orde is, te weten in de jaren 2011 en 2012. Gelet op de verwijzingsbeslissing kan niet worden uitgesloten dat S.O. gedurende die periode uitsluitend in Nederland woonde. Indien zij dat onroerend goed niet heeft bewoond, kan geen van de aanknopingsfactoren op grond waarvan artikel 5, punt 3, op S.O. van toepassing is worden vastgesteld.
68
Uit het voorgaande volgt dat artikel 5, punt 3, van verordening nr. 44/2001 aldus moet worden uitgelegd dat een vordering tot vergoeding wegens de niet-contractuele bewoning van een onroerend goed moet worden geacht te vallen onder ‘verbintenissen uit onrechtmatige daad’ in de zin van die bepaling.
Uitlegging van artikel 6, punt 1, van verordening nr. 44/2001
69
Wat betreft de eventuele toepassing van artikel 6, punt 1, van verordening nr. 44/2001 op een rechtsvordering als bedoeld in punt 44 van het onderhavige arrest, zij eraan herinnerd dat daarin is bepaald dat een persoon die woonplaats heeft in een lidstaat, indien er meer dan één verweerder is, kan worden opgeroepen voor het gerecht van de woonplaats van een hunner, op voorwaarde dat er tussen de vorderingen een zo nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven.
70
Het doel van de bijzonderebevoegdheidsregel als bedoeld in artikel 6, punt 1, van verordening nr. 44/2001 strekt er overeenkomstig de overwegingen 12 en 15 van die verordening toe een goede rechtsbedeling te vergemakkelijken, parallel lopende procedures zo veel mogelijk te beperken en te voorkomen dat in verschillende lidstaten onverenigbare beslissingen worden gegeven (zie in die zin arresten van 20 april 2016, Profit Investment SIM, C-366/13, EU:C:2016:282, punt 61, en 13 februari 2025, Athenian Brewery en Heineken, C-393/23, EU:C:2025:85, punt 20 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
71
Aangezien deze bijzonderebevoegdheidsregel afwijkt van de in artikel 2 van verordening nr. 44/2001 neergelegde principiële bevoegdheid van de rechter van de woonplaats van de verweerder, moet hij strikt worden uitgelegd. Om beslissingen als ‘onverenigbaar’ in de zin van artikel 6, punt 1, van deze verordening te kunnen beschouwen, moet er sprake zijn van een divergentie in de beslechting van geschillen die zich in het kader van dezelfde situatie, feitelijk en rechtens, voordoet. De enkele omstandigheid dat de uitkomst van een van de betrokken procedures een weerslag kan hebben op die van de andere procedure, volstaat niet om de in het kader van deze twee procedures te geven beslissingen aan te merken als ‘onverenigbaar’ (zie in die zin arresten van 20 april 2016, Profit Investment SIM, C-366/13, EU:C:2016:282, punten 63, 65 en 66, en 13 februari 2025, Athenian Brewery en Heineken, C-393/23, EU:C:2025:85, punten 21 en 22 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
72
Bovendien staat artikel 6, punt 1, een verzoeker niet toe een vordering tegen verschillende verweerders in te stellen met als enig doel een van die verweerders te onttrekken aan de rechter van de staat waar hij zijn woonplaats heeft, en aldus de in die bepaling vastgelegde bevoegdheidsregel te omzeilen. De aangezochte rechter kan een dergelijke omzeiling slechts vaststellen indien er afdoende bewijs is op grond waarvan kan worden vastgesteld dat de verzoeker de voorwaarden voor de toepassing van deze bepaling kunstmatig heeft gecreëerd of gehandhaafd (zie in die zin arrest van 13 februari 2025, Athenian Brewery en Heineken, C-393/23, EU:C:2025:85, punten 23 en 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
73
Het staat dus aan de verwijzende rechter om te beoordelen of er sprake is van dezelfde situatie rechtens en feitelijk, rekening houdend met alle relevante gegevens van de bij hem aanhangige zaak, zonder de ontvankelijkheid of de gegrondheid van de betrokken vordering te beoordelen, en voorts om zich ervan te vergewissen dat de vorderingen die gericht zijn tegen meerdere verweerders niet bedoeld zijn om op kunstmatige wijze te voldoen aan de voorwaarden voor de toepassing van artikel 6, punt 1, van verordening nr. 44/2001. Het Hof kan de verwijzende rechter evenwel de uitleggingsgegevens met betrekking tot het Unierecht verschaffen die nuttig zijn voor deze beoordeling (zie in die zin arresten van 20 april 2016, Profit Investment SIM, C-366/13, EU:C:2016:282, punt 64, en 13 februari 2025, Athenian Brewery en Heineken, C-393/23, EU:C:2025:85, punten 25 en 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
74
In casu betoogt verzoekster in het hoofdgeding dat de Poolse rechterlijke instanties internationaal bevoegd zijn omdat de band tussen de vier verweerders die zij aanvankelijk voor de rechter heeft gedaagd met haar vordering van 15 maart 2013, zo nauw is dat de tegen hen ingestelde vorderingen tot schadevergoeding moeten worden beoordeeld om divergenties bij uitspraken in afzonderlijke procedures te vermijden. Zoals in punt 28 van het onderhavige arrest is vermeld, betwijfelt de verwijzende rechter of deze vorderingen gezamenlijk moeten worden behandeld, maar wijst hij er niettemin op dat de betrokken verweerders leden van een en hetzelfde gezin zijn en dat zij voorheen samen hebben gewoond in de woning waarvan de bewoning aanleiding heeft gegeven tot die vorderingen.
75
Onder voorbehoud van de door deze rechter te verrichten verificaties, moet worden vastgesteld dat het weinig waarschijnlijk lijkt dat op de datum waarop die vordering werd ingesteld dezelfde situatie, feitelijk en rechtens, zou bestaan, waaruit het risico zou voortvloeien dat in verschillende lidstaten ‘onverenigbare’ beslissingen in de zin van artikel 6, punt 1, van verordening nr. 44/2001 zouden worden gegeven indien de betrokken vorderingen afzonderlijk werden berecht, hetgeen zou rechtvaardigen dat de in die bepaling neergelegde bijzonderebevoegdheidsregel zou worden toegepast.
76
De vorderingen tot vergoeding die verzoekster in het hoofdgeding heeft ingesteld tegen de vier personen waarop die vordering betrekking heeft, zijn namelijk inderdaad met elkaar verbonden door hun voorwerp, aangezien het doel van deze vorderingen identiek is. Uit de verwijzingsbeslissing blijkt echter dat krachtens de toepasselijke bepalingen van Pools recht, ten eerste, die vorderingen scheidbaar zijn voor zover er verschillende beslissingen kunnen worden gegeven ten aanzien van die personen naargelang zij al dan niet gedurende de relevante periode de betrokken woning hebben bewoond en, ten tweede, die personen niet hoofdelijk aansprakelijk zijn, hetgeen een individueel onderzoek van de verweten feiten lijkt te impliceren. In haar schriftelijke opmerkingen lijkt de Poolse regering in essentie te bevestigen dat het nationale recht toestaat dat ten aanzien van die personen individuele beslissingen worden genomen, naargelang uit de feitelijke vaststellingen van de aangezochte rechter blijkt of de betreffende persoon al dan niet de betrokken woning bewoonde.
77
Derhalve moet artikel 6, punt 1, van verordening nr. 44/2001 aldus worden uitgelegd dat deze bepaling slechts van toepassing is indien er op de datum waarop een rechtsvordering wordt ingesteld waarbij een verzoeker meerdere verweerders voor een rechterlijke instantie van een lidstaat oproept, sprake is van dezelfde situatie, feitelijk en rechtens, die ertoe leidt dat een goede rechtsbedeling vraagt om de gelijktijdige behandeling en berechting van alle vorderingen tegen die verweerders, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van deze vorderingen in verschillende lidstaten onverenigbare beslissingen worden gegeven, hetgeen de aangezochte rechter dient na te gaan.
78
Gelet op een en ander moet op de tweede vraag worden geantwoord dat artikel 5, punt 3, artikel 6, punt 1, en artikel 22, punt 1, eerste alinea, van verordening nr. 44/2001 aldus moeten worden uitgelegd dat
- —
een rechtsvordering tot betaling van een vergoeding wegens de niet-contractuele bewoning van een onroerend goed na de beëindiging van een huurovereenkomst betreffende dat onroerend goed, dat is gelegen in een andere lidstaat dan die van de woonplaats van de betrokken verweerder, geen vordering betreffende ‘zakelijke rechten op […] een onroerend goed’ vormt en niet onder het begrip ‘huur en verhuur, pacht en verpachting van onroerende goederen’ in de zin van dat artikel 22, punt 1, eerste alinea, valt;
- —
een vordering tot vergoeding wegens de niet-contractuele bewoning van een onroerend goed moet worden geacht te vallen onder ‘verbintenissen uit onrechtmatige daad’ in de zin van dat artikel 5, punt 3, en
- —
artikel 6, punt 1, slechts van toepassing is indien er op de datum waarop een rechtsvordering wordt ingesteld waarbij een verzoeker meerdere verweerders voor een rechterlijke instantie van een lidstaat oproept, sprake is van dezelfde situatie, feitelijk en rechtens, die ertoe leidt dat een goede rechtsbedeling vraagt om de gelijktijdige behandeling en berechting van alle vorderingen tegen die verweerders, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van deze vorderingen in verschillende lidstaten onverenigbare beslissingen worden gegeven.
Kosten
79
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Negende kamer) verklaart voor recht:
- 1)
Artikel 66, lid 1, van verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken
moet aldus worden uitgelegd dat
bij de beoordeling of deze verordening ratione temporis van toepassing is een rechtsvordering moet worden geacht te zijn ingesteld, in de zin van deze bepaling, op de datum waarop de eiser zijn vordering heeft ingesteld in een zaak waarin vervolgens een beslissing is gegeven, en niet op de datum waarop de verweerder later tegen die beslissing verzet heeft aangetekend strekkende tot heroverweging van die zaak.
- 2)
Artikel 5, punt 3, artikel 6, punt 1, en artikel 22, punt 1, eerste alinea, van verordening (EU) nr. 44/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken
moeten aldus worden uitgelegd dat
- —
een rechtsvordering tot betaling van een vergoeding wegens de niet-contractuele bewoning van een onroerend goed na de beëindiging van een huurovereenkomst betreffende dat onroerend goed, dat is gelegen in een andere lidstaat dan die van de woonplaats van de betrokken verweerder, geen vordering betreffende ‘zakelijke rechten op […] een onroerend goed’ vormt en niet onder het begrip ‘huur en verhuur, pacht en verpachting van onroerende goederen’ in de zin van dat artikel 22, punt 1, eerste alinea, valt;
- —
een vordering tot vergoeding wegens de niet-contractuele bewoning van een onroerend goed moet worden geacht te vallen onder ‘verbintenissen uit onrechtmatige daad’ in de zin van dat artikel 5, punt 3, en
- —
artikel 6, punt 1, slechts van toepassing is indien er op de datum waarop een rechtsvordering wordt ingesteld waarbij een verzoeker meerdere verweerders voor een rechterlijke instantie van een lidstaat oproept, sprake is van dezelfde situatie, feitelijk en rechtens, die ertoe leidt dat een goede rechtsbedeling vraagt om de gelijktijdige behandeling en berechting van alle vorderingen tegen die verweerders, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van deze vorderingen in verschillende lidstaten onverenigbare beslissingen worden gegeven.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 10‑07‑2025
Procestaal: Pools.