RvdW 2023/782:Profijtontneming, w.v.v. uit soortgelijke feiten a.b.i. art. 36e lid 2 (oud) Sr na veroordeling t.z.v. handel in MDMA en witwassen. 1. Berekeningsmethode voor bepaling van w.v.v. (transactieberekening of methode van kasopstelling). Sluit transactieberekening het meest aan bij voordeel dat betrokkene daadwerkelijk heeft behaald, terwijl methode van kasopstelling tot hoger bedrag aan w.v.v. leidt? 2. Bestaan er voldoende aanwijzingen dat betrokkene heeft gehandeld in precursoren (PMK) en derhalve soortgelijke feiten heeft begaan a.b.i. art. 36e lid 2 (oud) Sr? 3. Kon hof oordelen dat handel in PMK (en/of pre-precursoren) in bewezenverklaarde periode en onder gegeven omstandigheden strafbaar was en dus kan dienen als grondslag voor ontneming? 4. Kon hof oordelen dat handel in PMK kan worden beschouwd als ‘soortgelijk feit’ in de zin van art. 36e lid 2 (oud) Sr en dus kan dienen als grondslag voor ontneming? HR: art. 81 lid 1 RO.