Einde inhoudsopgave
De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer (Verzekeringsrecht) 2010/5.2.3.1
5.2.3.1 De Richtlijn: dekking in de gehele EER
mr. F.J. Blees, datum 29-04-2010
- Datum
29-04-2010
- Auteur
mr. F.J. Blees
- JCDI
JCDI:ADS394805:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Het Bureau van de Duitse Democratische Republiek (DDR) trad in 1973 toe als 'geassocieerd lid' van de Council (een bijzondere status in verband met het feit dat de DDR slechts één (staats) verzekeringsmaatschappij kende); pas vanaf 1974 stond het verzekeraars vrij de Uniform Agreement met het Bureau van de DDR te tekenen. De bepaling heeft dus slechts kort effect gehad. Daarna werd zij door de toelating van de DDR tot het groenekaartstelsel achterhaald.
Zie art. 2 van de 3e Richtlijn, zoals dat is gewijzigd met art. Ibis, derde lid van de 5e Richtlijn.
De verzekeringnemer kocht als het ware een groene kaart, zij het dat deze voor de eventuele schaderegeling in verband met ongevallen binnen de Gemeenschap geen rol van betekenis vervult. Daar immers is de aansprakelijkheid en de verantwoordelijkheid van de Bureaus gebaseerd op het begrip 'gewoonlijk gestald'.
Zie document COM 88/644, p. 4.
Veelal werd daarbij een termijn van drie maanden gehanteerd, maar kortere termijnen kwamen ook voor.
De oudste Richtlijnbepaling die op de door de verzekeringsovereenkomst te verstrekken dekking betrekking heeft, is die van art. 3 derde alinea van de Richtlijn, dat uit de le Richtlijn stamt. Nadat de eerste alinea heeft bepaald dat de lidstaten de nodige maatregelen treffen opdat motorrijtuigen tegen het risico van wettelijke aansprakelijkheid zijn gedekt en dat de dekking en de verzekeringsvoorwaarden moeten worden geregeld door de nationale wet, bepaalt de Richtlijn in de derde alinea:
"Iedere lidstaat treft de nodige maatregelen opdat door de verzekeringsovereenkomst eveneens worden gedekt:
a) de schade die is veroorzaakt op het grondgebied van de andere lidstaten, overeenkomstig de in deze Staten geldende wettelijke regelingen,
b) de schade waarvan onderdanen van de lidstaten de benadeelde kunnen zijn op het traject dat een rechtstreekse verbinding vormt tussen twee gebieden waar het Verdrag van toepassing is, wanneer er geen nationaal bureau van verzekeraars bestaat voor dat traject. In dat geval wordt de schade gedekt overeenkomstig de nationale wetgeving inzake de verplichte verzekering die geldt in de lidstaat op het grondgebied waarvan het voertuig gewoonlijk is gestald."
De verzekering moet dus dekken de schade die in andere lidstaten wordt veroorzaakt en wel conform de wet- en regelgeving van het land van het ongeval. Onder de wettelijke bepalingen waarvan de Richtlijn spreekt vallen ook de bepalingen van IPR, zodat aansprakelijkheids- en schadevergoedingsvragen onder omstandigheden ook door het (materiële) recht van een andere Staat dan die van het ongeval kunnen worden beheerst.
Onderdeel b) van de geciteerde bepaling zag op de situatie van Berlijn. Om het tot de Bondsrepubliek Duitsland behorende deel van Berlijn te bereiken moest de automobilist over het grondgebied van de DDR, die bij het totstandkomen en de inwerkingtreding van de le Richtlijn nog niet tot het groenekaartstelsel was toegetreden.1
Met de 3e Richtlijn is daaraan toegevoegd dat de polis deze gemeenschapsbrede dekking tegen één en dezelfde premie moet geven. De 5e Richtlijn verduidelijkt vervolgens dat de dekking ook tijdelijk (langdurig) verblijf in een andere lidstaat moet dekken:
"De lidstaten nemen de nodige maatregelen opdat alle polissen in het kader van de verplichte wettelijke-aansprakelijkheidsverzekering met betrekking tot de deelneming van voertuigen aan het verkeer:
a) tegen betaling van één enkele premie en gedurende de gehele looptijd van de overeenkomst dekking verschaffen voor het gehele grondgebied van de Gemeenschap, en
b) tegen betaling van diezelfde premie, in elke lidstaat de bij diens wet voorgeschreven dekking verschaffen, dan wel de dekking die wettelijk is voorgeschreven in de lidstaat waar het voertuig gewoonlijk is gestald, indien laatstgenoemde dekking hoger is."2
Met deze bepaling wordt het aspect van de interne markt benadrukt. In de Preambule bij de le Richtlijn wordt het toenmalige art. 3 gemotiveerd met het (in de tekst van de Richtlijn niet meer terugkomende) argument dat:
"het gewenst is dat de bevolking van de lid-Staten zich sterker rekenschap geeft van de realiteit van de gemeenschappelijke markt en dat hiertoe maatregelen (moeten) worden genomen tot verdere liberalisatie van de regeling voor het verkeer van personen en motorrijtuigen in het reizigersverkeer tussen de Lid-Staten."
De overwegingen bij de 3e Richtlijn brengen ons ten aanzien van de achtergronden van deze bepaling niet veel verder. Zij vermelden slechts dat het gewenst is iedere onzekerheid ten aanzien van de toepassing van art. 3 van de Richtlijn weg te nemen en dat de verplichte motorrijtuigverzekering het grondgebied van de gehele Gemeenschap moet bestrijken.
In de praktijk kwam het in de jaren '70 en '80 van de vorige eeuw voor, dat de verzekering in beginsel een puur nationale dekking gaf en dat de verzekeringnemer - wilde hij naar het buitenland reizen - tegen bijbetaling buitenlanddekking kon verlangen.3 Deze praktijk was in Italië vrij algemeen, maar ook Nederlandse en Engelse verzekeraars van bedrijfsvoertuigen volgden dit model.4 Aan deze praktijk maakte de 3e Richtlijn dus een einde.
Daarmee blijft in de praktijk in de visie van de Brusselse wetgever nog één probleem over: veel verzekeraars bepaalden in hun polisvoorwaarden dat de dekking verviel, als het voertuig zich langere tijd in het buitenland zou bevinden.5 Deze praktijk is, in overweging 17 van de 5e Richtlijn, thans overweging 24, als strijdig met de bedoelingen van de Richtlijn gekwalificeerd. Aan art. 3, derde alinea van de Richtlijn zijn de woorden "gedurende de gehele looptijd van de overeenkomst" toegevoegd, waarmee wordt bereikt dat de dekking ook moet worden geboden tijdens de perioden waarin het voertuig zich, gedurende de looptijd van de overeenkomst, in een andere lidstaat bevindt. De Richtlijn biedt geen aanknopingspunt om aan te nemen, dat dit verbod alleen geldt als het voertuig tijdelijk in een andere lidstaat vertoeft. Ook als de verzekerde zich in een andere lidstaat vestigt, zal de verzekeraar moeten wachten tot het einde van de looptijd van de overeenkomst alvorens hij aan die verhuizing consequenties kan verbinden.
Wel moet worden bedacht dat de lidstaten (nog niet geharmoniseerde) voorschriften kennen die de eigenaar van een motorrijtuig verplichten zijn voertuig binnen een bepaalde periode in de lidstaat van zijn nieuwe woonplaats te registreren. Krijgt het voertuig het kenteken van de lidstaat van de nieuwe woonplaats van de eigenaar, dan zal daarmee het risico in die lidstaat gelegen zijn, is het voertuig gewoonlijk in die lidstaat gestald dan zal de eigenaar in die lidstaat een verzekering moeten afsluiten.
Dit regime is in grote lijnen het logische gevolg van het streven naar een interne motorrijtuigverzekeringsmarkt. Daarbij past dat een verzekeringspolis in die gehele markt dekking verschaft. Evenmin als een polis, afgesloten door een verzekeringnemer woonachtig in Zuid-Holland, de dekking kan beperken tot die provincie en daarbuiten slechts tegen bijbetaling dekking biedt, mag een polis, afgesloten voor een gewoonlijk in Nederland (of welke lidstaat dan ook) gestald motorrijtuig, de dekking beperken tot die lidstaat.
De Richtlijn gaat echter verder door te bepalen dat de dekking in stand moet blijven gedurende de perioden dat een voertuig zich, tijdens de looptijd van de verzekering, in een andere lidstaat bevindt en wel tegen dezelfde premie. Dit komt neer op een verbod op het verbinden van consequenties aan deze vorm van risicoverzwaring.
Terwijl een verzekerde die tijdens de looptijd van de overeenkomst van Friesland naar Amsterdam verhuist - althans in theorie - wel met een aanpassing van zijn premietarief kan worden geconfronteerd, is dat niet mogelijk als diezelfde verzekerde van Friesland verhuist naar het centrum van Londen.
Verzekeraars kunnen zich nog slechts tegen risicoverzwaring door vertrek naar of langer verblijf in het buitenland beschermen door hun verzekeringnemers te verplichten deze risicoverzwaring die het gevolg is van vertrek (al dan niet tijdelijk) naar een andere lidstaat aan de verzekeraar te melden. Weliswaar is beëindiging van de dekking of schorsing ervan niet mogelijk, evenmin als naar moet worden aangenomen premieverhoging, maar aan het einde van de looptijd van de overeenkomst kan de verzekeraar wel de door hem noodzakelijk geachte maatregelen nemen.
In dit verband verdient aandacht dat de Richtlijn als criterium aanhoudt de looptijd van de overeenkomst en niet de periode waarvoor premie is betaald. Een verzekering met een vaste langere looptijd zal dan gedurende die looptijd niet tussentijds kunnen worden beëindigd. De thans in Nederland gebruikelijke looptijd van een jaar biedt de verzekeraar in zoverre enige bescherming.
Benadrukt zij, dat de Richtlijn het de verzekeraar niet verbiedt de dekking op te schorten of te beëindigen als het voertuig (langere tijd) buiten de EU verblijft.