RF 2024/38
Heeft de afnemer van het effectenleaseproduct voldoende gesteld voor het oordeel dat de tussenpersoon heeft geadviseerd en dat Dexia dat behoorde te weten?
HR 17-05-2024, ECLI:NL:HR:2024:715
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
17 mei 2024
- Magistraten
Mrs. T.H. Tanja-van den Broek, H.M. Wattendorff, F.J.P. Lock
- Zaaknummer
23/00862
- Conclusie
plv. P-G mr. M.H. Wissink
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:ADS964894:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Burgerlijk procesrecht / Rechtspleging van onderscheiden aard
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2024:715, Uitspraak, Hoge Raad, 17‑05‑2024
ECLI:NL:PHR:2024:332, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 22‑03‑2024
- Wetingang
Art. 6:162 BW; art. 41 NR 1999; art. 25 NR 1995
Essentie
Effectenlease. Advies. Stelplicht.
Heeft de afnemer van het effectenleaseproduct voldoende gesteld voor het oordeel dat de tussenpersoon heeft geadviseerd en dat Dexia dat behoorde te weten?
Samenvatting
Consument heeft in 1999 twee effectenleaseovereenkomsten afgesloten met (een rechtsvoorgangster van) Dexia. In 2005 heeft consument een klacht ingediend bij Dexia op basis van onrechtmatige daad. Consument heeft daarna tijdig een opt-outverklaring afgegeven in het kader van de collectieve regeling. Vervolgens is consument een procedure begonnen. Consument vordert een verklaring voor recht dat Dexia onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld. Ook vordert hij terugbetaling van alles wat hij onder de overeenkomsten aan ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.