Procestaal: Fins.
HvJ EU, 22-06-2023, nr. C-579/21
ECLI:EU:C:2023:501
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
22-06-2023
- Magistraten
A. Arabadjiev, P.G. Xuereb, T. von Danwitz, A. Kumin, I. Ziemele
- Zaaknummer
C-579/21
- Conclusie
M. Campos sánchez-bordona
- Roepnaam
Pankki S
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2023:501, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 22‑06‑2023
ECLI:EU:C:2022:1001, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie (Advocaat-Generaal), 15‑12‑2022
Uitspraak 22‑06‑2023
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Verwerking van persoonsgegevens — Verordening (EU) 2016/679 — Artikelen 4 en 15 — Omvang van het recht van inzage in de in artikel 15 genoemde informatie — Informatie die is vervat in logbestanden die zijn gegenereerd door een verwerkingssysteem (loggegevens) — Artikel 4 — Begrip ‘persoonsgegevens’ — Begrip ‘ontvangers’ — Toepassing ratione temporis
A. Arabadjiev, P.G. Xuereb, T. von Danwitz, A. Kumin, I. Ziemele
Partij(en)
In zaak C-579/21,*
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Itä-Suomen hallinto-oikeus (bestuursrechter Oost-Finland) bij beslissing van 21 september 2021, ingekomen bij het Hof op 22 september 2021, in de procedure die is ingeleid door
J.M.
in tegenwoordigheid van:
Apulaistietosuojavaltuutettu,
Pankki S,
wijst
HET HOF (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: A. Arabadjiev, kamerpresident, P. G. Xuereb, T. von Danwitz, A. Kumin en I. Ziemele (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: M. Campos Sánchez-Bordona,
griffier: C. Strömholm, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 12 oktober 2022,
gelet op de opmerkingen van:
- —
J.M., optredend voor zichzelf,
- —
Apulaistietosuojavaltuutettu, vertegenwoordigd door A. Talus, tietosuojavaltuutettu,
- —
Pankki S, vertegenwoordigd door T. Kalliokoski en J. Lång, asianajajat, en vertegenwoordigd door E.-L. Hokkonen, oikeustieteen maisteri,
- —
de Finse regering, vertegenwoordigd door A. Laine en H. Leppo als gemachtigden,
- —
de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door A. Edelmannová, M. Smolek en J. Vláčil als gemachtigden,
- —
de Oostenrijkse regering, vertegenwoordigd door A. Posch als gemachtigde,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door A. Bouchagiar, H. Kranenborg en I. Söderlund als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 15 december 2022,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 15, lid 1, van verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PB 2016, L 119, blz. 1, met rectificatie in PB 2018, L 127, blz. 2; hierna: ‘AVG’).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een door J.M. ingeleide procedure strekkende tot nietigverklaring van het besluit van de Apulaistietosuojavaltuutettu (adjunct-toezichthouder voor gegevensbescherming, Finland) waarbij zijn verzoek om Pankki S, een in Finland gevestigde bankinstelling, te gelasten om hem bepaalde informatie te verstrekken over de raadplegingen van zijn persoonsgegevens, is afgewezen.
Toepasselijke bepalingen
3
In de overwegingen 4, 10, 11, 26, 39, 58, 60, 63 en 74 AVG staat te lezen:
- ‘(4)
De verwerking van persoonsgegevens moet ten dienste van de mens staan. Het recht op bescherming van persoonsgegevens heeft geen absolute gelding, […].
[…]
- (10)
Teneinde natuurlijke personen een consistent en hoog beschermingsniveau te bieden en de belemmeringen voor het verkeer van persoonsgegevens binnen de [Europese] Unie op te heffen, dient het niveau van bescherming van de rechten en vrijheden van natuurlijke personen op het vlak van verwerking van deze gegevens in alle lidstaten gelijkwaardig te zijn. […]
- (11)
Doeltreffende bescherming van persoonsgegevens in de gehele Unie vereist de versterking en nadere omschrijving van de rechten van betrokkenen en van de verplichtingen van degenen die persoonsgegevens verwerken en van degenen die over die verwerking beslissen, […].
[…]
- (26)
[…] Om te bepalen of een natuurlijke persoon identificeerbaar is, moet rekening worden gehouden met alle middelen waarvan redelijkerwijs valt te verwachten dat zij worden gebruikt door de verwerkingsverantwoordelijke of door een andere persoon om de natuurlijke persoon direct of indirect te identificeren, bijvoorbeeld selectietechnieken. […]
[…]
- (39)
Elke verwerking van persoonsgegevens dient behoorlijk en rechtmatig te geschieden. Voor natuurlijke personen dient het transparant te zijn dat hen betreffende persoonsgegevens worden verzameld, gebruikt, geraadpleegd of anderszins verwerkt en in hoeverre de persoonsgegevens worden verwerkt of zullen worden verwerkt. Overeenkomstig het transparantiebeginsel moeten informatie en communicatie in verband met de verwerking van die persoonsgegevens eenvoudig toegankelijk en begrijpelijk zijn, en moet duidelijke en eenvoudige taal worden gebruikt. Dat beginsel betreft met name het informeren van de betrokkenen over de identiteit van de verwerkingsverantwoordelijke en de doeleinden van de verwerking, alsook verdere informatie om te zorgen voor behoorlijke en transparante verwerking met betrekking tot de natuurlijke personen in kwestie en hun recht om bevestiging en mededeling te krijgen van hun persoonsgegevens die worden verwerkt. Natuurlijke personen moeten bewust worden gemaakt van de risico's, regels, waarborgen en rechten in verband met de verwerking van persoonsgegevens, alsook van de wijze waarop zij hun rechten met betrekking tot deze verwerking kunnen uitoefenen. Meer bepaald dienen de specifieke doeleinden waarvoor de persoonsgegevens worden verwerkt, expliciet en gerechtvaardigd te zijn en te zijn vastgesteld wanneer de persoonsgegevens worden verzameld. […]
[…]
- (58)
Overeenkomstig het transparantiebeginsel moet informatie die bestemd is voor het publiek of voor de betrokkene beknopt, eenvoudig toegankelijk en begrijpelijk zijn en moet duidelijke en eenvoudige taal en, in voorkomend geval, aanvullend visualisatie worden gebruikt. Die informatie kan elektronisch worden verstrekt, bijvoorbeeld wanneer die tot het publiek is gericht, via een website. Dit geldt in het bijzonder voor situaties, waarin het vanwege zowel het grote aantal actoren als de technologische complexiteit van de praktijk voor een betrokkene moeilijk is te weten en te begrijpen of, door wie en met welk doel zijn persoonsgegevens worden verzameld, zoals bij onlineadvertenties. Aangezien kinderen specifieke bescherming verdienen, dient de informatie en communicatie, wanneer de verwerking specifiek tot een kind is gericht, in een zodanig duidelijke en eenvoudige taal te worden gesteld dat het kind deze makkelijk kan begrijpen.
[…]
- (60)
Overeenkomstig de beginselen van behoorlijke en transparante verwerking moet de betrokkene op de hoogte worden gesteld van het feit dat er verwerking plaatsvindt en van de doeleinden daarvan. De verwerkingsverantwoordelijke dient de betrokkene de nadere informatie te verstrekken die noodzakelijk is om tegenover de betrokkene een behoorlijke en transparante verwerking te waarborgen, met inachtneming van de specifieke omstandigheden en de context waarin de persoonsgegevens worden verwerkt. […]
[…]
- (63)
Een betrokkene moet het recht hebben om de persoonsgegevens die over hem zijn verzameld, in te zien, en om dat recht eenvoudig en met redelijke tussenpozen uit te oefenen, zodat hij zich van de verwerking op de hoogte kan stellen en de rechtmatigheid daarvan kan controleren. […] Elke betrokkene dient dan ook het recht te hebben, te weten en te worden meegedeeld voor welke doeleinden de persoonsgegevens worden verwerkt, indien mogelijk hoelang zij worden bewaard, wie de persoonsgegevens ontvangt, welke logica er ten grondslag ligt aan een eventuele automatische verwerking van de persoonsgegevens en, ten minste wanneer de verwerking op profilering is gebaseerd, wat de gevolgen van een dergelijke verwerking zijn. […] Dat recht mag geen afbreuk doen aan de rechten of vrijheden van anderen, met inbegrip van het zakengeheim of de intellectuele eigendom en met name aan het auteursrecht dat de software beschermt. […]
[…]
- (74)
De verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid van de verwerkingsverantwoordelijke moeten worden vastgesteld voor elke verwerking van persoonsgegevens die door of namens hem wordt uitgevoerd. Meer bepaald dient de verwerkingsverantwoordelijke te worden verplicht passende en effectieve maatregelen uit te voeren en te kunnen aantonen dat elke verwerkingsactiviteit overeenkomstig deze verordening geschiedt, ook wat betreft de doeltreffendheid van de maatregelen. Bij die maatregelen moet rekening worden gehouden met de aard, de omvang, de context en het doel van de verwerking en het risico voor de rechten en vrijheden van natuurlijke personen.’
4
Artikel 1 AVG (‘Onderwerp en doelstellingen’) bepaalt in lid 2:
‘Deze verordening beschermt de grondrechten en de fundamentele vrijheden van natuurlijke personen en met name hun recht op bescherming van persoonsgegevens.’
5
Artikel 4 van deze verordening luidt:
‘Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:
- 1)
‘persoonsgegevens’, alle informatie over een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon […]; als identificeerbaar wordt beschouwd een natuurlijke persoon die direct of indirect kan worden geïdentificeerd, met name aan de hand van een identificator zoals een naam, een identificatienummer, locatiegegevens, een online-identificator of van een of meer elementen die kenmerkend zijn voor de fysieke, fysiologische, genetische, psychische, economische, culturele of sociale identiteit van die natuurlijke persoon;
- 2)
‘verwerking’: een bewerking of een geheel van bewerkingen met betrekking tot persoonsgegevens of een geheel van persoonsgegevens, al dan niet uitgevoerd via geautomatiseerde procedés, zoals het verzamelen, vastleggen, ordenen, structureren, opslaan, bijwerken of wijzigen, opvragen, raadplegen, gebruiken, verstrekken door middel van doorzending, verspreiden of op andere wijze ter beschikking stellen, aligneren of combineren, afschermen, wissen of vernietigen van gegevens.
[…]
- 7)
‘verwerkingsverantwoordelijke’: een natuurlijke persoon of rechtspersoon, een overheidsinstantie, een dienst of een ander orgaan die/dat, alleen of samen met anderen, het doel van en de middelen voor de verwerking van persoonsgegevens vaststelt; […]
[…]
- 9)
‘ontvanger’: een natuurlijke persoon of rechtspersoon, een overheidsinstantie, een dienst of een ander orgaan, al dan niet een derde, aan wie/waaraan de persoonsgegevens worden verstrekt. […]
[…]
- 21)
‘toezichthoudende autoriteit’: een door een lidstaat ingevolgde artikel 51 ingestelde onafhankelijke overheidsinstantie;
[…]’
6
Artikel 5 (‘Beginselen inzake verwerking van persoonsgegevens’) van die verordening bepaalt:
- ‘1.
Persoonsgegevens moeten:
- a)
worden verwerkt op een wijze die ten aanzien van de betrokkene rechtmatig, behoorlijk en transparant is (‘rechtmatigheid, behoorlijkheid en transparantie’);
[…]
- f)
door het nemen van passende technische of organisatorische maatregelen op een dusdanige manier worden verwerkt dat een passende beveiliging ervan gewaarborgd is, en dat zij onder meer beschermd zijn tegen ongeoorloofde of onrechtmatige verwerking en tegen onopzettelijk verlies, vernietiging of beschadiging (‘integriteit en vertrouwelijkheid’).
- 2.
De verwerkingsverantwoordelijke is verantwoordelijk voor de naleving van lid 1 en kan deze aantonen (‘verantwoordingsplicht’).’
7
In artikel 12 AVG (‘Transparante informatie, communicatie en nadere regels voor de uitoefening van de rechten van de betrokkene’) is bepaald:
- ‘1.
De verwerkingsverantwoordelijke neemt passende maatregelen opdat de betrokkene de in de artikelen 13 en 14 bedoelde informatie en de in de artikelen 15 tot en met 22 en artikel 34 bedoelde communicatie in verband met de verwerking in een beknopte, transparante, begrijpelijke en gemakkelijk toegankelijke vorm en in duidelijke en eenvoudige taal ontvangt, […] De informatie wordt schriftelijk of met andere middelen, met inbegrip van, indien dit passend is, elektronische middelen, verstrekt. […]
[…]
- 5.
[…] Wanneer verzoeken van een betrokkene kennelijk ongegrond of buitensporig zijn, met name vanwege hun repetitieve karakter, mag de verwerkingsverantwoordelijke […]:
[…]
- b)
weigeren gevolg te geven aan het verzoek.
Het is aan de verwerkingsverantwoordelijke om de kennelijk ongegronde of buitensporige aard van het verzoek aan te tonen.
[…]’
8
Artikel 15 AVG, met het opschrift ‘Recht van inzage van de betrokkene’, bepaalt:
- ‘1.
De betrokkene heeft het recht om van de verwerkingsverantwoordelijke uitsluitsel te verkrijgen over het al dan niet verwerken van hem betreffende persoonsgegevens en, wanneer dat het geval is, om inzage te verkrijgen van die persoonsgegevens en van de volgende informatie:
- a)
de verwerkingsdoeleinden;
- b)
de betrokken categorieën van persoonsgegevens;
- c)
de ontvangers of categorieën van ontvangers aan wie de persoonsgegevens zijn of zullen worden verstrekt, met name ontvangers in derde landen of internationale organisaties;
- d)
indien mogelijk, de periode gedurende welke de persoonsgegevens naar verwachting zullen worden opgeslagen, of indien dat niet mogelijk is, de criteria om die termijn te bepalen;
- e)
dat de betrokkene het recht heeft de verwerkingsverantwoordelijke te verzoeken dat persoonsgegevens worden gerectificeerd of gewist, of dat de verwerking van hem betreffende persoonsgegevens wordt beperkt, alsmede het recht tegen die verwerking bezwaar te maken;
- f)
dat de betrokkene het recht heeft een klacht in te dienen bij een toezichthoudende autoriteit;
- g)
wanneer de persoonsgegevens niet bij de betrokkene worden verzameld, alle beschikbare informatie over de bron van die gegevens;
- h)
het bestaan van geautomatiseerde besluitvorming, met inbegrip van de in artikel 22, leden 1 en 4, bedoelde profilering, en, ten minste in die gevallen, nuttige informatie over de onderliggende logica, alsmede het belang en de verwachte gevolgen van die verwerking voor de betrokkene.
[…]
- 3.
De verwerkingsverantwoordelijke verstrekt de betrokkene een kopie van de persoonsgegevens die worden verwerkt. […]
- 4.
Het in lid 3 bedoelde recht om een kopie te verkrijgen, doet geen afbreuk aan de rechten en vrijheden van anderen.’
9
De artikelen 16 en 17 van deze verordening bepalen respectievelijk dat de betrokkene het recht heeft om rectificatie te verkrijgen van onjuiste persoonsgegevens (recht op rectificatie) en dat hij in bepaalde omstandigheden het recht heeft op wissing van deze gegevens (recht op gegevenswissing of het ‘recht op vergetelheid’).
10
Artikel 18 van die verordening, met als opschrift ‘Recht op beperking van de verwerking’, bepaalt in lid 1:
‘De betrokkene heeft het recht van de verwerkingsverantwoordelijke de beperking van de verwerking te verkrijgen indien een van de volgende elementen van toepassing is:
- a)
de juistheid van de persoonsgegevens wordt betwist door de betrokkene, gedurende een periode die de verwerkingsverantwoordelijke in staat stelt de juistheid van de persoonsgegevens te controleren;
- b)
de verwerking is onrechtmatig en de betrokkene verzet zich tegen het wissen van de persoonsgegevens en verzoekt in de plaats daarvan om beperking van het gebruik ervan;
- c)
de verwerkingsverantwoordelijke heeft de persoonsgegevens niet meer nodig voor de verwerkingsdoeleinden, maar de betrokkene heeft deze nodig voor de instelling, uitoefening of onderbouwing van een rechtsvordering;
- d)
de betrokkene heeft overeenkomstig artikel 21, lid 1, bezwaar gemaakt tegen de verwerking, in afwachting van het antwoord op de vraag of de gerechtvaardigde gronden van de verwerkingsverantwoordelijke zwaarder wegen dan die van de betrokkene.’
11
Artikel 21 AVG (‘Recht van bezwaar’) bepaalt in lid 1:
‘De betrokkene heeft te allen tijde het recht om vanwege met zijn specifieke situatie verband houdende redenen bezwaar te maken tegen de verwerking van hem betreffende persoonsgegevens op basis van artikel 6, lid 1, onder e) of f), met inbegrip van profilering op basis van die bepalingen. De verwerkingsverantwoordelijke staakt de verwerking van de persoonsgegevens tenzij hij dwingende gerechtvaardigde gronden voor de verwerking aanvoert die zwaarder wegen dan de belangen, rechten en vrijheden van de betrokkene of die verband houden met de instelling, uitoefening of onderbouwing van een rechtsvordering.’
12
Artikel 24, lid 1, van deze verordening luidt:
‘Rekening houdend met de aard, de omvang, de context en het doel van de verwerking, alsook met de qua waarschijnlijkheid en ernst uiteenlopende risico's voor de rechten en vrijheden van natuurlijke personen, treft de verwerkingsverantwoordelijke passende technische en organisatorische maatregelen om te waarborgen en te kunnen aantonen dat de verwerking in overeenstemming met deze verordening wordt uitgevoerd. […]’
13
Artikel 29 (‘Verwerking onder gezag van de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker’) van die verordening luidt:
‘De verwerker en eenieder die onder het gezag van de verwerkingsverantwoordelijke of van de verwerker handelt en toegang heeft tot persoonsgegevens, verwerkt deze uitsluitend in opdracht van de verwerkingsverantwoordelijke, tenzij hij Unierechtelijk of lidstaatrechtelijk tot de verwerking gehouden is.’
14
Artikel 30 AVG (‘Register van de verwerkingsactiviteiten’) bepaalt:
- ‘1.
Elke verwerkingsverantwoordelijke en, in voorkomend geval, de vertegenwoordiger van de verwerkingsverantwoordelijke houdt een register van de verwerkingsactiviteiten die onder hun verantwoordelijkheid plaatsvinden. […]
[…]
- 4.
Desgevraagd stellen de verwerkingsverantwoordelijke […] en, in voorkomend geval de vertegenwoordiger van de verwerkingsverantwoordelijke […] het register ter beschikking van de toezichthoudende autoriteit.
[…]’
15
Artikel 58 (‘Bevoegdheden’) van deze verordening bepaalt in lid 1:
‘Elk toezichthoudende autoriteit heeft alle volgende onderzoeksbevoegdheden om:
- a)
de verwerkingsverantwoordelijke, de verwerker en, in voorkomend geval, de vertegenwoordiger van de verwerkingsverantwoordelijke of van [de] verwerker te gelasten alle voor de uitvoering van haar taken vereiste informatie te verstrekken;
[…]’
16
Artikel 77 (‘Recht om een klacht in te dienen bij een toezichthoudende autoriteit’) van die verordening luidt als volgt:
- ‘1.
Onverminderd andere mogelijkheden van administratief beroep of een voorziening in rechte, heeft iedere betrokkene het recht een klacht in te dienen bij een toezichthoudende autoriteit, met name in de lidstaat waar hij gewoonlijk verblijft, hij zijn werkplek heeft of waar de beweerde inbreuk is begaan, indien hij van mening is dat de verwerking van hem betreffende persoonsgegevens inbreuk maakt op deze verordening.
- 2.
De toezichthoudende autoriteit waarbij de klacht is ingediend, stelt de klager in kennis van de voortgang en het resultaat van de klacht, alsmede van de mogelijke voorziening in rechte overeenkomstig artikel 78.’
17
Artikel 79 AVG (‘Recht om een doeltreffende voorziening in rechte in te stellen tegen een verwerkingsverantwoordelijke of een verwerker’) bepaalt in lid 1:
‘Onverminderd andere mogelijkheden van administratief of buitengerechtelijk beroep, waaronder het recht uit hoofde van artikel 77 een klacht in te dienen bij een toezichthoudende autoriteit, heeft elke betrokkene het recht een doeltreffende voorziening in rechte in te stellen indien hij van mening is dat zijn rechten uit hoofde van deze verordening geschonden zijn ten gevolge van een verwerking van zijn persoonsgegevens die niet aan deze verordening voldoet.’
18
Artikel 82 (‘Recht op schadevergoeding en aansprakelijkheid’) van deze verordening bepaalt in lid 1:
‘Eenieder die materiële of immateriële schade heeft geleden ten gevolge van een inbreuk op deze verordening, heeft het recht om van de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker schadevergoeding te ontvangen voor de geleden schade.’
19
Volgens artikel 99, lid 2, AVG is die verordening van toepassing met ingang van 25 mei 2018.
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
20
In 2014 heeft J.M., destijds werkzaam bij Pankki S en tevens klant bij deze bank, kennis gekregen van het feit dat medewerkers van de bank in de periode tussen 1 november en 31 december 2013 zijn klantgegevens herhaaldelijk hadden geraadpleegd.
21
Daar J.M., die ondertussen was ontslagen bij Pankki S, twijfels had over de rechtmatigheid van deze raadplegingen, heeft hij op 29 mei 2018 de bank verzocht om hem te informeren over de identiteit van de personen die zijn klantgegevens hadden geraadpleegd, de exacte datums van de raadplegingen en de verwerkingsdoeleinden van deze gegevens.
22
In haar antwoord van 30 augustus 2018 heeft Pankki S in haar hoedanigheid van verwerkingsverantwoordelijke in de zin van artikel 4, punt 7, AVG geweigerd de identiteit bekend te maken van de werknemers die de persoonsgegevens hadden geraadpleegd, op grond dat deze informatie persoonsgegevens van deze werknemers vormden.
23
Pankki S heeft in dit antwoord evenwel een nadere toelichting gegeven over de raadplegingen die in opdracht van haar waren verricht door haar interne auditdienst. Zij heeft uitgelegd dat een klant van de bank van wie J.M. klantenadviseur was, schuldeiser was van een persoon die eveneens de familienaam van J.M. droeg, zodat zij wenste te vernemen of verzoeker in het hoofdgeding en de betrokken schuldenaar een en dezelfde persoon waren en of er mogelijkerwijs sprake was van een ongeoorloofd belangenconflict. Pankki S heeft hieraan toegevoegd dat de bank voor het onderzoek van deze situatie de gegevens van J.M. had moeten verwerken en dat iedere medewerker van de bank die gegevens van J.M. had verwerkt jegens de interne auditdienst een verklaring had afgelegd over de redenen voor deze gegevensverwerking. Daarnaast heeft de bank verklaard dat op basis van deze raadplegingen elk vermoeden van belangenconflict met betrekking tot J.M. kon worden uitgesloten.
24
J.M. heeft de zaak voorgelegd aan de Tietosuojavaltuutetun toimisto (nationale toezichthoudende autoriteit voor gegevensbescherming, Finland), de toezichthoudende autoriteit in de zin van artikel 4, punt 21, AVG, opdat Pankki S wordt gelast om hem de gevraagde informatie te verstrekken.
25
Bij besluit van 4 augustus 2020 heeft de adjunct-toezichthouder voor gegevensbescherming het verzoek van J.M. afgewezen. Deze adjunct-toezichthouder heeft uitgelegd dat het verzoek was bedoeld om J.M. toegang te verlenen tot de logbestanden van werknemers die zijn gegevens hadden verwerkt, terwijl deze bestanden op grond van zijn beslissingspraktijk persoonsgegevens vormden die geen betrekking hadden op de betrokkene, maar op de werknemers die de gegevens van deze persoon hadden verwerkt.
26
J.M. heeft tegen dat besluit beroep ingesteld bij de verwijzende rechter.
27
Deze rechter brengt in herinnering dat artikel 15 AVG voorziet in het recht van de betrokkene om van de verwerkingsverantwoordelijke inzage te verkrijgen in de verwerkte gegevens die op hem betrekking hebben en in informatie met betrekking tot met name de doeleinden van de verwerking en de ontvangers van de gegevens. Hij vraagt zich af of het meedelen van logbestanden — die zijn gegenereerd bij de verwerkingsactiviteiten — die dergelijke informatie bevatten, met name de identiteit van de werknemers van de verwerkingsverantwoordelijke, onder artikel 15 AVG valt, aangezien deze bestanden noodzakelijk zouden kunnen blijken voor de betrokkene om te beoordelen of de verwerking van zijn gegevens rechtmatig was.
28
In deze omstandigheden heeft de Itä-Suomen hallinto-oikeus (bestuursrechter Oost-Finland) de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
- ‘1)
Moet het recht van inzage van de betrokkene krachtens artikel 15, lid 1, [AVG] juncto [het begrip] ‘persoonsgegevens’ in de zin van artikel 4, punt 1, van deze verordening aldus worden uitgelegd dat gegevens die door de verwerkingsverantwoordelijke zijn verzameld waaruit blijkt wie de persoonsgegevens van de betrokkene op welk tijdstip en voor welk doel heeft verwerkt, geen gegevens zijn waartoe de betrokkene een recht van toegang heeft, met name omdat het om gegevens gaat die verband houden met de werknemers van de verwerkingsverantwoordelijke?
- 2)
Indien het antwoord op de eerste vraag bevestigend luidt en de betrokkene op grond van artikel 15, lid 1, [AVG] geen recht van toegang tot de in de eerste vraag genoemde gegevens heeft, omdat zij geen ‘persoonsgegevens’ van de betrokkene in de zin van artikel 4, punt 1, [AVG] zijn, moeten in casu dan nog de gegevens in aanmerking worden genomen waartoe de betrokkene krachtens artikel 15, lid 1, onder [a) tot en met h)] een recht van toegang heeft:
- a)
Welke uitlegging moet, in het licht van de omvang van het recht van inzage van de betrokkene, worden gegeven aan het verwerkingsdoel in de zin van artikel 15, lid 1, onder a), [AVG], met andere woorden kan het verwerkingsdoel ten grondslag liggen aan een recht van inzage in de door de verwerkingsverantwoordelijke verzamelde loggegevens van gebruikers, zoals inlichtingen over persoonsgegevens van degenen die de persoonsgegevens van de betrokkene hebben verwerkt en over het tijdstip waarop en het doel waarvoor de persoonsgegevens zijn verwerkt?
- b)
Kunnen degenen die bij de bank de klantgegevens van J.M. hebben verwerkt, in dit verband onder bepaalde voorwaarden worden aangemerkt als ontvangers van de persoonsgegevens in de zin van artikel 15, lid 1, onder c), [AVG], over wie de betrokkene informatie zou mogen opvragen?
- 3)
Is het voor de procedure van belang dat de zaak betrekking heeft op een bank die een gereglementeerde activiteit uitoefent, of dat J.M. tegelijkertijd zowel werkzaam was voor de bank als een klant van haar was?
- 4)
Is het voor het onderzoek van de voornoemde vragen van belang dat de gegevens van J.M. zijn verwerkt vóór de inwerkingtreding van de [AVG]?’
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Vierde vraag
29
Met zijn vierde vraag, die als eerste dient te worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 15 AVG, gelezen in het licht van artikel 99, lid 2, van deze verordening, van toepassing is op een verzoek om inzage in informatie in de zin van dat artikel 15 wanneer de verwerkingsactiviteiten waarop dit verzoek betrekking heeft, zijn uitgevoerd vóór de datum waarop die verordening van toepassing is geworden, maar het verzoek na die datum is ingediend.
30
Om deze vraag te beantwoorden dient erop te worden gewezen dat de AVG op grond van artikel 99, lid 2, ervan met ingang van 25 mei 2018 van toepassing is.
31
In casu blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde verwerkingen van persoonsgegevens zijn uitgevoerd tussen 1 november 2013 en 31 december 2013, dat wil zeggen vóór de datum waarop de AVG van toepassing werd. Uit deze verwijzingsbeslissing blijkt echter ook dat J.M. zijn verzoek om informatie bij Pankki S heeft ingediend na die datum, te weten op 29 mei 2018.
32
In dit verband zij eraan herinnerd dat procedureregels in het algemeen geacht worden te gelden vanaf de datum waarop zij in werking treden, in tegenstelling tot materiële regels, die doorgaans aldus worden uitgelegd dat zij op situaties die vóór de inwerkingtreding ervan zijn ontstaan en definitief zijn geworden, slechts van toepassing zijn voor zover uit de bewoordingen, de doelstelling of de opzet ervan blijkt dat er een dergelijke werking aan dient te worden toegekend (arrest van 15 juni 2021, Facebook Ireland e.a., C-645/19, EU:C:2021:483, punt 100 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
33
In casu blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat het verzoek van J.M. om de in het hoofdgeding aan de orde zijnde informatie te ontvangen verband houdt met artikel 15, lid 1, AVG, dat voorziet in het recht van de betrokkene om inzage te verkrijgen in de hem betreffende persoonsgegevens die worden verwerkt, en in de in deze bepaling genoemde informatie.
34
Vastgesteld moet worden dat deze bepaling geen betrekking heeft op de voorwaarden waaronder de verwerking van de persoonsgegevens van de betrokkene rechtmatig is. Artikel 15, lid 1, AVG preciseert namelijk enkel de omvang van het recht van inzage van deze persoon in de gegevens en in de in dat artikel genoemde informatie.
35
Zoals de advocaat-generaal in punt 33 van zijn conclusie heeft opgemerkt, verleent artikel 15, lid 1, AVG betrokkenen een procedureel recht om informatie over de verwerking van hun persoonsgegevens te verkrijgen. Aangezien het om een regel van procedurele aard gaat, is deze bepaling van toepassing op verzoeken om inzage die zijn ingediend vanaf de datum waarop deze verordening van toepassing is, zoals het verzoek van J.M.
36
In deze omstandigheden dient op de vierde vraag te worden geantwoord dat artikel 15 AVG, gelezen in het licht van artikel 99, lid 2, van deze verordening, aldus moet worden uitgelegd dat het van toepassing is op een verzoek om inzage in de in dat artikel genoemde informatie wanneer de verwerkingsactiviteiten waarop dit verzoek betrekking heeft, zijn uitgevoerd vóór de datum waarop deze verordening van toepassing is, maar het verzoek na die datum is ingediend.
Eerste en tweede vraag
37
Met zijn eerste en zijn tweede vraag, die gezamenlijk dienen te worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 15, lid 1, AVG aldus moet worden uitgelegd dat de informatie met betrekking tot de raadplegingen van persoonsgegevens van een persoon over de datums en de doeleinden van deze raadplegingen, alsmede de identiteit van de natuurlijke personen die deze raadplegingen hebben verricht, informatie is met betrekking waartoe deze persoon krachtens deze bepaling het recht heeft van de verwerkingsverantwoordelijke inzage te verlangen.
38
Vooraf zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak bij de uitlegging van een Unierechtelijke bepaling niet alleen rekening moet worden gehouden met haar bewoordingen, maar ook met de context ervan en met de doelstellingen en het oogmerk van de regeling waarvan zij deel uitmaakt [arrest van 12 januari 2023, Österreichische Post (Informatie over de ontvangers van persoonsgegevens), C-154/21, EU:C:2023:3, punt 29].
39
Wat om te beginnen de bewoordingen van artikel 15, lid 1, AVG betreft, heeft de betrokkene volgens deze bepaling het recht om van de verwerkingsverantwoordelijke uitsluitsel te verkrijgen over het al dan niet verwerken van hem betreffende persoonsgegevens en, wanneer dat het geval is, om inzage te verkrijgen in die persoonsgegevens en in de informatie betreffende met name de verwerkingsdoeleinden en de ontvangers of categorieën van ontvangers aan wie die persoonsgegevens zijn of zullen worden verstrekt.
40
In dit verband moet worden benadrukt dat de in artikel 15, lid 1, AVG opgenomen begrippen zijn omschreven in artikel 4 van deze verordening.
41
In de eerste plaats wordt in artikel 4, punt 1, AVG onder persoonsgegevens verstaan ‘alle informatie over een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon’ en wordt in dit artikel verduidelijkt dat ‘als identificeerbaar wordt beschouwd een natuurlijke persoon die direct of indirect kan worden geïdentificeerd, met name aan de hand van een identificator zoals een naam, een identificatienummer, locatiegegevens, een online-identificator of van een of meer elementen die kenmerkend zijn voor de fysieke, fysiologische, genetische, psychische, economische, culturele of sociale identiteit van die natuurlijke persoon’.
42
Het gebruik van de woorden ‘alle informatie’ in de definitie van het begrip ‘persoonsgegevens’ in deze bepaling wijst op de bedoeling van de Uniewetgever om een ruime betekenis te geven aan dit begrip, dat zich potentieel uitstrekt tot elk soort informatie, zowel objectieve informatie als subjectieve informatie, in de vorm van meningen of beoordelingen, op voorwaarde dat deze informatie de betrokkene ‘betreft’ (arrest van 4 mei 2023, Österreichische Datenschutzbehörde en CRIF, C-487/21, EU:C:2023:369, punt 23).
43
Dienaangaande is reeds geoordeeld dat informatie betrekking heeft op een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon wanneer zij wegens haar inhoud, doel of gevolg verband houdt met een identificeerbare persoon (arrest van 4 mei 2023, Österreichische Datenschutzbehörde en CRIF, C-487/21, EU:C:2023:369, punt 24).
44
Wat de ‘identificeerbaarheid’ van een persoon betreft, verduidelijkt overweging 26 AVG dat rekening moet worden gehouden met ‘alle middelen waarvan redelijkerwijs valt te verwachten dat zij worden gebruikt door de verwerkingsverantwoordelijke of door een andere persoon om de natuurlijke persoon direct of indirect te identificeren, bijvoorbeeld selectietechnieken’.
45
Hieruit volgt dat de ruime definitie van het begrip ‘persoonsgegevens’ niet alleen de door de verwerkingsverantwoordelijke verzamelde en bewaarde gegevens omvat, maar ook alle informatie die voortvloeit uit een verwerking van persoonsgegevens betreffende een geïdentificeerde of identificeerbare persoon (zie in die zin arrest van 4 mei 2023, Österreichische Datenschutzbehörde en CRIF, C-487/21, EU:C:2023:369, punt 26).
46
Wat in de tweede plaats het begrip ‘verwerking’, betreft, zoals gedefinieerd in artikel 4, punt 2, AVG, moet worden vastgesteld dat de Uniewetgever met het gebruik van de woorden ‘een bewerking’ een ruime strekking heeft willen geven aan dit begrip door gebruik te maken van een niet-uitputtende lijst van bewerkingen die zijn uitgevoerd met betrekking tot gegevens of een geheel van persoonsgegevens, waaronder het verzamelen, vastleggen, opslaan, of raadplegen van gegevens (zie in die zin arrest van 4 mei 2023, Österreichische Datenschutzbehörde en CRIF, C-487/21, EU:C:2023:369, punt 27).
47
In de derde plaats wordt in artikel 4, punt 9, AVG verduidelijkt dat ‘ontvanger’ wordt gedefinieerd als ‘een natuurlijke persoon of rechtspersoon, een overheidsinstantie, een dienst of een ander orgaan, al dan niet een derde, aan wie/waaraan de persoonsgegevens worden verstrekt’.
48
Het Hof heeft in dit verband geoordeeld dat de betrokkene het recht heeft om van de verwerkingsverantwoordelijke informatie te verkrijgen over de concrete ontvangers aan wie de hem betreffende persoonsgegevens zijn of zullen worden verstrekt [arrest van 12 januari 2023, Österreichische Post (Informatie over de ontvangers van persoonsgegevens), C-154/21, EU:C:2023:3, punt 46].
49
Uit de tekstuele analyse van artikel 15, lid 1, AVG en de daarin vervatte begrippen volgt dus dat het recht van inzage dat deze bepaling aan de betrokkene toekent, wordt gekenmerkt door de ruime omvang van de informatie die de verwerkingsverantwoordelijke aan deze persoon moet verstrekken.
50
Wat vervolgens de context van artikel 15, lid 1, AVG betreft, moet er in de eerste plaats aan worden herinnerd dat in overweging 63 van die verordening staat te lezen dat elke betrokkene het recht dient te hebben, te weten en te worden meegedeeld met name voor welke doeleinden de persoonsgegevens worden verwerkt, indien mogelijk hoelang zij worden bewaard en wie deze persoonsgegevens ontvangt.
51
In de tweede plaats staat in overweging 60 AVG te lezen dat de betrokkene overeenkomstig de beginselen van behoorlijke en transparante verwerking op de hoogte moet worden gesteld van het feit dat er verwerking plaatsvindt en van de doeleinden daarvan, waarbij moet worden benadrukt dat de verwerkingsverantwoordelijke de nadere informatie dient te verstrekken die noodzakelijk is om een behoorlijke en transparante verwerking te waarborgen, met inachtneming van de specifieke omstandigheden en de context waarin de persoonsgegevens worden verwerkt. Voorts moet overeenkomstig het door de verwijzende rechter genoemde transparantiebeginsel waarnaar overweging 58 AVG verwijst en dat uitdrukkelijk is neergelegd in artikel 12, lid 1, van deze verordening, alle informatie die bestemd is voor de betrokkene beknopt, eenvoudig toegankelijk en begrijpelijk zijn en moet duidelijke en eenvoudige taal worden gebruikt.
52
In dit verband preciseert artikel 12, lid 1, AVG dat de informatie door de verwerkingsverantwoordelijke schriftelijk of met andere middelen, met inbegrip van, indien dit passend is, elektronische middelen, moet worden verstrekt, tenzij de betrokkene erom verzoekt dat de informatie mondeling wordt meegedeeld. Deze bepaling, die uitdrukking geeft aan het transparantiebeginsel, beoogt te waarborgen dat de betrokkene de informatie die hem wordt verstrekt volledig kan begrijpen (arrest van 4 mei 2023, Österreichische Datenschutzbehörde en CRIF, C-487/21, EU:C:2023:369, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
53
Uit bovenstaande analyse van de context volgt dat artikel 15, lid 1, AVG een van de bepalingen is waarmee wordt beoogd ten aanzien van de betrokkene de transparantie te waarborgen van de wijze waarop de persoonsgegevens worden verwerkt.
54
Ten slotte vindt deze uitlegging van de omvang van het in artikel 15, lid 1, AVG neergelegde recht van inzage steun in de doelstellingen van deze verordening.
55
Ten eerste heeft deze verordening blijkens de overwegingen 10 en 11 ervan tot doel natuurlijke personen binnen de Unie een consistent en hoog beschermingsniveau te bieden en de rechten van de betrokkenen te versterken en nader te omschrijven.
56
Zoals blijkt uit overweging 63 AVG heeft het recht van een persoon om zijn eigen persoonsgegevens en de andere in artikel 15, lid 1, van deze verordening genoemde informatie in te zien, om te beginnen tot doel deze persoon in staat te stellen zich van de verwerking van zijn gegevens op de hoogte te stellen en de rechtmatigheid ervan te controleren. Hieruit volgt dat elke betrokkene het recht dient te hebben te weten en te worden meegedeeld met name voor welke doeleinden de persoonsgegevens worden verwerkt, indien mogelijk hoelang zij worden bewaard, wie de persoonsgegevens ontvangt en welke logica ten grondslag ligt aan de verwerking ervan, zoals in die overweging en in punt 50 van het onderhavige arrest is aangegeven.
57
In dit verband zij er ten tweede aan herinnerd dat het Hof reeds heeft geoordeeld dat het in artikel 15 AVG neergelegde recht van inzage de betrokkene in staat moet stellen zich ervan te vergewissen dat de hem betreffende persoonsgegevens juist zijn en rechtmatig worden verwerkt (arrest van 4 mei 2023, Österreichische Datenschutzbehörde en CRIF, C-487/21, EU:C:2023:369, punt 34).
58
Dit recht van inzage is met name noodzakelijk om de betrokkene toe te laten om in voorkomend geval een aantal rechten uit te oefenen, namelijk zijn recht op rectificatie van gegevens, op gegevenswissing (‘recht op vergetelheid’), en op beperking van de verwerking, die hem respectievelijk worden toegekend door de artikelen 16 tot en met 18 AVG, alsook zijn in artikel 21 AVG vastgestelde recht om bezwaar te maken tegen de verwerking van zijn persoonsgegevens en zijn in de artikelen 79 en 82 AVG neergelegde recht om zich tot de rechter te wenden wanneer hij schade lijdt (arrest van 4 mei 2023, Österreichische Datenschutzbehörde en CRIF, C-487/21, EU:C:2023:369, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
59
Derhalve vormt artikel 15, lid 1, AVG een van de bepalingen waarmee wordt beoogd ten aanzien van de betrokkene de transparantie te waarborgen van de wijze waarop de persoonsgegevens worden verwerkt [arrest van 12 januari 2023, Österreichische Post (Informatie over de ontvangers van persoonsgegevens), C-154/21, EU:C:2023:3, punt 42], welke transparantie noodzakelijk is voor de betrokkene om te kunnen beoordelen of de verwerking van zijn gegevens rechtmatig is en om de prerogatieven die zijn neergelegd in de artikelen 16 tot en met 18, 21, 79 en 82 van deze verordening te kunnen uitoefenen.
60
In casu volgt uit de verwijzingsbeslissing dat J.M. Pankki S heeft verzocht om hem informatie te verstrekken met betrekking tot de raadplegingen van zijn persoonsgegevens die tussen 1 november 2013 en 31 december 2013 zijn verricht, informatie over de datums van deze raadplegingen, de doeleinden ervan en de identiteit van de personen die deze raadplegingen hebben verricht. De verwijzende rechter wijst erop dat met de overdracht van de logbestanden die bij die raadplegingen waren gegenereerd, aan het verzoek van J.M. kon worden voldaan.
61
In casu wordt niet betwist dat de raadplegingen van de persoonsgegevens van verzoeker in het hoofdgeding een ‘verwerking’ in de zin van artikel 4, punt 2, AVG vormen, zodat verzoeker op grond van artikel 15, lid 1, van deze verordening niet alleen beschikt over een recht van inzage in deze persoonsgegevens, maar ook over een recht om informatie te ontvangen die met deze raadplegingen verband houdt, zoals vermeld in dat artikel 15.
62
Wat de door J.M. gevraagde informatie betreft, kan de betrokkene om te beginnen door het verstrekken van de datums van de raadplegingen de bevestiging krijgen dat zijn persoonsgegevens daadwerkelijk op een bepaald moment zijn verwerkt. Aangezien aan de in de artikelen 5 en 6 AVG neergelegde voorwaarden voor rechtmatigheid moet zijn voldaan op het moment van de verwerking zelf, vormt de datum van de verwerking voorts een element aan de hand waarvan de rechtmatigheid van de verwerking kan worden gecontroleerd. Vervolgens moet worden opgemerkt dat informatie over de doeleinden van de verwerkingen uitdrukkelijk wordt genoemd in artikel 15, lid 1, onder a), van deze verordening. Ten slotte bepaalt artikel 15, lid 1, onder c), van die verordening dat de verwerkingsverantwoordelijke de betrokkene meedeelt aan welke ontvangers zijn gegevens zijn verstrekt.
63
Wat betreft, meer in het bijzonder, het verstrekken van al deze informatie door overdracht van de logbestanden van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde verwerkingsactiviteiten dient te worden opgemerkt dat artikel 15, lid 3, eerste volzin, AVG vermeldt dat de verwerkingsverantwoordelijke de betrokkene ‘een kopie verstrekt van de persoonsgegevens die worden verwerkt’.
64
In dit verband heeft het Hof reeds geoordeeld dat het aldus gebruikte begrip ‘kopie’ verwijst naar de getrouwe reproductie of transcriptie van een origineel, zodat een zuiver algemene beschrijving van de gegevens die worden verwerkt of een verwijzing naar categorieën persoonsgegevens niet aan die definitie voldoet. Bovendien blijkt uit de bewoordingen van artikel 15, lid 3, eerste volzin, van deze verordening dat de verplichting tot mededeling betrekking heeft op de persoonsgegevens die het voorwerp van de betrokken verwerking vormen (zie in die zin arrest van 4 mei 2023, Österreichische Datenschutzbehörde en CRIF, C-487/21, EU:C:2023:369, punt 21).
65
De kopie die de verwerkingsverantwoordelijke dient te verstrekken moet alle persoonsgegevens bevatten die worden verwerkt, alle noodzakelijke kenmerken vertonen om de betrokkene in staat te stellen de rechten die hij aan deze verordening ontleent daadwerkelijk uit te oefenen. Deze kopie moet deze gegevens dus volledig en getrouw reproduceren (zie in die zin arrest van 4 mei 2023, Österreichische Datenschutzbehörde en CRIF, C-487/21, EU:C:2023:369, punten 32 en 39).
66
Om te waarborgen dat de aldus verstrekte informatie gemakkelijk te begrijpen is, zoals wordt vereist in artikel 12, lid 1, AVG, gelezen in samenhang met overweging 58 van deze verordening, kan het onontbeerlijk zijn dat uittreksels uit documenten of zelfs volledige documenten of databankuittreksels die onder meer de verwerkte persoonsgegevens bevatten, worden gereproduceerd wanneer het in hun context plaatsen van de verwerkte gegevens noodzakelijk is om de begrijpelijkheid ervan te waarborgen. Met name wanneer persoonsgegevens worden gegenereerd op basis van andere gegevens of wanneer dergelijke gegevens voortvloeien uit open tekstvelden — dat wil zeggen wanneer geen data over de betrokkene worden verstrekt en uit deze lacune informatie over de betrokkene valt af te leiden — is de context waarin deze gegevens worden verwerkt een onontbeerlijk element om de betrokkene in staat te stellen op transparante wijze inzage te krijgen in die gegevens en er een begrijpelijk beeld van te krijgen (arrest van 4 mei 2023, Österreichische Datenschutzbehörde en CRIF, C-487/21, EU:C:2023:369, punten 41 en 42).
67
Zoals de advocaat-generaal in de punten 88 tot en met 90 van zijn conclusie heeft opgemerkt, vallen de logbestanden — die de door J.M. gevraagde informatie bevatten — in casu onder registers van verwerkingsactiviteiten in de zin van artikel 30 AVG. Zij worden geacht onder de in overweging 74 van deze verordening vermelde maatregelen te vallen die door de verwerkingsverantwoordelijke worden uitgevoerd om te kunnen aantonen dat elke verwerkingsactiviteit overeenkomstig deze verordening geschiedt. Artikel 30, lid 4, van die verordening bepaalt met name dat deze registers desgevraagd aan de toezichthoudende autoriteit ter beschikking moeten worden gesteld.
68
Voor zover die registers van verwerkingsactiviteiten geen informatie bevatten met betrekking tot een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon in de zin van de in de punten 42 en 43 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak, stellen zij de verwerkingsverantwoordelijke enkel in staat om te voldoen aan zijn verplichtingen jegens de toezichthoudende autoriteit die om de verstrekking van die registers vraagt.
69
Wat meer in het bijzonder de logbestanden van de verwerkingsverantwoordelijke betreft, kan het verstrekken van een kopie van de in die bestanden opgenomen informatie noodzakelijk blijken om te voldoen aan de verplichting om de betrokkene inzage te verlenen in alle in artikel 15, lid 1, AVG genoemde informatie, en om een behoorlijke en transparante verwerking te waarborgen, zodat hij de rechten die hij aan die verordening ontleent ten volle kan doen gelden.
70
Ten eerste wijzen dergelijke bestanden er namelijk op dat er sprake is van gegevensverwerking, informatie waartoe de betrokkene toegang moet hebben op grond van artikel 15, lid 1, AVG. Daarnaast geven zij informatie over de frequentie en de intensiteit van de raadplegingen, zodat de betrokkene zich ervan kan vergewissen dat de uitgevoerde verwerking daadwerkelijk is ingegeven door de doeleinden die de verwerkingsverantwoordelijke heeft aangevoerd.
71
Ten tweede bevatten deze bestanden informatie over de identiteit van de personen die de raadplegingen hebben verricht.
72
In casu blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat de personen die de in het hoofdgeding aan de orde zijnde raadplegingen hebben verricht, werknemers zijn van Pankki S die onder haar gezag en overeenkomstig haar instructies hebben gehandeld.
73
Uit artikel 15, lid 1, onder c), AVG volgt weliswaar dat de betrokkene het recht heeft om van de verwerkingsverantwoordelijke informatie te ontvangen met betrekking tot de ontvangers of categorieën van ontvangers aan wie de persoonsgegevens zijn of zullen worden verstrekt, maar werknemers van de verwerkingsverantwoordelijke kunnen niet worden beschouwd als ‘ontvangers’ in de zin van artikel 15, lid 1, onder c), AVG, dat in de punten 47 en 48 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, wanneer zij persoonsgegevens verwerken onder het gezag van die verwerkingsverantwoordelijke en overeenkomstig zijn instructies, zoals de advocaat-generaal in punt 63 van zijn conclusie heeft opgemerkt.
74
In dit verband moet worden benadrukt dat overeenkomstig artikel 29 AVG eenieder die onder het gezag van de verwerkingsverantwoordelijke handelt en toegang heeft tot persoonsgegevens, deze uitsluitend in opdracht van die verwerkingsverantwoordelijke verwerkt.
75
De informatie in de logbestanden over de personen die de persoonsgegevens van de betrokkene hebben geraadpleegd, kan informatie vormen die valt onder de in artikel 4, punt 1, AVG genoemde informatie, dat in punt 41 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, aan de hand waarvan de betrokkene kan nagaan of de verwerking van zijn gegevens rechtmatig is, en met name zich ervan kan vergewissen of de verwerking daadwerkelijk is verricht onder het gezag van de verwerkingsverantwoordelijke en overeenkomstig zijn instructies.
76
Niettemin blijkt uit de verwijzingsbeslissing ten eerste dat aan de hand van de informatie in de logbestanden, zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn, de werknemers kunnen worden geïdentificeerd die de verwerkingsactiviteiten hebben verricht, en dat deze informatie persoonsgegevens van deze werknemers bevat in de zin van artikel 4, lid 1, AVG.
77
In dit verband zij eraan herinnerd dat, wat het in artikel 15 AVG neergelegde recht van inzage betreft, in overweging 63 van deze verordening staat te lezen dat ‘[d]at recht […] geen afbreuk [mag] doen aan de rechten of vrijheden van anderen’.
78
Op grond van overweging 4 AVG heeft het recht op bescherming van persoonsgegevens immers geen absolute gelding, aangezien het moet worden beschouwd in relatie tot de functie ervan in de samenleving en het tegen andere grondrechten moet worden afgewogen (zie in die zin arrest van 16 juli 2020, Facebook Ireland en Schrems, C-311/18, EU:C:2020:559, punt 172).
79
Gesteld dat het verstrekken van informatie aan de betrokkene van wie de persoonsgegevens worden verwerkt over de identiteit van de werknemers van de verwerkingsverantwoordelijke noodzakelijk is voor deze betrokkene om zich ervan te vergewissen dat de verwerking van zijn persoonsgegevens rechtmatig is, dan kan dit niettemin afbreuk doen aan de rechten en vrijheden van deze werknemers.
80
In deze omstandigheden moeten in geval van strijdigheid tussen enerzijds de uitoefening van het recht van inzage — dat de nuttige werking van de door de AVG aan de betrokkene verleende rechten waarborgt — en anderzijds de rechten of vrijheden van anderen, de betrokken rechten en vrijheden tegen elkaar worden afgewogen. Voor zover mogelijk moet worden gekozen voor een wijze die geen afbreuk doet aan de rechten of vrijheden van anderen. Daarbij moet er rekening mee worden gehouden dat deze overwegingen er niet toe mogen ‘leiden dat de betrokkene alle informatie wordt onthouden’, zoals blijkt uit overweging 63 van de AVG (zie in die zin arrest van 4 mei 2023, Österreichische Datenschutzbehörde en CRIF, C-487/21, EU:C:2023:369, punt 44).
81
Ten tweede volgt echter uit de verwijzingsbeslissing dat J.M. niet verzoekt om het verstrekken van informatie over de identiteit van de werknemers van Pankki S die zijn persoonsgegevens hebben geraadpleegd, op grond dat zij niet daadwerkelijk onder het gezag en in overeenstemming met de instructies van de verwerkingsverantwoordelijke hebben gehandeld, maar omdat hij lijkt te twijfelen aan de juistheid van de informatie met betrekking tot de doeleinden van die raadplegingen die Pankki S hem heeft meegedeeld.
82
In dergelijke omstandigheden heeft de betrokkene, indien hij van mening is dat de door de verwerkingsverantwoordelijke verstrekte informatie niet toereikend is om zijn twijfel over de rechtmatigheid van de verwerking van zijn persoonsgegevens te kunnen wegnemen, op grond van artikel 77, lid 1, AVG het recht om een klacht in te dienen bij de toezichthoudende autoriteit, die krachtens artikel 58, lid 1, onder a), van deze verordening de bevoegdheid heeft om de verwerkingsverantwoordelijke te vragen alle informatie te verstrekken die zij nodig heeft om de klacht van de betrokkene te onderzoeken.
83
Uit een en ander volgt dat artikel 15, lid 1, AVG aldus moet worden uitgelegd dat de informatie met betrekking tot de raadplegingen van de persoonsgegevens van een persoon, over de datums en de doeleinden van deze raadplegingen, informatie is met betrekking waartoe deze persoon krachtens deze bepaling het recht heeft van de verwerkingsverantwoordelijke inzage te verlangen. Die bepaling voorziet daarentegen niet in een dergelijk recht wat de informatie betreft over de identiteit van de werknemers van die verwerkingsverantwoordelijke die onder zijn gezag en overeenkomstig zijn instructies deze raadplegingen hebben verricht, tenzij die informatie onontbeerlijk is om de betrokkene in staat te stellen de hem bij deze verordening verleende rechten daadwerkelijk uit te oefenen en mits rekening wordt gehouden met de rechten en vrijheden van die werknemers.
Derde vraag
84
Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de omstandigheid dat de verwerkingsverantwoordelijke in het kader van een gereglementeerde activiteit een bankactiviteit uitoefent en dat voorts de persoon van wie in zijn hoedanigheid van klant van de verwerkingsverantwoordelijke persoonsgegevens zijn verwerkt, ook werknemer was bij deze verwerkingsverantwoordelijke, van belang is voor de bepaling van de omvang van het hem bij artikel 15, lid 1, AVG toegekende recht van inzage.
85
Om te beginnen moet met betrekking tot de werkingssfeer van het in artikel 15, lid 1, AVG neergelegde recht van inzage worden benadrukt dat geen enkele bepaling van deze verordening onderscheid maakt naargelang de aard van de activiteiten van de verwerkingsverantwoordelijke of de hoedanigheid van de persoon van wie de persoonsgegevens worden verwerkt.
86
Wat het gereglementeerde karakter van de activiteit van Pankki S betreft, stelt artikel 23 AVG de lidstaten in staat om de reikwijdte van de met name in artikel 15 van deze verordening neergelegde rechten en plichten te beperken door middel van Unierechtelijke en lidstaatrechtelijke wetgevingsmaatregelen.
87
Uit de verwijzingsbeslissing blijkt evenwel niet dat de activiteit van Pankki S onder een dergelijke wettelijke regeling valt.
88
Wat voorts de omstandigheid betreft dat J.M. zowel klant als werknemer van Pankki S was, moet worden opgemerkt dat de context waarin de betrokkene verzoekt om inzage in de informatie in de zin van artikel 15, lid 1, AVG, gelet op zowel de doelstellingen van de AVG als ook de omvang van het recht van inzage van deze betrokkene, zoals in herinnering gebracht in de punten 49 en 55 tot en met 59 van het onderhavige arrest, geen invloed kan hebben op de omvang van dit recht.
89
Dientengevolge moet artikel 15, lid 1, AVG aldus worden uitgelegd dat de omstandigheid dat de verwerkingsverantwoordelijke in het kader van een gereglementeerde activiteit een bankactiviteit uitoefent en dat de persoon van wie in zijn hoedanigheid van klant van de verwerkingsverantwoordelijke de persoonsgegevens zijn verwerkt, ook werknemer was bij deze verwerkingsverantwoordelijke, in beginsel niet van invloed is op de omvang van het recht van deze persoon op grond van deze bepaling.
Kosten
90
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Eerste kamer) verklaart voor recht:
- 1)
Artikel 15 van verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming), gelezen in het licht van artikel 99, lid 2, van deze verordening,
moet aldus worden uitgelegd dat
het van toepassing is op een verzoek om inzage in de in dat artikel genoemde informatie wanneer de verwerkingsactiviteiten waarop dit verzoek betrekking heeft, zijn uitgevoerd vóór de datum waarop deze verordening van toepassing is, maar het verzoek na die datum is ingediend.
- 2)
Artikel 15, lid 1, van verordening 2016/679
moet aldus worden uitgelegd dat
de informatie met betrekking tot de raadplegingen van de persoonsgegevens van een persoon, over de datums en de doeleinden van deze raadplegingen, informatie is met betrekking waartoe deze persoon krachtens deze bepaling het recht heeft van de verwerkingsverantwoordelijke inzage te verlangen. Die bepaling voorziet daarentegen niet in een dergelijk recht wat de informatie betreft over de identiteit van de werknemers van die verwerkingsverantwoordelijke die onder zijn gezag en overeenkomstig zijn instructies deze raadplegingen hebben verricht, tenzij die informatie onontbeerlijk is om de betrokkene in staat te stellen de hem bij deze verordening verleende rechten daadwerkelijk uit te oefenen en mits rekening wordt gehouden met de rechten en vrijheden van die werknemers.
- 3)
Artikel 15, lid 1, van verordening 2016/679
moet aldus worden uitgelegd dat
de omstandigheid dat de verwerkingsverantwoordelijke in het kader van een gereglementeerde activiteit een bankactiviteit uitoefent en dat de persoon van wie in zijn hoedanigheid van klant van de verwerkingsverantwoordelijke de persoonsgegevens zijn verwerkt, ook werknemer was bij deze verwerkingsverantwoordelijke, in beginsel niet van invloed is op de omvang van het recht van deze persoon op grond van deze bepaling.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 22‑06‑2023
Conclusie 15‑12‑2022
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Verwerking van persoonsgegevens — Verordening (EU) 2016/679 — Gegevens in een logbestand — Recht van toegang — Begrip ‘persoonsgegevens’ — Begrip ‘ontvanger’ — Personeel in dienst van de verwerkingsverantwoordelijke
M. Campos sánchez-bordona
Partij(en)
Zaak C-579/211.
J. M.
in tegenwoordigheid van:
Apulaistietosuojavaltuutettu,
Pankki S
[verzoek van de Itä-Suomen hallinto-oikeus (bestuursrechter Oost-Finland) om een prejudiciële beslissing]
1.
Een werknemer en daarnaast ook klant van een financiële instelling heeft die financiële instelling verzocht hem in kennis te stellen van de identiteit van de personen die zijn persoonsgegevens hadden geraadpleegd in het kader van een intern onderzoek. Geconfronteerd met de weigering van de instelling om hem die informatie te verstrekken, heeft hij de beschikbare rechtsmiddelen aangewend en is zijn zaak uiteindelijk in behandeling genomen door de Itä-Suomen hallinto-oikeus (bestuursrechter Oost-Finland).
2.
Deze rechter heeft het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van verordening (EU) 2016/6792.. In zijn antwoord zal het Hof zich moeten uitspreken over het recht van de betrokkene op toegang tot bepaalde informatie over de verwerking van zijn persoonsgegevens.
I. Toepasselijke bepalingen
A. Unierecht — AVG
3.
In overweging 11 wordt verklaard:
‘Doeltreffende bescherming van persoonsgegevens in de gehele Unie vereist de versterking en nadere omschrijving van de rechten van betrokkenen en van de verplichtingen van degenen die persoonsgegevens verwerken en van degenen die over die verwerking beslissen, alsmede gelijkwaardige bevoegdheden op het gebied van toezicht en handhaving van de regels inzake gegevensbescherming en vergelijkbare sancties voor overtredingen in de lidstaten.’
4.
In artikel 4 (‘Definities’) wordt bepaald:
‘Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:
- 1)
‘persoonsgegevens’: alle informatie over een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon (‘de betrokkene’); als identificeerbaar wordt beschouwd een natuurlijke persoon die direct of indirect kan worden geïdentificeerd, met name aan de hand van een identificator zoals een naam, een identificatienummer, locatiegegevens, een online identificator of van een of meer elementen die kenmerkend zijn voor de fysieke, fysiologische, genetische, psychische, economische, culturele of sociale identiteit van die natuurlijke persoon;
- 2)
‘verwerking’: een bewerking of een geheel van bewerkingen met betrekking tot persoonsgegevens of een geheel van persoonsgegevens, al dan niet uitgevoerd via geautomatiseerde procedés, zoals het verzamelen, vastleggen, ordenen, structureren, opslaan, bijwerken of wijzigen, opvragen, raadplegen, gebruiken, verstrekken door middel van doorzending, verspreiden of op andere wijze ter beschikking stellen, aligneren of combineren, afschermen, wissen of vernietigen van gegevens;
[…]
- 9)
‘ontvanger’: een natuurlijke persoon of rechtspersoon, een overheidsinstantie, een dienst of een ander orgaan, al dan niet een derde, aan wie/waaraan de persoonsgegevens worden verstrekt. […]
[…]’
5.
In artikel 15 (‘Recht van inzage van de betrokkene’), lid 1, kan worden gelezen:
‘De betrokkene heeft het recht om van de verwerkingsverantwoordelijke uitsluitsel te verkrijgen over het al dan niet verwerken van hem betreffende persoonsgegevens en, wanneer dat het geval is, om inzage te verkrijgen van die persoonsgegevens en van de volgende informatie:
- a)
de verwerkingsdoeleinden;
- b)
de betrokken categorieën van persoonsgegevens;
- c)
de ontvangers of categorieën van ontvangers aan wie de persoonsgegevens zijn of zullen worden verstrekt, met name ontvangers in derde landen of internationale organisaties;
- d)
indien mogelijk, de periode gedurende welke de persoonsgegevens naar verwachting zullen worden opgeslagen, of indien dat niet mogelijk is, de criteria om die termijn te bepalen;
- e)
dat de betrokkene het recht heeft de verwerkingsverantwoordelijke te verzoeken dat persoonsgegevens worden gerectificeerd of gewist, of dat de verwerking van hem betreffende persoonsgegevens wordt beperkt, alsmede het recht tegen die verwerking bezwaar te maken;
- f)
dat de betrokkene het recht heeft een klacht in te dienen bij een toezichthoudende autoriteit;
- g)
wanneer de persoonsgegevens niet bij de betrokkene worden verzameld, alle beschikbare informatie over de bron van die gegevens;
- h)
het bestaan van geautomatiseerde besluitvorming, met inbegrip van de in artikel 22, leden 1 en 4, bedoelde profilering, en, ten minste in die gevallen, nuttige informatie over de onderliggende logica, alsmede het belang en de verwachte gevolgen van die verwerking voor de betrokkene.’
6.
Artikel 24 (‘Verantwoordelijkheid van de verwerkingsverantwoordelijke’), lid 1, luidt:
‘Rekening houdend met de aard, de omvang, de context en het doel van de verwerking, alsook met de qua waarschijnlijkheid en ernst uiteenlopende risico's voor de rechten en vrijheden van natuurlijke personen, treft de verwerkingsverantwoordelijke passende technische en organisatorische maatregelen om te waarborgen en te kunnen aantonen dat de verwerking in overeenstemming met deze verordening wordt uitgevoerd. Die maatregelen worden geëvalueerd en indien nodig geactualiseerd.’
7.
Artikel 25 (‘Gegevensbescherming door ontwerp en door standaardinstellingen’), lid 2, schrijft voor:
‘De verwerkingsverantwoordelijke treft passende technische en organisatorische maatregelen om ervoor te zorgen dat in beginsel alleen persoonsgegevens worden verwerkt die noodzakelijk zijn voor elk specifiek doel van de verwerking. Die verplichting geldt voor de hoeveelheid verzamelde persoonsgegevens, de mate waarin zij worden verwerkt, de termijn waarvoor zij worden opgeslagen en de toegankelijkheid daarvan. Deze maatregelen zorgen met name ervoor dat persoonsgegevens in beginsel niet zonder menselijke tussenkomst voor een onbeperkt aantal natuurlijke personen toegankelijk worden gemaakt.’
8.
Artikel 29 (‘Verwerking onder gezag van de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker’) luidt:
‘De verwerker en eenieder die onder het gezag van de verwerkingsverantwoordelijke of van de verwerker handelt en toegang heeft tot persoonsgegevens, verwerkt deze uitsluitend in opdracht van de verwerkingsverantwoordelijke, tenzij hij Unierechtelijk of lidstaatrechtelijk tot de verwerking gehouden is.’
9.
In artikel 30 (‘Register van de verwerkingsactiviteiten’) wordt bepaald:
- ‘1.
Elke verwerkingsverantwoordelijke en, in voorkomend geval, de vertegenwoordiger van de verwerkingsverantwoordelijke houdt een register van de verwerkingsactiviteiten die onder hun verantwoordelijkheid plaatsvinden. Dat register bevat alle volgende gegevens:
- a)
de naam en de contactgegevens van de verwerkingsverantwoordelijke en eventuele gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijken, en, in voorkomend geval, van de vertegenwoordiger van de verwerkingsverantwoordelijke en van de functionaris voor gegevensbescherming;
- b)
de verwerkingsdoeleinden;
- c)
een beschrijving van de categorieën van betrokkenen en van de categorieën van persoonsgegevens;
- d)
de categorieën van ontvangers aan wie de persoonsgegevens zijn of zullen worden verstrekt, onder meer ontvangers in derde landen of internationale organisaties;
[…]
- f)
indien mogelijk, de beoogde termijnen waarbinnen de verschillende categorieën van gegevens moeten worden gewist;
- g)
indien mogelijk, een algemene beschrijving van de technische en organisatorische beveiligingsmaatregelen als bedoeld in artikel 32, lid 1.
- 2.
De verwerker, en, in voorkomend geval, de vertegenwoordiger van de verwerker houden een register bij van alle categorieën van verwerkingsactiviteiten die zij ten behoeve van een verwerkingsverantwoordelijke hebben verricht:
- a)
de naam en de contactgegevens van de verwerkers en van iedere verwerkingsverantwoordelijke voor rekening waarvan de verwerker handelt, en, in voorkomend geval, van de vertegenwoordiger van de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker en van de functionaris voor gegevensbescherming;
- b)
de categorieën van verwerkingen die voor rekening van iedere verwerkingsverantwoordelijke zijn uitgevoerd;
- c)
indien van toepassing, doorgiften van persoonsgegevens aan een derde land of een internationale organisatie […];
- d)
indien mogelijk, een algemene beschrijving van de technische en organisatorische beveiligingsmaatregelen als bedoeld in artikel 32, lid 1.
- 3.
Het in de leden 1 en 2 bedoelde register is in schriftelijke vorm, waaronder in elektronische vorm, opgesteld.
- 4.
Desgevraagd stellen de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker en, in voorkomend geval, de vertegenwoordiger van de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker het register ter beschikking van de toezichthoudende autoriteit.
- 5.
De in de leden 1 en 2 bedoelde verplichtingen zijn niet van toepassing op ondernemingen of organisaties die minder dan 250 personen in dienst hebben, tenzij het waarschijnlijk is dat de verwerking die zij verrichten een risico inhoudt voor de rechten en vrijheden van de betrokkenen, de verwerking niet incidenteel is, of de verwerking bijzondere categorieën van gegevens […] of persoonsgegevens in verband met strafrechtelijke veroordelingen en strafbare feiten […] betreft.’
10.
Artikel 58 (‘Bevoegdheden’), lid 1, luidt:
‘Elke toezichthoudende autoriteit heeft alle volgende onderzoeksbevoegdheden om:
- a)
de verwerkingsverantwoordelijke, de verwerker en, in voorkomend geval, de vertegenwoordiger van de verwerkingsverantwoordelijke of van [de] verwerker te gelasten alle voor de uitvoering van haar taken vereiste informatie te verstrekken;
[…]’
B. Nationaal recht
1. Gegevensbeschermingswet
11.
Krachtens § 30 van gegevensbeschermingswet (1050/2018)3. zijn de verwerking van persoonsgegevens van werknemers met betrekking tot controles ten aanzien van hen en de in het kader daarvan in acht te nemen vereisten, het technisch toezicht op de werkplek en het ophalen en openen van elektronische post van werknemers geregeld in wet op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in het beroepsleven (759/2004)4..
12.
Op grond van § 34, lid 1, heeft de betrokkene geen recht op toegang tot de over hem verzamelde persoonsgegevens overeenkomstig artikel 15 AVG wanneer:
- 1)
de verstrekking van gegevens de nationale veiligheid en landsverdediging of de openbare orde en veiligheid zou kunnen schaden, of het voorkomen of onderzoeken van strafbare feiten in gevaar zou kunnen brengen;
- 2)
de verstrekking van gegevens een ernstige bedreiging zou kunnen vormen voor de gezondheid van of de zorg voor de betrokkene, of voor de rechten van de betrokkene of een derde, of
- 3)
de persoonsgegevens worden gebruikt voor toezichtactiviteiten en het achterhouden van de gegevens de bescherming van een belangrijk economisch of financieel belang van Finland of de Europese Unie dient.
13.
In § 34, lid 2, wordt bepaald dat wanneer slechts een deel van de in lid 1 bedoelde gegevens niet valt onder het in artikel 15 AVG bedoelde recht, de betrokkene het recht heeft om inlichtingen over de overige hem betreffende gegevens te ontvangen.
14.
Volgens § 34, lid 3, moet de betrokkene in kennis worden gesteld van de redenen voor de beperking, voor zover daarmee geen afbreuk wordt gedaan aan het doel van de beperking.
15.
Volgens § 34, lid 4, moeten de in artikel 15, lid 1, AVG bedoelde gegevens op verzoek van de betrokkene worden verstrekt aan de toezichthouder voor gegevensbescherming, voor zover de betrokkene geen recht op toegang tot de over hem verzamelde gegevens heeft.
2. Wet op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in het beroepsleven
16.
Volgens § 4, lid 2, van hoofdstuk 2 van de wet op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in het beroepsleven dient de werkgever de werknemer vooraf ervan op de hoogte te stellen dat hem betreffende gegevens worden verzameld om zijn betrouwbaarheid te onderzoeken. Wanneer de werkgever de werknemer op zijn kredietwaardigheid toetst, dient de werkgever bovendien aan de werknemer mee te delen uit welk register de kredietgegevens zijn verkregen. Wanneer gegevens aangaande de werknemer zijn verzameld bij een andere persoon dan de werknemer zelf, moet de werkgever de verkregen gegevens aan de werknemer meedelen alvorens deze te gebruiken voor besluiten die de werknemer betreffen. De verplichtingen van de verwerkingsverantwoordelijke om gegevens aan de betrokkene mee te delen en het recht van de betrokkene op toegang tot de gegevens zijn geregeld in hoofdstuk III AVG.
II. Feiten, hoofdgeding en prejudiciële vragen
17.
In 2014 heeft J. M. kennis gekregen van het feit dat zijn persoonsgegevens als klant van de financiële instelling Suur-Savon Osuuspankki (hierna: ‘Pankki’) tussen 1 november en 31 december 2013 waren geraadpleegd. Gedurende die periode was J. M. naast klant ook medewerker van Pankki.
18.
Op 29 mei 2018 heeft J. M., in het vermoeden dat de redenen voor de raadpleging niet volstrekt gegrond waren geweest, Pankki verzocht om informatie over de identiteit van de werknemers die in bovenvermelde periode toegang tot zijn gegevens hadden gehad en over de doeleinden van de verwerking.
19.
Ondertussen was J. M. door Pankki ontslagen. In de motivering van zijn verzoek tot inzage heeft J. M. aangevoerd dat hij duidelijkheid wilde verkrijgen over de redenen voor zijn ontslag.
20.
Op 30 augustus 2018 heeft Pankki, in haar hoedanigheid van verwerkingsverantwoordelijke, geweigerd om J. M. de namen te verstrekken van de werknemers die zijn persoonsgegevens hadden verwerkt. Volgens Pankki is het recht waarin artikel 15 AVG voorziet niet van toepassing op de loggegevens en de interne bestanden waarin wordt geregistreerd welke werknemers op welk tijdstip toegang tot het geautomatiseerde systeem met klantgegevens hebben gehad. Bovendien hadden de gevraagde inlichtingen betrekking op persoonsgegevens van die werknemers en niet op persoonsgegevens van J. M.
21.
Om misverstanden te voorkomen, heeft Pankki J. M. de volgende aanvullende toelichtingen gegeven:
- —
De interne diensten van de instelling hebben in 2014 de klantgegevens van J. M. onderzocht voor de periode van 1 november tot en met 31 december 2013.
- —
Dat onderzoek hield verband met de verwerking van de gegevens van een andere klant van Pankki, waaruit bleek dat deze een band met J. M. onderhield die mogelijkerwijs een belangenconflict impliceerde. Het doel van de verwerking was derhalve om die situatie op te helderen.5.
22.
J. M. heeft de zaak voorgelegd aan de Tietosuojavaltuutetun toimisto (nationale toezichthoudende autoriteit voor gegevensbescherming, Finland) met het verzoek om Pankki te gelasten de betrokken informatie te verstrekken.
23.
Op 4 augustus 2020 heeft de Apulaistietosuojavaltuutettu (adjunct-toezichthouder voor gegevensbescherming, Finland) het verzoek van J. M. afgewezen.
24.
J. M. heeft beroep ingesteld bij de Itä-Suomen hallinto-oikeus, waarin hij betoogt dat hij op grond van de AVG recht heeft op inzage in de informatie over de identiteit en de taken van de personen in de financiële instelling die zijn gegevens hebben geraadpleegd.
25.
In deze situatie heeft die rechter het Hof de volgende vragen voorgelegd:
- ‘1)
Moet het recht van inzage van de betrokkene krachtens artikel 15, lid 1, [AVG] juncto [het begrip] ‘persoonsgegevens’ in de zin van artikel 4, punt 1, van deze verordening aldus worden uitgelegd dat gegevens die door de verwerkingsverantwoordelijke zijn verzameld, waaruit blijkt wie de persoonsgegevens van de betrokkene op welk tijdstip en voor welk doel heeft verwerkt, geen gegevens zijn waartoe de betrokkene een recht van toegang heeft, met name omdat het om gegevens gaat die verband houden met de werknemers van de verwerkingsverantwoordelijke?
- 2)
Indien het antwoord op de eerste vraag bevestigend luidt en de betrokkene op grond van artikel 15, lid 1, [AVG] geen recht van toegang tot de in de eerste vraag genoemde gegevens heeft, omdat zij geen ‘persoonsgegevens’ van de betrokkene in de zin van artikel 4, punt 1, [AVG] zijn, moeten in casu dan nog de gegevens in aanmerking worden genomen waartoe de betrokkene krachtens artikel 15, lid 1, onder [a) tot en met h)] een recht van toegang heeft:
- a)
Welke uitlegging moet, in het licht van de omvang van het recht van inzage van de betrokkene, worden gegeven aan het verwerkingsdoel in de zin van artikel 15, lid 1, onder a), met andere woorden kan het verwerkingsdoel ten grondslag liggen aan een recht van inzage in de door de verwerkingsverantwoordelijke verzamelde loggegevens van gebruikers, zoals inlichtingen over persoonsgegevens van degenen die de persoonsgegevens van de betrokkene hebben verwerkt en over het tijdstip waarop en het doel waarvoor de persoonsgegevens zijn verwerkt?
- b)
Kunnen degenen die de klantgegevens van J. M. hebben verwerkt, in dit verband onder bepaalde voorwaarden worden aangemerkt als ontvangers van de persoonsgegevens in de zin van artikel 15, lid 1, onder c), [AVG], over wie de betrokkene informatie zou mogen opvragen?
- 3)
Is het voor de procedure van belang dat de zaak betrekking heeft op een bank die een gereglementeerde activiteit uitoefent, of dat J. M. tegelijkertijd zowel werkzaam was voor de bank als een klant van haar was?
- 4)
Is het voor het onderzoek van de voornoemde vragen van belang dat de gegevens van J. M. zijn verwerkt vóór de inwerkingtreding van de [AVG]?’
III. Procedure bij het Hof
26.
Het verzoek om een prejudiciële beslissing is op 22 september 2021 ingekomen ter griffie van het Hof.
27.
J. M., Pankki, de Oostenrijkse, de Tsjechische en de Finse regering en de Europese Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend.
28.
Ter terechtzitting van 12 oktober 2022 zijn J. M., de Tietosuojavaltuutetun toimisto, Pankki, de Finse regering en de Commissie verschenen.
IV. Beoordeling
29.
Aangezien de verwijzende rechter verzoekt om de uitlegging van verschillende bepalingen van de AVG, moet allereerst worden nagegaan of die verordening ratione temporis van toepassing is op het betrokken geding, hetgeen het voorwerp van de vierde prejudiciële vraag is.
A. Toepasselijkheid van de AVG (vierde prejudiciële vraag)
30.
31.
Het onderzoek van de persoonsgegevens van J. M. vond plaats tussen 1 november en 31 december 2013, dat wil zeggen vóór het in werking treden en van toepassing worden van de AVG.
32.
De datum die hier relevant is, is evenwel 29 mei 2018, de dag waarop J. M. onder inroeping van artikel 15, lid 1, AVG (die van toepassing was vanaf 25 mei 2018) de litigieuze informatie heeft opgevraagd.
33.
Zoals de Oostenrijkse regering heeft opgemerkt, verleent artikel 15, lid 1, AVG betrokkenen een procedureel recht (recht van inzage) om informatie over de verwerking van hun persoonsgegevens te verkrijgen.7. Aangezien het om een regel van procedurele aard gaat, is deze bepaling van toepassing vanaf de datum van inwerkingtreding ervan.8. J. M. kon zich er dus op beroepen toen hij Pankki om de informatie vroeg.
34.
35.
Aangezien niet wordt betwist dat de opgevraagde informatie in het bezit van de verwerkingsverantwoordelijke was toen J. M. verzocht om inzage in die informatie (het recht dat door artikel 15, lid 1, AVG wordt gewaarborgd), was die verordening van toepassing.11.
B. Eerste en tweede prejudiciële vraag
37.
De eerste en de tweede prejudiciële vraag kunnen tezamen worden onderzocht. De te beantwoorden vraag is in wezen of de door Pankki verzamelde en verwerkte persoonsgegevens van J. M. kunnen worden gerekend tot de informatie die de betrokkene krachtens artikel 15, lid 1, AVG gerechtigd is te verkrijgen.
1. Identiteit van de werknemers en persoonsgegevens van de betrokkene
38.
Zoals reeds is opgemerkt, heeft de door J. M. opgevraagde informatie betrekking op de identiteit van de werknemers die in 2013 zijn gegevens als klant hebben geraadpleegd, alsook op het tijdstip waarop die verwerking heeft plaatsgevonden en het doel van de verwerking.
39.
Ter terechtzitting is bevestigd dat J. M. zijn vordering heeft beperkt tot het verkrijgen van kennis van de identiteit van die werknemers. De specifieke vraag of de verwerking van zijn gegevens door de bankinstelling een wettelijke basis had, staat in het hoofdgeding niet ter discussie.12.
40.
Bijgevolg geldt dat:
- —
het tijdstip van de verwerking bij J. M. reeds bekend was toen hij zijn verzoek deed, zoals kan worden opgemaakt uit de verwijzingsbeslissing;
- —
het doel van de verwerking door Pankki op de hierboven beschreven wijze is meegedeeld aan J. M.13.
41.
Het debat concentreert zich daarom uitsluitend op de informatie over de identiteit van de werknemers van Pankki die persoonsgegevens van J. M. hebben verwerkt.
42.
Die informatie heeft feitelijk betrekking op een specifiek aspect van de verwerkingsactiviteiten, en strikt genomen niet op de persoonsgegevens van de betrokkene in de zin van artikel 4, punt 1, AVG14..
43.
Duidelijk is dat J. M. de persoon was wiens gegevens zijn geraadpleegd.15. Nadat hij van Pankki de bevestiging had gekregen dat zijn gegevens waren verwerkt16., was de informatie waarop hij krachtens artikel 15, lid 1, AVG recht had die welke wordt opgesomd in de punten a) tot en met h) van die bepaling17.. De verstrekking van die informatie bevordert de uitoefening van de rechten van de betrokkene18. in het kader van de mechanismen die de rechtmatigheid van de gegevensverwerking waarborgen.
44.
Uit artikel 15, lid 1, AVG kan worden afgeleid dat de daarin bedoelde informatie betrekking heeft op de omstandigheden van de verwerking van de gegevens.
45.
Artikel 15, lid 1, AVG kent de betrokkene het recht toe om van de verwerkingsverantwoordelijke het volgende te verkrijgen:
- —
in de eerste plaats ‘uitsluitsel […] over het al dan niet verwerken van hem betreffende persoonsgegevens’;
- —
in de tweede plaats, nadat het plaatsvinden van de verwerking is bevestigd, ‘inzage […] van die persoonsgegevens en van de volgende informatie’19., dat wil zeggen inzage van hetgeen wordt opgesomd in de punten a) tot en met h) van die bepaling.
46.
In de bepaling wordt onderscheid gemaakt tussen ‘persoonsgegevens’ enerzijds en ‘informatie’ als bedoeld in lid 1, onder a) tot en met h), anderzijds.
47.
De overeenkomstig artikel 15, lid 1, onder a) tot en met h), AVG aan de betrokkene te verstrekken informatie mag dus niet worden verward met de persoonsgegevens van de betrokkene in de zin van artikel 4, punt 1, van die verordening.
48.
Het gaat hier derhalve niet om gegevens, maar om informatie met betrekking tot:
- —
‘de verwerkingsdoeleinden’ [onder a)];
- —
‘de betrokken categorieën van persoonsgegevens’ [onder b)];
- —
‘de periode gedurende welke de persoonsgegevens naar verwachting zullen worden opgeslagen’ [onder d)];
- —
de rechten van de betrokkene die worden vermeld onder e), f) en g)20.;
- —
‘het bestaan van geautomatiseerde besluitvorming’ [onder h)].
49.
In al deze gevallen ziet de informatie ofwel op bepaalde rechten van de betrokkene, ofwel in het bijzonder op bepaalde aspecten van de uitgevoerde verwerking, zoals het doel van de verwerking (wat eraan ten grondslag ligt) en het voorwerp ervan (de categorieën verwerkte gegevens).
50.
De informatie over de ontvangers aan wie de persoonsgegevens van de betrokkene zijn of zullen worden verstrekt [artikel 15, lid 1, onder c), AVG] levert meer begripsmatige problemen op, waarop ik zo dadelijk zal ingaan.
51.
Artikel 15, lid 1, AVG voorziet dus in een recht op informatie over het feit dat er een verwerking plaatsvindt en over de omstandigheden van die verwerking. Bovenop deze informatie komt de informatie over de rechten die de betrokkene kan inroepen ten aanzien van de gegevens die worden verwerkt, zoals het recht om een klacht in te dienen bij een toezichthoudende autoriteit.
52.
Dat er een verwerking plaatsvindt en de omstandigheden daarvan vormen mijns inziens geen ‘persoonsgegevens’ in de zin van artikel 4, punt 1, AVG.
53.
Het is juist dat de verwerking kan leiden tot besluiten die de betrokkene betreffen, zoals de verwijzende rechter opmerkt.21. Een dergelijk gevolg staat echter los van de vraag welke natuurlijke persoon of personen namens en onder verantwoordelijkheid van Pankki in concreto de gegevens heeft of hebben opgevraagd, welke vraag in het hoofdgeding aan de orde is.
54.
J. M. heeft derhalve het recht om van Pankki, die de verwerkingsverantwoordelijke is, informatie te ontvangen over de persoonsgegevens waarover zij beschikt en die ofwel bij J. M. zelf (artikel 13 AVG) ofwel op andere wijze (artikel 14 AVG) zijn verzameld. Ook heeft hij recht — dit keer op grond van artikel 15 AVG — op informatie over het bestaan en de omstandigheden van elke verwerking waaraan die gegevens zijn onderworpen, niet omdat die verwerking zelf een ‘persoonsgegeven’ is, maar wel omdat artikel 15 AVG daar uitdrukkelijk in voorziet.22.
55.
Vooruitlopend op wat ik verderop uitgebreider zal uiteenzetten, is de relevante overweging hier dat het bij de identiteit van de werknemers die de gegevens van J. M. hebben geraadpleegd niet om een ‘persoonsgegeven’ van J. M. gaat.
56.
Het is een andere vraag of de logbestanden of registers die ik later zal noemen direct of indirect persoonsgegevens van de betrokkene bevatten, welke gegevens moeten worden onderscheiden van de informatie welke werknemers die gegevens hebben geraadpleegd. Of dat al dan niet het geval is, zal in hoge mate afhangen van de inhoud van de desbetreffende logbestanden of registers. Daar het hoofdgeding alleen ziet op de identiteit van de werknemers van Pankki, zij echter herhaald dat het niet gaat om persoonsgegevens van J. M., maar om persoonsgegevens van die werknemers.
2. Toegang tot informatie over de ontvangers aan wie de persoonsgegevens zijn verstrekt
57.
De verwijzende rechter wenst te vernemen of J. M. er in het licht van artikel 15, lid 1, onder a) en c), AVG recht op heeft dat Pankki hem informatie verstrekt over de werknemers die zijn persoonsgegevens hebben verwerkt, ook al bevat die informatie geen persoonsgegevens van J. M.
58.
Krachtens artikel 15, lid 1, onder a), heeft de betrokkene het recht om van de verwerkingsverantwoordelijke informatie over de doeleinden van de verwerking te verkrijgen. In deze bepaling (die in casu in acht is genomen, aangezien Pankki J. M. in kennis heeft gesteld van het doel van de verwerking) worden echter geen criteria aangereikt om te bepalen wie de ontvangers van de persoonsgegevens van J. M. zijn.
59.
De vraag is evenwel volstrekt zinvol als het gaat om de uitlegging van artikel 15, lid 1, onder c), AVG. In herinnering zij gebracht dat de betrokkene volgens die bepaling het recht heeft om informatie te verkrijgen over ‘de ontvangers of categorieën van ontvangers aan wie de persoonsgegevens zijn of zullen worden verstrekt’.
60.
In artikel 4, punt 9, AVG wordt ‘ontvanger’ gedefinieerd als ‘een natuurlijke persoon of rechtspersoon, een overheidsinstantie, een dienst of een ander orgaan, al dan niet een derde, aan wie/waaraan de persoonsgegevens worden verstrekt’.
61.
De zinsnede (‘al dan niet een derde’) zou aanleiding kunnen geven tot misverstanden over de subjectieve werkingssfeer van de bepaling, zoals ter terechtzitting is opgemerkt. Een oppervlakkige, en in mijn ogen onjuiste, lezing zou de gedachte kunnen doen postvatten dat de ‘ontvanger’ niet alleen elke derde zou zijn aan wie Pankki de persoonsgegevens van J. M. heeft verstrekt, maar ook elk van de werknemers die die gegevens concreet hebben geraadpleegd namens en in opdracht van de rechtspersoon die Pankki is.
62.
In artikel 4, punt 10, AVG wordt ‘derde’ omschreven als ‘een natuurlijke persoon of rechtspersoon, een overheidsinstantie, een dienst of een ander orgaan, niet zijnde de betrokkene, noch de verwerkingsverantwoordelijke, noch de verwerker, noch de personen die onder rechtstreeks gezag van de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker gemachtigd zijn om de persoonsgegevens te verwerken’23..
63.
In het licht van het voorgaande omvat het begrip ‘ontvanger’ naar mijn mening niet de werknemers van een rechtspersoon die, met gebruik van het computersysteem van die rechtspersoon, in opdracht van diens bestuursorganen de persoonsgegevens van een klant raadplegen. Wanneer die werknemers onder rechtstreeks gezag van de verwerkingsverantwoordelijke handelen, verkrijgen zij niet door dat enkele feit de hoedanigheid van ‘ontvanger’ van de gegevens.24.
64.
Nu kan zich het geval voordoen dat een werknemer de door de verwerkingsverantwoordelijke vastgestelde procedures niet volgt en zich op eigen initiatief onrechtmatig toegang verschaft tot gegevens van klanten of van andere werknemers. In die situatie zou de oneerlijke werknemer niet namens en ten behoeve van de verwerkingsverantwoordelijke handelen.
65.
In zoverre zou de oneerlijke werknemer kunnen worden aangemerkt als een ‘ontvanger’ aan wie (in figuurlijke zin) — al is het door eigen hand en daardoor onrechtmatig — persoonsgegevens van de betrokkene zijn ‘verstrekt’25., of zelfs als (autonome) verwerkingsverantwoordelijke26..
66.
Uit de beschrijving van de feiten in de verwijzingsbeslissing en uit de argumenten die Pankki ter terechtzitting heeft aangevoerd, kan worden opgemaakt dat deze financiële instelling haar werknemers toestemming heeft gegeven om, onder haar verantwoordelijkheid, de persoonsgegevens van J. M. te raadplegen. Die werknemers hebben derhalve de instructies van de verwerkingsverantwoordelijke opgevolgd en namens deze gehandeld. Bijgevolg kunnen zij niet worden aangemerkt als ontvangers in de zin van artikel 15, lid 1, onder c), AVG.27.
67.
Een andere kwestie is dat de identificerende gegevens van die werknemers en het tijdstip waarop elk van hen toegang tot de persoonsgegevens van de klant heeft gekregen (dat wil zeggen de inhoud van de relevante vermeldingen in bestanden of registers, waaraan ik hieronder aandacht zal besteden) ter beschikking van de toezichthoudende autoriteiten moeten worden gesteld om de regelmatigheid van hun handelingen te controleren.
68.
Dit wordt bevestigd door artikel 29 AVG, waarin wordt gesproken van personen die ‘onder het gezag van de verwerkingsverantwoordelijke of van de verwerker [handelen] en toegang [hebben] tot persoonsgegevens’. De bewuste personen mogen dergelijke gegevens alleen verwerken in opdracht van hun werkgever, die de echte verwerkingsverantwoordelijke (of verwerker) is.
69.
Het doel van artikel 15, lid 1, AVG is om de betrokkene in staat te stellen zijn rechten met betrekking tot zijn persoonsgegevens doeltreffend uit te oefenen (te verdedigen). Daarom moet hem worden meegedeeld wie de verwerkingsverantwoordelijke is, en in voorkomend geval aan welke ontvangers die gegevens zijn verstrekt. Met die informatie kan de betrokkene zich, behalve tot de verwerkingsverantwoordelijke, wenden tot de ontvangers die kennis hebben genomen van zijn gegevens.
70.
De betrokkene kan natuurlijk twijfels hebben over de rechtmatigheid van de tussenkomst van bepaalde personen in het beheer van de verwerking van zijn gegevens namens en onder het gezag van de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker.
71.
In die situatie kan hij, zoals de Tsjechische regering heeft opgemerkt en de Commissie ter terechtzitting naar voren heeft gebracht, contact opnemen met de functionaris voor gegevensbescherming (artikel 38, lid 4, AVG) of met de toezichthoudende autoriteit om een klacht in te dienen [artikel 15, lid 1, onder f), en artikel 77 AVG]. Wat hij niet heeft, is het recht om rechtstreeks een persoonsgegeven (de identiteit) te verzamelen van de werknemer die ondergeschikt is aan de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker en in principe conform de instructies van die laatste handelt.
72.
Ter terechtzitting is aan de orde geweest of de mogelijkheid om contact op te nemen met de functionaris voor gegevensbescherming of met de toezichthoudende autoriteit een voldoende waarborg vormt vanuit het oogpunt van de verdediging van de rechten van de persoon wiens gegevens zijn verwerkt.
73.
Om dat debat te beslechten kan een maximalistisch standpunt worden ingenomen, in die zin dat elke betrokkene het recht heeft om kennis te nemen van de identiteit van de werknemers van de verwerkingsverantwoordelijke die toegang tot zijn gegevens hebben gehad, ook als dat in opdracht en onder leiding van die verwerkingsverantwoordelijke is gebeurd.
74.
In mijn opvatting biedt de AVG geen aanknopingspunten om dat standpunt te schragen, onverminderd de mogelijkheid voor een lidstaat om dat recht in zijn nationale wetgeving op te nemen ten aanzien van een of meer specifieke sectoren28..
75.
Het zou mijns inziens niet raadzaam zijn als het Hof de AVG zou amenderen, en daarmee quasi-wetgevende taken op zich zou nemen, om daarin een nieuwe informatieverplichting in te voeren bovenop die van artikel 15, lid 1. Dat zou gebeuren indien de verwerkingsverantwoordelijke zou worden verplicht om, zonder onderscheid, aan de betrokkene niet alleen de identiteit van de ontvanger aan wie de gegevens zijn verstrekt mee te delen, maar ook die van elke werknemer of persoon binnen de onderneming die er rechtmatig toegang toe heeft gekregen.29.
76.
Zoals Pankki ter terechtzitting heeft opgemerkt, vormt de identiteit van individuele werknemers die de verwerking van gegevens van een klant hebben beheerd bijzonder gevoelige informatie uit het oogpunt van hun veiligheid, althans in bepaalde economische sectoren.
77.
Die werknemers kunnen — als zwakste schakel in de bedrijfsketen — worden blootgesteld aan pogingen om druk en invloed uit te oefenen door personen die, als klant van de bank, mogelijk belang hebben bij het personaliseren van hun gesprekspartner, die dan niet langer de financiële instelling zelf is, maar een werknemer of enkele van haar werknemers. Dit kan bijvoorbeeld geschieden wanneer er, door de raadpleging van klantgegevens, follow-up wordt gegeven aan transacties om te voldoen aan de verplichtingen waaraan banken zijn onderworpen op het gebied van het voorkomen en bestrijden van criminaliteit op financieel gebied.
78.
Uiteraard kan de klant twijfelen aan de onkreukbaarheid of onpartijdigheid van de natuurlijke persoon die namens de verwerkingsverantwoordelijke betrokken is bij de verwerking van zijn gegevens. Die twijfel zou, mits deze redelijk is, het belang van de klant bij het kennisnemen van de identiteit van de werknemer kunnen rechtvaardigen met het oog op de uitoefening van zijn recht om zich tot die werknemer te wenden.
79.
Gelet op de gevoeligheid van die informatie botst het belang om kennis te nemen van de identiteit van de werknemer met het niet minder onbetwistbare belang van beheerders van verwerkingen bij het behouden van de vertrouwelijkheid van de identiteit van hun werknemers en met het recht van die werknemers op bescherming van hun eigen gegevens. Het evenwichtspunt wordt naar mijn mening bereikt door bemiddeling van de toezichthoudende autoriteit, als scheidsrechter tussen deze twee met elkaar conflicterende belangen.
80.
In omstandigheden als die in casu zal het dus de toezichthoudende autoriteit moeten zijn die, vanuit haar onpartijdige positie, beoordeelt of de twijfels over het handelen van werknemers van de bankinstelling zodanig gegrond en consistent zijn dat het opofferen van de vertrouwelijkheid van hun identiteit gerechtvaardigd is.
3. Toegang tot vermeldingen van de identiteit van werknemers in logbestanden of registers van verwerkingsactiviteiten
81.
De beantwoording van de eerste en de tweede prejudiciële vraag zou hier kunnen stoppen, nu is vastgesteld dat de werknemers van de financiële instelling die namens en in opdracht van haar handelen strikt geoordeeld niet de in artikel 15, lid 1, onder c), AVG bedoelde ontvangers zijn.
82.
Het lijkt mij echter passend om het antwoord aan te vullen met een analyse van het vermeende recht van de betrokkene om kennis te nemen van de identiteit van de werknemers wanneer die is vastgelegd in de logbestanden of registers van verwerkingsactiviteiten van een entiteit. Hoewel, zoals ik reeds heb opgemerkt, niet al die bestanden of registers noodzakelijkerwijs een identieke inhoud zullen hebben, is algemeen aanvaard dat zij weerspiegelen door wie (van de werknemers van de verwerkingsverantwoordelijke), hoe en wanneer de klantgegevens zijn geraadpleegd.
83.
Dit type registers stelt de verwerkingsverantwoordelijke in staat te voldoen aan zijn verplichting om de beginselen van artikel 5, lid 1, AVG in acht te nemen en passende technische en organisatorische maatregelen te treffen om te waarborgen en te kunnen aantonen dat de verwerking voldoet aan de vereisten van die verordening (artikel 24, lid 1, en artikel 25, lid 2, AVG).
84.
Binnen de specifieke werkingssfeer van richtlijn (EU) 2016/68030., die door de Commissie is aangevoerd als voorbeeld31. van een bijzondere gegevensbeschermingsregeling waar het gaat om strafbare feiten:
- —
legt artikel 24 elke verwerkingsverantwoordelijke de verplichting op om een register bij te houden van alle categorieën van onder zijn verantwoordelijkheid vallende verwerkingsactiviteiten (lid 1), en elke verwerker om een register bij te houden van alle categorieën van verwerkingsactiviteiten die hij namens een verwerkingsverantwoordelijke heeft verricht (lid 2);
- —
vereist artikel 25 dat ‘logbestanden worden bijgehouden van ten minste de volgende verwerkingen in systemen voor geautomatiseerde verwerking: verzameling, wijziging, raadpleging, bekendmaking onder meer in de vorm van doorgiften, combinatie en wissing. De logbestanden van raadpleging en bekendmakingen maken het mogelijk de redenen, de datum en het tijdstip van die handelingen te achterhalen en indien mogelijk de identiteit van de persoon die persoonsgegevens heeft geraadpleegd of bekendgemaakt, en de identiteit van de ontvangers van die persoonsgegevens.’32.
85.
Volgens artikel 14 van richtlijn 2016/680 behoort informatie over specifiek de identiteit van de werknemer die de persoonsgegevens heeft verwerkt niet tot de informatie waarop de betrokkene recht heeft.
86.
In dezelfde lijn schrijft artikel 30 AVG voor dat er een ‘register van de verwerkingsactiviteiten’ moet bestaan, waarvan de inhoud overeenkomt met die van het logbestand van artikel 25 van richtlijn 2016/680, zij het dat de verwerkingen minder specifiek zijn omschreven.33. En zoals in die laatste richtlijn, behoort de vastgelegde informatie over de identiteit van de werknemer ook in de AVG niet tot de informatie die op grond van artikel 15 ervan toegankelijk is voor de betrokkene.
87.
De reden voor deze asymmetrie tussen de vastgelegde informatie en het recht op toegang daartoe ligt in het verschil tussen de doeleinden die worden gediend door de voorschriften die respectievelijk de registers van de verwerkingsactiviteiten en de toegankelijkheid van de inhoud ervan regelen.
88.
De registers waar artikel 30 AVG op ziet, hebben — zoals reeds is aangegeven — tot doel om de rechtmatigheid van de verwerking en de integriteit en veiligheid van de gegevens te waarborgen. De verantwoordelijkheid daarvoor berust in algemene zin bij de toezichthoudende autoriteit, waaraan de verwerkingsverantwoordelijke en de verwerker de registers van de verwerkingsactiviteiten ter beschikking moeten stellen (artikel 30, lid 4, AVG).
89.
In de AVG heeft het recht om een klacht in te dienen bij de toezichthoudende autoriteit [artikel 15, lid 1, onder f)], die verantwoordelijk is voor de correcte toepassing van die verordening, als doel om de rechten van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van hun gegevens te beschermen. Dit wordt bepaald in artikel 51, lid 1, AVG en blijkt ook uit de opsomming van taken die bij artikel 57 van die verordening aan de toezichthoudende autoriteit zijn opgedragen.
90.
De algemene taak om toezicht te houden op de uitvoering van de AVG en om de rechten van natuurlijke personen te beschermen rechtvaardigt de bevoegdheden van de toezichthoudende autoriteit, waaronder die om kennis te nemen van de omstandigheden waarin gegevensverwerkingen zijn uitgevoerd in opdracht van een verwerker of een verwerkingsverantwoordelijke. Om een van die omstandigheden gaat het hier: de identiteit van de personen die namens de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker persoonsgegevens van klanten raadplegen.
91.
Nergens in de AVG wordt echter vereist dat de vermelding van de identiteit van werknemers in de interne registers van entiteiten — waardoor die entiteiten kunnen weten wie persoonsgegevens van een klant heeft onderzocht en wanneer dit is gebeurd (en waardoor zij deze gegevens in voorkomend geval ter beschikking van de toezichthoudende autoriteit kunnen stellen) — open moet staan voor kennisneming door de klant.
92.
Aan de persoon op wie een specifieke verwerking betrekking heeft, moet evenwel de nodige informatie worden verstrekt om hem in staat te stellen de relevante omstandigheden te kennen, zodat hij de rechtmatigheid van de verwerking kan beoordelen en deze in voorkomend geval kan betwisten voor de toezichthoudende autoriteit of uiteindelijk voor de rechterlijke autoriteit.
93.
Het voorgaande laat onverlet dat, indien de registers van de verwerkingsactiviteiten daadwerkelijk persoonsgegevens van de betrokkene bevatten (dus niet enkel de identiteit van de werknemers), de betrokkene uiteraard het recht heeft om van de verwerkingsverantwoordelijke bevestiging te krijgen dat zijn persoonsgegevens zijn verwerkt. Daartoe is het niet van belang of die gegevens zich in een register van de verwerkingsactiviteiten of in enig ander bestand of andere interne databank van de entiteit bevinden.
C. Derde prejudiciële vraag
94.
De verwijzende rechter wenst te vernemen of het ‘van belang [is] dat de zaak betrekking heeft op een bank die een gereglementeerde activiteit uitoefent, of dat J. M. tegelijkertijd zowel werkzaam was voor de bank als een klant van haar was’.
95.
Volgens mij verandert het feit dat de verwerkingsverantwoordelijke een gereglementeerde activiteit uitoefent niets aan wat ik tot nu toe heb uiteengezet. Dat die verwerkingsverantwoordelijke een bank is en dus is onderworpen aan de specifieke wetgeving voor dit type entiteiten34., kan echter van belang zijn voor het vaststellen van de rechtmatigheid (de wettelijke basis) van de verwerking, wanneer die verwerking voortvloeit uit de naleving van de wettelijke verplichtingen die zij moet nakomen35..
96.
In beginsel is het evenmin relevant dat de persoon wiens gegevens zijn geraadpleegd een werknemer en daarnaast ook een klant van die bank was. Artikel 15, lid 1, AVG maakt geen onderscheid op basis van de beroepsactiviteit van de betrokkene en het feit dat hij tevens klant van de financiële instelling was.36.
97.
Zeker is dat, zoals de Commissie heeft opgemerkt, artikel 23 AVG de lidstaten de mogelijkheid biedt om de reikwijdte van de verplichtingen en rechten die zijn neergelegd in onder meer artikel 15 AVG, wettelijk te beperken door middel van sectorale bepalingen voor een specifieke categorie van betrokkenen. De verwijzende rechter vermeldt echter geen enkele nationale beperking van deze aard.
V. Conclusie
98.
Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging om de Itä-Suomen hallinto-oikeus te antwoorden als volgt:
‘Artikel 15, lid 1, van verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming), juncto artikel 4, punt 1, van die verordening,
moet aldus worden uitgelegd dat
het van toepassing is wanneer het verzoek om toegang tot informatie dat de betrokkene aan de verwerkingsverantwoordelijke heeft gericht, is ingediend na 25 mei 2018;
het de betrokkene niet het recht verleent om, voor wat betreft de informatie waarover de verwerkingsverantwoordelijke beschikt (eventueel via registers of logbestanden), kennis te nemen van de identiteit van de werknemer of werknemers die, handelend onder het gezag en in opdracht van de verwerkingsverantwoordelijke, zijn persoonsgegevens heeft of hebben geraadpleegd.’
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 15‑12‑2022
Oorspronkelijke taal: Spaans.
Verordening van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PB 2016, L 119, blz. 1, met rectificaties in PB 2021, L 74, blz. 35, en PB 2018, L 127, blz. 2; hierna: ‘AVG’).
Laki yksityisyyden suojasta työelämässä (759/2004).
Pankki wilde weten of er mogelijk sprake was van een belangenconflict tussen een van haar klanten en J. M., die de verantwoordelijke relatiemanager van die klant was. Uiteindelijk werd geconcludeerd dat J. M. niet kon worden verdacht van enige incorrecte handeling.
Zie ook conclusie van advocaat-generaal Pitruzzella in de zaak Österreichische Post (Informatie met betrekking tot de ontvangers van persoonsgegevens) (C-154/21, EU:C:2022:452, punt 33): ‘Uit het voorgaande volgt dat het in artikel 15, lid 1, onder c), AVG neergelegde recht van inzage een functionele en instrumentele rol speelt bij de uitoefening van andere voorrechten van de betrokkene uit hoofde van de AVG.’
Of, zoals in casu het geval is, vanaf de datum waarop die bepaling van toepassing wordt, indien die verschilt van de datum van inwerkingtreding.
Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB 1995, L 281, blz. 31).
De rechtspraak van het Hof inzake de temporele werking van wijzigingen die zien op de toepasselijke bepalingen is samengevat in het arrest 15 juni 2021, Facebook Ireland e.a. (C-645/19, EU:C:2021:483).
Onder verwijzing naar richtlijn 95/46 wordt in het arrest van 7 mei 2009, Rijkeboer (C-553/07, EU:C.2009:293, punt 70), verklaard dat ‘artikel 12, onder a), van de richtlijn […] van de lidstaten [verlangt] dat zij niet alleen voor het heden, maar ook voor het verleden voorzien in een recht op toegang tot informatie […]. Het staat aan de lidstaten, een termijn voor de bewaring van deze informatie en een daarop afgestemde toegang daartoe vast te stellen die een juist evenwicht vormen tussen, enerzijds, het belang van de betrokkene om zijn persoonlijke levenssfeer te beschermen, met name door middel van de bij de richtlijn voorziene mogelijkheden om de voor de verwerking verantwoordelijke in te schakelen en zich tot de rechter te wenden, en, anderzijds, de last die de verplichting tot bewaring van die informatie inhoudt voor de voor de verwerking verantwoordelijke’. Cursivering van mij.
Onverminderd de eventuele noodzaak voor de verwijzende rechter om zich over dit punt uit te spreken, zijn de redenen die ter terechtzitting zijn aangevoerd om de verwerking van de gegevens te rechtvaardigen, de volgende: de verplichtingen die voortvloeien uit de Finse wetgeving op grond waarvan Pankki als financiële instelling een behoorlijk risicobeheer moet waarborgen en de regels inzake het voorkomen en bestrijden van witwassen van geld waar het gaat om de traceerbaarheid van transacties moet naleven, alsmede de overeenkomsten die de bank met haar klanten en werknemers heeft, welke overeenkomsten de raadpleging van hun gegevens in omstandigheden als die in casu zouden toestaan.
Zie punt 21 van deze conclusie.
Volgens deze bepaling moet onder persoonsgegevens worden verstaan ‘alle informatie over een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon’, dat wil zeggen een natuurlijke persoon ‘die direct of indirect kan worden geïdentificeerd’.
De vaststelling van zijn identiteit is geen gevolg of uitvloeisel van de verwerking, aangezien de verwerking pas werd uitgevoerd nadat J. M. was geïdentificeerd.
Zoals de Commissie heeft laten optekenen, is J. M. mogelijkerwijs van mening dat de verstrekte informatie ontoereikend of onnauwkeurig is. In ieder geval heeft J. M. overeenkomstig artikel 15, lid 1, AVG het recht om te weten of zijn gegevens zijn of worden verwerkt (met inbegrip van een aanduiding van het tijdstip) en voor welke doeleinden de verwerking plaatsvindt. Het staat aan de verwijzende rechter om te beoordelen of hij daaromtrent voldoende informatie heeft gekregen.
Zie de weergave hiervan in punt 5 van deze conclusie.
Het Hof heeft met betrekking tot richtlijn 95/46 — in bewoordingen die op de AVG kunnen worden toegepast — verklaard dat de door het Unierecht op dit gebied gewaarborgde beginselen inzake bescherming ‘enerzijds tot uiting komen in de verplichtingen die aan degenen die de verwerkingen uitvoeren worden opgelegd, welke verplichtingen met name betrekking hebben op de kwaliteit van de gegevens, de technische beveiliging, de aanmelding bij de toezichthoudende autoriteit en de omstandigheden waarin de verwerking kan worden uitgevoerd, en anderzijds in het feit dat aan personen wier gegevens het voorwerp van verwerkingen zijn, het recht wordt verleend om daarvan in kennis te worden gesteld, tot die gegevens toegang te krijgen, de rectificatie ervan te verlangen en zelfs om zich in bepaalde omstandigheden tegen verwerking te verzetten’ (arrest van 20 december 2017, Nowak, C-434/16, EU:C:2017:994, punt 48).
Cursivering van mij.
Het recht om te verzoeken dat gegevens worden gerectificeerd of gewist, of dat de verwerking wordt beperkt, alsmede het recht om tegen die verwerking bezwaar te maken; het recht om een klacht in te dienen bij een toezichthoudende autoriteit, en het recht om geïnformeerd te worden over de herkomst van gegevens die niet bij de betrokkene zijn verzameld.
Punt 38 van de verwijzingsbeslissing.
De artikelen 13, 14 en 15 AVG, die in hoofdstuk III (‘Rechten van de betrokkene’), afdeling 2 (‘Informatie en toegang tot persoonsgegevens’), zijn opgenomen, vormen een systeem dat is gebaseerd op de erkenning van het recht om kennis te nemen van: a) de persoonsgegevens waarover de verwerkingsverantwoordelijke beschikt, ongeacht de wijze waarop deze zijn verzameld (artikelen 13 en 14), en b) de omstandigheden van elke specifieke verwerking van die gegevens (artikel 15).
Cursivering van mij.
Dit is de opvatting die het Europees Comité voor gegevensbescherming uiteenzet in punt 88 van de genoemde richtsnoeren 07/2020: ‘Een werknemer enz. die toegang verkrijgt tot gegevens die hij niet mag raadplegen en voor andere doeleinden dan die van de werkgever, valt niet onder deze categorie. In plaats daarvan dient deze werknemer ten opzichte van de door de werkgever uitgevoerde verwerking als een derde te worden beschouwd. Voor zover de werknemer persoonsgegevens verwerkt voor eigen doeleinden, die losstaan van die van zijn werkgever, wordt hij of zij beschouwd als verwerkingsverantwoordelijke en neemt hij alle daaruit voortvloeiende gevolgen en verplichtingen op zich met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens.’
Tot dezelfde uitkomst leidt de uitlegging van de verwijzingen in de artikelen 13 en 14 en overweging 61 AVG naar het tijdstip waarop de informatie over de verwerking van de aan de ontvangers verstrekte persoonsgegevens moet worden meegedeeld aan de betrokkenen. Uit die verwijzingen volgt dat de ontvanger een externe entiteit of persoon is, die niet is verbonden met de verwerkingsverantwoordelijke of verwerker.
De Finse regering heeft ter terechtzitting verklaard dat zij dat heeft gedaan met betrekking tot gezondheidsgegevens.
De gevolgen van het erkennen van die verplichting voor de dagelijkse activiteiten van ondernemingen, met name ondernemingen die verplicht zijn om (logischerwijs via hun werknemers) miljoenen persoonsgegevens van hun klanten te verwerken, zijn nauwelijks te overzien.
Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad (PB 2016, L 119, blz. 89).
Ter terechtzitting is verduidelijkt dat met de verwijzing naar richtlijn 2016/680 niet werd bedoeld dat die van toepassing is op de onderhavige zaak, die geen strafrechtelijke connotaties heeft.
Dezelfde bepaling is terug te vinden in artikel 88 van verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de instellingen, organen en instanties van de Unie en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 45/2001 en besluit nr. 1247/2002/EG (PB 2018, L 295, blz. 39), met de toevoeging, in lid 2 ervan, dat de logbestanden na drie jaar worden verwijderd, tenzij zij nodig zijn voor een lopende controle.
In artikel 25, lid 1, van richtlijn 2016/680 wordt uitdrukkelijk verwezen naar ‘de persoon die persoonsgegevens heeft geraadpleegd of bekendgemaakt’. Op meer algemene wijze en zonder dat elke verwerkingsactiviteit wordt gespecificeerd — er is sprake van ‘alle categorieën van verwerkingsactiviteiten die zij ten behoeve van een verwerkingsverantwoordelijke hebben verricht’ — wordt er in artikel 30, lid 2, onder a), AVG verwezen naar ‘de naam en de contactgegevens van de verwerkers’. Volgens artikel 4, punt 8, AVG is een verwerker een ‘persoon [die] namens de verwerkingsverantwoordelijke persoonsgegevens verwerkt’.
Die specifieke wetgeving kan bijvoorbeeld impliceren, zoals wordt verklaard in overweging 11 van richtlijn 2016/680, dat ‘financiële instellingen […] met het oog op onderzoek, opsporing of vervolging van strafbare feiten bepaalde persoonsgegevens die door hen worden verwerkt [bewaren], en […] die persoonsgegevens uitsluitend in specifieke gevallen en overeenkomstig het lidstatelijke recht aan de bevoegde nationale autoriteiten [verstrekken]’.
Zie voetnoot 12 van deze conclusie.
De verwijzende rechter vraagt niet naar een eventuele schending van de rechten waarover J. M. als werknemer van Pankki beschikte.