Einde inhoudsopgave
De positie van de vennootschap onder firma (IVOR nr. 97) 2016/3.2.2.1
3.2.2.1 De gerechtigdheid tot de vennootschappelijke gemeenschap(pen)
mr. P.P.D. Mathey-Bal, datum 28-09-2015
- Datum
28-09-2015
- Auteur
mr. P.P.D. Mathey-Bal
- JCDI
JCDI:ADS385829:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Personenvennootschappen
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Heyman 2003, p. 196; HR (Belastingkamer) 3 oktober 1984, ECLI:NL:HR:1984:AB8512, NJ 1985/623, m.nt. J.M.M. Maeijer.
Zie bijv. Asser/Maeijer 5-V 1995/152; HR 7 december 1955, NJ 1956/163.
Van Zeben & Du Pon, Boek 3 1981, p. 99; Bergervoet, GS Vermogensrecht, art. 3:83 BW, aant. 10.3.11 (online, laatst bijgewerkt op 1 september 2012).
Pitlo/Reehuis 2012/17.
Wammes 1988, p. 67, Van Zeben & Du Pon, Boek 3 1981, p. 99.
Bergervoet, GS Vermogensrecht, art. 3:83 BW, aant. 10.3.11 (online, laatst bijgewerkt op 1 september 2012).
Indien de vennoten gezamenlijk de eigenaren zijn van de vennootschappelijke goederen, bestaat tussen hen een vennootschappelijke gemeenschap. Als niet anders blijkt, heeft iedere vennoot een onverdeeld en even groot aandeel in de vennootschappelijke goederen.1 Niet iedere vennoot hoeft echter deelgerechtigd te zijn in de vennootschappelijke gemeenschap of in een afzonderlijk vennootschappelijk goed.2 Zo kunnen er meer gemeenschappen naast elkaar bestaan. Dit neemt niet weg dat al deze gemeenschappelijke goederen gezamenlijk het afgescheiden en gebonden vennootschappelijk vermogen vormen (ze zijn immers alle aan de samenwerking ter beschikking gesteld en daartoe in gemeenschappelijke eigendom ingebracht) en door alle vennoten moeten kunnen worden aangewend om het gemeenschappelijke doel te verwezenlijken. Een zaakscrediteur kan zich verhalen op het vennootschappelijk vermogen en hoeft zich niet af te vragen of iedere vennoot in ieder goed een aandeel heeft. Vereist is echter wel dat de vennoten de eigendom hebben ingebracht.
Ter illustratie: tot het vermogen van Bouw VOF behoren een aantal hectare bouwrijpe grond, een geldbedrag van € 1000,– en gereedschap. Bouw VOF heeft 3 vennoten: A, B en C. Zij hebben allen een aandeel in het geldbedrag en het gereedschap; de grond is eigendom van A en B, omdat C per abuis nooit mede-eigenaar is geworden. Er bestaan dus twee gemeenschappen naast elkaar. Een leverancier levert bouwmaterialen ter waarde van € 20.000,– aan de VOF; de bouwmaterialen worden eigendom van A, B en C gezamenlijk. De leverancier kan zich voor de voldoening van zijn vordering mijns inziens verhalen op het gehele vennootschappelijk vermogen (dus dat vermogen dat toebehoort aan de vennoten in hun vennootschappelijke verband) inclusief de grond, ook al is niet iedere vennoot tot ieder goed (voor een gelijk deel) gerechtigd.
Het is van belang zich te realiseren dat (een aandeel in) een uit meer goederen bestaande vennootschappelijke gemeenschap als zodanig geen goed is in de zin van art. 3:1 BW en dus als zodanig niet overdraagbaar is.3 Waar bijvoorbeeld in Titel 3.7 BW, welke titel hierna aan de orde zal komen, wordt gesproken over beschikkingsonbevoegdheid ten aanzien van de vennootschappelijke gemeenschap, wordt beoogd om de positie van de deelgenoten ten opzichte van de vennootschappelijke goederen te regelen en niet om de gemeenschap tot een goed te maken.4 Het ‘aandeel in een goederengemeenschap’ wordt veelal gebruikt als verzamelterm om alle aandelen van een vennoot in de afzonderlijke goederen aan te duiden.5 Dus als een vennoot zich verbindt om zijn ‘aandeel in de gemeenschap’ over te dragen aan een opvolger, dan moet hij ieder aandeel in ieder goed afzonderlijk overdragen op de wijze zoals voor ieder goed is voorgeschreven (zie over levering van aandelen hierna).6