Dit is een fictieve naam, die niet overeenkomt met de werkelijke naam van enige partij in de procedure.
HvJ EU, 02-10-2025, nr. C-391/24
ECLI:EU:C:2025:748
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
02-10-2025
- Magistraten
D. Gratsias, E. Regan, B. Smulders
- Zaaknummer
C-391/24
- Roepnaam
Nolgers
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2025:748, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 02‑10‑2025
Uitspraak 02‑10‑2025
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Ruimte van vrijheid, veiligheid en recht — Justitiële samenwerking in strafzaken — Kaderbesluit 2008/947/JBZ — Wederzijdse erkenning van vonnissen en proeftijdbeslissingen — Artikel 1 — Werkingssfeer — Invrijheidsstelling onder toezicht met de verplichting om in een gesloten inrichting een residentiële medische behandeling te volgen — Vrijheidsbenemende maatregel — Verplichting tot erkenning en tenuitvoerlegging
D. Gratsias, E. Regan, B. Smulders
Partij(en)
In zaak C-391/24 [Nolgers] i., *
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de strafuitvoeringsrechtbank van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel (België) bij beslissing van 3 juni 2024, ingekomen bij het Hof op 4 juni 2024, in de strafrechtelijke procedure tegen
LZ,
wijst
HET HOF (Tiende kamer),
samengesteld als volgt: D. Gratsias, kamerpresident, E. Regan (rapporteur) en B. Smulders, rechters,
advocaat-generaal: M. Szpunar,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
- —
de Belgische regering, vertegenwoordigd door L. Jans, C. Pochet en M. Van Regemorter als gemachtigden,
- —
de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door M. K. Bulterman en J. Langer als gemachtigden,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door T. Franchoo, H. Leupold en J. Vondung als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van kaderbesluit 2008/947/JBZ van de Raad van 27 november 2008 inzake de toepassing van het beginsel van de wederzijdse erkenning op vonnissen en proeftijdbeslissingen met het oog op het toezicht op proeftijdvoorwaarden en alternatieve straffen (PB 2008, L 337, blz. 102).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een procedure betreffende een door LZ ingediend verzoek tot invrijheidstelling onder toezicht.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
Kaderbesluit 2008/909
3
Artikel 1 van kaderbesluit 2008/909/JBZ van de Raad van 27 november 2008 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op strafvonnissen waarbij vrijheidsstraffen of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregelen zijn opgelegd, met het oog op de tenuitvoerlegging ervan in de Europese Unie (PB 2008, L 327, blz. 27) heeft als opschrift ‘Definities’ en bepaalt:
‘In dit kaderbesluit wordt verstaan onder:
- a)
‘vonnis’: een door een rechter van de beslissingsstaat gegeven onherroepelijke uitspraak of beschikking waarbij een sanctie aan een natuurlijke persoon wordt opgelegd;
- b)
‘sanctie’: een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel van bepaalde of onbepaalde duur die wegens een strafbaar feit in een strafprocedure is opgelegd;
[…]’
4
Artikel 3 van dit kaderbesluit heeft als opschrift ‘Doel en werking’ en bepaalt in lid 1:
‘Met dit kaderbesluit wordt beoogd de regels vast te stellen volgens welke een lidstaat, ter bevordering van de reclassering van de gevonniste persoon, een vonnis erkent en de sanctie ten uitvoer legt.’
5
Artikel 8 van het kaderbesluit heeft als opschrift ‘Erkenning van het vonnis en tenuitvoerlegging van de sanctie’ en bepaalt in lid 3:
‘Indien de aard van de sanctie onverenigbaar is met het recht van de tenuitvoerleggingsstaat, kan de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat de sanctie aanpassen aan de sanctie of maatregel die door het nationale recht voor vergelijkbare strafbare feiten is voorgeschreven. Deze sanctie of maatregel stemt zoveel mogelijk overeen met de in de beslissingsstaat opgelegde sanctie en derhalve wordt de sanctie niet gewijzigd in een geldboete.’
6
Artikel 9 van dit kaderbesluit heeft als opschrift ‘Gronden tot weigering van de erkenning en tenuitvoerlegging’ en bepaalt in lid 1:
‘De bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat kan de erkenning van het vonnis en de tenuitvoerlegging van de sanctie weigeren in de volgende gevallen:
[…]
- k)
de opgelegde sanctie omvat een maatregel in de sfeer van de psychiatrie of de gezondheidszorg die tot vrijheidsbeneming strekt en die, ondanks artikel 8, lid 3, niet ten uitvoer kan worden gelegd binnen het rechts- of gezondheidszorgsysteem van de tenuitvoerleggingsstaat;
[…]’
Kaderbesluit 2008/947
7
Overweging 3 van kaderbesluit 2008/947 luidt als volgt:
‘Kaderbesluit [2008/909] betreft de wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen en tot vrijheidsbeneming strekkende maatregelen. Er is behoefte aan verdere gemeenschappelijke voorschriften, met name voor het geval waarin toezicht op proeftijdvoorwaarden of alternatieve straffen is opgelegd jegens personen die hun vaste en wettige verblijfplaats niet in de beslissingsstaat hebben.’
8
Artikel 1 van dit kaderbesluit (‘Doelen en toepassingsgebied’) bepaalt in de leden 1 tot en met 3:
- ‘1.
Dit kaderbesluit is erop gericht de resocialisatie van gevonniste personen te bevorderen, de bescherming van slachtoffers en de gemeenschap in het algemeen te verbeteren, en de toepassing van passende proeftijdvoorwaarden en alternatieve straffen te vereenvoudigen in het geval van delinquenten die niet wonen in de staat waar zij zijn veroordeeld. Ter verwezenlijking hiervan wordt in dit kaderbesluit bepaald volgens welke regels een andere lidstaat dan de lidstaat waar de betrokkene is veroordeeld, vonnissen en, in voorkomend geval, proeftijdvoorwaarden erkent en toezicht houdt op de krachtens een vonnis opgelegde proeftijdvoorwaarden of op de in dat vonnis vervatte alternatieve straffen, en alle overige beslissingen in verband met dat vonnis neemt, tenzij in dit kaderbesluit anders is bepaald.
- 2.
Dit kaderbesluit is uitsluitend van toepassing op:
- a)
de erkenning van vonnissen en, in voorkomend geval, proeftijdbeslissingen;
- b)
de overname van de verantwoordelijkheid voor het toezicht op proeftijdvoorwaarden en alternatieve straffen;
- c)
alle overige beslissingen die met de onder a) en b) bedoelde verband houden,
zoals beschreven en vastgesteld in dit kaderbesluit.
- 3.
Dit kaderbesluit is niet van toepassing op:
- a)
de tenuitvoerlegging van strafvonnissen waarbij een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel wordt opgelegd en die vallen onder [kaderbesluit 2008/909];
[…]’
9
Artikel 2 van dit kaderbesluit heeft als opschrift ‘Definities’ en luidt:
‘In dit kaderbesluit wordt verstaan onder:
- 1.
‘vonnis’: een onherroepelijke uitspraak of beschikking van een rechter van de beslissingsstaat, waarbij wordt vastgesteld dat een natuurlijke persoon een strafbaar feit heeft gepleegd en waarbij aan die persoon wordt opgelegd:
- a)
een vrijheidsstraf of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel, indien op grond van dat vonnis of bij een latere proeftijdbeslissing voorwaardelijke invrijheidstelling is verleend,
- b)
een voorwaardelijke straf,
- c)
een voorwaardelijke opschorting van de strafoplegging, of
- d)
een alternatieve straf;
- 2.
‘voorwaardelijke straf’: een vrijheidsstraf of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel waarvan de tenuitvoerlegging volledig of ten dele voorwaardelijk wordt opgeschort, doordat een of meer proeftijdvoorwaarden worden opgelegd. Deze proeftijdvoorwaarden worden in het vonnis zelf opgenomen of in een afzonderlijke proeftijdbeslissing van een bevoegde autoriteit bepaald;
- 3.
‘voorwaardelijke opschorting van de strafoplegging’: een vonnis waarbij de oplegging van een straf voorwaardelijk is opgeschort doordat een of meer proeftijdvoorwaarden worden opgelegd, of waarbij in plaats van een vrijheidsstraf of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel een of meer proeftijdvoorwaarden worden opgelegd. Deze proeftijdvoorwaarden worden in het vonnis zelf opgenomen of in een afzonderlijke proeftijdbeslissing van een bevoegde autoriteit bepaald;
- 4.
‘alternatieve straf’: een andere straf dan een vrijheidsstraf of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel of een geldelijke sanctie, waarbij een verplichting of instructie wordt opgelegd;
- 5.
‘proeftijdbeslissing’: een vonnis van een rechter of een op grond daarvan gegeven definitieve beslissing van een bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat, waarbij:
- a)
een voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend, of
- b)
proeftijdvoorwaarden worden opgelegd;
- 6.
‘voorwaardelijke invrijheidstelling’: een door een bevoegde autoriteit of krachtens het nationale recht gegeven definitieve beslissing tot vervroegde invrijheidstelling van een gevonniste persoon die een deel van de vrijheidsstraf of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel heeft ondergaan, waarbij een of meer proeftijdvoorwaarden worden opgelegd;
- 7.
‘proeftijdvoorwaarden’: verplichtingen en instructies die volgens het nationale recht van de beslissingsstaat door een bevoegde autoriteit aan een natuurlijke persoon worden opgelegd in samenhang met een voorwaardelijke straf, een voorwaardelijke opschorting van de strafoplegging of een voorwaardelijke invrijheidstelling.
[…]’
10
Artikel 4 van dit kaderbesluit heeft als opschrift ‘Soorten proeftijdvoorwaarden en alternatieve straffen’ en bepaalt in lid 1:
‘Dit kaderbesluit is van toepassing op de volgende proeftijdvoorwaarden en alternatieve straffen:
[…]
- k)
de verplichting een therapie […] te ondergaan.’
11
Artikel 9 van kaderbesluit 2008/947 heeft als opschrift ‘Aanpassing van de proeftijdvoorwaarden of alternatieve straffen’ en bepaalt in de leden 1 en 3:
- ‘1.
Indien de aard of de duur van de proeftijdvoorwaarde of van de alternatieve straf, of de duur van de proeftijd onverenigbaar [is] met het recht van de tenuitvoerleggingsstaat, kunnen zij door de bevoegde autoriteit van deze staat worden aangepast aan […] de aard en de duur van de proeftijdvoorwaarden en alternatieve straffen en aan de duur van de proeftijd die volgens het recht van de tenuitvoerleggingsstaat voor gelijkwaardige strafbare feiten gelden. De aangepaste proeftijdvoorwaarde, alternatieve straf of duur van de proeftijd moet zoveel mogelijk overeenkomen met die welke in de beslissingsstaat is opgelegd.
[…]
- 3.
De aangepaste proeftijdvoorwaarde, alternatieve straf of proeftijd mag niet strenger of langer zijn dan de oorspronkelijk opgelegde proeftijdvoorwaarde, alternatieve straf of proeftijd.’
12
Artikel 11 van dit kaderbesluit (‘Gronden tot weigering van erkenning en toezicht’) bepaalt in lid 1:
‘De bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat kan in de volgende gevallen weigeren het vonnis en, in voorkomend geval, de proeftijdbeslissing te erkennen en het toezicht op proeftijdvoorwaarden of alternatieve straffen te aanvaarden:
[…]
- i)
het vonnis of, in voorkomend geval, de proeftijdbeslissing behelst een medische/therapeutische behandeling waarop de tenuitvoerleggingsstaat, ondanks artikel 9, vanwege zijn rechts- of gezondheidszorgsysteem geen toezicht kan uitoefenen.
[…]’
Belgisch recht
13
Artikel 34bis van het Strafwetboek;
‘De terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank is een bijkomende straf die in de door de wet bepaalde gevallen moet of kan worden uitgesproken met het oog op de bescherming van de maatschappij tegen personen die bepaalde ernstige strafbare feiten plegen die de integriteit van personen aantasten. Deze bijkomende straf gaat in na het verstrijken van de hoofdgevangenisstraf of van de opsluiting.’
14
Artikel 56 van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten (Belgisch Staatsblad, 15 juni 2006, blz. 30455), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie (hierna: ‘WERV’), bepaalt:
- ‘1.
De strafuitvoeringsrechtbank kan de veroordeelde onderwerpen aan geïndividualiseerde bijzondere voorwaarden die de mogelijkheid bieden het sociaal reclasseringsplan uit te voeren of tegemoet te komen aan de in artikel 47, § 1, bedoelde tegenaanwijzingen, dan wel noodzakelijk blijken in het belang van de slachtoffers.
[…]’
15
In artikel 95/2 WERV is bepaald:
- ‘§ 1.
De terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank die overeenkomstig de artikelen 34bis tot en met 34quater van het Strafwetboek ten aanzien van de veroordeelde is uitgesproken, neemt een aanvang bij het verstrijken van de hoofdstraf.
- § 2.
De strafuitvoeringsrechtbank beslist voorafgaand aan het verstrijken van de hoofdstraf, overeenkomstig de procedure bepaald in afdeling 2, hetzij tot vrijheidsbeneming, hetzij tot invrijheidstelling onder toezicht van de terbeschikkinggestelde veroordeelde.
Na het in het eerste lid bedoelde onderzoek door de strafuitvoeringsrechtbank, wordt de veroordeelde aan wie een voorwaardelijke invrijheidstelling was verleend op het einde van zijn proeftermijn in vrijheid onder toezicht gesteld, in voorkomend geval met voorwaarden als bedoeld in § 2 van artikel 95/7.
- § 3.
De ter beschikking gestelde veroordeelde wordt van zijn vrijheid benomen indien in zijn hoofde een risico op het plegen van ernstige strafbare feiten, die de fysieke of psychische integriteit van derden aantasten, bestaat dat in geval van een invrijheidstelling onder toezicht niet kan worden ondervangen door het opleggen van bijzondere voorwaarden.’
16
Artikel 95/7 WERV luidt:
‘[…]
- § 2.
Indien de strafuitvoeringsrechtbank de invrijheidstelling onder toezicht toekent, bepaalt zij dat de ter beschikking gestelde veroordeelde wordt onderworpen aan de algemene voorwaarden zoals bepaald door artikel 55.
De strafuitvoeringsrechtbank kan de ter beschikking gestelde veroordeelde onderwerpen aan geïndividualiseerde bijzondere voorwaarden die het risico van het plegen van ernstige strafbare feiten, die de fysieke of psychische integriteit van personen kunnen aantasten, ondervangen of die noodzakelijk blijken in het belang van de slachtoffers.
Indien de veroordeelde ter beschikking van de strafuitvoeringsrechtbank is gesteld voor één van de feiten bedoeld in de artikelen 371/1, 371/2, 372, 373, tweede en derde lid, 375, 376, tweede en derde lid, 377, eerste, tweede, vierde en zesde lid van het Strafwetboek, kan de strafuitvoeringsrechtbank aan de toekenning van de invrijheidstelling onder toezicht de voorwaarde verbinden van het volgen van een begeleiding of behandeling bij een dienst die in de begeleiding of de behandeling van seksuele delinquenten is gespecialiseerd. De strafuitvoeringsrechtbank bepaalt de termijn gedurende dewelke de veroordeelde deze begeleiding of behandeling moet volgen.
[…]’
17
Artikel 95/21 WERV bepaalt:
‘De strafuitvoeringsrechtbank onderzoekt na één jaar vrijheidsbeneming, die uitsluitend gesteund is op de beslissing ingevolge de terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank, ambtshalve de mogelijkheid van het toekennen van een invrijheidstelling onder toezicht. De vrijheidsbeneming van de ter beschikking gestelde veroordeelde wordt gehandhaafd indien in zijn hoofde een risico op het plegen van ernstige strafbare feiten, die de fysieke of psychische integriteit van derden aantasten, bestaat dat in geval van een invrijheidstelling onder toezicht niet kan worden ondervangen door het opleggen van bijzondere voorwaarden.
Vier maanden voorafgaand aan de in het eerste lid bedoelde termijn brengt de directeur een advies uit. Artikel 95/3, § 2, is van toepassing.’
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
18
LZ, een Nederlands staatsburger, is op 2 december 2011 door de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen (België) veroordeeld tot acht jaar gevangenisstraf wegens verkrachting met geweld van zijn minderjarige dochter die op het ogenblik van de feiten jonger dan veertien jaar was en met de verzwarende omstandigheid dat hij een bloedverwant in opgaande lijn was, alsook wegens aanranding van de eerbaarheid van zijn minderjarige dochter en van één van haar vriendinnetjes, wegens bezit en verspreiding van kinderpornografisch materiaal en wegens het uiten van bedreigingen. Tevens is hem voor een periode van tien jaar de straf van terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank opgelegd, met name op grond van artikel 34bis van het Strafwetboek.
19
Op 26 november 2013 heeft LZ verzocht om overbrenging naar een gevangenis in Nederland voor verdere strafuitvoering. De Nederlandse autoriteiten hebben zijn verzoek afgewezen omdat LZ onvoldoende banden met Nederland had en niet voorkwam in de gemeentelijke basisadministratie van die lidstaat.
20
Op 27 augustus 2015 heeft LZ dat verzoek nog eens gedaan en daaraan toegevoegd dat hij zijn reclassering in Nederland wilde laten plaatsvinden. In hun antwoord hebben de Nederlandse autoriteiten aangegeven dat zij bereid zijn de gevangenisstraf te erkennen, maar niet de straf van terbeschikkingstelling van een strafuitvoeringsrechtbank, omdat deze maatregel in het Nederlands recht geen equivalent heeft. In de praktijk zou een overbrenging naar Nederland hebben geleid tot de invrijheidstelling van LZ na afloop van zijn gevangenisstraf, zodat een dergelijke overbrenging niet kon plaatsvinden.
21
Op 3 juli 2019 is de gevangenisstraf van acht jaar waartoe LZ was veroordeeld, beëindigd en is de straf van de terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank van kracht geworden.
22
In deze context moet de strafuitvoeringsrechtbank van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel (België), de verwijzende rechter, overeenkomstig de artikelen 95/2 tot en met 95/30 WERV uitspraak doen over ‘een invrijheidstelling onder toezicht’ of de verdere vrijheidsbeneming van LZ.
23
Deze rechter zet uiteen dat de vrijheidsbeneming van de ter beschikking gestelde veroordeelde overeenkomstig artikel 95/21 WERV wordt gehandhaafd indien in zijn hoofde een risico op het plegen van ernstige strafbare feiten, die de fysieke of psychische integriteit van derden aantasten, bestaat dat in geval van een invrijheidstelling onder toezicht niet kan worden ondervangen door het opleggen van bijzondere voorwaarden.
24
In casu heeft die rechter, met name rekening houdend met een rapport van de psychosociale dienst van de gevangenis waarin LZ is gedetineerd, geoordeeld dat er een hoog risico bestaat dat LZ ernstige strafbare feiten zou kunnen plegen die de psychische of fysieke integriteit van derden aantasten en dat een ‘residentiële behandeling’ op lange termijn van zijn psychische aandoeningen absoluut noodzakelijk is om een dergelijk risico tegen te gaan.
25
De verwijzende rechter merkt op dat deze ‘residentiële behandeling’ in België niet mogelijk was omdat LZ, die de Nederlandse nationaliteit heeft, in België geen verblijfsrecht heeft en niet door de ziekteverzekering is gedekt, hoewel hij altijd in België heeft gewoond en er is geboren.
26
In het kader van contacten met de Nederlandse autoriteiten om na te gaan of LZ die ‘residentiële behandeling’ overeenkomstig zijn wens in een gesloten inrichting in Nederland zou kunnen volgen, hebben deze autoriteiten op 29 januari 2024 aangegeven dat deze maatregel een vrijheidsbenemende straf vormt die niet kan worden erkend en ten uitvoer gelegd op grond van kaderbesluit 2008/947.
27
De verwijzende rechter vraagt zich dan ook af of het mogelijk is om op grond van kaderbesluit 2008/947 te verzoeken om erkenning en tenuitvoerlegging van een vonnis waarbij een invrijheidstelling onder toezicht wordt uitgesproken, met een bijzondere voorwaarde dat de betrokkene in een gesloten inrichting een langdurige ‘residentiële behandeling’ volgt. De verwijzende rechter preciseert in dit verband evenwel dat hij zich niet afvraagt wat de draagwijdte is van kaderbesluit 2008/909, aangezien dat kaderbesluit volgens hem niet relevant is.
28
Aangezien de door LZ gevraagde invrijheidsstelling onder toezicht niet kon worden uitgevoerd op het tijdstip waarop deze rechter uitspraak moest doen, heeft die rechter dat verzoek afgewezen, maar wel beslist dat het opnieuw zal worden onderzocht zodra het Hof op zijn vraag heeft geantwoord.
29
In die omstandigheden heeft de strafuitvoeringsrechtbank van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:
‘Moet [kaderbesluit 2008/947] zo worden geïnterpreteerd dat, indien [het Koninkrijk] België in het kader van de terbeschikkingstelling een vonnis uitspreekt waarbij aan de veroordeelde een invrijheidstelling onder toezicht wordt toegekend met bijzondere voorwaarden, en dit vonnis door de bevoegde Belgische autoriteit samen met het — in [dat kaderbesluit] bedoelde — certificaat wordt toegezonden aan de bevoegde autoriteit in [het Koninkrijk der Nederlanden], [het Koninkrijk der Nederlanden] dit vonnis moet erkennen en ten uitvoer leggen, door onder meer toe te zien op de correcte naleving van de bijzondere voorwaarden, daarbij rekening houdende met het gegeven dat de veroordeelde de Nederlandse nationaliteit heeft en naar Nederland wenst terug te keren?
Geldt dat ook wanneer als bijzondere voorwaarde wordt opgelegd dat de veroordeelde zich in Nederland residentieel dient te laten behandelen voor zijn seksuele problematiek en vanuit de gevangenis naar een gesloten instelling in Nederland moet worden overgebracht?’
Procedure bij het Hof
30
De verwijzende rechter heeft het Hof verzocht de zaak te behandelen volgens de prejudiciële spoedprocedure bedoeld in artikel 23 bis van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie en artikel 107 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof.
31
Op 18 juni 2024 heeft het Hof op voorstel van de rechter-rapporteur, de advocaat-generaal gehoord, besloten dit verzoek niet in te willigen, aangezien niet was voldaan aan de voorwaarden voor spoedeisendheid van dat artikel 107.
Ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing
32
Zonder formeel een exceptie van niet-ontvankelijkheid op te werpen, betwijfelt de Nederlandse regering of er een verband bestaat tussen de in de prejudiciële vraag verzochte uitlegging van het Unierecht en een reëel geschil of het voorwerp van het hoofdgeding. Uit de verwijzingsbeslissing blijkt namelijk dat het door LZ bij de verwijzende rechter ingediende verzoek tot invrijheidstelling onder toezicht is afgewezen. Om die reden is er geen procedure meer die thans bij deze rechter aanhangig is met betrekking tot het bij hem ingediende verzoek, aangezien die rechter zijn prejudiciële vraag aan het Hof heeft voorgelegd met het oog op een later onderzoek van dat verzoek.
33
Volgens vaste rechtspraak is de krachtens artikel 267 VWEU ingestelde procedure een instrument voor de samenwerking tussen het Hof en de nationale rechterlijke instanties, dat het Hof in staat stelt de nationale rechters de elementen voor uitlegging van het Unierecht te verschaffen die zij nodig hebben om uitspraak te doen in de bij hen aanhangige gedingen. De rechtvaardiging van de prejudiciële verwijzing is niet gelegen in het formuleren van rechtsgeleerde adviezen over algemene of hypothetische vraagstukken, maar in de behoefte aan de daadwerkelijke beslechting van een geding. Zoals volgt uit de bewoordingen van artikel 267 VWEU moet de gevraagde prejudiciële beslissing voor de verwijzende rechterlijke instantie ‘noodzakelijk’ zijn ‘voor het wijzen van haar vonnis’ in de bij haar aanhangige zaak (arrest van 8 mei 2025, Zimir, C-662/23, EU:C:2025:326, punt 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
34
Het Hof heeft aldus meermaals in herinnering gebracht dat zowel uit de bewoordingen als uit de opzet van artikel 267 VWEU blijkt dat de prejudiciële procedure met name vooronderstelt dat daadwerkelijk een procedure bij de nationale rechterlijke instantie aanhangig is, in het kader waarvan deze een beslissing moet geven waarbij rekening kan worden gehouden met de prejudiciële beslissing (zie in die zin arrest van 8 mei 2025, Zimir, C-662/23, EU:C:2025:326, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
35
Derhalve kan het Hof ambtshalve het voortbestaan van het hoofdgeding nagaan (zie in die zin arrest van 8 mei 2025, Zimir, C-662/23, EU:C:2025:326, punt 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
36
In dit verband blijkt uit het verzoek om een prejudiciële beslissing dat de verwijzende rechter het door LZ ingediende verzoek tot invrijheidstelling onder toezicht weliswaar heeft afgewezen, maar ook heeft beslist dat dit verzoek opnieuw zal worden behandeld zodra hij een antwoord heeft ontvangen op de prejudiciële vraag die hij aan het Hof heeft voorgelegd.
37
Bijgevolg moet ervan worden uitgegaan dat het hoofdgeding nog steeds aanhangig is bij deze rechter en dat een antwoord van het Hof op de gestelde vraag in aanmerking kan worden genomen bij de vaststelling van een beslissing in dat geding.
38
In die omstandigheden is het verzoek om een prejudiciële beslissing ontvankelijk.
Beantwoording van de prejudiciële vraag
39
Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of kaderbesluit 2008/947 aldus moet worden uitgelegd dat de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat op grond van dit kaderbesluit verplicht is een vonnis te erkennen en ten uitvoer te leggen dat haar door de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat is toegezonden en waarbij de invrijheidstelling onder toezicht wordt uitgesproken van een persoon die een vrijheidsstraf ondergaat, met een bijzondere voorwaarde dat deze persoon in een gesloten inrichting een ‘residentiële behandeling’ voor zijn psychische aandoeningen volgt.
40
Om deze vraag te beantwoorden moet worden nagegaan of een dergelijk vonnis binnen de werkingssfeer van dat kaderbesluit valt.
41
Artikel 1 van kaderbesluit 2008/947 heeft, overeenkomstig het opschrift ervan, betrekking op de doelen en het toepassingsgebied van het kaderbesluit. Zoals blijkt uit artikel 1, lid 1, bevat dit kaderbesluit met name de regels volgens welke een andere lidstaat dan de lidstaat waar de betrokkene is veroordeeld, vonnissen en, in voorkomend geval, proeftijdvoorwaarden erkent en toezicht houdt op de krachtens een vonnis opgelegde proeftijdvoorwaarden of op de in dat vonnis vervatte alternatieve straffen.
42
Volgens artikel 1, lid 2, ervan is dit kaderbesluit uitsluitend van toepassing op de in dat lid, onder a), genoemde erkenning van vonnissen en, in voorkomend geval, proeftijdbeslissingen, op de in dat lid, onder b), genoemde overname van de verantwoordelijkheid voor het toezicht op proeftijdvoorwaarden en alternatieve straffen, en volgens dat lid, onder c), op alle overige beslissingen die verband houden met de in artikel 1, lid 2, onder a) en b), bedoelde beslissingen, overeenkomstig hetgeen in dat kaderbesluit is beschreven en is bepaald.
43
Artikel 2 van kaderbesluit 2008/947 definieert voor de toepassing van dit kaderbesluit in punt 1, onder a), met name het begrip ‘vonnis’. Dit begrip ziet op een onherroepelijke uitspraak of beschikking van een rechter van de beslissingsstaat, waarbij wordt vastgesteld dat een natuurlijke persoon een strafbaar feit heeft gepleegd en waarbij aan die persoon wordt opgelegd, ten eerste, een vrijheidsstraf of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel, indien op grond van dat vonnis of bij een latere proeftijdbeslissing voorwaardelijke invrijheidstelling is verleend, ten tweede, een voorwaardelijke straf, ten derde, een voorwaardelijke opschorting van de strafoplegging, of ten vierde, een alternatieve straf. Volgens artikel 2, punt 5, wordt onder ‘proeftijdbeslissing’ verstaan een vonnis van een rechter of een op grond daarvan gegeven definitieve beslissing van een bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat, waarbij een voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend of proeftijdvoorwaarden worden opgelegd, welke maatregelen overeenkomstig punt 7 van dat artikel bestaan uit verplichtingen en instructies die volgens het nationale recht van de beslissingsstaat door een bevoegde autoriteit aan een natuurlijke persoon worden opgelegd in samenhang met een voorwaardelijke straf, een voorwaardelijke opschorting van de strafoplegging of een voorwaardelijke invrijheidstelling. Gelet op de omstandigheden die aan de orde zijn in het hoofdgeding, moet bovendien worden benadrukt dat de uitdrukking ‘voorwaardelijke invrijheidstelling’ overeenkomstig punt 6 van dat artikel verwijst naar een door een bevoegde autoriteit of krachtens het nationale recht gegeven definitieve beslissing tot vervroegde invrijheidstelling van een gevonniste persoon die een deel van de vrijheidsstraf of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel heeft ondergaan, waarbij een of meer proeftijdvoorwaarden worden opgelegd.
44
Uit de in het vorige punt uiteengezette definities en de definities van de begrippen ‘voorwaardelijke straf’, ‘voorwaardelijke opschorting van de strafoplegging’ en ‘alternatieve straf’ in respectievelijk artikel 2, punten 2, 3 en 4, van kaderbesluit 2008/947 blijkt dat het toepassingsgebied van dit kaderbesluit krachtens artikel 1, lid 2, ervan de erkenning en tenuitvoerlegging omvat van vonnissen die personen van wie is vastgesteld dat zij een strafbaar feit hebben gepleegd, onderwerpen aan de tenuitvoerlegging van straffen of maatregelen die hen niet van hun vrijheid beroven.
45
Een dergelijke uitlegging wordt bevestigd door artikel 1, lid 3, onder a), dat bepaalt dat kaderbesluit 2008/947 niet van toepassing is op de tenuitvoerlegging van strafvonnissen waarbij een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel wordt opgelegd en die vallen onder kaderbesluit 2008/909. Zoals het Hof heeft geoordeeld, blijkt uit deze bepaling namelijk dat de werkingssfeer van deze twee kaderbesluiten elkaar uitsluiten [zie in die zin arrest van 5 oktober 2023, QS (Intrekking van de opschorting), C-219/22, EU:C:2023:732, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
46
In dit verband bepaalt artikel 3 van kaderbesluit 2008/909, dat overeenkomstig het opschrift ervan het doel en de werking van het kaderbesluit omschrijft, in lid 1 dat met dit kaderbesluit wordt beoogd de regels vast te stellen volgens welke een lidstaat, ter bevordering van de reclassering van de gevonniste persoon, een vonnis erkent en de sanctie ten uitvoer legt, waarbij de begrippen ‘vonnis’ en ‘sanctie’ in respectievelijk artikel 1, onder a) en b), van dat kaderbesluit worden gedefinieerd als een door een rechter van de beslissingsstaat gegeven onherroepelijke uitspraak of beschikking waarbij een sanctie aan een natuurlijke persoon wordt opgelegd en als een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel van bepaalde of onbepaalde duur die wegens een strafbaar feit in een strafprocedure is opgelegd.
47
Overeenkomstig artikel 1, lid 1, van kaderbesluit 2008/947, gelezen in samenhang met lid 3, onder a), van dat artikel 1 en in het licht van overweging 3 van het kaderbesluit, heeft dit kaderbesluit betrekking op de wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging van straffen of maatregelen die geen vrijheidsbeneming meebrengen, terwijl de wederzijdse erkenning en de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregelen onder kaderbesluit 2008/909 vallen.
48
Deze uitlegging met betrekking tot de werkingssferen van de kaderbesluiten 2008/909 en 2008/947 wordt geschraagd door de bepalingen van deze kaderbesluiten, die meer in het bijzonder betrekking hebben op medische maatregelen.
49
Wat kaderbesluit 2008/947 betreft, bepaalt artikel 4, lid 1, onder k), ervan dat dit kaderbesluit met name van toepassing is op proeftijdvoorwaarden en alternatieve straffen die bestaan in de verplichting om een therapie te ondergaan. Bovendien vermeldt artikel 11, lid 1, onder i), van dit kaderbesluit als grond tot weigering van erkenning en toezicht die de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat kan aanvoeren, een vonnis dat of, in voorkomend geval, een proeftijdbeslissing die een medisch-therapeutische behandeling behelst waarop de tenuitvoerleggingsstaat, ondanks artikel 9, vanwege zijn rechts- of gezondheidszorgsysteem geen toezicht kan uitoefenen.
50
Wat kaderbesluit 2008/909 betreft, vermelden de in artikel 9 ervan genoemde gronden tot weigering van de erkenning en tenuitvoerlegging in lid 1, onder k), van dat artikel 9 de situatie waarin de opgelegde sanctie een maatregel omvat in de sfeer van de psychiatrie of de gezondheidszorg die tot vrijheidsbeneming strekt en die, ondanks artikel 8, lid 3, van dit kaderbesluit, niet ten uitvoer kan worden gelegd binnen het rechts- of gezondheidszorgsysteem van de tenuitvoerleggingsstaat. Hieruit volgt dat de in deze bepaling bedoelde maatregelen in de sfeer van de zorg bestaan in vrijheidsbenemende maatregelen.
51
Uit deze bepalingen volgt dat vonnissen waarbij een medische maatregel is opgelegd, hetzij binnen de werkingssfeer van kaderbesluit 2008/947 vallen, wanneer die maatregel geen vrijheidsbeneming meebrengt, hetzij binnen de werkingssfeer van kaderbesluit 2008/909, wanneer de maatregel wel tot vrijheidsbeneming strekt.
52
Bijgevolg kan een vonnis waarbij overeenkomstig het recht van de uitvaardigende lidstaat een invrijheidstelling onder toezicht wordt uitgesproken, het voorwerp uitmaken van een verzoek om erkenning en tenuitvoerlegging uit hoofde van kaderbesluit 2008/947, voor zover de aan dat vonnis verbonden voorwaarde geen tot vrijheidsbenemende strekkende maatregel vormt, aangezien een dergelijk vonnis onder kaderbesluit 2008/909 valt.
53
In casu moet worden opgemerkt dat een maatregel tot invrijheidstelling onder toezicht van een persoon die een vrijheidsstraf uitzit, die is vastgesteld in het kader van de aan deze persoon opgelegde terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank, wanneer deze maatregel gepaard gaat met een bijzondere voorwaarde dat die persoon in een gesloten inrichting een ‘residentiële behandeling’ voor zijn psychische aandoeningen volgt, gelet op de door de verwijzende rechter verstrekte informatie over de voorgenomen maatregel en op de overwegingen in punt 46 van het onderhavige arrest, een maatregel vormt die is opgelegd wegens een strafbaar feit dat wegens de aard van deze voorwaarde tot gevolg heeft dat die persoon zijn vrijheid wordt ontnomen.
54
Bijgevolg vallen de erkenning en tenuitvoerlegging van een vonnis waarbij een dergelijke maatregel is opgelegd, niet binnen de werkingssfeer van kaderbesluit 2008/947, maar binnen de werkingssfeer van kaderbesluit 2008/909.
55
Gelet op een en ander moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat kaderbesluit 2008/947 aldus moet worden uitgelegd dat de erkenning en tenuitvoerlegging van een vonnis waarbij de invrijheidstelling onder toezicht wordt uitgesproken van een persoon die een vrijheidsstraf uitzit, met een bijzondere voorwaarde dat deze persoon in een gesloten inrichting een ‘residentiële behandeling’ voor zijn psychische aandoeningen volgt, niet binnen de werkingssfeer van dit kaderbesluit vallen, zodat de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat niet kan worden verplicht om een dergelijk vonnis op grond van dat kaderbesluit te erkennen en ten uitvoer te leggen.
Kosten
56
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Tiende kamer) verklaart voor recht:
Kaderbesluit 2008/947/JBZ van de Raad van 27 november 2008 inzake de toepassing van het beginsel van de wederzijdse erkenning op vonnissen en proeftijdbeslissingen met het oog op het toezicht op proeftijdvoorwaarden en alternatieve straffen
moet aldus worden uitgelegd dat
de erkenning en tenuitvoerlegging van een vonnis waarbij de invrijheidstelling onder toezicht wordt uitgesproken van een persoon die een vrijheidsstraf uitzit, met een bijzondere voorwaarde dat deze persoon in een gesloten inrichting een ‘residentiële behandeling’ voor zijn psychische aandoeningen volgt, niet binnen de werkingssfeer van dit kaderbesluit vallen, zodat de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat niet kan worden verplicht om een dergelijk vonnis op grond van dat kaderbesluit te erkennen en ten uitvoer te leggen.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 02‑10‑2025
Procestaal: Nederlands.