RvdW 2025/298:Poging tot vrijheidsberoving door zich voor te doen als nepagent, art. 282 lid 1 Sr. Vrijspraak in eerste aanleg. Bewijsklacht, alternatief scenario dat sporen van verdachte al eerder op (delict-gerelateerde) kledingstukken en plakbaard zijn terechtgekomen. Uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat mogelijkheid niet is uit te sluiten dat ander dan verdachte het bewezenverklaarde feit heeft gepleegd, art. 359 lid 2 Sv. HR: Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie. CAG: Hof heeft, zonder grenzen van selectie- en waarderingsvrijheid te overschrijden, niet onbegrijpelijk kunnen oordelen dat door verdediging geschetst alternatief scenario, dat mede leunt op verklaring van getuige, als niet geloofwaardig terzijde kan worden geschoven. In zijn overweging dat getuige ‘kennelijk (…) bij vergissing’ heeft verklaard dat (ook) nepagent een pet droeg, ligt besloten dat hof voor bewijs heeft gebruikt wat het uit oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en terzijde heeft gesteld wat het voor bewijs van geen waarde acht. Dat is geen denaturering van bewijsmiddel. Aan de hand van overig bewijs heeft hof voorts tot niet onbegrijpelijk oordeel kunnen komen dat het vermoedelijke tweede dader (over wie aangevers ook hebben verklaard) was die bij het wegrennen een baseballpet verloor. ’s Hofs oordeel dat beschikbaar bewijsmateriaal geen andere (bewijs)beslissing toelaat, is naar eis der wet met redenen omkleed. Volgt verwerping.