Bestuurdersaansprakelijkheid uit onrechtmatige daad
Einde inhoudsopgave
Bestuurdersaansprakelijkheid uit onrechtmatige daad (R&P nr. InsR11) 2019/4.4.4:4.4.4 De verhouding tussen oplichting en flessentrekkerij volgens de wetgever
Bestuurdersaansprakelijkheid uit onrechtmatige daad (R&P nr. InsR11) 2019/4.4.4
4.4.4 De verhouding tussen oplichting en flessentrekkerij volgens de wetgever
Documentgegevens:
mr. A. Karapetian, datum 01-01-2019
- Datum
01-01-2019
- Auteur
mr. A. Karapetian
- JCDI
JCDI:ADS352216:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Materieel strafrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
De uitbreiding zou in de ogen van de minister neerkomen op het strafbaar stellen van het zich bij wijze van beroep of gewoonte verschaffen van krediet door uitdrukkelijke of stilzwijgende beloften, gegeven met de bedoeling deze niet na te komen.
Stb. 2009, 245.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Oplichting en flessentrekkerij werden door de wetgever beschouwd als vormen van bedrog. De artikelen 326 Sr en 326a Sr zijn dan ook allebei in de titel genoemd ‘Bedrog’ geplaatst. Een eerste verschilpunt is dat flessentrekkerij volgens de huidige redactie ziet op het kopen van goederen en niet tevens op dienstverlening zoals het huren van hotelkamers en het huren of ruilen van andere goederen. In de beraadslagingen hierover, die met name in het teken van hotelflessentrekkerij stonden, werd opgemerkt dat ondanks het veelvuldig voorkomende karakter ervan het niet nodig was de bepaling daarmee uit te breiden. In de eerste plaats omdat het huren van hotelkamers volgens de minister dikwijls gepaard zal gaan met het kopen van aldaar aanwezige goederen (bijvoorbeeld maaltijden) en in de tweede plaats omdat de ‘enorme’ uitbreiding van de regeling die daar het gevolg van zou zijn, ongewenst was.1 De bepaling werd daarom beperkt tot de goederenhandel, waarbij evenwel de ruimte werd gelaten om in de toekomst noodzakelijk geachte verruimingen in te voeren. Toen bij de invoering van de wet van 12 juni 20092 deze gelegenheid zich voordeed, omdat het Openbaar Ministerie had voorgesteld art. 326 Sr en 326a Sr uit te breiden met de gedraging ‘het verlenen van een dienst’, reageerde de minister ten aanzien van art. 326a Sr afwijzend. Volgens de minister zal het maken van een beroep of gewoonte van het zich laten verlenen van een dienst met de vereiste wetenschap reeds onder het toepassingsbereik van art. 326 Sr vallen.3 Het argument lijkt ingegeven door de hieronder te bespreken verruiming van de interpretatie van het oplichtingsmiddel ‘valse hoedanigheid’ die zich in de rechtspraak heeft voltrokken. De ontwikkelingen met betrekking tot de koopovereenkomst lijken in de gedachtegang van de minister kennelijk niet te wettigen dat ook de koop van goederen onder die omstandigheden met art. 326 Sr afdoende kan worden bestreden.
Een tweede aspect dat oplichting onderscheidt van flessentrekkerij in de opvatting van de wetgever, is de eerdergenoemde verklaring van de minister dat de flessentrekker geen bedrieglijk middel hoeft aan te wenden voor strafbaarheid. Uit de memorie van antwoord blijkt dat de minister het bedrieglijke aspect van flessentrekkerij vooral zoekt in de omstandigheid dat de wilsverklaring van de ‘bedrogene’ hier – als uitvloeisel van de wil om een koopovereenkomst te sluiten – zijn grond vindt in de wilsverklaring van de ‘bedrieger’ – als uitvloeisel van de wil om de goederen te verkrijgen zonder de intentie te betalen. Bij oplichting vindt de wilsverklaring van de ‘bedrogene’ volgens de minister zijn grond niet alleen in de wilsverklaring van de ‘bedrieger’ – het aangaan van de koopovereenkomst – maar ook en vooral in het gebruik van een bedrieglijk middel door de ‘bedrieger’. Aldus kenmerkt flessentrekkerij zich volgens de wetgever door de omstandigheid dat de flessentrekker zijn intentie om uit de koopovereenkomst voortvloeiende verplichtingen te verzaken, verzwijgt of anderszins versluiert, terwijl bij oplichting ‘de bedrogene’ daarbovenop moet zijn misleid door gebruikmaking van een oplichtingsmiddel.
Dat de grens tussen het verzwijgen van de intentie om niet te betalen (al dan niet door het debiteren van leugens) en het aanwenden van een bedrieglijk middel tot afgifte van een goed minder scherp te trekken is dan de wetgever veronderstelde, blijkt wel uit de nadien verschenen rechtspraak. Met name het oplichtingsmiddel ‘valse hoedanigheid’ zorgde voor afbakeningsproblemen. Maar ook de middelen ‘listige kunstgrepen’ en ‘samenweefsel van verdichtsels’ kunnen zich onder omstandigheden zodanig uiten dat de grens met flessentrekkerij – in elk geval wat betreft de koop van goederen – vervaagt.
Hieronder wordt bezien hoe het handelen van de bestuurder in de behandelde Beklamel-situatie moet worden beoordeeld tegen het licht van het delict van oplichting en flessentrekkerij.