Procestaal: Frans.
HvJ EU, 01-08-2025, nr. C-600/23
ECLI:EU:C:2025:617
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
01-08-2025
- Magistraten
K. Lenaerts, K. Jürimäe, C. Lycourgos, I. Jarukaitis, M. L. Arastey Sahún, S. Rodin, A. Kumin, N. Jääskinen, D. Gratsias, E. Regan, I. Ziemele, J. Passer, Z. Csehi
- Zaaknummer
C-600/23
- Conclusie
T. Ćapeta
- Roepnaam
Royal Football Club Seraing
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2025:617, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 01‑08‑2025
ECLI:EU:C:2025:24, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie, 16‑01‑2025
Uitspraak 01‑08‑2025
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Artikel 19, lid 1, VEU — Verplichting voor de lidstaten om te voorzien in de nodige rechtsmiddelen om daadwerkelijke rechtsbescherming op de onder het recht van de Unie vallende gebieden te verzekeren — Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie — Recht op een doeltreffende voorziening in rechte — Mogelijkheid om een beroep te doen op arbitrage — Arbitrage tussen particulieren — Opgelegde arbitrage — Besluit van een orgaan van een internationale sportfederatie waarbij een sanctie wordt opgelegd — Vonnis van het Hof van Arbitrage voor Sport (CAS) dat is bevestigd door een beslissing van een gerecht van een derde staat — Rechtsmiddel tegen het arbitraal vonnis — Nationale regeling die aan dit arbitraal vonnis gezag van gewijsde tussen partijen en bewijskracht ten aanzien van derden verleent — Bevoegdheden en verplichtingen van de nationale rechterlijke instanties voor wie een beroep op dat arbitraal vonnis wordt gedaan — Doeltreffende toetsing van de verenigbaarheid van een dergelijk arbitraal vonnis met de beginselen en bepalingen van openbare orde van de Unie
K. Lenaerts, K. Jürimäe, C. Lycourgos, I. Jarukaitis, M. L. Arastey Sahún, S. Rodin, A. Kumin, N. Jääskinen, D. Gratsias, E. Regan, I. Ziemele, J. Passer, Z. Csehi
Partij(en)
ARREST VAN HET HOF (Grote kamer)
augustus 2025 *
In zaak C-600/23,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Hof van Cassatie (België) bij beslissing van 8 september 2023, ingekomen bij het Hof op 2 oktober 2023, in de procedure
Royal Football Club Seraing SA
tegen
Fédération Internationale de Football Association (FIFA),
Union des associations européennes de football (UEFA),
VZW Koninklijke Belgische Voetbalbond (KBVB),
in tegenwoordigheid van:
Doyen Sports Investment Ltd,
wijst
HET HOF (Grote kamer),
samengesteld als volgt: K. Lenaerts, president, K. Jürimäe, C. Lycourgos, I. Jarukaitis, M. L. Arastey Sahún, S. Rodin, A. Kumin, N. Jääskinen en D. Gratsias, kamerpresidenten, E. Regan, I. Ziemele, J. Passer (rapporteur) en Z. Csehi, rechters,
advocaat-generaal: T. Ćapeta,
griffier: C. Di Bella, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 1 oktober 2024,
gelet op de opmerkingen van:
- —
Royal Football Club Seraing SA, vertegenwoordigd door J.-L. Dupont, M. Hissel en F. Stockart, avocats, F. Irurzun, abogado, en M. Orth, Rechtsanwalt,
- —
Fédération Internationale de Football Association (FIFA), vertegenwoordigd door A. Laes, avocat, en D. Van Liedekerke, advocaat,
- —
Union des associations européennes de football (UEFA), vertegenwoordigd door P. González-Espejo García, abogado, B. Keane, D. Slater en D. Waelbroeck, avocats,
- —
VZW Koninklijke Belgische Voetbalbond (KBVB), vertegenwoordigd door N. Cariat en A. Stévenart, avocats, en E. Matthys, advocaat,
- —
Doyen Sports Investment Ltd, vertegenwoordigd door M. Hissel, avocat,
- —
de Belgische regering, vertegenwoordigd door M. Jacobs, L. Jans, C. Pochet en M. Van Regemorter als gemachtigden, bijgestaan door Y. Herinckx, avocat,
- —
de Duitse regering, vertegenwoordigd door J. Möller en A. Hoesch als gemachtigden,
- —
de Griekse regering, vertegenwoordigd door K. Boskovits als gemachtigde,
- —
de Franse regering, vertegenwoordigd door B. Fodda, J.-B. Merlin, M. Raux en B. Travard als gemachtigden,
- —
de Litouwse regering, vertegenwoordigd door S. Grigonis en V. Kazlauskaitė-Švenčionienė als gemachtigden,
- —
de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door M. H. S. Gijzen als gemachtigde,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door F. Erlbacher, T. Maxian Rusche, S. Noë en F. Ronkes Agerbeek als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 16 januari 2025,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 19, lid 1, VEU, gelezen in samenhang met artikel 267 VWEU en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: ‘Handvest’).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Royal Football Club Seraing SA (hierna: ‘RFC Seraing’), enerzijds, en de Fédération Internationale de Football Association (FIFA), de Union des associations européennes de football (UEFA) en de VZW Koninklijke Belgische Voetbalbond (KBVB), anderzijds, over een vordering tot nietigverklaring, tot uitvaardiging van bevelen en tot vergoeding van de schade die RFC Seraing stelt te hebben geleden doordat deze drie verenigingen regels hebben toegepast die als nietig moeten worden beschouwd wegens schending van het Unierecht.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3
Artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU luidt:
‘De lidstaten voorzien in de nodige rechtsmiddelen om daadwerkelijke rechtsbescherming op de onder het recht van de Unie vallende gebieden te verzekeren.’
4
Artikel 267 VWEU bepaalt:
‘Het Hof van Justitie van de Europese Unie is bevoegd, bij wijze van prejudiciële beslissing, een uitspraak te doen:
- a)
over de uitlegging van de Verdragen,
- b)
over de geldigheid en de uitlegging van de handelingen van de instellingen, de organen of de instanties van de [Europese] Unie,
Indien een vraag te dien aanzien wordt opgeworpen voor een rechterlijke instantie van een der lidstaten, kan deze instantie, indien zij een beslissing op dit punt noodzakelijk acht voor het wijzen van haar vonnis, het Hof verzoeken over deze vraag een uitspraak te doen.
[…]’
5
Artikel 47 van het Handvest (‘Recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een onpartijdig gerecht’) luidt als volgt:
‘Eenieder wiens door het recht van de Unie gewaarborgde rechten en vrijheden zijn geschonden, heeft recht op een doeltreffende voorziening in rechte, met inachtneming van de in dit artikel gestelde voorwaarden.
Eenieder heeft recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Eenieder heeft de mogelijkheid zich te laten adviseren, verdedigen en vertegenwoordigen.
[…]’
Belgisch recht
Gerechtelijk Wetboek
6
Het Gerechtelijk Wetboek, zoals gewijzigd bij de Wet houdende diverse bepalingen betreffende justitie van 21 december 2018 (Belgisch Staatsblad van 31 december 2018, blz. 106560; hierna: ‘Gerechtelijk Wetboek’), bevat een eerste deel, met als opschrift ‘Algemene beginselen’. Dit eerste deel bevat hoofdstuk III, met als opschrift ‘Vonnissen en arresten’, waarin artikel 19, eerste alinea, van dit wetboek is opgenomen, dat als volgt luidt:
‘Het vonnis is een eindvonnis in zover daarmee de rechtsmacht van de rechter over een geschilpunt uitgeput is, behoudens de rechtsmiddelen bij de wet bepaald.’
7
Dit eerste deel bevat tevens hoofdstuk IV, met als opschrift ‘Rechterlijk gewijsde’. In dit hoofdstuk zijn de artikelen 23 tot en met 28 van dit wetboek opgenomen, waarin het volgende is bepaald:
‘Art[ikel] 23
Het gezag van het rechterlijk gewijsde strekt zich niet verder uit dan tot hetgeen het voorwerp van de beslissing heeft uitgemaakt. Vereist wordt dat de gevorderde zaak dezelfde is; dat de vordering op dezelfde oorzaak berust, ongeacht de ingeroepen rechtsgrond; dat de vordering tussen dezelfde partijen bestaat, en door hen en tegen hen in dezelfde hoedanigheid gedaan is. Het gezag van het rechterlijk gewijsde strekt zich evenwel niet uit tot de vordering die berust op dezelfde oorzaak maar waarvan de rechter geen kennis kon nemen gelet op de rechtsgrond waarop ze steunt.
Art[ikel] 24
Iedere eindbeslissing heeft gezag van gewijsde vanaf de uitspraak.
Art[ikel] 25
Het gezag van het rechterlijk gewijsde verhindert dat de vordering opnieuw wordt ingesteld.
Art[ikel] 26
Het gezag van het rechterlijk gewijsde blijft bestaan zolang de beslissing niet ongedaan is gemaakt.
Art[ikel] 27
De exceptie van gewijsde kan in elke stand van het geding worden voorgedragen voor de feitenrechter voor wie de vordering is ingesteld.
Zij kan door de rechter niet ambtshalve worden opgeworpen.
Art[ikel] 28
Iedere beslissing gaat in kracht van gewijsde zodra zij niet meer voor verzet of hoger beroep vatbaar is, behoudens de uitzonderingen die de wet bepaalt en onverminderd de gevolgen van de buitengewone rechtsmiddelen.’
8
Het Gerechtelijk Wetboek bevat ook een zesde deel, met als opschrift ‘Arbitrage’. In hoofdstuk VI van dit zesde deel, met als opschrift ‘Arbitrale uitspraak en de afsluiting van de procedure’, is artikel 1713 van dit wetboek opgenomen, dat met name de volgende bepalingen bevat:
- ‘1.
Het scheidsgerecht beslist definitief of alvorens recht te doen door een of meerdere uitspraken.
[…]
- ‘9.
In de relaties tussen de partijen heeft de uitspraak dezelfde uitwerking als een rechterlijke beslissing.’
9
Hoofdstuk VIII van dat zesde deel, met als opschrift ‘Erkenning en uitvoerbaarverklaring van de arbitrale uitspraken’, bevat onder meer de artikelen 1719 tot en met 1721 van het Gerechtelijk Wetboek, die als volgt luiden:
‘Art[ikel] 1719
- ‘1.
De gedwongen uitvoering van een arbitrale uitspraak, gedaan in België of in het buitenland, gebeurt slechts nadat zij, geheel of gedeeltelijk, is uitvoerbaar verklaard door de rechtbank van eerste aanleg overeenkomstig de in artikel 1720 bedoelde procedure.
- ‘2.
De rechtbank van eerste aanleg kan de uitvoerbaarverklaring slechts verlenen, indien de uitspraak niet meer voor de arbiters kan worden bestreden of door hen uitvoerbaar bij voorraad niettegenstaande hoger beroep werd verklaard.
Art[ikel] 1720
- ‘1.
De rechtbank van eerste aanleg is bevoegd om kennis te nemen van een vordering inzake erkenning en uitvoerbaarverklaring van een in België of in het buitenland gedane arbitrale uitspraak.
[…]
- ‘2.
Wanneer de uitspraak in het buitenland werd gedaan, is de territoriaal bevoegde rechtbank de rechtbank van eerste aanleg van de zetel van het hof van beroep in wiens rechtsgebied de persoon tegen wie de uitvoerbaarverklaring wordt gevorderd zijn woonplaats of, bij afwezigheid daarvan, zijn gewone verblijfplaats, of, in voorkomend geval, zijn maatschappelijke zetel of bij afwezigheid daarvan, zijn vestigingsplaats of zijn bijkantoor heeft. […]
[…]
- ‘5.
De arbitrale uitspraak mag alleen erkend of uitvoerbaar verklaard worden indien zij de in artikel 1721 gestelde voorwaarden niet schendt.
Art[ikel] 1721
- ‘1.
De rechtbank van eerste aanleg weigert slechts de erkenning en uitvoerbaarverklaring van een arbitrale uitspraak, ongeacht het land waarin zij werd gedaan, in de volgende omstandigheden:
[…]
- b)
indien de rechtbank van eerste aanleg vaststelt:
[…]
- ii)
dat de erkenning of uitvoerbaarverklaring van de uitspraak in strijd zou zijn met de openbare orde.
[…]’
Wetboek van internationaal privaatrecht
10
Artikel 22 van de wet houdende het Wetboek van internationaal privaatrecht van 16 juli 2004 (Belgisch Staatsblad van 27 juli 2004, blz. 57344), met als opschrift ‘Erkenning en uitvoerbaarverklaring van buitenlandse rechterlijke beslissingen’, bepaalt:
- ‘1.
Een buitenlandse rechterlijke beslissing die uitvoerbaar is in de Staat waar zij werd gewezen, wordt in België geheel of gedeeltelijk uitvoerbaar verklaard overeenkomstig de procedure bedoeld in artikel 23.
Een buitenlandse rechterlijke beslissing wordt in België geheel of gedeeltelijk erkend zonder dat hiervoor de procedure bedoeld in artikel 23 moet worden gevolgd.
Indien de erkenning incidenteel wordt aangevoerd voor een Belgische rechter, is deze bevoegd daarvan kennis te nemen.
De beslissing mag alleen erkend of uitvoerbaar verklaard worden indien zij de voorwaarden gesteld in artikel 25 niet schendt.
- ‘2.
Elke persoon die een belang heeft […] kan overeenkomstig de procedure bedoeld in artikel 23 doen vaststellen dat de beslissing al dan niet, geheel of gedeeltelijk, moet worden erkend of uitvoerbaar verklaard.
- ‘3.
In de zin van deze wet:
- 1o.
betekent het begrip rechterlijke beslissing de beslissingen die worden gewezen door een instantie die een rechtsmacht uitoefent;
- 2o.
verleent de erkenning rechtskracht aan de buitenlandse beslissing.’
Door de FIFA vastgestelde regeling
FIFA-statuten
11
De FIFA is een privaatrechtelijke vereniging die is gevestigd te Zürich (Zwitserland).
12
Volgens punt 2 van de FIFA-statuten, in de versie van mei 2024 — die in essentie en onder voorbehoud van hernummering overeenkomt met eerdere jaarlijkse edities van die statuten — heeft deze vereniging onder meer tot doel om ‘regels en voorschriften voor het voetbal en aanverwante aangelegenheden vast te stellen en toe te zien op de handhaving daarvan’ en om op mondiaal niveau ‘controle uit te oefenen op elke vorm van voetbal door passende maatregelen te nemen ter voorkoming van inbreuken op de statuten, reglementen of besluiten van de FIFA of op de spelregels’.
13
Overeenkomstig de punten 11 en 14 van deze statuten kan elke ‘bond die verantwoordelijk is voor de organisatie van en het toezicht op het voetbal’ in een bepaald land, lid worden van de FIFA, op voorwaarde dat deze bond zich er met name voorafgaand toe verbindt om onder andere de statuten, reglementen en richtsnoeren van de FIFA alsmede de besluiten van haar organen na te leven. Als lid van de FIFA is een dergelijke bond krachtens de punten 14 en 15 van die statuten onder meer verplicht ervoor te zorgen dat de statuten, reglementen en richtsnoeren van de FIFA alsmede de besluiten van haar organen niet alleen door zijn eigen leden worden nageleefd, maar ook door alle actoren in het voetbal, in het bijzonder de overeenkomstig punt 20 van die statuten bij deze bond aangesloten competities en clubs, alsmede de spelers. Bovendien moet een dergelijke bond de bevoegdheid en de beslissingen van het Hof van Arbitrage voor Sport (Court of Arbitration for Sport; hierna: ‘CAS’) erkennen en in zijn eigen statuten bepalingen opnemen die al die actoren eveneens verplichten om deze rechterlijke instantie en beslissingen uitdrukkelijk te erkennen. Concreet zijn thans meer dan 200 nationale voetbalbonden lid van de FIFA. Tot die leden behoort de KBVB, die in België is gevestigd en die tot doel heeft het voetbal in deze lidstaat te organiseren en te bevorderen.
14
Punt 44 van de FIFA-statuten, met als opschrift ‘Rechterlijke instanties’, bepaalt in lid 1:
‘De rechterlijke instanties van de FIFA zijn:
- a)
de tuchtcommissie;
[…]
- c)
de beroepscommissie.’
15
Punt 47 van deze statuten, met als opschrift ‘Beroepscommissie’, luidt:
- ‘1.
De werking van de beroepscommissie wordt geregeld door het disciplinair reglement en de ethische code van de FIFA.
- 2.
De beroepscommissie behandelt beroepen tegen beslissingen van de tuchtcommissie die overeenkomstig deze statuten en de toepasselijke FIFA-reglementering geen eindbeslissing zijn.
- 3.
Beslissingen van de beroepscommissie zijn definitief en bindend voor alle betrokken partijen, met uitzondering van beslissingen waartegen beroep kan worden ingesteld bij het CAS.’
16
Afdeling IX van die statuten, met als opschrift ‘Arbitrage’, bevat de volgende punten:
‘49. CAS
- 1.
De FIFA erkent het beroep bij het CAS, een onafhankelijk scheidsgerecht gevestigd te Lausanne (Zwitserland), in geval van geschillen tussen de FIFA en de bij haar aangesloten bonden, confederaties, competities, clubs, spelers, officials, tussenpersonen en wedstrijdmakelaars.
- 2.
Op de arbitrageprocedure zijn de bepalingen van de arbitragecode inzake sport van het CAS van toepassing. Het CAS doet voornamelijk uitspraak op basis van de toepasselijke FIFA-reglementering en, aanvullend, Zwitsers recht.
[…]
50. Bevoegdheid van het CAS
- 1.
Beroepen tegen beslissingen in laatste aanleg die zijn genomen door de FIFA en haar instanties, moeten worden ingesteld bij het CAS […].
[…]
- 4.
Het beroep heeft geen opschortende werking. Het bevoegde besluitvormend orgaan van de FIFA, of in voorkomend geval het CAS, kan aan het beroep opschortende werking verlenen.
[…]
51. Verplichtingen inzake geschillenbeslechting
- 1.
De confederaties, aangesloten bonden en competities verbinden zich ertoe het CAS te erkennen als een onafhankelijke rechterlijke instantie. Zij verbinden zich ertoe alle nodige maatregelen te treffen opdat hun leden, aangesloten spelers en officials gevolg geven aan de arbitrage van het CAS. […]
- 2.
Het is niet toegestaan om beroep in te stellen bij de gewone rechterlijke instanties, tenzij het FIFA-reglement daarin uitdrukkelijk voorziet. Het is evenmin toegestaan om beroep in te stellen bij de gewone rechterlijke instanties met het oog op voorlopige maatregelen, van welke aard dan ook.
- 3.
De bonden nemen in hun statuten of reglementen een beding op waarin wordt bepaald dat geschillen binnen de bond of geschillen die competities, competitieleden, clubs, clubleden, spelers, officials en andere bondsvertegenwoordigers betreffen, niet voor de gewone rechterlijke instanties mogen worden gebracht, tenzij een beroep op de gewone rechterlijke instanties uitdrukkelijk is toegestaan of voorgeschreven in de reglementen van de FIFA of in dwingende wettelijke bepalingen. Ter vervanging van het beroep op de gewone rechterlijke instanties wordt voorzien in arbitrage. Dergelijke geschillen worden voorgelegd aan een onafhankelijk en naar behoren ingesteld scheidsgerecht dat in het reglement van de bond of confederatie is erkend, of aan het CAS.
De bonden zorgen er tevens voor dat binnen de bond uitvoering wordt gegeven aan deze bepaling, zo nodig door een bindende verplichting op te leggen aan hun leden. De bonden leggen sancties op aan elke partij die deze verplichting niet nakomt en zorgen ervoor dat beroepen tegen deze sancties dienovereenkomstig uitsluitend aan arbitrage worden onderworpen en niet aan gewone rechterlijke instanties worden voorgelegd.’
Reglement betreffende de status en de transfer van spelers
17
Op 22 maart 2014 heeft de FIFA een reglement aangenomen met de titel ‘Regulations on the Status and Transfer of Players’ (reglement betreffende de status en de transfer van spelers), dat op 1 augustus 2014 in werking is getreden. Dit reglement strekt tot intrekking en vervanging van een eerder reglement met dezelfde titel, dat was uitgevaardigd op 5 juli 2001.
18
Artikel 1 van dat reglement, met als opschrift ‘Toepassingsgebied’, bepaalt in lid 1:
‘Het onderhavige reglement bevat universele en bindende regels betreffende de status van spelers en hun deelnamegerechtigdheid aan georganiseerd voetbal, alsmede betreffende hun transfer tussen clubs die tot verschillende bonden behoren.’
19
Dit reglement is gewijzigd in december 2014 (hierna: ‘RSTP’). De uit deze wijziging voortvloeiende bepalingen omvatten met name artikel 18 bis RSTP, met als opschrift ‘Invloed van een derde partij op clubs’, dat bepaalt:
- ‘1.
Clubs ondertekenen geen overeenkomsten waardoor concurrerende clubs of enige andere partij of derden via de werkzaamheden of transfers de onafhankelijkheid of het beleid van de club dan wel de prestaties van zijn teams kunnen beïnvloeden.
- 2.
De tuchtcommissie van de FIFA kan sancties opleggen aan clubs die de in dit artikel geformuleerde verplichtingen niet nakomen.’
20
Deze bepalingen omvatten tevens artikel 18 ter RSTP, met als opschrift ‘Eigendom van economische rechten van spelers in handen van derden’, dat als volgt luidt:
- ‘1.
Clubs of spelers sluiten geen overeenkomsten met een derde op grond waarvan deze laatste geheel of gedeeltelijk aanspraak kan maken op een vergoeding in verband met de toekomstige transfer van een speler van de ene club naar de andere, dan wel rechten kan doen gelden in verband met een toekomstige transfer of transfervergoeding.
- 2.
Het verbod van lid 1 treedt in werking op 1 mei 2015.
- 3.
Overeenkomsten van vóór 1 mei 2015 die onder lid 1 vallen, kunnen geldig blijven tot hun contractuele vervaldatum. De looptijd ervan kan echter niet worden verlengd.
- 4.
De looptijd van elke in lid 1 bedoelde overeenkomst die tussen 1 januari en 30 april 2015 wordt ondertekend, is ten hoogste één jaar vanaf de datum van inwerkingtreding.
- 5.
Uiterlijk eind april 2015 moeten alle bestaande overeenkomsten waarop lid 1 betrekking heeft, in het [systeem voor transferregistratie (transfer matching system, TMS)] zijn opgenomen. Alle clubs die dergelijke overeenkomsten hebben ondertekend, moeten deze — volledig en met inbegrip van eventuele wijzigingen of bijlagen — in het systeem voor transferregistratie registreren, met vermelding van de gegevens van de betrokken derde partij, de volledige naam van de speler en de duur van de overeenkomst.
- 6.
De tuchtcommissie van de FIFA kan tuchtrechtelijke sancties opleggen aan clubs of spelers die de in dit artikel opgenomen verplichtingen niet nakomen.’
Feiten van het hoofdgeding en prejudiciële vragen
Voorgeschiedenis van het hoofdgeding
Tussen RFC Seraing en Doyen gesloten overeenkomsten
21
RFC Seraing is een voetbalclub in de vorm van een naamloze vennootschap, die in België is gevestigd en bij de KBVB is aangesloten.
22
Op 30 januari 2015 heeft RFC Seraing een eerste overeenkomst gesloten met Doyen Sports Investment Ltd (hierna: ‘Doyen’), een in Malta gevestigde vennootschap waarvan de hoofdactiviteit bestaat in het verlenen van financiële bijstand aan voetbalclubs in Europa. Deze eerste overeenkomst regelde de sluiting van toekomstige financieringsovereenkomsten voor spelers en de overdracht van een aandeel in de ‘economische rechten’ van RFC Seraing aan Doyen voor drie specifieke spelers. Deze economische rechten zijn bedoeld om de financiële waarde van de spelers weer te geven. Zij houden verband met de ‘bondsrechten’ die een club verkrijgt door een bepaalde speler in dienst te nemen, zoals het recht om die speler in te schrijven of het recht om hem te laten spelen. De uitoefening ervan stelt de club die eigenaar is van deze rechten in staat de bedragen op te eisen die verschuldigd zijn, bijvoorbeeld indien de speler wordt uitgeleend of getransfereerd, voor het gebruik of de overdracht van zijn beeldrechten, of als gevolg van de beëindiging van zijn overeenkomst.
23
Volgens deze eerste overeenkomst, die op 1 juli 2018 afliep, werd Doyen voor 30 % eigenaar van de economische rechten van RFC Seraing op de drie betrokken spelers en betaalde zij de club daarvoor een bedrag van 300 000 EUR. RFC Seraing van haar kant kon haar resterende aandeel in de economische rechten op deze spelers niet ‘zelfstandig en onafhankelijk’ aan een derde overdragen.
24
Op 7 juli 2015 hebben RFC Seraing en Doyen een tweede overeenkomst gesloten (hierna, samen met de eerste overeenkomst: ‘in het hoofdgeding aan de orde zijnde overeenkomsten’). Deze overeenkomst voorzag in de overdracht van 25 % van de economische rechten van RFC Seraing op een vierde speler aan Doyen, tegen betaling van 50 000 EUR door Doyen.
Tucht- en arbitrageprocedures in Zwitserland
25
Naar aanleiding van een onderzoek heeft de FIFA, met de medewerking van de KBVB, op 2 juli 2015 een tuchtprocedure ingeleid tegen RFC Seraing wegens mogelijke schending van de artikelen 18 bis en 18 ter RSTP doordat RFC Seraing de in het hoofdgeding aan de orde zijnde overeenkomsten had gesloten.
26
Op 4 september 2015 heeft de tuchtcommissie van de FIFA een beslissing genomen (hierna: ‘beslissing van de tuchtcommissie van de FIFA’), waarbij zij om te beginnen heeft verklaard dat RFC Seraing de artikelen 18 bis en 18 ter RSTP had geschonden door de in het hoofdgeding aan de orde zijnde overeenkomsten te sluiten. Deze commissie heeft RFC Seraing tevens verboden gedurende vier opeenvolgende inschrijvingsperioden spelers in te schrijven, zowel op nationaal als op internationaal niveau. Ten slotte heeft die commissie RFC Seraing veroordeeld tot een geldboete van 150 000 Zwitserse frank (ongeveer 138 000 EUR tegen de destijds geldende wisselkoers), te betalen binnen dertig dagen na de kennisgeving van haar beslissing.
27
Op 30 november 2015 heeft RFC Seraing tegen deze beslissing hoger beroep ingesteld bij de beroepscommissie van de FIFA. Aangezien een dergelijk hoger beroep geen opschortende werking heeft, heeft deze club bovendien op 3 december 2015 bij de beroepscommissie verzocht om opschorting van de tenuitvoerlegging van die beslissing. Op 4 december 2015 heeft de voorzitter van die commissie dat verzoek ingewilligd.
28
Op 7 januari 2016 heeft de beroepscommissie van de FIFA het hoger beroep van RFC Seraing tegen de beslissing van de tuchtcommissie van de FIFA verworpen (hierna: ‘beslissing van de beroepscommissie van de FIFA’).
29
Op 9 maart 2016 heeft RFC Seraing bij het CAS beroep tot nietigverklaring van de beslissing van de beroepscommissie van de FIFA ingesteld. Op 17 maart 2016 heeft deze club dit orgaan bovendien verzocht om, gelet op het feit dat dit beroep zelf geen opschortende werking heeft, aan dat beroep opschortende werking te verlenen overeenkomstig artikel 50 van de FIFA-statuten. Op 12 april 2016 heeft dat orgaan dit verzoek ingewilligd.
30
In het kader van dit beroep heeft RFC Seraing in essentie onder meer aangevoerd dat de beslissing van de beroepscommissie van de FIFA en de tuchtrechtelijke sancties die met deze beslissing aan de club worden opgelegd, onrechtmatig zijn omdat de bepalingen waarop die beslissing is gebaseerd zelf onrechtmatig zijn. In dit verband heeft RFC Seraing onder meer betoogd dat de artikelen 18 bis en 18 ter RSTP, voor zover deze een totaalverbod waaraan tuchtrechtelijke sancties verbonden zijn opleggen op zogenoemd ‘third party influence’ en ‘third party ownership’, in strijd zijn met het Unierecht, en meer in het bijzonder met het vrije verkeer van werknemers, het vrij verrichten van diensten en het vrije kapitaalverkeer zoals gewaarborgd in respectievelijk de artikelen 45, 56 en 63 VWEU, alsmede met de in de artikelen 101 en 102 VWEU neergelegde mededingingsregels. De club heeft ook aangevoerd dat de Zwitserse mededingingsregels zijn geschonden.
31
Op 9 maart 2017 heeft het CAS een arbitraal vonnis gewezen (hierna: ‘vonnis van het CAS’), waarin het met name in de eerste plaats heeft geoordeeld dat het op het geding toepasselijke recht werd gevormd door de FIFA-reglementen, het Zwitserse recht en het Unierecht. Wat het Unierecht betreft, heeft het CAS om te beginnen geoordeeld dat was voldaan aan de cumulatieve voorwaarden waaronder het CAS bij zijn onderzoek rekening moest houden met de verkeersvrijheden en de mededingingsregels als ‘dwingende bepalingen van een ander recht [dan het Zwitserse recht]’ in de zin van het Zwitserse recht. De bepalingen waarin deze vrijheden en regels zijn neergelegd, worden door het Hof namelijk beschouwd als een onderdeel van de openbare orde van de Unie. Gelet op, ten eerste, de duidelijke impact van het RSTP op het grondgebied van de Unie en meer sp ecifiek op de activiteiten van de in de lidstaten gevestigde voetbalclubs en, ten tweede, de gevolgen die de beslissing van de beroepscommissie van de FIFA heeft voor de mogelijkheid voor RFC Seraing om deel te nemen aan op dat grondgebied georganiseerde voetbalcompetities tussen clubs, bestaat er een nauw verband tussen het voorwerp van het geding en deze bepalingen. Ten slotte deelt de Zwitserse rechtsorde de door die bepalingen beschermde belangen en waarden, aldus het CAS.
32
In de tweede plaats heeft het CAS in het geding ten gronde met name geoordeeld dat RFC Seraing niet had aangetoond dat de artikelen 18 bis en 18 ter RSTP de Zwitserse mededingingsregels schenden. Het CAS heeft tevens geoordeeld dat er geen sprake was van schending van het Unierecht en meer in het bijzonder van de artikelen 45, 56, 63, 101 en 102 VWEU.
33
Wat ten eerste de verkeersvrijheden betreft, heeft het CAS zich in essentie op het standpunt gesteld dat de artikelen 18 bis en 18 ter RSTP het vrije kapitaalverkeer belemmerden. De gestelde negatieve gevolgen van deze bepalingen voor het vrije verkeer van werknemers en het vrij verrichten van diensten waren volgens het CAS daarentegen onvoldoende aangetoond en hoe dan ook beperkt. Ongeacht om welke vrijheid het gaat zijn die bepalingen volgens het CAS in elk geval gerechtvaardigd doordat er legitieme doelstellingen van algemeen belang op sportgebied mee worden nagestreefd, zoals onder meer het waarborgen van de integriteit van de competities, en uit het onderzoek van de inhoud ervan blijkt niet alleen dat deze bepalingen geschikt zijn om die doelstellingen te bereiken, maar ook dat zij niet verder gaan dan wat daartoe noodzakelijk en evenredig is.
34
Wat ten tweede de mededingingsregels van de Unie betreft, was het CAS om te beginnen van oordeel dat de artikelen 18 bis en 18 ter RSTP er niet toe strekten om de mededinging te beperken, maar om de in het vorige punt genoemde legitieme doelstellingen van algemeen belang op sportgebied na te streven. Verder heeft het CAS zich op het standpunt gesteld dat RFC Seraing niet had aangetoond dat deze bepalingen concreet of potentieel tot gevolg hadden dat de mededinging werd beperkt.
35
Ten derde heeft het CAS de aan RFC Seraing opgelegde geldboete bevestigd, alsmede het aan RFC Seraing opgelegde verbod om spelers in te schrijven, maar heeft de duur van dit verbod beperkt tot drie opeenvolgende inschrijvingsperioden.
36
Ten vierde en ten slotte oordeelde het CAS dat, gezien de opschortingsmaatregelen die de beroepscommissie van de FIFA en het CAS achtereenvolgens hadden vastgesteld, deze tuchtrechtelijke sancties van toepassing waren vanaf de kennisgeving van zijn vonnis aan RFC Seraing, zodat de geldboete binnen dertig dagen na die kennisgeving moest worden betaald en het inschrijvingsverbod zich diende uit te strekken over de inschrijvingsperioden in de zomer van 2017, de winter van 2017–2018 en de zomer van 2018.
37
Op 15 mei 2017 heeft RFC Seraing de Tribunal fédéral (hoogste rechterlijke instantie, Zwitserland) verzocht om vernietiging van het vonnis van het CAS. Bovendien heeft de club deze rechter verzocht om aan dit beroep opschortende werking te verlenen.
38
Bij beschikking van 7 augustus 2017 heeft de president van de Tribunal fédéral dit verzoek om opschortende werking afgewezen.
39
Ter ondersteuning van haar beroep heeft RFC Seraing onder andere aangevoerd dat het vonnis van het CAS onverenigbaar is met de ‘materiële openbare orde’ in de zin van het Zwitserse recht. In dit verband heeft deze club met name opnieuw betoogd dat dit vonnis in strijd is met het vrije verkeer van werknemers, het vrij verrichten van diensten en het vrije kapitaalverkeer zoals gewaarborgd in respectievelijk de artikelen 45, 56 en 63 VWEU, met de in de artikelen 101 en 102 VWEU neergelegde mededingingsregels alsmede met de Zwitserse mededingingsregels.
40
In hun respectieve memories of opmerkingen hebben de FIFA en het CAS verzocht om het beroep van RFC Seraing te verwerpen.
41
Bij arrest van 20 februari 2018 heeft de Tribunal fédéral dit beroep verworpen. Met betrekking tot het middel van RFC Seraing dat het vonnis van het CAS onverenigbaar is met de materiële openbare orde en, meer in het bijzonder, met de mededingingsregels en de verkeersvrijheden, heeft deze rechter in de eerste plaats herinnerd aan zijn vaste rechtspraak dienaangaande. Uit die rechtspraak volgt ten eerste dat een arbitraal vonnis slechts als onverenigbaar met de materiële openbare orde kan worden beschouwd indien het, door het resultaat ervan en niet alleen door de motivering ervan, voorbijgaat aan de essentiële en algemeen erkende waarden die volgens de in Zwitserland heersende opvattingen de grondslag van elke rechtsorde zouden moeten vormen. Ten tweede veronderstelt een dergelijke schending dat dit vonnis dermate inbreuk maakt op fundamentele beginselen van materieel recht dat het niet meer te verenigen valt met de relevante rechtsorde en het relevante waardensysteem. Ten derde maken de mededingingsregels geen deel uit van de materiële openbare orde.
42
In de tweede plaats heeft de Tribunal fédéral hieraan in essentie toegevoegd dat het middel inzake de onverenigbaarheid van het vonnis van het CAS met de materiële openbare orde in casu hoe dan ook niet-ontvankelijk moest worden verklaard, voor zover het betrekking had op het Unierecht en de Zwitserse mededingingsregels, omdat het niet voldeed aan het motiveringsvereiste voor beroepen tegen een arbitraal vonnis.
Gerechtelijke procedure in België
43
Op 3 april 2015, dus voordat de FIFA een tuchtprocedure heeft ingeleid, hadden Doyen en de vereniging zonder winstoogmerk naar Belgisch recht RFC Sérésien, die RFC Seraing bestuurt, de FIFA, de UEFA en de KBVB gedagvaard voor de tribunal de commerce francophone de Bruxelles (Franstalige rechtbank van koophandel Brussel, België).
44
Op 8 juli 2015, dus nadat die tuchtprocedure was ingeleid maar vóór de vaststelling van de beslissing van de tuchtcommissie van de FIFA, heeft RFC Seraing vrijwillig in het geding geïntervenieerd en deze rechterlijke instantie verzocht vast te stellen dat het in de artikelen 18 bis en 18 ter RSTP neergelegde totaalverbod van ‘third party influence’ en ‘third party ownership’ onverenigbaar was met het Unierecht, en meer in het bijzonder met de artikelen 45, 56, 63, 101 en 102 VWEU. De club heeft bovendien verzocht om alle bepalingen die een dergelijk totaalverbod bevatten nietig te verklaren, om verschillende bevelen uit te vaardigen tegen de FIFA, de UEFA en de KBVB, en om RFC Seraing een voorlopig bedrag van 500 000 EUR toe te kennen tot vergoeding van de verschillende soorten schade die de club stelde te hebben geleden als gevolg van de toepassing van de artikelen 18 bis en 18 ter RSTP.
45
Op 17 november 2016 heeft de tribunal de commerce francophone de Bruxelles een vonnis gewezen waarin deze rechter zich met name onbevoegd heeft verklaard om kennis te nemen van de verschillende vorderingen van RFC Seraing.
46
Op 19 december 2016, dus na de vaststelling van de beslissing van de tuchtcommissie van de FIFA en de beslissing van de beroepscommissie van de FIFA, maar vóór de uitspraak van het CAS, heeft RFC Seraing tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld bij de cour d'appel de Bruxelles (België).
47
In dit hoger beroep heeft RFC Seraing met name gesteld verschillende soorten schade te hebben geleden, veroorzaakt door een door de FIFA met medewerking van de KBVB begane fout die in essentie erin bestond dat de FIFA en de KBVB de artikelen 18 bis en 18 ter RSTP op de club hadden toegepast, door om te beginnen een tuchtprocedure in te leiden, vervolgens de club te verwijten dat er een inbreuk was begaan op de in die bepalingen vastgelegde verboden, en ten slotte de club tuchtrechtelijke sancties op te leggen. Deze tuchtprocedure, de vaststelling van een inbreuk en die tuchtrechtelijke sancties zijn namelijk gebrekkig omdat de artikelen 18 bis en 18 ter RSTP, waarop zij zijn gebaseerd, zelf in strijd zijn met het Unierecht, in het bijzonder met de artikelen 45, 56, 63, 101 en 102 VWEU.
48
Op 12 december 2019, dus na de uitspraak van het vonnis van het CAS en van het in punt 41 van het onderhavige arrest vermelde arrest van de Tribunal fédéral, heeft de cour d'appel de Bruxelles een arrest gewezen (hierna: ‘arrest van de cour d'appel de Bruxelles’) waarin het alle vorderingen van RFC Seraing heeft afgewezen.
49
In dat arrest heeft de cour d'appel de Bruxelles met name in de eerste plaats geoordeeld dat de middelen van RFC Seraing volgens welke de artikelen 18 bis en 18 ter RSTP in strijd zijn met het Unierecht, door deze club reeds voor het CAS in het geding tussen RFC Seraing en de FIFA waren aangevoerd, en in het vonnis van het CAS waren verworpen. Gelet op de artikelen 24 en 28 alsmede artikel 1713, lid 9, van het Gerechtelijk Wetboek, moet volgens de cour d'appel de Bruxelles het vonnis van het CAS worden geacht in de relaties tussen de partijen dezelfde uitwerking te hebben als een rechterlijke beslissing, zodat het vonnis moet worden geacht vanaf de uitspraak ervan gezag van gewijsde te hebben en in kracht van gewijsde te zijn gegaan vanaf de datum waarop de Tribunal fédéral het daartegen ingestelde beroep heeft verworpen. De cour d'appel de Bruxelles heeft derhalve geoordeeld dat de betrokken middelen niet-ontvankelijk waren voor zover deze middelen waren gericht tegen de FIFA.
50
In de tweede plaats heeft de cour d'appel de Bruxelles er in essentie op gewezen dat zodra een rechterlijke beslissing of arbitraal vonnis in de relaties tussen de partijen bij het geding gezag van gewijsde verkrijgt, deze beslissingen of vonnissen bijgevolg tegenover derden aan wie zij kunnen worden tegengeworpen, de bewijskracht moeten verkrijgen die met het gezag van gewijsde verbonden is. In casu heeft het vonnis van het CAS volgens deze rechter dus bewijskracht ten aanzien van de KBVB, die geen partij was in het geding tussen RFC Seraing en de FIFA voor het CAS. Gelet op deze bewijskracht was het aan RFC Seraing, aangezien deze club eveneens een fout ten laste legt van de KBVB, om het op het vonnis van het CAS gebaseerde vermoeden te weerleggen dat de artikelen 18 bis en 18 ter RSTP in overeenstemming zijn met het Unierecht. Die club heeft echter niet aan deze verplichting voldaan. De cour d'appel de Bruxelles heeft de in het vorige punt genoemde middelen dan ook ongegrond verklaard voor zover die middelen waren gericht tegen de KBVB.
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
51
RFC Seraing heeft bij het Hof van Cassatie (België), de verwijzende rechter, cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van de cour d'appel de Bruxelles.
52
In de verwijzingsbeslissing geeft het Hof van Cassatie aan dat de door RFC Seraing voorgelegde cassatiemiddelen twee vragen doen rijzen over de uitlegging van het Unierecht waarvoor deze rechter het noodzakelijk acht zich tot het Hof te wenden.
53
In de eerste plaats voert RFC Seraing met zijn eerste middel in hogere voorziening aan dat de cour d'appel de Bruxelles met name artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, artikel 267 VWEU en artikel 47 van het Handvest heeft geschonden door haar middelen in hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren voor zover die middelen waren gericht tegen de FIFA. Deze rechterlijke instantie heeft immers ten onrechte geoordeeld dat het vonnis van het CAS gezag van gewijsde had ten aanzien van de FIFA, voor zover in dat vonnis is geoordeeld dat de artikelen 18 bis en 18 ter RSTP in overeenstemming zijn met het Unierecht.
54
In dit verband is het zo dat uit de rechtspraak die voortvloeit uit de arresten van 23 maart 1982, Nordsee (102/81, EU:C:1982:107), en 6 maart 2018, Achmea (C-284/16, EU:C:2018:158), volgt dat particulieren weliswaar kunnen overeenkomen om de geschillen die tussen hen kunnen ontstaan voor te leggen aan een arbitrage-instantie, maar dat dit geen afbreuk mag doen aan de volledige eerbiediging, de coherente uitlegging en de doeltreffende toepassing van het Unierecht op het grondgebied van de Unie. Bovendien volgt daaruit dat een dergelijk vereiste zelf inhoudt dat de bevoegde nationale rechterlijke instanties zich over de Unierechtelijke vragen in het geding kunnen uitspreken door zo nodig een verzoek om een prejudiciële beslissing aan het Hof voor te leggen, teneinde daadwerkelijke rechtsbescherming voor particulieren te verzekeren.
55
Voorts komt uit het arrest van 7 april 2022, Avio Lucos (C-116/20, EU:C:2022:273), in essentie naar voren dat het Unierecht weliswaar niet in alle omstandigheden de bevoegde nationale rechter gebiedt om nationale regels die aan een beslissing gezag van gewijsde verlenen buiten toepassing te laten wanneer daardoor een situatie die onverenigbaar is met het Unierecht kan worden hersteld, maar dat dergelijke regels hoe dan ook moeten voldoen aan de vereisten van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid.
56
Aan de hand van deze rechtspraak kan echter niet worden geantwoord op de in casu gestelde vraag of het verenigbaar is met artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU om ten aanzien van de partijen in een bij een rechterlijke instantie van een lidstaat aanhangig geding gezag van gewijsde te verlenen aan een arbitraal vonnis wanneer dat vonnis voorafgaand aan die verlening niet op zijn verenigbaarheid met het Unierecht kon worden getoetst door een rechterlijke instantie die krachtens artikel 267 VWEU bevoegd is om zich tot het Hof te wenden, ook al wordt in dat arbitraal vonnis uitspraak gedaan over vragen die het Unierecht betreffen.
57
In de tweede plaats voert RFC Seraing met zijn derde middel in hogere voorziening aan dat de cour d'appel de Bruxelles met name artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, artikel 267 VWEU en artikel 47 van het Handvest heeft geschonden door haar middelen in hoger beroep ongegrond te verklaren voor zover die middelen waren gericht tegen de KBVB. Deze rechterlijke instantie heeft namelijk ten onrechte geoordeeld dat het vonnis van het CAS ten aanzien van de KBVB de bewijskracht moet krijgen die met het gezag van gewijsde verbonden is, voor zover in dat vonnis is geoordeeld dat de artikelen 18 bis en 18 ter RSTP verenigbaar zijn met het Unierecht.
58
Na te hebben opgemerkt dat schending van artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU een middel van openbare orde vormt dat op zich tot vernietiging van het arrest van de cour d'appel de Bruxelles kan leiden, wijst het Hof van Cassatie erop dat bij het onderzoek van dat middel moet worden nagegaan of het met deze bepaling verenigbaar is om ten aanzien van derden in een bij een rechterlijke instantie van een lidstaat aanhangig geding bewijskracht te verlenen aan een arbitraal vonnis wanneer dat vonnis voorafgaand aan die verlening niet op zijn verenigbaarheid met het Unierecht kon worden getoetst door een rechterlijke instantie die krachtens artikel 267 VWEU bevoegd is om zich tot het Hof te wenden, ook al wordt in dat arbitraal vonnis uitspraak gedaan over vragen die het Unierecht betreffen.
59
In deze omstandigheden heeft het Hof van Cassatie de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
- ‘1)
Staat artikel 19, lid 1, [VEU], gelezen in samenhang met artikel 267 [VWEU] en artikel 47 van het [Handvest], eraan in de weg dat bepalingen van nationaal recht zoals artikel 24 en artikel 1713, § 9, van het [Gerechtelijk Wetboek], die het beginsel van het gezag van gewijsde beogen te bekrachtigen, worden toegepast op een arbitraal vonnis waarvan de overeenstemming met het Unierecht is getoetst door een rechterlijke instantie van een staat die geen lidstaat van de Unie is en het Hof van Justitie van de Europese Unie niet om een prejudiciële beslissing kan verzoeken?
- 2).
Staat artikel 19, lid 1, [VEU], gelezen in samenhang met artikel 267 [VWEU] en artikel 47 van het [Handvest], in de weg aan de toepassing van een regel van nationaal recht die, behoudens te leveren tegenbewijs, bewijskracht jegens derden toekent aan een arbitraal vonnis waarvan de overeenstemming met het Unierecht is getoetst door een rechterlijke instantie van een staat die geen lidstaat van de Unie is en het Hof van Justitie van de Europese Unie niet om een prejudiciële beslissing kan verzoeken?’
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Voorafgaande overwegingen
60
Zoals blijkt uit de bewoordingen en de motivering van de prejudiciële vragen, verzoekt de verwijzende rechter het Hof om uitlegging van artikel 19 VEU, gelezen in samenhang met artikel 267 VWEU en artikel 47 van het Handvest, teneinde te kunnen vaststellen of deze bepalingen zich ertegen verzetten dat, ten eerste, nationale bepalingen die aan definitieve arbitrale vonnissen gezag van gewijsde verlenen in de relaties tussen de partijen bij het geding en, ten tweede, een nationale regel die aan deze vonnissen op grond van dat gezag van gewijsde bewijskracht jegens derden toekent, worden toegepast op een door het CAS gewezen en door de Tribunal fédéral bevestigd arbitraal vonnis.
61
Sommige deelnemers aan de procedure verzoeken het Hof echter in essentie om bij zijn onderzoek tevens rekening te houden met andere bepalingen of regels van nationaal recht dan de bepalingen of regels waar de verwijzende rechter in zijn vragen specifiek naar verwijst.
62
Met name heeft de Belgische regering in haar schriftelijke opmerkingen verklaard dat artikel 1713, lid 9, van het Gerechtelijk Wetboek weliswaar bepaalt dat een arbitraal vonnis tussen partijen dezelfde uitwerking heeft als een rechterlijke beslissing, met inbegrip van het gezag van gewijsde als bedoeld in artikel 24 van dit Wetboek, maar dat het arbitraal vonnis alsnog in de Belgische rechtsorde moet worden opgenomen overeenkomstig de artikelen 1720 en 1721 van het Gerechtelijk Wetboek, die voorzien in de procedure voor de erkenning en de tenuitvoerlegging van arbitrale vonnissen in België.
63
Ter terechtzitting heeft deze regering verduidelijkt dat er in deze context drie manieren zijn om een arbitraal vonnis voor de Belgische rechter te betwisten. Om te beginnen kan, wanneer een partij bij de bevoegde rechtbank van eerste aanleg op grond van de artikelen 1720 en 1721 van het Gerechtelijk Wetboek een verzoek om erkenning van een arbitraal vonnis in België indient, die rechtbank op verzoek van de andere partij of ambtshalve dat verzoek afwijzen indien dit vonnis in strijd is met de openbare orde. Vervolgens kan een partij die wil vermijden dat een arbitraal vonnis wordt erkend, krachtens dezelfde bepalingen bij die rechtbank een verzoek om niet-erkenning van dat arbitraal vonnis indienen. Hoewel dit niet uitdrukkelijk is bepaald in artikel 1721 van het Gerechtelijk Wetboek, kan ten slotte de niet-erkenning van een arbitraal vonnis en incidenteel worden gevorderd of zelfs ambtshalve worden uitgesproken, telkens wanneer een arbitraal vonnis wordt ingeroepen in een procedure voor een nationale rechterlijke instantie, zoals is bepaald in artikel 22 van de wet houdende het Wetboek van internationaal privaatrecht voor buitenlandse rechterlijke beslissingen.
64
Net als de Belgische regering verzoeken de FIFA en in wezen de UEFA het Hof rekening te houden met de nationale bepalingen inzake de procedure voor de erkenning en de tenuitvoerlegging van buitenlandse arbitrale vonnissen in België.
65
De Europese Commissie en de Duitse regering vragen zich in essentie af of de in de verwijzingsbeslissing opgenomen beschrijving van de nationale bepalingen die in casu van toepassing kunnen zijn volledig is, maar wijzen erop dat het Hof in beginsel gebonden is aan de uitlegging van het nationale recht die de verwijzende rechter in zijn verzoek om een prejudiciële beslissing heeft gegeven.
66
In dit verband is het vaste rechtspraak dat de nationale rechter in het kader van de procedure van artikel 267 VWEU — die berust op een duidelijke scheiding van de taken van de nationale rechterlijke instanties en het Hof — bij uitsluiting bevoegd is om met name het nationale recht uit te leggen en toe te passen (arresten van 4 juni 2013, ZZ, C-300/11, EU:C:2013:363, punt 36, en 24 juli 2023, Lin, C-107/23 PPU, EU:C:2023:606, punt 76). Het Hof dient zich uit te spreken over de uitlegging of de rechtsgeldigheid van de bepalingen van het Unierecht waarover het vragen krijgt, rekening houdend met de feitelijke en juridische context waarin de gestelde vragen moeten worden geplaatst, zoals omschreven door de verwijzende rechter (zie in die zin arresten van 18 december 2007, Laval un Partneri, C-341/05, EU:C:2007:809, punt 47, en 24 februari 2022, Namur-Est Environnement, C-463/20, EU:C:2022:121, punt 40).
67
Bijgevolg is het uitsluitend aan de verwijzende rechter om vast te stellen welke nationale bepalingen op het hoofdgeding van toepassing zijn en daarmee rekening te houden voor zover hij dat passend acht.
68
Met zijn vragen, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, gelezen in samenhang met artikel 267 VWEU en artikel 47 van het Handvest, aldus moet worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet, ten eerste, dat aan een vonnis van het CAS in de relaties tussen de partijen bij het geding in het kader waarvan dat vonnis is gewezen gezag van gewijsde wordt verleend op het grondgebied van een lidstaat wanneer de verenigbaarheid van dat vonnis met het Unierecht niet voorafgaand is getoetst door een nationale rechterlijke instantie die bevoegd is om een prejudiciële vraag voor te leggen aan het Hof, en, ten tweede, dat een dergelijk vonnis als gevolg van dit gezag van gewijsde in de relaties tussen de partijen bij dat geding en derden bewijskracht verkrijgt op het grondgebied van die lidstaat.
Daadwerkelijke rechtsbescherming van particulieren in de Unie, ook bij arbitrage
69
De Unie is een rechtsunie, waarin het recht op daadwerkelijke rechtsbescherming van het grootste belang is als waarborg voor de bescherming van alle door de justitiabelen aan het Unierecht ontleende rechten [zie in die zin arresten van 24 juni 2019, Commissie/Polen (Onafhankelijkheid van de Sąd NajwyŻszy), C-619/18, EU:C:2019:531, punt 58, en 20 april 2021, Repubblika, C-896/19, EU:C:2021:311, punt 51].
70
Derhalve wordt dit recht, dat uit de gemeenschappelijke constitutionele tradities van de lidstaten voortvloeit, ook aan de justitiabelen gewaarborgd op het niveau van de Unie, onder de voorwaarden van artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU en artikel 47 van het Handvest, waarbij laatstgenoemd artikel naar behoren in aanmerking dient te worden genomen voor de uitlegging van eerstgenoemd artikel [zie in die zin arresten van 18 juli 2013, Commissie e.a./Kadi, C-584/10 P, C-593/10 P en C-595/10 P, EU:C:2013:518, punt 66; 27 februari 2018, Associação Sindical dos Juízes Portugueses, C-64/16, EU:C:2018:117, punt 35, en 2 maart 2021, A.B. e.a. (Benoeming van de rechters bij de Sąd NajwyŻszy — Beroep), C-824/18, EU:C:2021:153, punt 143].
71
De erkenning van het in artikel 47 van het Handvest verankerde recht op een doeltreffende voorziening in rechte in een bepaald geval veronderstelt met name dat de persoon die dit recht inroept, zich beroept op door het Unierecht gewaarborgde rechten of vrijheden [arrest van 22 februari 2022, RS (Gevolgen van de uitspraken van een grondwettelijk hof), C-430/21, EU:C:2022:99, punt 34, en 29 juli 2024, protectus, C-185/23, EU:C:2024:657, punt 71]. Dit is het geval in het hoofdgeding, aangezien RFC Seraing — zoals de verwijzende rechter benadrukt — zich beroept op de rechten en vrijheden van de artikelen 45, 56, 63, 101 en 102 VWEU.
72
Dit in artikel 47 van het Handvest gewaarborgde recht op een doeltreffende voorziening in rechte gaat gepaard met de in artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU vervatte verplichting voor de lidstaten om in de nodige rechtsmiddelen te voorzien om daadwerkelijke rechtsbescherming op de onder het Unierecht vallende gebieden te verzekeren [arrest van 6 oktober 2020, État luxembourgeois (Rechtsbescherming tegen een verzoek om inlichtingen in belastingzaken), C-245/19 en C-246/19, EU:C:2020:795, punt 47, en 1 augustus 2022, Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (Afwijzing van het verzoek tot overname van een niet-begeleide Egyptische minderjarige), C-19/21, EU:C:2022:605, punt 36].
73
Terwijl artikel 47 van het Handvest bijdraagt tot de eerbiediging van het recht op daadwerkelijke rechtsbescherming van iedere justitiabele die zich in een bepaald geval beroept op rechten of vrijheden die hij aan het Unierecht ontleent, beoogt artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU te verzekeren dat het door elke lidstaat ingestelde stelsel van rechtsmiddelen de daadwerkelijke rechtsbescherming garandeert op de onder het Unierecht vallende gebieden (arrest van 20 april 2021, Repubblika, C-896/19, EU:C:2021:311, punt 52).
74
Ten eerste houdt de in artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU neergelegde verplichting in dat alle instanties die deel uitmaken van het rechterlijke systeem van de lidstaten en die als ‘rechterlijke instantie’ in de zin van het Unierecht geroepen kunnen zijn om dit recht uit te leggen of toe te passen, voldoen aan de vereisten die inherent zijn aan een daadwerkelijke rechtsbescherming [zie in die zin arresten van 27 februari 2018, Associação Sindical dos Juízes Portugueses, C-64/16, EU:C:2018:117, punt 40, en 22 februari 2022, RS (Gevolgen van de uitspraken van een grondwettelijk hof), C-430/21, EU:C:2022:99, punt 40].
75
Ten tweede vereist het door artikel 47 van het Handvest gewaarborgde recht op een doeltreffende voorziening in rechte met name dat deze rechterlijke instanties een doeltreffende rechterlijke toetsing kunnen verrichten van de handelingen, maatregelen of gedragingen waarvan in het kader van een bepaald geding wordt gesteld dat zij inbreuk hebben gemaakt op de door het Unierecht aan een justitiabele toegekende rechten of vrijheden. Dit vereiste betekent in beginsel dat die rechterlijke instanties bevoegd zijn om alle juridische en feitelijke kwesties te onderzoeken die relevant zijn voor de beslechting van dat geding [arrest van 6 oktober 2020, État luxembourgeois (Rechtsbescherming tegen een verzoek om inlichtingen in belastingzaken), C-245/19 en C-246/19, EU:C:2020:795, punt 66 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
76
Geen van deze twee bepalingen brengt evenwel mee dat de justitiabelen beschikken over een rechtstreeks rechtsmiddel dat er primair toe strekt een bepaalde maatregel aan te vechten, voor zover er in het betrokken nationale rechtsstelsel voorts een of meer rechtsmiddelen voorhanden zijn waarmee hij incidenteel een doeltreffende rechterlijke toetsing van die maatregel kan verkrijgen waardoor de eerbiediging van de hem door het Unierecht verleende rechten en vrijheden wordt gewaarborgd [zie in die zin arresten van 13 maart 2007, Unibet, C-432/05, EU:C:2007:163, punten 47 en 49; 6 oktober 2020, État luxembourgeois (Rechtsbescherming tegen een verzoek om inlichtingen in belastingzaken), C-245/19 en C-246/19, EU:C:2020:795, punt 79, en 8 april 2025, Europees Openbaar Ministerie (Rechterlijke toetsing van procedurele handelingen), C-292/23, EU:C:2025:255, punt 79].
77
Daarnaast moeten de rechtsmiddelen die in het betrokken nationale rechtsstelsel voorhanden zijn de bevoegde nationale rechter in staat stellen om onder de voorwaarden van artikel 267 VWEU het Hof om een prejudiciële beslissing te verzoeken over alle vragen die betrekking hebben op de uitlegging van het Unierecht of op de geldigheid van een Unierechtelijke handeling. In dit verband moet worden benadrukt dat de prejudiciële procedure van artikel 267 VWEU, die de hoeksteen vormt van het door de Verdragen ingestelde gerechtelijke systeem, tot doel heeft de eenvormige uitlegging van het Unierecht te waarborgen door tussen het Hof en de rechterlijke instanties van de lidstaten een dialoog van rechter tot rechter tot stand te brengen, en aldus de mogelijkheid biedt de coherentie, de volle werking en de autonomie van het Unierecht te verzekeren en, in laatste instantie, de eigenheid van het door de Verdragen geschapen recht in acht te nemen [advies 2/13 (Toetreding van de Unie tot het EVRM) van 18 december 2014, EU:C:2014:2454, punt 176, en arresten van 6 maart 2018, Achmea, C-284/16, EU:C:2018:158, punt 37, en 22 februari 2022, RS (Gevolgen van de uitspraken van een grondwettelijk hof), C-430/21, EU:C:2022:99, punt 73]. Deze prejudiciële procedure vormt aldus een wezenlijk bestanddeel van het door de Verdragen ingestelde systeem om de nationale rechterlijke instanties in staat te stellen de daadwerkelijke rechtsbescherming van de door particulieren aan het Unierecht ontleende rechten te verzekeren [zie in die zin arrest van 23 november 2021, IS (Onwettigheid van de verwijzingsbeslissing), C-564/19, EU:C:2021:949, punt 76].
78
De door de Verdragen ingestelde rechtsorde belet evenwel in beginsel niet dat particulieren die onder die rechtsorde vallen omdat zij op het grondgebied van de Unie een economische activiteit uitoefenen, geschillen die in het kader van die activiteit tussen hen kunnen ontstaan aan arbitrage onderwerpen.
79
Anders dan de — strikt verboden — sluiting van overeenkomsten tussen lidstaten waarbij een verplichte arbitrage wordt ingesteld die geschillen die betrekking kunnen hebben op de uitlegging of de toepassing van het Unierecht aan de bevoegdheid van hun rechterlijke instanties onttrekt, en van ad-hoc-arbitrageovereenkomsten waardoor arbitrages die op grond van dergelijke overeenkomsten zijn ingeleid kunnen worden voortgezet (zie in die zin arresten van 6 maart 2018, Achmea, C-284/16, EU:C:2018:158, punten 54 en 55; 2 september 2021, Republiek Moldavië, C-741/19, EU:C:2021:655, punt 59, en 26 oktober 2021, PL Holdings, C-109/20, EU:C:2021:875, punten 44 en 45), is arbitrage voor particulieren in beginsel mogelijk.
80
Zoals blijkt uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) over artikel 6, lid 1, van het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), in het licht waarvan artikel 47 van het Handvest moet worden uitgelegd (arrest van 19 december 2019, Deutsche Umwelthilfe, C-752/18, EU:C:2019:1114, punt 37), moet in dit verband een onderscheid worden gemaakt tussen gedwongen en vrijwillige arbitrage. Wat vrijwillige arbitrage betreft, heeft het EHRM geoordeeld dat het de partijen bij een overeenkomst vrijstaat om vrijwillig afstand te doen van bepaalde door het EVRM gewaarborgde rechten, waaronder het recht om bepaalde geschillen die uit de uitvoering van die overeenkomst kunnen voortvloeien aan de nationale rechterlijke instanties voor te leggen, mits die afstand vrij, rechtmatig en ondubbelzinnig is (EHRM, 2 oktober 2018, Mutu en Pechstein tegen Zwitserland, CE:ECHR:2018:1002JUD004057510, § 96).
81
Ook het Hof heeft vastgesteld dat particulieren een overeenkomst kunnen sluiten waarin in duidelijke en nauwkeurige bewoordingen wordt bepaald dat alle of sommige daarop betrekking hebbende geschillen worden voorgelegd aan een arbitrage-instantie, en niet aan de rechter die bij gebreke van een dergelijke overeenkomst volgens de toepasselijke nationaalrechtelijke regels bevoegd zou zijn geweest (zie in die zin arrest van 21 december 2023, International Skating Union/Commissie, C-124/21 P, EU:C:2023:1012, punt 193).
82
Zodra evenwel de bij een dergelijke overeenkomst ingestelde of aangewezen arbitrageregeling op het gehele grondgebied van de Unie of op een deel ervan moet worden toegepast in het kader van geschillen betreffende de uitoefening van een economische activiteit op dat grondgebied, moet deze regeling zodanig worden opgezet en toegepast dat zij verenigbaar is met de beginselen waarop de gerechtelijke structuur van de Unie is gebaseerd en daadwerkelijk de openbare orde van de Unie eerbiedigt (zie in die zin arrest van 21 december 2023, International Skating Union/Commissie, C-124/21 P, EU:C:2023:1012, punten 188 en 189).
83
Daartoe moet worden onderstreept dat, ongeacht de regels die van toepassing kunnen zijn op de in het kader van een dergelijke arbitrageregeling bevoegde arbitrage-instantie, de vonnissen van die instantie vatbaar moeten zijn voor een rechterlijke toetsing die de daadwerkelijke rechtsbescherming kan waarborgen waarop de betrokken particulieren krachtens artikel 47 van het Handvest recht hebben en die de lidstaten krachtens artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU op de onder het Unierecht vallende gebieden moeten verzekeren.
84
Dit vereiste betekent niet dat er in de Unie noodzakelijkerwijs een of meer rechterlijke instanties moeten zijn die bevoegd zijn om alle juridische en feitelijke kwesties te onderzoeken die relevant zijn voor de beslechting van de geschillen in het kader waarvan die uitspraken zijn gewezen, zoals volgens de in punt 75 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak het geval moet zijn wanneer er geen beroep wordt gedaan op arbitrage. Gezien de mogelijkheid voor particulieren om onder de in punt 82 van het onderhavige arrest genoemde voorwaarden een beroep te doen op arbitrage en gezien de vereisten voor de doeltreffendheid van de arbitrageprocedure, kan de rechterlijke toetsing van die vonnissen immers op geldige wijze worden beperkt (zie in die zin arresten van 1 juni 1999, Eco Swiss, C-126/97, EU:C:1999:269, punt 35; 26 oktober 2006, Mostaza Claro, C-168/05, EU:C:2006:675, punt 34, en 21 december 2023, International Skating Union/Commissie, C-124/21 P, EU:C:2023:1012, punt 193).
85
De particulieren op wie arbitrale vonnissen betrekking hebben moeten evenwel hoe dan ook de mogelijkheid behouden om te verkrijgen dat een rechterlijke instantie die voldoet aan alle vereisten van artikel 267 VWEU, toetst of dergelijke vonnissen verenigbaar zijn met de beginselen en bepalingen die deel uitmaken van de openbare orde van de Unie en die relevant zijn in het kader van het betrokken geding (zie in die zin arresten van 1 juni 1999, Eco Swiss, C-126/97, EU:C:1999:269, punt 37, en 21 december 2023, International Skating Union/Commissie, C-124/21 P, EU:C:2023:1012, punt 193).
86
Om doeltreffend te zijn moet die toetsing kunnen waarborgen dat die beginselen en bepalingen worden nageleefd, wat betekent dat die toetsing betrekking moet hebben op de uitlegging van die beginselen en bepalingen, op de rechtsgevolgen die in een bepaald geval aan de toepassing van de beginselen en bepalingen moeten worden verbonden en eventueel op de juridische kwalificatie van de door de arbitrage-instantie vastgestelde en beoordeelde feiten in het licht van die beginselen en bepalingen.
87
Het kan namelijk niet worden aanvaard dat particulieren zich door arbitrage kunnen onttrekken aan de beginselen en bepalingen van primair of afgeleid Unierecht die van wezenlijk belang zijn voor de door de Verdragen ingestelde rechtsorde of die van fundamenteel belang zijn voor de vervulling van de taken van de Unie (zie in die zin arresten van 1 juni 1999, Eco Swiss, C-126/97, EU:C:1999:269, punt 36, en 26 oktober 2006, Mostaza Claro, C-168/05, EU:C:2006:675, punt 37). Veeleer moeten deze beginselen en bepalingen, die deel uitmaken van de openbare orde van de Unie, door particulieren in acht worden genomen voor zover aan de respectieve toepassingsvoorwaarden ervan in een bepaald geval is voldaan. In dit verband vormt de eerbiediging van de openbare orde van de Unie een essentiële aanvulling op het gestructureerde netwerk van beginselen, regels en onderling samenhangende juridische betrekkingen tussen de Unie en haar lidstaten en tussen de lidstaten onderling (zie in dit laatste verband arrest van 6 maart 2018, Achmea, C-284/16, EU:C:2018:158, punt 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak)
88
Zoals volgt uit de rechtspraak van het Hof, omvatten de beginselen en bepalingen die deel uitmaken van de openbare orde van de Unie met name de artikelen 101 en 102 VWEU, die rechtstreekse werking hebben en die voor de justitiabelen rechten in het leven roepen die door de nationale rechter moeten worden gehandhaafd (zie in die zin arresten van 1 juni 1999, Eco Swiss, C-126/97, EU:C:1999:269, punten 36–39, en 21 december 2023, International Skating Union/Commissie, C-124/21 P, EU:C:2023:1012, punten 192 en 193).
89
Ook het vrije verkeer van werknemers, het vrij verrichten van diensten en het vrije kapitaalverkeer zoals gewaarborgd in respectievelijk de artikelen 45, 56 en 63 VWEU maken deel uit van de openbare orde van de Unie. Ook deze drie bepalingen, die als enige in het hoofdgeding aan de orde zijn, hebben rechtstreekse werking (zie met betrekking tot artikel 45 VWEU arrest van 21 december 2023, Royal Antwerp Football Club, C-680/21, EU:C:2023:1010, punt 136 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en met betrekking tot artikel 63 VWEU arrest van 10 maart 2022, Grossmania, C-177/20, EU:C:2022:175, punt 44 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Zij maken deel uit van de fundamenten van de interne markt, die een ruimte zonder binnengrenzen omvat in de zin van artikel 26 VWEU.
Rechterlijke toetsing van de door het CAS gewezen vonnissen in geschillen in verband met sport die als economische activiteit wordt beoefend op het grondgebied van de Unie
90
Zoals blijkt uit de rechtspraak van het Hof, hebben de arbitrageregelingen waaraan internationale sportbonden zoals de FIFA de beslechting van geschillen voorleggen die kunnen ontstaan tussen deze bonden of de nationale verenigingen die er lid van zijn en particulieren die onder hun respectieve bevoegdheid vallen — ongeacht of het gaat om ondernemingen dan wel om sporters — een aantal specifieke kenmerken op grond van de statuten en voorrechten van deze sportbonden.
91
Om die reden heeft het Hof opgemerkt dat wanneer deze geschillen verband houden met sport die als economische activiteit wordt beoefend op het grondgebied van de Unie, de mogelijkheid voor de betrokken particulieren om een doeltreffende rechterlijke toetsing te verkrijgen waar het gaat om de vraag of de in die geschillen gewezen vonnissen verenigbaar zijn met de beginselen en bepalingen die deel uitmaken van de openbare orde van de Unie, van bijzonder belang is (zie in die zin arrest van 21 december 2023, International Skating Union/Commissie, C-124/21 P, EU:C:2023:1012, punten 193 en 195).
92
Gelet op de statuten en voorrechten van sportbonden zoals de FIFA, moet er immers van worden uitgegaan dat deze bonden dergelijke arbitrageregelingen eenzijdig aan die particulieren hebben opgelegd (zie in die zin arrest van 21 december 2023, International Skating Union/Commissie, C-124/21 P, EU:C:2023:1012, punten 193, 195 en 225; EHRM, 2 oktober 2018, Mutu en Pechstein tegen Zwitserland, CE:ECHR:2018:1002JUD004057510, §§ 109–115). Ook al kan voor de toepassing van een dergelijke regeling op een particulier formeel vereist zijn dat er een overeenkomst met die particulier wordt gesloten, de omstandigheid dat die overeenkomst wordt gesloten en daarin een arbitragebeding wordt opgenomen, is in feite vooraf voorgeschreven door een regeling die door de betrokken vereniging is vastgesteld en die geldt voor haar leden, voor de personen die bij die leden zijn aangesloten, of zelfs voor andere categorieën van personen.
93
Die dwingende aard van dergelijke arbitrageregelingen is nauw verbonden met de omstandigheid dat deze regelingen toepassing vinden op gedingen tussen, enerzijds, een sportbond met bijzonder uitgebreide regelgevende, controle- en sanctiebevoegdheden sui generis en, anderzijds, een algemene en onbepaalde groep van rechtspersonen of natuurlijke personen die aan de uitoefening van deze bevoegdheden zijn onderworpen in het kader van hun beroepsactiviteit, zoals de advocaat-generaal in essentie heeft opgemerkt in de punten 74 en 75 van haar conclusie.
94
Het is juist dat deze verplichte arbitrage, gelet op de juridische autonomie van de internationale sportbonden en op hun verantwoordelijkheden (zie in dat verband arrest van 21 december 2023, European Superleague Company, C-333/21, EU:C:2023:1011, punten 75 en 142 en aldaar aangehaalde rechtspraak), in beginsel gerechtvaardigd kan zijn doordat er legitieme doelstellingen worden nagestreefd, zoals de doelstelling om een uniforme behandeling te waarborgen van geschillen die verband houden met de onder hun bevoegdheid vallende sport of om een coherente uitlegging en toepassing van de op die sport toepasselijke regels mogelijk te maken.
95
Het Hof heeft er echter herhaaldelijk op gewezen dat deze juridische autonomie niet kan rechtvaardigen dat de uitoefening van de bevoegdheden van dergelijke bonden ertoe leidt dat de mogelijkheid voor particulieren om zich te beroepen op de rechten en de vrijheden die het Unierecht hun verleent en die deel uitmaken van de openbare orde van de Unie, wordt beperkt (zie in die zin arresten van 21 december 2023, European Superleague Company, C-333/21, EU:C:2023:1011, punt 75, en 21 december 2023, International Skating Union/Commissie, C-124/21 P, EU:C:2023:1012, punt 196 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Dit vereiste houdt in dat de eerbiediging van deze rechten en vrijheden op doeltreffende wijze door de rechter kan worden getoetst, a fortiori wanneer aan de betrokken particulieren arbitrage wordt opgelegd (zie naar analogie arresten van 1 juni 1999, Eco Swiss, C-126/97, EU:C:1999:269, punten 36–39, en 21 december 2023, International Skating Union/Commissie, C-124/21 P, EU:C:2023:1012, punten 192 en 193).
96
In casu is het vonnis van het CAS gebaseerd op een arbitrageregeling die moet worden geacht in de praktijk eenzijdig aan de betrokken particulieren te zijn opgelegd, zoals blijkt uit de aanwijzingen die de verwijzende rechter heeft verstrekt en uit het dossier waarover het Hof beschikt.
97
Overeenkomstig punt 47, lid 3, en punt 50, lid 1, van de FIFA-statuten moeten beroepen tegen een beslissing van de beroepscommissie van de FIFA en, meer in het algemeen, tegen een beslissing in laatste aanleg die is genomen door de FIFA en haar instanties immers worden ingesteld bij het CAS. Volgens punt 50, lid 4, van deze statuten heeft dit beroep geen opschortende werking, ook al kan het CAS daar dergelijke werking aan verlenen. Vervolgens zijn de nationale voetbalbonden die lid zijn van de FIFA krachtens de punten 11, 14 en 15 alsmede punt 51 van deze statuten niet alleen verplicht om de bevoegdheid en de beslissingen van het CAS te erkennen, maar ook om hun eigen leden of aangeslotenen, zoals competities, clubs en spelers, ertoe te brengen om afhankelijk van het geval deze bevoegdheid en die beslissingen te erkennen, dan wel de bevoegdheid en de beslissingen van op nationaal niveau ingestelde arbitrage-instanties te erkennen. Ten slotte zijn volgens punt 51 van deze statuten beroepen en verzoeken om voorlopige maatregelen bij gewone rechterlijke instanties verboden, tenzij het FIFA-reglement daarin uitdrukkelijk voorziet. Onder dit voorbehoud is de respectieve bevoegdheid van het CAS en van de op nationaal niveau ingestelde arbitrage-instanties dus niet alleen algemeen en bindend, maar ook exclusief voorbehouden aan de in deze bepalingen bedoelde categorieën van personen.
98
Derhalve moet worden verduidelijkt aan welke vereisten de rechterlijke toetsing van krachtens een dergelijke regeling gewezen vonnissen moet voldoen om de bevoegde nationale rechterlijke instanties in staat te stellen aan particulieren de daadwerkelijke rechtsbescherming te waarborgen waarop zij krachtens artikel 47 van het Handvest recht hebben en die de lidstaten krachtens artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU op de onder het Unierecht vallende gebieden moeten verzekeren.
99
In de eerste plaats impliceert artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU — zoals in punt 76 van het onderhavige arrest is opgemerkt — niet noodzakelijkerwijs dat er op het grondgebied van de Unie een rechtstreeks rechtsmiddel voorhanden moet zijn dat de betrokken particulieren in staat stelt om dergelijke vonnissen aan te vechten, zoals een beroep tot nietigverklaring, verzet of hoger beroep, en om zodoende van de bevoegde rechterlijke instantie een doeltreffende rechterlijke toetsing van die vonnissen te verkrijgen. De betrokken sportbond kan echter een arbitrageregeling instellen die, gelet op de vestigingsplaats van die bond, binnen de Unie voorwerp kan zijn van een dergelijk rechtstreeks rechtsmiddel.
100
Zoals in punt 76 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, moet er daarentegen in alle gevallen waarin een vonnis is gewezen in een geschil dat verband houdt met sport die als economische activiteit wordt beoefend op het grondgebied van de Unie en waarin er geen rechtstreeks rechtsmiddel tegen dat vonnis voorhanden is bij een rechterlijke instantie van een lidstaat, voor de betrokken particulieren een mogelijkheid bestaan om incidenteel, op hun verzoek of ambtshalve, van elke rechterlijke instantie van een lidstaat die op enigerlei wijze kennis kan nemen van een dergelijk arbitraal vonnis, een doeltreffende rechterlijke toetsing te verkrijgen met betrekking tot de vraag of dat vonnis verenigbaar is met de beginselen en bepalingen die deel uitmaken van de openbare orde van de Unie, zoals blijkt uit de punten 85 en 95 van het onderhavige arrest. Indien een dergelijke incidentele toetsing ontbreekt of indien deze — gelet op de in de punten 92 en 93 van dit arrest genoemde aspecten — niet doeltreffend is, bestaat er geen rechtsmiddel waarmee de daadwerkelijke rechtsbescherming van de betrokken particulieren kan worden gewaarborgd, zodat de betrokken lidstaat verplicht is een dergelijk rechtsmiddel in te stellen.
101
In de tweede plaats moeten de rechterlijke instanties van de lidstaten die die toetsing dienen te verrichten, wanneer een dergelijk arbitraal vonnis — zoals in casu — een uitlegging of toepassing bevat van de beginselen of bepalingen die deel uitmaken van de openbare orde van de Unie en die aan particulieren rechten of vrijheden toekennen, een toetsing kunnen uitvoeren van de uitlegging die aan die beginselen of bepalingen is gegeven, van de rechtsgevolgen die aan die uitlegging zijn verbonden waar het gaat om de toepassing van die beginselen of bepalingen op het concrete geval, en van de juridische kwalificatie die in het licht van die uitlegging is gegeven aan de door de arbitrage-instantie vastgestelde en beoordeelde feiten, zoals volgt uit de punten 86 en 95 van het onderhavige arrest.
102
In de derde plaats kunnen deze rechterlijke instanties zich er niet toe beperken in voorkomend geval vast te stellen dat een dergelijk vonnis geheel of gedeeltelijk onverenigbaar is met beginselen of bepalingen die deel uitmaken van de openbare orde van de Unie.
103
Veeleer moeten die rechterlijke instanties in het kader van hun respectieve bevoegdheden en overeenkomstig de toepasselijke nationale bepalingen aan de vaststelling van een dergelijke onverenigbaarheid ook alle nodige rechtsgevolgen kunnen verbinden. Zo niet, dan zou de rechterlijke toetsing namelijk niet doeltreffend zijn doordat deze onverenigbaarheid zou kunnen blijven voortbestaan.
104
Met name moeten de betrokken particulieren, wanneer er sprake is van schending van de mededingingsregels, die rechterlijke instanties niet alleen kunnen verzoeken om die schending vast te stellen en vergoeding te gelasten van de schade die zij daardoor hebben geleden, maar ook om een eind te maken aan de gedragingen die tot die schending hebben geleid (zie in die zin arrest van 21 december 2023, International Skating Union/Commissie, C-124/21 P, EU:C:2023:1012, punten 200 en 201). Hetzelfde geldt voor de verkeersvrijheden, aangezien sportbonden deze vrijheden moeten eerbiedigen wanneer zij regels uitvaardigen of toepassen die een directe uitwerking hebben op die vrijheden (zie in die zin arrest van 21 december 2023, European Superleague Company, C-333/21, EU:C:2023:1011, punten 85 en 86 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
105
In de vierde en laatste plaats volgt uit vaste rechtspraak van het Hof dat nationale rechterlijke instanties die kennisnemen van een door het Unierecht beheerst geschil, over de bevoegdheid moeten beschikken om voorlopige maatregelen te gelasten die de volle werking van de te wijzen beslissing ten gronde kunnen verzekeren, ook wanneer deze rechterlijke instantie het Hof om een prejudiciële beslissing verzoekt en de behandeling van de zaak schorst in afwachting van het antwoord van het Hof. Tevens moet die rechterlijke instantie de regels van nationaal recht die zich tegen die bevoegdheid verzetten, buiten toepassing laten (zie in die zin arrest van 19 juni 1990, Factortame e.a., C-213/89, EU:C:1990:257, punten 21–23; beschikking van de president van het Hof van 25 februari 2021, Sea Watch, C-14/21 en C-15/21, EU:C:2021:149, punt 32).
106
Hieruit volgt om te beginnen dat de betrokken particulieren de mogelijkheid moeten hebben om bij elke nationale rechterlijke instantie waarbij rechtsgeldig een geding aanhangig is over de vraag of een arbitraal vonnis verenigbaar is met de beginselen en bepalingen die deel uitmaken van de openbare orde van de Unie, te verzoeken om aan hen voorlopige maatregelen toe te kennen in afwachting van de uitspraak ten gronde (zie in die zin arrest van 21 december 2023, International Skating Union/Commissie, C-124/21 P, EU:C:2023:1012, punt 201). Meer in het algemeen moeten dergelijke voorlopige maatregelen gevraagd kunnen worden aan elke nationale rechter die in het kader van een vordering tot nietigverklaring, tot uitvaardiging van een bevel of tot vergoeding van de schade — zoals in het hoofdgeding — of in enige andere nationale gerechtelijke procedure bevoegd is om uitspraak te doen over de vraag of een handeling, maatregel of gedraging van een internationale of nationale sportbond of een arbitrage-instantie waarvan de bevoegdheid in de praktijk door die bond eenzijdig aan particulieren wordt opgelegd, verenigbaar is met die beginselen en bepalingen, zonder dat een beslissing ten gronde over deze vraag behoeft te worden afgewacht. Zonder die mogelijkheid zou de volle werking van een dergelijke beslissing namelijk niet kunnen worden gewaarborgd.
107
Verder moet een nationale rechter die bevoegd is om te oordelen over een dergelijke vraag eventuele regels van een lidstaat — of, a fortiori, van een sportbond — die de betrokken particulieren beletten om bij deze rechter een verzoek in te dienen om aan hen dergelijke voorlopige maatregelen toe te kennen of die er zich op een andere wijze tegen verzetten dat deze rechter aan hen dergelijke maatregelen kan toekennen, buiten toepassing laten.
108
In casu blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat het vonnis van het CAS betrekking heeft op een geschil over tuchtrechtelijke sancties die door de FIFA zijn opgelegd naar aanleiding van overeenkomsten tussen een in België gevestigde voetbalclub en een in Malta gevestigde onderneming waarvan de activiteit bestaat in het verlenen van financiële bijstand aan voetbalclubs in Europa. Dit vonnis is gewezen krachtens een arbitrageregeling die is ingesteld bij de door de FIFA vastgestelde regeling, waarin is bepaald dat beroep tot nietigverklaring van dat vonnis kan worden ingesteld bij een rechterlijke instantie van een derde land. Het gaat dus om een vonnis waarvoor de betrokken particulieren, bij gebreke van een rechtstreeks rechtsmiddel bij een rechterlijke instantie van een lidstaat, incidenteel van elke rechterlijke instantie van een lidstaat die kennis kan nemen van een dergelijk vonnis, zo nodig bijgestaan door het Hof op grond van artikel 267 VWEU, een doeltreffende toetsing moeten kunnen verkrijgen van de naleving van de beginselen en bepalingen die deel uitmaken van de openbare orde van de Unie.
109
Zoals naar voren komt uit de uiteenzetting in de verwijzingsbeslissing, is het voorts zo dat de nationale bepalingen en regels waarop de vragen van de verwijzende rechter betrekking hebben, in algemene en niet-specifieke bewoordingen bewerkstelligen dat aan definitieve arbitrale vonnissen gezag van gewijsde in de relaties tussen de partijen en bewijskracht jegens derden wordt verleend op het volledige grondgebied van de betrokken lidstaat. Zij zijn als zodanig op het vonnis van het CAS toegepast in het arrest waartegen bij de verwijzende rechter cassatieberoep is ingesteld.
110
De toepassing van die bepalingen en regels heeft dus ten eerste tot gevolg dat aan een dergelijk arbitraal vonnis gezag van gewijsde wordt verleend in de relaties tussen de partijen bij het geding waarin dat arbitraal vonnis is gewezen.
111
Die toepassing ontneemt de partij aan wie het arbitraal vonnis in kwestie later door de andere partij wordt tegengeworpen, in een bij een gerecht van de betrokken lidstaat aanhangig geding de mogelijkheid om van die rechter op eigen verzoek of ambtshalve een doeltreffende toetsing te verkrijgen met betrekking tot de vraag of dat arbitraal vonnis verenigbaar is met de beginselen en bepalingen die deel uitmaken van de openbare orde van de Unie.
112
Ten tweede heeft die toepassing tot gevolg dat aan een dergelijk arbitraal vonnis bewijskracht wordt verleend in de relaties tussen de partijen in het geding waarin dat arbitraal vonnis is gewezen en derden.
113
Zoals zowel de verwijzende rechter in de verwijzingsbeslissing als de advocaat-generaal in punt 134 van haar conclusie heeft opgemerkt, vormt deze bewijskracht een vermoeden dat in een geding voor een rechterlijke instantie van de betrokken lidstaat weerlegd kan worden door de partij aan wie dat arbitraal vonnis later wordt tegengeworpen door een derde.
114
Uit de verwijzingsbeslissing blijkt echter eveneens dat deze aan het arbitraal vonnis in kwestie verleende bewijskracht een van de gevolgen is die het nationale recht verbindt aan het gezag van gewijsde, zodat het arbitraal vonnis aan derden kan worden tegengeworpen. Die bewijskracht wordt aan dat arbitraal vonnis dus op dezelfde wijze verleend als het gezag van gewijsde waaruit die kracht voortvloeit en waarmee zij rechtstreeks en onlosmakelijk verbonden is, zonder dat er door een rechterlijke instantie van een lidstaat een toetsing wordt verricht van de verenigbaarheid van het vonnis met de openbare orde van de Unie.
115
Het vereiste dat wordt nagegaan of de openbare orde van de Unie niet is geschonden is echter noodzakelijk om de betrokken justitiabele in staat te stellen om zijn recht op een doeltreffende voorziening in rechte uit te oefenen en de daadwerkelijke rechtsbescherming te genieten die hem, in voorkomend geval ambtshalve, moet worden gewaarborgd overeenkomstig artikel 47 van het Handvest en artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, ongeacht wie zich ten aanzien van die justitiabele beroept op een arbitraal vonnis zoals in het hoofdgeding aan de orde is.
116
Voorts moet erop worden gewezen dat het op 10 juni 1958 te New York ondertekende Verdrag over de erkenning en tenuitvoerlegging van buitenlandse scheidsrechterlijke uitspraken (United Nations Treaty Series, deel 330, blz. 3), dat de Unie niet bindt maar waarbij alle lidstaten en ook de Zwitserse Bondsstaat partij zijn, eveneens voorziet in een rechterlijke toetsing van arbitrale vonnissen die betrekking heeft op de eerbiediging van de openbare orde.
117
Zoals met name de Belgische, de Franse, de Litouwse en de Nederlandse regering alsook de Commissie in essentie hebben opgemerkt, volgt namelijk uit dit verdrag dat elke staat die daarbij partij is weliswaar buitenlandse arbitrale vonnissen moet erkennen die zijn gewezen krachtens een overeenkomst waarbij natuurlijke personen of rechtspersonen zich ertoe hebben verbonden om geschillen die tussen hen kunnen ontstaan over een specifieke rechtsverhouding geheel of gedeeltelijk aan arbitrage te onderwerpen, maar dat deze verplichting hand in hand gaat met de verplichting van die staat om te verzekeren dat de betrokken personen, op hun verzoek of ambtshalve, de bevoegde nationale rechterlijke instanties kunnen verzoeken om te toetsen of die vonnissen met de openbare orde van die staat verenigbaar zijn. Wat de lidstaten betreft, gaat laatstbedoelde verplichting hand in hand met de verplichting om te verzekeren dat deze personen kunnen laten toetsen of die vonnissen met de openbare orde van de Unie verenigbaar zijn (zie in die zin arrest van 1 juni 1999, Eco Swiss, C-126/97, EU:C:1999:269, punt 37).
118
Ten slotte zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak artikel 47 van het Handvest op zichzelf volstaat en niet hoeft te worden verduidelijkt door bepalingen van Unierecht of van nationaal recht, om particulieren een als zodanig inroepbaar recht te verlenen (arresten van 17 april 2018, Egenberger, C-414/16, EU:C:2018:257, punt 78; 29 juli 2019, Torubarov, C-556/17, EU:C:2019:626, punt 56, en 28 januari 2025, ASG 2, C-253/23, EU:C:2025:40, punt 89).
119
Uit vaste rechtspraak van het Hof volgt tevens dat artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU rechtstreekse werking heeft, aangezien deze bepaling duidelijk en nauwkeurig is en aan geen enkele voorwaarde is gebonden [arresten van 18 mei 2021, Asociaţia ‘Forumul Judecătorilor din România’ e.a., C-83/19, C-127/19, C-195/19, C-291/19, C-355/19 en C-397/19, EU:C:2021:393, punt 250; 22 februari 2022, RS (Gevolgen van de arresten van een grondwettelijk hof), C-430/21, EU:C:2022:99, punt 58, en 6 maart 2025, D. K. (Onttrekking van zaken aan een rechter), C-647/21 en C-648/21, EU:C:2025:143, punt 90].
120
Hieruit volgt dat de bevoegde nationale rechter, wanneer de op een bepaald geding toepasselijke nationale bepalingen de volle werking van artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU kunnen verhinderen, de nationale regelgeving uit eigen beweging buiten toepassing moet laten wanneer hij deze niet in overeenstemming met het Unierecht kan uitleggen. De bevoegdheid om bij de toepassing van het Unierecht al het nodige te doen om een bepaling of praktijk die de volle werking van de Unierechtelijke regels met rechtstreekse werking zou kunnen verhinderen, buiten toepassing te laten, maakt immers integraal deel uit van de taak van Unierechter die de nationale rechter heeft wanneer hij die regels in het kader van zijn bevoegdheid dient toe te passen [zie in die zin arrest van 22 februari 2022, RS (Gevolgen van de uitspraken van een grondwettelijk hof), C-430/21, EU:C:2022:99, punten 59 en 62 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
121
Deze verplichting geldt derhalve met name wanneer de toepasselijke nationale bepalingen eraan in de weg staan dat de bevoegde nationale rechter incidenteel een doeltreffende toetsing verricht met betrekking tot de vraag of een arbitraal vonnis van het CAS in een geschil dat verband houdt met sport die als economische activiteit wordt beoefend op het grondgebied van de Unie, verenigbaar is met de beginselen en de bepalingen die deel uitmaken van de openbare orde van de Unie.
122
Bijgevolg geldt die verplichting in het bijzonder wanneer het gaat om nationale bepalingen en regels die aan een dergelijk arbitraal vonnis gezag van gewijsde in de relaties tussen de partijen en bewijskracht in de relaties tussen de partijen en derden verlenen, zonder dat dit arbitraal vonnis voorafgaand is getoetst en een rechterlijke instantie van de betrokken lidstaat daadwerkelijk heeft kunnen nagaan of dat vonnis verenigbaar is met de beginselen en de bepalingen die deel uitmaken van de openbare orde van de Unie. Dienaangaande moet worden benadrukt dat in die context juist het verlenen van gezag van gewijsde en dus van bewijskracht aan dat arbitraal vonnis in strijd is met het in artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU en artikel 47 van het Handvest bedoelde vereiste van daadwerkelijke rechtsbescherming.
123
Die situatie verschilt immers fundamenteel van die waarop de in punt 55 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak van het Hof betrekking heeft en waarin het verlenen van gezag van gewijsde aan rechterlijke beslissingen of arbitrale vonnissen die overeenkomstig die bepalingen op doeltreffende wijze door de rechter konden worden getoetst, ter discussie wordt gesteld op grond dat het gezag van gewijsde tot gevolg heeft dat een schending van een andere bepaling of een ander beginsel van het Unierecht niet kan worden vastgesteld en bestraft, waardoor een grens wordt overschreden die het beginsel van doeltreffendheid van het Unierecht stelt aan het gezag van gewijsde als uitdrukking van het beginsel van procedurele autonomie van de lidstaten.
124
In casu volgt hieruit dat de nationale bepalingen en regels in het licht waarvan de vragen van de verwijzende rechter zijn geformuleerd buiten toepassing moeten worden gelaten, tenzij die bepalingen en regels — in voorkomend geval in samenhang met andere bepalingen van nationaal recht — aldus kunnen worden uitgelegd dat zij niet van toepassing zijn wanneer er sprake is van een arbitraal vonnis als aan de orde in het hoofdgeding, hetgeen uitsluitend aan de verwijzende rechter is om na te gaan.
125
Gelet op een en ander moet op de gestelde vragen worden geantwoord dat artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, gelezen in samenhang met artikel 267 VWEU en met artikel 47 van het Handvest, aldus moet worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat:
- —
aan een vonnis van het CAS op het grondgebied van een lidstaat gezag van gewijsde wordt verleend in de relaties tussen de partijen bij het geding in het kader waarvan dat vonnis is gewezen, wanneer dat geding verband houdt met sport die als economische activiteit wordt beoefend op het grondgebied van de Unie en de verenigbaarheid van dat vonnis met de beginselen en bepalingen die deel uitmaken van de openbare orde van de Unie niet voorafgaand op doeltreffende wijze is getoetst door een rechterlijke instantie van die lidstaat die bevoegd is om een prejudiciële vraag voor te leggen aan het Hof;
- —
aan een dergelijk vonnis op het grondgebied van die lidstaat als gevolg van het gezag van gewijsde bewijskracht wordt verleend in de relaties tussen de partijen bij dat geding en derden.
Kosten
126
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Grote kamer) verklaart voor recht:
Artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, gelezen in samenhang met artikel 267 VWEU en met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,
moet aldus worden uitgelegd dat
het zich ertegen verzet dat
- —
aan een vonnis van het CAS op het grondgebied van een lidstaat gezag van gewijsde wordt verleend in de relaties tussen de partijen bij het geding in het kader waarvan dat vonnis is gewezen, wanneer dat geding verband houdt met sport die als economische activiteit wordt beoefend op het grondgebied van de Europese Unie en de verenigbaarheid van dat vonnis met de beginselen en bepalingen die deel uitmaken van de openbare orde van de Unie niet voorafgaand op doeltreffende wijze is getoetst door een rechterlijke instantie van die lidstaat die bevoegd is om een prejudiciële vraag voor te leggen aan het Hof;
- —
aan een dergelijk vonnis op het grondgebied van die lidstaat als gevolg van het gezag van gewijsde bewijskracht wordt verleend in de relaties tussen de partijen bij dat geding en derden.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 01‑08‑2025
Conclusie 16‑01‑2025
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Beroepsmogelijkheden — Daadwerkelijke rechtsbescherming — Artikel 47 van het Handvest — FIFA-statuten — Hof van Arbitrage voor Sport — Arbitraal vonnis waarvan de overeenstemming met het Unierecht is getoetst door een rechterlijke instantie van een derde land — Nationale regeling die gezag van gewijsde verleent
T. Ćapeta
Partij(en)
Zaak C-600/231.
Royal Football Club Seraing
tegen
Fédération Internationale de Football Association (FIFA),
Koninklijke Belgische Voetbalbond vzw (KBVB),
Union européenne des Sociétés de Football Association (UEFA),
in tegenwoordigheid van:
Doyen Sports Investment Ltd
[verzoek van het Hof van Cassatie (België) om een prejudiciële beslissing]
I. Inleiding
1.
‘Wat je er ook van vindt, er is nauwelijks een passie te bedenken die wereldwijd meer mensen sterker verbindt dan de passie voor sport. Haar symboliek is vaak indrukwekkend. Sport brengt in de mens het nobelste naar boven (sportiviteit, de wens om te excelleren, gemeenschapsgevoel) én het laaghartigste (bedrog en groepsgeweld). Sport is ook internationale ‘big business’. Vanwege haar werkelijk sensationele vermogen om grote groepen mensen te motiveren oefent zij vanzelf een sterke aantrekkingskracht uit op degenen die haar magie voor hun eigen doeleinden willen gebruiken. De lust voor politieke invloed en geld doet een hart in een zakenpak net zo vurig kloppen als de kracht van de dromen van roem die het hart van een langeafstandsloper doen zwellen in zijn sportshirt. […] En deze zeggenschapskwestie draait in wezen om de vraag wie de uiteindelijke bevoegdheid heeft om normen vast te stellen en geschillen te beslechten.’2.
2.
Deze woorden zijn tegenwoordig nog net zo waar als in 1993, toen ze voor het eerst werden gepubliceerd. In de onderhavige zaak gaat het om de zeggenschapskwestie, en meer in het bijzonder om de verhouding tussen het systeem van geschillenbeslechting van de Fédération Internationale de Football Association (hierna: ‘FIFA’) bij het Hof van Arbitrage voor Sport (hierna: ‘CAS’), en het beginsel van daadwerkelijke rechtsbescherming in de zin van het Unierecht.
II. Feiten van het hoofdgeding
A. Hoofdrolspelers
3.
Verzoekster in het hoofdgeding, Royal Football Club Seraing, is gevestigd te Seraing (België) en is een vereniging zonder winstoogmerk naar Belgisch recht die de bij de Koninklijke Belgische Voetbalbond vzw (hierna: ‘KBVB’) aangesloten voetbalclub van Seraing bestuurt.
4.
Zoals de verwijzende rechter heeft uiteengezet, werd de club in het seizoen 2013–2014 overgenomen door een nieuw bestuur, met ‘de ambitie om de club […] terug te brengen naar de Belgische en zelfs de internationale elite’. Voorlopig speelt de club ‘nog steeds in amateurdivisie 1, de wachtkamer van het beroepsvoetbal, waarvan hij terecht zo snel mogelijk weer deel wil gaan uitmaken, hetgeen meebrengt dat hij zijn positie in sportief en financieel opzicht moet kunnen versterken’.
5.
Doyen Sports Investment Limited (hierna: ‘Doyen Sports’), interveniënte aan de zijde van verzoekster in het hoofdgeding, is een besloten vennootschap naar Maltees recht met statutaire zetel in Sliema (Malta). Zij richt haar commerciële activiteit op het verlenen van financiële steun aan voetbalclubs in Europa.3.
6.
De eerste verwerende partij in het hoofdgeding, de FIFA, is een te Zürich (Zwitserland) gevestigde vereniging zonder winstoogmerk naar Zwitsers recht. Haar leden zijn de nationale bonden die verantwoordelijk zijn voor de organisatie van en het toezicht op voetbal in hun respectieve landen.
7.
De tweede verwerende partij, de Union européenne des Sociétés de Football Association (hierna: ‘UEFA’), is een in Nyon (Zwitserland) gevestigde vereniging zonder winstoogmerk naar Zwitsers recht, die de nationale bonden binnen Europa overkoepelt.
8.
De derde verwerende partij, de KBVB, gevestigd te Brussel (België), is een Belgische vereniging zonder winstoogmerk die lid is van zowel de UEFA als de FIFA.
B. FIFA-regels die ten grondslag liggen aan het geding
9.
Het ‘Reglement betreffende de status en de transfer van spelers’ van de FIFA (hierna: ‘STS-reglement’)4. bevat algemeen bindende regels betreffende de status van spelers en hun kwalificatie om deel te nemen aan het georganiseerde voetbal. Sommige bepalingen van dit reglement zijn rechtstreeks bindend voor de nationale bonden; andere moeten door elke bond in zijn eigen reglement worden opgenomen.
10.
Op 26 september 2014 werd in een persbericht van de FIFA aangekondigd dat ‘om de integriteit van voetbal en spelers te beschermen, het uitvoerend comité een principebesluit heeft genomen op grond waarvan het zal worden verboden dat derden de eigendom hebben van de economische rechten van spelers en er een overgangsperiode zal worden ingesteld’5..
11.
Bij circulaire aan haar leden van 22 december 2014 heeft de FIFA de nationale bonden, dus ook de KBVB, ervan in kennis gesteld dat haar uitvoerend comité tijdens zijn vergadering van 18 en 19 december 2014 zijn goedkeuring had gehecht aan ‘nieuw in het [STS-reglement] op te nemen bepalingen betreffende eigendom van de economische rechten van spelers in handen van derden en de invloed van derden op clubs’, en daarbij gepreciseerd dat deze bepalingen op 1 januari 2015 in werking zouden treden en moesten worden opgenomen in de lijst van bindende bepalingen op nationaal niveau.
12.
Volgens de nieuwe regels kunnen (i) vanaf 1 mei 2015 geen overeenkomsten worden gesloten die strijdig zijn met het verbod op eigendom door derden van de economische rechten van spelers; (ii) tussen 1 januari en 30 april 2015 nog overeenkomsten worden gesloten en in werking treden, echter met een looptijd van slechts één jaar vanaf de datum van ondertekening, en blijven (iii) overeenkomsten die vóór 1 januari 2015 zijn gesloten en in werking zijn getreden van kracht tot hun vervaldatum, maar kunnen zij na die datum niet worden verlengd.
13.
Een derde partij in de zin van deze regels is elke ‘andere partij dan de overgeplaatste speler, de overdragende en de ontvangende club, of een club waarbij de speler ingeschreven is geweest’6..
C. Betrokken overeenkomsten met derden
14.
Op 30 januari 2015 heeft Royal Football Club Seraing met Doyen Sports een overeenkomst gesloten, waarvan de contractuele vervaldatum was vastgesteld op 1 juli 2018. Deze overeenkomst regelde de sluiting van toekomstige specifieke financieringsovereenkomsten voor elke speler van verzoekster in het hoofgeding die in onderlinge overeenstemming door beide partijen zou worden gekozen, en de overdracht van de economische rechten van drie met name genoemde spelers. Doyen Sports werd voor 30 % eigenaar van ‘de financiële waarde die voortvloeit uit de bondsrechten’ van deze spelers en Royal Football Club Seraing kon zijn aandeel in de economische rechten van deze spelers niet ‘zelfstandig en onafhankelijk’ aan een derde overdragen.
15.
Op 7 juli 2015 hebben Royal Football Club Seraing en Doyen Sports een tweede overeenkomst gesloten, vergelijkbaar met de overeenkomst van 30 januari 2015, om 25 % van de economische rechten van een met name genoemde nieuwe speler over te dragen.
D. Arbitraal vonnis
16.
Op 4 september 2015 heeft de tuchtcommissie van de FIFA Royal Football Club Seraing schuldig bevonden aan schending van voornoemde FIFA-regels wegens het sluiten van die twee overeenkomsten. Zij heeft verzoekster in het hoofdgeding verboden gedurende vier inschrijvingsperioden (twee jaar) spelers in te schrijven en haar veroordeeld tot een geldboete van 150 000 Zwitserse frank (CHF).
17.
Op 7 januari 2016 heeft de beroepscommissie van de FIFA het beroep van Royal Football Club Seraing tegen die beslissing verworpen.
18.
Op 9 maart 2016 heeft Royal Football Club Seraing tegen de beslissing van 7 januari 2016 hoger beroep ingesteld bij het CAS, dat die club had aangezocht overeenkomstig de arbitrageregels in de FIFA-statuten.7.
19.
Bij vonnis van 9 maart 2017 heeft het CAS geoordeeld dat het toepasselijke recht werd gevormd door de FIFA-reglementen en het Zwitserse recht, daaronder begrepen het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), en het Unierecht, met name de bepalingen in de Verdragen inzake vrij verkeer en mededinging.8.
20.
Het CAS heeft geoordeeld dat de nieuwe bepalingen van het STS-reglement rechtmatig waren. Wat het tuchtrechtelijk besluit van de FIFA betreft, heeft het CAS het verbod om spelers in te schrijven beperkt tot drie tijdvakken en de geldboete gehandhaafd.
21.
Op 15 mei 2017 heeft verzoekster in het hoofdgeding de Tribunal fédéral (hoogste rechterlijke instantie, Zwitserland) verzocht om vernietiging van het vonnis van 9 maart 2017. De Tribunal fédéral heeft dit verzoek verworpen bij arrest van 20 februari 2018.
E. Procesvoering die tot het hoofdgeding heeft geleid
22.
Op 3 april 2015 heeft Doyen Sports de FIFA, de UEFA en de KBVB gedagvaard voor de Tribunal de commerce francophone de Bruxelles (Franstalige rechtbank van koophandel Brussel, België) en op 8 juli 2015 heeft Royal Football Club Seraing geïntervenieerd in deze procedure.
23.
Verzoekster in het hoofdgeding heeft de rechter onder meer verzocht te verklaren dat een totaalverbod op de door de nieuwe regels van het STS-reglement uitgesloten praktijken (‘third-party ownership’, eigendom van derden, en ‘third-party investment’, investeringen door derden) in strijd is met het Unierecht. Meer in het bijzonder stelt zij dat dit verbod strijdig is met het vrije verkeer van kapitaal, het vrij verrichten van diensten, het vrije verkeer van werknemers en het mededingingsrecht.
24.
Bovendien heeft zij op grond van artikel 1382 van het Belgische Burgerlijk Wetboek (oud) betaling gevorderd van voorlopig 500 000 EUR vanwege de schade door de toepassing van de nieuwe regels van het STS-reglement.
25.
Bij uitspraak van 17 november 2016 heeft de Tribunal de commerce francophone de Bruxelles zich onbevoegd verklaard om kennis te nemen van de vorderingen van verzoekster in het hoofdgeding. Op 19 december 2016 heeft Royal Football Club Seraing tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld bij de Cour d'appel de Bruxelles (rechter in tweede aanleg Brussel, België).9.
26.
In hoger beroep heeft Royal Football Club Seraing getracht de FIFA, de UEFA en de KBVB aansprakelijk te stellen op grond van het nationale recht. Verzoekster in het hoofdgeding heeft aangevoerd dat de drie verwerende partijen in het hoofdgeding het Unierecht hebben geschonden door haar te beletten overeenkomsten van het type ‘third-party investment’ of ‘third-party ownership’ te sluiten, dat deze schending van het Unierecht haar een middel tot financiering of ontwikkeling heeft ontnomen en dat de tuchtrechtelijke sancties schade hebben veroorzaakt.
27.
Verzoekster in het hoofdgeding heeft de Cour d'appel de Bruxelles verzocht vast te stellen dat de artikelen 18 bis en 18 ter van het STS-reglement onrechtmatig zijn wegens schending van het Unierecht en het EVRM, zodat de FIFA volgens haar aansprakelijk is.
28.
Het arbitrale vonnis van het CAS en het arrest van de Tribunal fédéral houdende verwerping van het beroep van verzoekster in het hoofdgeding tot vernietiging van dat vonnis (zie de punten 19–21 van deze conclusie) zijn beide gewezen terwijl de beroepsprocedure aanhangig was. Dit heeft de volgende invloed gehad op de uitspraak van de Cour d'appel de Bruxelles.
29.
De Cour d'appel de Bruxelles heeft op 12 december 2019 geoordeeld dat uit het nationale recht volgt dat een arbitraal vonnis, zonder voorafgaande exequaturprocedure, gezag van gewijsde heeft vanaf de datum waarop het is gewezen. Deze rechter was van oordeel dat het vonnis van het CAS definitief is en kracht van gewijsde heeft gekregen door de afwijzing van de vordering tot nietigverklaring door de Tribunal fédéral op 20 februari 2018.
30.
Zoals in de verwijzingsbeslissing is uiteengezet, wordt krachtens artikel 22, § 1, van de Belgische Wet houdende het Wetboek van internationaal privaatrecht elke buitenlandse rechterlijke beslissing die uitvoerbaar is in de staat waar zij werd gewezen, in België van rechtswege en zonder enige procedure erkend. De Cour d'appel de Bruxelles heeft aldus gezag van gewijsde verleend aan het arrest van 20 februari 2018 van de Tribunal fédéral, dat er bijgevolg aan in de weg staat dat verzoekster in het hoofdgeding de geldigheid van het vonnis van het CAS ter discussie kan stellen voor de Cour d'appel de Bruxelles.
31.
In dit vonnis is onder meer de litigieuze kwestie van de verenigbaarheid van de nieuwe regels van het STS-reglement met het Unierecht beslecht. Dit heeft tot gevolg dat de Cour d'appel de Bruxelles geen uitspraak kan doen over eventuele schendingen van het Unierecht en dus ook deze vragen niet aan het Hof kan voorleggen.
32.
De Cour d'appel de Bruxelles heeft de middelen betreffende schending van het Unierecht en de door het EVRM gewaarborgde rechten niet-ontvankelijk of ongegrond verklaard. Deze rechter heeft tevens beslist dat het middel inzake de onwettigheid van de tuchtrechtelijke sancties, dat is ontleend aan het dwingende karakter van de arbitrage, ongegrond was, aangezien de bevoegdheid van het CAS door geen van de partijen in de procedure was betwist.
33.
Bij zijn uitspraak van 12 december 2019 heeft de Cour d'appel de Bruxelles dan ook het hoger beroep tegen de beslissing van de Tribunal de commerce francophone de Bruxelles van 17 november 2016 verworpen en de door Royal Football Club Seraing ingestelde vorderingen ongegrond verklaard.
34.
Royal Football Club Seraing heeft tegen deze uitspraak cassatieberoep ingesteld bij de verwijzende rechter, het Belgische Hof van Cassatie.
III. Prejudiciële vragen en procedure bij het Hof
35.
In deze omstandigheden heeft het Hof van Cassatie de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
- ‘1)
Staat artikel 19, lid 1, [VEU], gelezen in samenhang met artikel 267 [VWEU] en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie [(hierna: ‘Handvest’)], eraan in de weg dat bepalingen van nationaal recht zoals artikel 24 en artikel 1713, § 9, van het Belgische Gerechtelijk Wetboek, die het beginsel van het gezag van gewijsde beogen te bekrachtigen, worden toegepast op een arbitraal vonnis waarvan de overeenstemming met het Unierecht is getoetst door een rechterlijke instantie van een staat die geen lidstaat van de Europese Unie is en het Hof van Justitie van de Europese Unie niet om een prejudiciële beslissing kan verzoeken?
- 2)
Staat artikel 19, lid 1, [VEU], gelezen in samenhang met artikel 267 [VWEU] en artikel 47 van het [Handvest], in de weg aan de toepassing van een regel van nationaal recht die, behoudens te leveren tegenbewijs, bewijskracht jegens derden toekent aan een arbitraal vonnis waarvan de overeenstemming met het Unierecht is getoetst door een rechterlijke instantie van een staat die geen lidstaat van de Europese Unie is en het Hof van Justitie van de Europese Unie niet om een prejudiciële beslissing kan verzoeken?’
36.
Schriftelijke opmerkingen zijn ingediend door Royal Football Club Seraing, Doyen Sports, de FIFA, de KBVB, de UEFA, de Belgische, de Duitse, de Franse en de Litouwse regering en de Europese Commissie.
37.
Op 1 oktober 2024 heeft een terechtzitting plaatsgevonden, waar Royal Football Club Seraing, Doyen Sports, de FIFA, de KBVB, de UEFA, de Belgische, de Griekse, de Franse, de Litouwse en de Nederlandse regering en de Europese Commissie pleidooi hebben gehouden.
IV. Analyse
38.
Wat we er ook van vinden (om in de geest van het openingscitaat te blijven)10., sport is tegenwoordig georganiseerd als een autonoom systeem waarin sportorganisaties — die soms zeer veel invloed en vermogen hebben — regelgevende bevoegdheden uitoefenen.11. Dit is zeker het geval in het voetbal, waarin de FIFA de belangrijkste regelgevende organisatie is. Clubs en spelers moeten de door de FIFA vastgestelde regels volgen om te mogen deelnemen.
39.
Tegelijkertijd is sport een economische activiteit. Sportbeoefening valt bijgevolg onder de Unierechtelijke bepalingen die op die economische activiteit van toepassing zijn.12. Het Hof heeft geoordeeld dat sport onderworpen is aan de bepalingen inzake vrij verkeer, het mededingingsrecht en de algemene beginselen van het Unierecht, waaronder met name die van evenredigheid en non-discriminatie.13.
40.
De FIFA-statuten schrijven voor dat elk geschil over haar sportregels moet worden beslecht binnen haar eigen systeem van geschillenbeslechting, dat het CAS als enige en verplichte beroepsinstantie aanwijst.
41.
Wanneer echter een FIFA-regel, of een besluit op grond van een dergelijke regel, mogelijk inbreuk maakt op een Unierechtelijk recht van een justitiabele, verleent de rechtsorde van de Unie die justitiabele het recht op daadwerkelijke rechtsbescherming, dat thans is neergelegd in artikel 47 van het Handvest.
42.
Krachtens artikel 19, lid 1, VEU, waarvan de verwijzende rechter om uitlegging heeft verzocht, zijn de lidstaten verplicht te verzekeren dat de rechtssubjecten van het Unierecht dit grondrecht daadwerkelijk genieten.14. Dit betekent dat de lidstaten ervoor moeten zorgen dat eenieder die zich op schending van zijn Unierechtelijke rechten beroept, toegang15. heeft tot een onafhankelijk gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld16., en dat krachtens artikel 267 VWEU bevoegd is om zich tot het Hof te wenden17..
43.
De rechterlijke bescherming van Unierechtelijke rechten, die door de FIFA-regels zou zijn geschonden — regels waarvan de geldigheid in het vonnis van het CAS is bevestigd —, moet dus worden verzekerd door een rechter die een ‘rechterlijke instantie’ is in de zin van artikel 267 VWEU.
44.
Het CAS en de Zwitserse Tribunal fédéral, die bevoegd is om de vonnissen van het CAS te toetsen, zijn dit niet. Hun beoordeling van de verenigbaarheid van de FIFA-regels met Unierechtelijke rechten voldoet dus niet aan het Unierechtelijke vereiste van daadwerkelijke rechtsbescherming.
45.
Dit brengt ons bij de onderhavige zaak. Deze vindt haar oorsprong in het bij een ‘rechterlijke instantie’ in de zin van artikel 267 VWEU aanhangige geding.
46.
Voor de Belgische rechters hebben partijen aangevoerd dat het FIFA-verbod op eigendom door derden van de economische rechten van spelers hun belette de hun door het Unierecht verleende rechten uit te oefenen. Zij hebben dan ook verzocht om deze FIFA-regels, waarvan het CAS inmiddels de rechtsgeldigheid had bevestigd, onverenigbaar te verklaren met het Unierecht, en hebben vergoeding van de daardoor veroorzaakte schade gevorderd.
47.
Tot hier is er niets aan de hand. Uit het voorgaande zou kunnen worden afgeleid dat partijen wel degelijk toegang hebben gehad tot een rechter met verwijzingsbevoegdheid. Het beginsel van daadwerkelijke rechtsbescherming zou echter toch geschonden kunnen zijn, aangezien de bevoegde rechters geen doeltreffende voorziening in rechte konden bieden vanwege een regel van nationaal (Belgisch) recht, volgens welke de vonnissen van het CAS, die door de Zwitserse Tribunal fédéral zijn bevestigd, gezag van gewijsde hebben. De verwijzende rechter licht toe dat deze regel hen ervan weerhoudt om in casu de verenigbaarheid van de FIFA-regels met het Unierecht te toetsen.
48.
Staat het beginsel van daadwerkelijke rechtsbescherming in de weg aan een dergelijke regel?
49.
Het antwoord lijkt mij een volmondig ja.
50.
Uit de schriftelijke opmerkingen en de debatten ter terechtzitting kwam echter een algemenere vraag naar voren: vereist het Unierecht een specifiek rechtsmiddel voor arbitrale vonnissen in de sport dat toereikend is om daadwerkelijke rechtsbescherming te bieden? Ik zal daarom ook kort op dit debat ingaan.
51.
Mijn analyse is als volgt opgebouwd. Om te beginnen zal ik de opzet van het geschillenbeslechtingsmechanisme van de FIFA toelichten (deel A). Vervolgens zal ik mij uitspreken over de wijze waarop de twee prejudiciële vragen moeten worden beantwoord (delen B en C), waarbij ik de nadruk zal leggen op de eerste vraag.
A. Rol van het CAS volgens de FIFA-statuten
52.
In 1981 heeft de toenmalige voorzitter van het Internationaal Olympisch Comité (hierna: ‘IOC’), Juan Antonio Samaranch, het idee naar voren gebracht om een specifieke rechterlijke instantie voor sport in te stellen. Het CAS werd operationeel in 1984, nadat het IOC de statuten ervan had goedgekeurd. Naar verluidt hoopte IOC-voorzitter Samaranch dat het CAS het ‘hooggerechtshof voor de internationale sport’ zou worden.18. Op de website van het CAS, waarop deze geschiedenis is beschreven, staat dat ‘de bevoegdheid van het CAS op geen enkele wijze mocht worden opgelegd aan sporters of bonden, maar vrij ter beschikking van partijen moest blijven’19..
53.
Aanvankelijk maakten de meeste sportorganisaties, waaronder de FIFA, geen gebruik van het CAS.20. Sinds 1984 is er echter veel veranderd.
54.
Deskundigen op het gebied van het Unierecht hebben beschreven dat het CAS een belangrijke transformatie heeft ondergaan na het arrest Bosman van het Hof in 199521.. Het aantal arbitrale vonnissen van het CAS is na 1995 explosief gestegen. Bijgevolg heeft de FIFA, hoewel zij aanvankelijk terughoudend was, een arbitragebeding in haar statuten opgenomen waarin het CAS wordt aangewezen als het bevoegde forum voor dergelijke geschillen. Aanvankelijk was de bevoegdheid van het CAS voor geschillen op voetbalgebied facultatief.22.
55.
Thans is de bevoegdheid van het CAS op voetbalgebied, zoals die is vastgelegd in de FIFA-statuten, echter exclusief en verplicht.
56.
Artikel 57, lid 1, van de FIFA-statuten erkent de bevoegdheid van het CAS om geschillen te beslechten tussen de FIFA en de bij haar aangesloten bonden, confederaties, competities, clubs, spelers, officials, tussenpersonen en gelicentieerde wedstrijdmakelaars.
57.
Tegen definitieve besluiten van de organen van de FIFA en besluiten van confederaties, aangesloten bonden of competities kan, zonder schorsende werking, beroep worden ingesteld bij het CAS.23. Het beroep moet bij het CAS worden ingesteld binnen 21 dagen na kennisgeving van het betrokken besluit en kan pas worden ingesteld nadat alle andere interne wegen zijn uitgeput.24.
58.
Ten slotte bepaalt artikel 59 van de FIFA-statuten het volgende:
- ‘1.
De confederaties, aangesloten bonden en competities komen overeen het CAS te erkennen als een onafhankelijke rechterlijke autoriteit en ervoor te zorgen dat hun leden, aangesloten spelers en officials gevolg geven aan de beslissingen van het CAS. Deze verplichting geldt ook voor tussenpersonen en gelicentieerde wedstrijdmakelaars.
- 2.
Het is niet toegestaan om beroep in te stellen bij de gewone rechterlijke instanties, tenzij het FIFA-reglement daarin uitdrukkelijk voorziet. Het is evenmin toegestaan om beroep in te stellen bij de gewone rechterlijke instanties met het oog op voorlopige maatregelen, van welke aard dan ook.
- 3.
De bonden nemen in hun statuten of reglementen een beding op waarin wordt bepaald dat geschillen binnen de bond of geschillen die competities, competitieleden, clubs, clubleden, spelers, officials en andere bondsvertegenwoordigers betreffen, niet voor de gewone rechterlijke instanties mogen worden gebracht, tenzij een beroep op de gewone rechterlijke instanties uitdrukkelijk is toegestaan of voorgeschreven in de reglementen van de FIFA of in dwingende wettelijke bepalingen. Ter vervanging van het beroep op de gewone rechterlijke instanties wordt voorzien in arbitrage. Dergelijke geschillen worden voorgelegd aan een onafhankelijk en naar behoren ingesteld scheidsgerecht dat in het reglement van de bond of confederatie is erkend, of aan het CAS.
De bonden zorgen er tevens voor dat binnen de bond uitvoering wordt gegeven aan deze bepaling, zo nodig door een bindende verplichting op te leggen aan hun leden. De bonden leggen sancties op aan elke partij die deze verplichting niet nakomt en zorgen ervoor dat beroepen tegen deze sancties dienovereenkomstig uitsluitend aan arbitrage worden onderworpen en niet aan gewone rechterlijke instanties worden voorgelegd.’
59.
Zoals ook het geval is in het arbitragestelsel van de International Skating Union (Internationale Schaatsunie; hierna: ‘ISU’)25., is het volgens de FIFA-regels dus verplicht om een voetbalgeschil voor te leggen aan het CAS en is de bevoegdheid van het CAS exclusief. Juist op deze exclusieve bevoegdheid heeft de FIFA zich in het hoofdgeding beroepen, om de bevoegdheid van de rechter in eerste aanleg te betwisten.26.
60.
De enige gewone rechterlijke instantie die bevoegd is om het arbitrale vonnis van het CAS te toetsen, is de Zwitserse Tribunal fédéral. Toetsing van een arbitraal vonnis door deze rechter is evenwel slechts op een beperkt aantal gronden mogelijk.27. In de zaak Semenya tegen Zwitserland heeft het EHRM geoordeeld dat de toetsing van een vonnis van het CAS door de Zwitserse Tribunal fédéral zo beperkt was dat deze de bescherming van de grondrechten niet kon waarborgen.28.
B. Beantwoording van de eerste vraag
61.
Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of het beginsel van daadwerkelijke rechtsbescherming in de weg staat aan een nationale wet die een arbitraal vonnis gezag van gewijsde verleent, wanneer de overeenstemming met het Unierecht is getoetst door een rechterlijke instantie van een derde land.29.
62.
Dit is niet de eerste keer dat het Hof wordt verzocht om uitlegging van de verhouding tussen arbitrage en het Unierecht en van de omvang van de rechterlijke toetsing van arbitrale vonnissen. Alle deelnemers aan de procedure bij het Hof hebben dan ook getracht de antwoorden voor de onderhavige zaak te vinden in de ene of de andere lijn van rechtspraak van het Hof inzake arbitrage. Zij hebben zodoende enerzijds de rechtspraak uit de arresten Nordsee30. en Eco Swiss31. besproken en anderzijds het arrest Achmea32..
63.
Na te hebben onderzocht in hoeverre deze twee lijnen van rechtspraak al dan niet relevant kunnen zijn voor het arbitragestelsel van de FIFA (onderdelen 1 en 2), zal ik het Hof in overweging geven een specifieke uitlegging te ontwikkelen die geschikt is voor verplichte arbitrage als die bij het CAS binnen het systeem van geschillenbeslechting van de FIFA. Deze oplossing is mijns inziens reeds aangegeven in de zaak International Skating Union33. (onderdeel 3).
1. Toepasselijkheid van de Nordsee/Eco Swiss-rechtspraak
64.
De FIFA, de UEFA, en de Belgische, de Franse en de Litouwse regering hebben alle op een of andere wijze aangevoerd34. dat de nationale rechterlijke instanties vonnissen van het CAS waarbij de geldigheid van de FIFA-regels is bevestigd, kunnen toetsen aan de openbare orde van de Unie, overeenkomstig het arrest van het Hof in de zaak Eco Swiss.
65.
Ik herinner eraan dat deze lijn van rechtspraak is begonnen met het arrest Nordsee, waarin het Hof heeft geoordeeld dat een scheidsgerecht dat uitspraak doet in het kader van door partijen vrijwillig gekozen handelsarbitrage, geen ‘rechterlijke instantie’ is in de zin van artikel 267 VWEU.35.
66.
Zelfs het geval waarin een dergelijk scheidsgerecht eventueel het Unierecht zou moeten toepassen zonder mogelijkheid van een prejudiciële verwijzing, vormde voor het Hof geen probleem, aangezien de arbitrale vonnissen van dat scheidsgerecht naar nationaal recht in verschillende procedures door de rechterlijke instanties van de lidstaten kunnen worden getoetst.36. In het bijzonder zijn arbitrale vonnissen op zichzelf niet uitvoerbaar, maar moet eerst een exequatur van een ‘gewone’ rechter worden verkregen. In het kader van een dergelijke procedure zouden die nationale rechterlijke instanties dan de mogelijkheid of de verplichting hebben om het Hof de vraag over de uitlegging van het Unierecht voor te leggen.
67.
Het geding dat tot het arrest Eco Swiss heeft geleid, kwam voort uit een dergelijke procedure tot tenuitvoerlegging van een arbitraal vonnis voor de verwijzende rechter. In het arrest Eco Swiss heeft het Hof aanvaard dat het beperkte karakter van de rechterlijke toetsing in het belang kan zijn van de doeltreffendheid van de arbitrale rechtspleging.37. Een nationale regel die de rechterlijke toetsing beperkt tot kwesties van openbare orde werd dus vanuit het oogpunt van het Unierecht aanvaardbaar geacht. In dezelfde zaak heeft het Hof verklaard dat de openbare orde van de Unie de huidige artikelen 101 en 102 VWEU omvat.38.
68.
Wat wel en wat niet onder de openbare orde van de Unie valt, is nog niet algemeen verwoord.39. Het Hof heeft deze vraag veeleer van geval tot geval beantwoord.40. Uitlegging van dit begrip is in casu echter niet noodzakelijk. Van belang is dat het Hof met betrekking tot handelsarbitrage heeft aanvaard dat de omvang van de rechterlijke toetsing van arbitrale vonnissen beperkt kan zijn.41.
69.
In hoeverre is voornoemde lijn van rechtspraak van toepassing op arbitrage bij het CAS volgens de FIFA-statuten?
70.
Mijns inziens zijn er twee hoofdredenen om deze arbitrage te onderscheiden van handelsarbitrage.
71.
De eerste reden is het vrijwillige karakter van handelsarbitrage tegenover het verplichte karakter van de arbitrageregels van de FIFA.
72.
Een wezenlijk aspect van handelsarbitrage, dat in de Eco Swiss-rechtspraak aan de orde was, is de vrije aanvaarding van het arbitragebeding door beide partijen.42. Door vrijwillig voor een dergelijke arbitrage te kiezen, willen partijen de tussenkomst van gewone rechterlijke instanties en mogelijk de toepassing van sommige regels van een rechtsstelsel uitsluiten. Het Hof heeft deze aard en dit doel van de arbitrage in handelszaken in aanmerking genomen en is derhalve tot de slotsom gekomen dat rechterlijke toetsing van de daaruit voortvloeiende vonnissen kan worden beperkt tot kwesties van openbare orde. Het is noodzakelijk om na te gaan of een vonnis strookt met de openbare orde, omdat deze regels van een zodanig openbaar belang kunnen zijn dat de toepassing ervan niet door de wil van partijen kan worden uitgesloten.
73.
Daarentegen zijn de FIFA-regels, zoals de Nederlandse regering ter terechtzitting heeft betoogd, dwingend en spreekt de vrije wil van partijen om een geschil aan het CAS voor te leggen niet voor zich.43.
74.
In de zaak Mutu en Pechstein heeft het EHRM juist deze kwestie behandeld in het kader van zijn analyse van de verschillen tussen handelsarbitrage en de verplichte arbitrageregels van de ISU.44. Sportactoren kunnen er niet voor kiezen hun geschillen, in het kader waarvan zij de regels of besluiten van de FIFA betwisten, aan een ander scheidsrechterlijk systeem voor te leggen dan aan de interne tuchtprocedures van de FIFA en vervolgens aan het CAS. Indien de verplichte bevoegdheid van het CAS niet wordt aanvaard, kunnen spelers niet spelen45. en clubs niet tegen elkaar aantreden.
75.
Voor spelers en clubs is de bevoegdheid van het CAS dus verplicht en niet uit vrije wil gekozen.46. Zij vormt derhalve geen uitdrukking van hun eigen keuze om de toegang tot de rechter uit te sluiten en de toepasselijkheid van bepaalde rechtsregels op het onderlinge geschil te voorkomen. Dit heeft mijns inziens gevolgen voor de omvang van de rechterlijke toetsing die de nationale rechterlijke instanties met betrekking tot het Unierecht zouden moeten kunnen uitvoeren [zie onderdeel IV.B.3, onder b), hieronder].
76.
Het tweede verschil tussen handelsarbitrage en het systeem van geschillenbeslechting volgens de FIFA-statuten is dat het laatste systeem autonoom is wat de tenuitvoerlegging betreft.
77.
Indien een van de partijen bij een handelsarbitrage weigert uitvoering te geven aan een arbitraal vonnis, moet de andere partij zich tot de gewone rechter wenden om dit af te dwingen. Zoals het Hof in het arrest Nordsee (zie de punten 65 en 66 van deze conclusie) heeft uiteengezet, zal een rechterlijke instantie van een lidstaat, wanneer een arbitraal vonnis binnen de Unie ten uitvoer moet worden gelegd, de mogelijkheid hebben om de overeenstemming van dat vonnis met het Unierecht te toetsen en, in voorkomend geval, het Hof om een prejudiciële beslissing te verzoeken.
78.
Indien een partij weigert uitvoering te geven aan een vonnis van het CAS omdat zij dit in strijd acht met het Unierecht, kan zij daarentegen niet eenvoudigweg weigeren aan dat vonnis te voldoen en hoeft de FIFA evenmin een verzoek tot inleiding van een tenuitvoerleggingsprocedure in te dienen bij de nationale rechter. De FIFA kan het vonnis zelf ten uitvoer leggen. In casu kon zij immers de geldboete en het verbod om spelers in te schrijven ten uitvoer leggen zonder zich tot de rechter te wenden.47.
79.
In een dergelijk stelsel dat zijn eigen vonnissen ten uitvoer legt, is het onwaarschijnlijk dat de vraag of het arbitrale vonnis verenigbaar is met het Unierecht, in het kader van een tenuitvoerleggingsprocedure zal worden voorgelegd aan een ‘rechterlijke instantie’ in de zin van artikel 267 VWEU.
80.
Het is dan ook denkbaar dat beroepsmogelijkheden die toereikend werden geacht om in het kader van handelsarbitrage de daadwerkelijke rechtsbescherming en de uniformiteit van het Unierecht te waarborgen, ontoereikend zijn voor het onderhavige stelsel van autonome, verplichte arbitrage (zie ook de punten 111–114 hieronder).
81.
Om deze twee redenen ben ik van mening dat de in de rechtspraak Nordsee en Eco Swiss ontwikkelde regels voor handelsarbitrage niet geschikt zijn voor het FIFA-systeem van verplichte arbitrage door het CAS.
2. Toepasselijkheid van de Achmea-rechtspraak
82.
Royal Football Club Seraing en Doyen Sports hebben zich op het arrest Achmea beroepen met het betoog dat door het CAS gewezen arbitrale vonnissen onderworpen moeten zijn aan een echte rechterlijke toetsing door een nationale rechterlijke instantie, die prejudiciële vragen over de uitlegging van het Unierecht moet kunnen voorleggen aan het Hof.
83.
Ook de Commissie heeft zich in haar schriftelijke opmerkingen op het arrest Achmea gebaseerd, ten betoge dat de nationale rechterlijke instanties onder meer moeten kunnen toetsen of een geschil vatbaar is voor arbitrage.
84.
Ik herinner eraan dat het Hof in het arrest Achmea heeft geoordeeld dat het niet mogelijk is om geschillen waarbij lidstaten betrokken zijn, op basis van bilaterale investeringsovereenkomsten (hierna: ‘BIT's’) aan arbitrage te onderwerpen. Bij dergelijke overeenkomsten hebben de lidstaten ermee ingestemd de bevoegdheid van hun eigen rechterlijke instanties uit te sluiten in geschillen tussen investeerders en staten, ook al kunnen dergelijke geschillen betrekking hebben op de toepassing of de uitlegging van het Unierecht. In de woorden van het Hof hebben de lidstaten daarmee eventuele schendingen van het Unierecht volledig uitgesloten ‘van het gerechtelijke stelsel van rechtsmiddelen waarin zij volgens artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU moeten voorzien op gebieden die onder het Unierecht vallen’48..
85.
Ik begrijp dat de voornaamste grondgedachte achter het arrest Achmea het beginsel van wederzijds vertrouwen is.49. Wanneer wordt aanvaard dat bepaalde geschillen zijn uitgesloten van de bevoegdheid van de rechterlijke instanties van de lidstaten, valt niet alleen de daadwerkelijke rechtsbescherming weg, maar wordt ook een verkeerd signaal afgegeven: dat deze rechterlijke instanties onvoldoende onafhankelijk en onpartijdig zouden zijn om gedingen die investeerders tegen lidstaten aanspannen, te beslechten.
86.
De toepassing van het Unierecht hangt in grote mate af van het wederzijdse vertrouwen in de rechterlijke instanties van de lidstaten. Om die reden, en om de eenvormige uitlegging van het Unierecht door middel van de prejudiciële procedure te waarborgen50., zijn arbitragebedingen in BIT's tussen lidstaten in strijd met het Unierecht bevonden.
87.
Deze opvatting van het arrest Achmea wordt gestaafd door het feit dat het Hof, anders dan in het geval van handelsarbitrage, in het arrest Achmea zelfs niet is ingegaan op de vraag of het gebrek aan daadwerkelijke rechtsbescherming zou kunnen worden verholpen middels een latere toetsing door de nationale rechterlijke instanties van arbitrale vonnissen die op grond van BIT's zijn gewezen.51. Het Hof heeft een algemene regeling die de bevoegdheid van de nationale rechter uitsluit, eenvoudigweg onaanvaardbaar geacht. De argumenten van Royal Football Club Seraing en Doyen Sports betreffende de noodzaak van een daadwerkelijke rechterlijke toetsing van een arbitraal vonnis (zie punt 82 van deze conclusie) kunnen dus niet op het arrest Achmea worden gebaseerd.
88.
Evenzo heeft het Hof in het arrest PL Holdings geoordeeld dat de nietigheid van een op grond van een BIT gewezen arbitraal vonnis niet kan worden verholpen door de arbitrageprocedure te herdefiniëren als vrijwillige ad-hocarbitrage, of louter omdat de lidstaat de geldigheid van het arbitragebeding van een BIT niet heeft betwist in het kader van een concrete arbitrageprocedure.52.
89.
De in casu toepasselijke Belgische regels leiden er in combinatie met de in de FIFA-statuten vastgelegde verplichte bevoegdheid van het CAS toe dat op soortgelijke wijze wordt uitgesloten dat de nationale rechterlijke instanties de daadwerkelijke rechtsbescherming van de door het Unierecht aan particulieren gewaarborgde rechten verzekeren. Toch denk ik niet dat dit volstaat om het arbitragestelsel van de FIFA te vergelijken met het soort arbitrale bevoegdheid dat in de zaak Achmea aan de orde was. Evenmin ben ik van mening dat eenzelfde redenering op basis van wederzijds vertrouwen van toepassing is op de onderhavige zaak.
90.
Er zijn drie redenen voor dit verschil. In de eerste plaats wordt in deze zaak de overeenstemming van het arbitragestelsel van de FIFA met het Unierecht niet principieel in twijfel getrokken.53. De meerderheid van de deelnemers aan de onderhavige procedure is het er in feite over eens dat arbitrage in de sport zinvol is. Evenzo heeft het Europees Parlement in 2012 een resolutie aangenomen over de Europese dimensie van de sport, waarin het ‘de legitimiteit van sportrechtbanken voor de oplossing van geschillen op het gebied van sport’ heeft erkend, ‘mits deze het recht van burgers op een rechtvaardig proces eerbiedigen’54..
91.
De door de Commissie opgeworpen kwestie van non-arbitrabiliteit is in casu dus niet aan de orde.
92.
In de tweede plaats vloeit de in casu aan de orde zijnde dwingende en exclusieve bevoegdheid van het CAS niet voort uit een internationale overeenkomst die door of tussen de lidstaten is gesloten, en evenmin uit de uitoefening van overheidsgezag door de lidstaten. Zij vloeit veeleer voort uit de statuten van de FIFA, een particuliere organisatie. Deze statuten binden of beperken de lidstaten op geen enkele wijze als het gaat om het waarborgen van de daadwerkelijke rechtsbescherming via hun stelsels van rechtspleging. De lidstaten hebben dus niet ingestemd met een uitsluiting van de bevoegdheid van hun rechterlijke instanties.
93.
In de derde plaats richt het arrest Achmea zich tot de lidstaten en roept het hen op om de schadelijke gevolgen weg te nemen die arbitragebedingen van BIT's veroorzaken voor het beginsel van wederzijds vertrouwen in elkaars justitiële stelsels.55. Dit kan op verschillende manieren. De lidstaten kunnen een andere uitlegging aan deze overeenkomsten geven56., zich eruit terugtrekken57. of geen gevolg geven aan arbitrale vonnissen die op deze overeenkomsten zijn gebaseerd58.. Zelfs indien het Hof zou oordelen dat de FIFA-regels inzake de bevoegdheid van het CAS in beginsel onverenigbaar zijn met het Unierecht (een vraag die in casu niet is opgeworpen), zouden de lidstaten evenwel enkel uitvoering kunnen geven aan deze vaststelling middels niet-erkenning van dergelijke arbitrale vonnissen door hun rechterlijke instanties. Of het arbitragestelsel voor het voetbal kan worden gewijzigd, hangt onontkoombaar af van de bereidwilligheid van de FIFA.
94.
Bijgevolg lijkt het arrest Achmea, afgezien van de herhaling van het belang van daadwerkelijke rechtsbescherming en de uniformiteit van het Unierecht, met het oog op de vragen die in de onderhavige zaak aan de orde zijn geen toegevoegde waarde te hebben voor de Eco Swiss-rechtspraak. In dit verband heeft de FIFA er ter terechtzitting terecht op gewezen dat het Hof in zijn arrest in de zaak International Skating Union niet van het arrest Achmea heeft gerept toen het de sportarbitrage bij het CAS analyseerde.
3. Verplichte sportarbitrage bij het CAS en daadwerkelijke rechtsbescherming
95.
Ik heb er hierboven (zie onderdeel IV.B.1) reeds op gewezen dat sportarbitrage bij het CAS op twee belangrijke punten verschilt van handelsarbitrage: ten eerste is zij verplicht en ten tweede is zij autonoom wat de tenuitvoerlegging betreft. Mijns inziens vereisen deze verschillen een concrete beoordeling in het licht van het beginsel van daadwerkelijke rechtsbescherming, zowel wat de toegang tot de rechter als wat de omvang van de rechterlijke toetsing betreft.
96.
Dit heeft het Hof, in mijn lezing ervan, reeds aangegeven in het arrest International Skating Union.59. In dat arrest hield het Hof zich echter niet bezig met de bevoegdheden of verplichtingen van nationale rechterlijke instanties. Het ging enkel in op de invloed van de ISU-regels op de schending van het mededingingsrecht. Toch lijkt het Hof, door te benadrukken dat het dwingende en exclusieve karakter van de bevoegdheid van het CAS de schending van het mededingingsrecht door de ISU ernstiger maakte60., aan te geven dat een dergelijke arbitrage een specifieke benadering vereist.
97.
Ter terechtzitting in de onderhavige zaak heeft ook de Nederlandse regering het Hof uitgenodigd om een specifieke benadering te formuleren met betrekking tot verplichte arbitrage, zoals de sportarbitrage volgens de FIFA-statuten. Als een van de redenen voor deze uitnodiging gaf zij aan dat het huidige systeem van handelsarbitrage in stand moet worden gehouden.
98.
Ik ben het hiermee eens. Indien voor verplichte sportarbitrage regels nodig zijn die een ruimere toegang tot de rechter en een ruimere toetsing bieden om aan de vereisten van daadwerkelijke rechtsbescherming te voldoen, moet zij worden onderscheiden van vrijwillig aanvaarde handelsarbitrage, waarbij arbitrale vonnissen slechts bij uitzondering en op beperkte gronden kunnen worden getoetst.
99.
Dit betekent dat de Eco Swiss-rechtspraak niet vanzelfsprekend mag worden toegepast bij de beoordeling van verplichte sportarbitrage als de onderhavige. In het navolgende zal ik de toegang tot de rechter (a) en de omvang van de toetsing (b) in deze context behandelen.
a) Toegang tot de rechter
100.
Het autonome karakter van de tenuitvoerlegging van vonnissen van het CAS in het FIFA-stelsel zorgt onvermijdelijk voor een aanzienlijke verkleining van de kans dat nationale rechterlijke instanties een zaak voorgelegd krijgen die een vonnis van het CAS betreft.
101.
In het geval van handelsarbitrage hoefde het Hof zich niet uit te spreken over de toegang tot de rechter, aangezien werd aangenomen dat die toegang in het stadium van tenuitvoerlegging hoe dan ook gewaarborgd zou zijn.
102.
Het autonome karakter van de tenuitvoerlegging in het arbitragestelsel van de FIFA roept echter de vraag op welke beroepsmogelijkheden de lidstaten moeten bieden om voor daadwerkelijke rechtsbescherming te zorgen tegen een CAS-vonnis dat mogelijk inbreuk maakt op door het Unierecht gewaarborgde rechten.
103.
Deze vraag is in de schriftelijke opmerkingen van partijen en ter terechtzitting besproken. Zo heeft de Commissie gesteld dat de mogelijkheid moet bestaan van een soort rechtstreekse betwisting die een rechterlijke toetsing van een CAS-vonnis inhoudt. Dit zou betekenen dat er een beroepsmogelijkheid moet zijn die leidt tot vernietiging van een vonnis en nietigverklaring van FIFA-regels waarvan is vastgesteld dat zij in strijd zijn met het Unierecht. Anderen, zoals de FIFA, waren van mening dat een rechtstreekse beroepsmogelijkheid niet nodig is. Een indirecte betwisting, zoals een schadevordering, zou volstaan.
104.
Volgens mij heeft het Hof in het arrest International Skating Union reeds een oplossing voor dit dilemma geboden. In de eerste plaats was het van oordeel dat in situaties waarin arbitrage door sportorganisaties wordt opgelegd aan clubs en spelers, ‘a fortiori [dient] te zijn voldaan’ aan het vereiste van rechterlijke toetsing door nationale rechterlijke instanties.61. Voorts kan volgens het Hof het feit dat personen een schadevergoeding kunnen vorderen niet ondervangen dat een rechtsmiddel ontbreekt waarmee zij zich tot de bevoegde nationale rechter kunnen wenden teneinde te bereiken dat dit gedrag wordt gestaakt, of, wanneer het uit een handeling bestaat, dat die handeling wordt getoetst en nietig wordt verklaard.62.
105.
Het beginsel van daadwerkelijke rechtsbescherming vereist derhalve een rechtstreekse gerechtelijke weg waarlangs de toepassing van met het Unierecht strijdige FIFA-regels wordt beoordeeld en in voorkomend geval wordt verhinderd. Een arbitraal vonnis waarbij wordt vastgesteld dat de FIFA-regels in overeenstemming zijn met het Unierecht, kan niet in de weg staan aan de bevoegdheid van een nationale rechter om die verenigbaarheid ambtshalve te toetsen, waarbij het Hof zo nodig om uitlegging van het Unierecht wordt verzocht.
106.
Bijgevolg is het in strijd met het beginsel van daadwerkelijke rechtsbescherming om een arbitraal vonnis gezag van gewijsde te verlenen met betrekking tot de vaststelling daarin dat er geen sprake is van schending van het Unierecht.
107.
Een nationale regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, die een arbitraal vonnis van het CAS gezag van gewijsde verleent, moet derhalve buiten toepassing worden gelaten om de nationale rechter de mogelijkheid te bieden zijn bevoegdheid tot rechterlijke toetsing van de FIFA-regels aan het Unierecht uit te oefenen.63.
b) Omvang van de toetsing
108.
De beperkte rechterlijke toetsing die bij handelsarbitrage wordt verricht, volstaat mijns inziens niet in het kader van het stelsel van verplichte en exclusieve arbitrage van de FIFA.
109.
Volgens de Eco Swiss-rechtspraak kan de omvang van de rechterlijke toetsing worden beperkt tot kwesties van openbare orde. Hoewel de precieze betekenis en draagwijdte van de openbare orde van de Unie niet duidelijk zijn vastgesteld, lijkt zij geen betrekking te hebben op alle voorschriften van het Unierecht, maar enkel op die van een hoger openbaar belang.
110.
Toetsing aan openbare orde heeft dus niet noodzakelijkerwijs betrekking op elk Unierechtelijk voorschrift dat aan een particulier een recht verleent.
111.
Bij handelsarbitrage is dit aanvaardbaar, aangezien kan worden aangenomen dat partijen de toepassing van bepaalde regels van een rechtsstelsel vrijwillig hebben uitgesloten, maar die van openbare orde niet konden uitsluiten.
112.
Bij verplichte arbitrage, zoals arbitrage bij het CAS volgens de FIFA-statuten, kiezen de partijen er echter niet vrij voor om de toepassing van bepaalde regels van de Unie op hun situatie uit te sluiten.
113.
De redenen die een beperkte omvang van de rechterlijke toetsing bij handelsarbitrage rechtvaardigen, kunnen dus niet zonder meer worden aangevoerd voor verplichte arbitrage.
114.
Bijgevolg moet een nationale rechter FIFA-regels aan alle voorschriften van het Unierecht kunnen toetsen, ongeacht het vonnis van het CAS.
115.
Deze toetsing moet hij kunnen verrichten ongeacht de wijze waarop een zaak hem bereikt: rechtstreeks als tenuitvoerleggingsprocedure of indirect, bijkomstig bij een andere vordering (zoals in casu).
116.
Een laatste vraag die niet buiten beschouwing kan blijven, en die ter terechtzitting aan de orde is gesteld, is de toepasselijkheid van het Verdrag van New York64., waarbij alle lidstaten partij zijn.65. Hoewel het Verdrag van New York de Europese Unie niet bindt, heeft het Hof overeenkomstig het gewoonterechtelijke beginsel van de goede trouw ook de internationale verplichtingen van de lidstaten reeds in acht genomen.66.
117.
Ter terechtzitting waren alle partijen het erover eens dat het Verdrag van New York van toepassing is op vonnissen van het CAS.
118.
Dit is niet vanzelfsprekend. Veeleer is de conclusie mogelijk dat verplichte arbitrage niet voldoet aan het vereiste van artikel II, lid 1, van het Verdrag van New York.67. Eenvoudig gezegd hebben partijen zich er niet toe verbonden — hetgeen ik opvat als een handeling uit vrije wil en in onderlinge overeenstemming — om alle of bepaalde geschillen aan een uitspraak van scheidsmannen te onderwerpen.68.
119.
Deze uitlegging zou de nationale rechters in staat stellen het Verdrag van New York aldus uit te leggen dat het niet van toepassing is op verplichte arbitrage van de aard van de sportarbitrage van de FIFA.69.
120.
Indien het Verdrag van New York echter wel van toepassing is, ben ik van mening dat de bepalingen ervan niet in strijd zijn met de uitlegging van daadwerkelijke rechtsbescherming die ik met betrekking tot verplichte arbitrage voorstel.
121.
Artikel V, lid 2, onder b), van het Verdrag van New York beperkt de rechterlijke toetsing van scheidsrechterlijke uitspraken tot kwesties van openbare orde.70. Deze bepaling heeft in dat verdrag geen autonome betekenis, maar is veeleer onderworpen aan het recht van de ondertekenaars ervan.71.
122.
Een mogelijke benadering van de eventuele toepasselijkheid van het Verdrag van New York is dus om het Unierechtelijke beginsel van daadwerkelijke rechtsbescherming — dat in gevallen van verplichte arbitrage een volledige rechterlijke toetsing vereist — voor de toepassing van dit verdrag aldus uit te leggen dat het onder het begrip ‘openbare orde’ valt.72. Dit beginsel zou dan de deur openen naar een volledige toetsing van het arbitrale vonnis aan het toepasselijke Unierecht.
4. Tussenconclusie
123.
Gelet op het voorgaande ben ik van mening dat het Hof zijn arrest in de zaak International Skating Union zou moeten uitbreiden en een afzonderlijke benadering zou moeten ontwikkelen voor de rechterlijke toetsing van arbitrale vonnissen die de uitkomst zijn van verplichte arbitrage, zoals die voor het CAS volgens de statuten van de FIFA.
124.
Ik ben in dit verband van mening dat de daadwerkelijke rechtsbescherming met betrekking tot verplichte arbitrage een uitbreiding vereist zowel van de toegang tot de nationale rechterlijke instanties als van hun toetsingsbevoegdheden, die ruimer moeten zijn dan hun huidige bevoegdheden met betrekking tot handelsarbitrage.
125.
Justitiabelen die stellen dat hun door het Unierecht gewaarborgde rechten zijn geschonden, moeten de mogelijkheid hebben om rechtstreeks op te komen tegen de FIFA-regels, ondanks het feit dat de geldigheid daarvan bij een vonnis van het CAS is bevestigd. De omvang van de toetsing mag niet beperkt blijven tot de openbare orde, maar moet alle relevante bepalingen van het Unierecht omvatten. Een dergelijke toetsing moet in elke gerechtelijke procedure mogelijk zijn: in een procedure die is ingeleid als rechtstreekse betwisting van de FIFA-regels, in een tenuitvoerleggingsprocedure voor een arbitraal vonnis van het CAS, of bijkomstig in een ander soort procedure, bijvoorbeeld een procedure die is ingeleid met een schadevordering.
126.
Op basis van deze benadering van het FIFA-systeem van verplichte arbitrage bij het CAS geef ik het Hof in overweging de eerste vraag van de verwijzende rechter als volgt te beantwoorden. Artikel 19, lid 1, VEU, gelezen in samenhang met artikel 267 VWEU en artikel 47 van het Handvest, moet aldus worden uitgelegd dat het eraan in de weg staat dat nationaal recht zoals artikel 24 en artikel 1713, § 9, van het Belgische Gerechtelijk Wetboek, die het beginsel van het gezag van gewijsde beogen te bekrachtigen, wordt toegepast op een arbitraal vonnis waarvan de overeenstemming met het Unierecht is getoetst door een rechterlijke instantie van een staat die geen lidstaat van de Europese Unie is en het Hof niet om een prejudiciële beslissing kan verzoeken.
C. Beantwoording van de tweede vraag
127.
Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of het beginsel van daadwerkelijke rechtsbescherming, gelezen in samenhang met artikel 267 VWEU, in de weg staat aan een regel van nationaal recht die aan een arbitraal vonnis een weerlegbare bewijskracht jegens derden toekent wanneer de overeenstemming met het Unierecht is getoetst door een rechterlijke instantie van een derde land.
128.
Met uitzondering van Royal Football Club Seraing en Doyen Sports zijn alle deelnemers het erover eens dat de regels betreffende de bewijskracht van arbitrale vonnissen de daadwerkelijke rechtsbescherming niet significant aantasten.
129.
Royal Football Club Seraing en Doyen Sports betogen dat een nationale regeling volgens welke een arbitraal vonnis op het eerste gezicht bewijskracht jegens derden heeft, de uitoefening van het recht op daadwerkelijke rechtsbescherming uiterst moeilijk maakt, met name doordat zij de normaal toepasselijke regels inzake de bewijslast omkeert.
130.
De FIFA en de UEFA, ondersteund door de KBVB, betogen daarentegen dat de regel inzake de bewijskracht slechts een weerlegbaar vermoeden inhoudt en dat het nationale recht bovendien voorziet in een voorziening in rechte die het de nationale rechter mogelijk maakt de erkenning of tenuitvoerlegging van een arbitraal vonnis te weigeren op een wijze die voldoet aan de vereisten van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid.
131.
De Commissie is van mening dat de betrokken nationale regeling het recht op daadwerkelijke rechtsbescherming niet buitensporig aantast, aangezien zij enkel van toepassing is op feitenkwesties die bij het arbitrale vonnis zijn beslecht.
132.
Ik ben het eens met de Commissie.
133.
Het is van belang dat de nationale regeling, zoals deze door de verwijzende rechter is toegelicht, de betrokken rechter niet belet om de volle werking van het Unierecht te waarborgen, en evenmin om, indien dit noodzakelijk wordt geacht, een verzoek om een prejudiciële beslissing in te dienen.
134.
Een weerlegbaar vermoeden van bewijskracht belet de nationale rechterlijke instanties volgens mij niet de verplichtingen na te komen die krachtens artikel 19, lid 1, VEU op hen rusten, aangezien zij in staat blijven de volle toepassing van het Unierecht te waarborgen, zo nodig door een verzoek om een prejudiciële beslissing in te dienen bij het Hof.
135.
Concluderend geef ik het Hof in overweging de tweede vraag van de verwijzende rechter als volgt te beantwoorden. Artikel 19, lid 1, VEU, gelezen in samenhang met artikel 267 VWEU en artikel 47 van het Handvest staat niet in de weg aan een regel van nationaal recht die aan een arbitraal vonnis een weerlegbare bewijskracht jegens derden toekent wanneer de overeenstemming met het Unierecht is getoetst door een rechterlijke instantie van een derde land.
V. Conclusie
136.
Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vragen van het Belgische Hof van Cassatie te beantwoorden als volgt:
- ‘1)
Artikel 19, lid 1, VEU, gelezen in samenhang met artikel 267 VWEU en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,
moet aldus worden uitgelegd dat
het eraan in de weg staat dat nationaal recht zoals artikel 24 en artikel 1713, § 9, van het Belgische Gerechtelijk Wetboek, die het beginsel van het gezag van gewijsde beogen te bekrachtigen, wordt toegepast op een arbitraal vonnis waarvan de overeenstemming met het Unierecht is getoetst door een rechterlijke instantie van een staat die geen lidstaat van de Europese Unie is en het Hof niet om een prejudiciële beslissing kan verzoeken.
- 2)
Artikel 19, lid 1, VEU, gelezen in samenhang met artikel 267 VWEU en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,
moet aldus worden uitgelegd dat
het niet in de weg staat aan een regel van nationaal recht die aan een arbitraal vonnis een weerlegbare bewijskracht jegens derden toekent wanneer de overeenstemming met het Unierecht is getoetst door een rechterlijke instantie van een derde land.’
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 16‑01‑2025
Oorspronkelijke taal: Engels.
Paulsson, J., ‘Arbitration of international sports disputes’, Arbitration International, deel 9, nr. 4, 1993, blz. 359.
Volgens haar statuten richt zij zich met name op a) de aankoop van voetballers, trainers en managers; b) de vertegenwoordiging van voetballers, trainers en managers; c) de transfer van spelers, trainers en managers tussen club;, d) de vertegenwoordiging van clubs; e) het behalen van winst uit voetbalclubs of het spelen van een actieve rol in hun dagelijks bestuur, met inachtneming van de regels van de FIFA en de andere relevante nationale en internationale regels, en f) het verstrekken van leningen aan voetbalclubs.
‘Voetballers hebben drie soorten rechten: bondsrechten, arbeidsrechten en economische rechten. […] Bondsrechten hebben betrekking op het recht en de verplichting van een speler om zich in te schrijven bij de bond van het land waar zijn club is gevestigd (bv. de United States Soccer Federation[, de voetbalbond van de Verenigde Staten]). […] Als tweede soort rechten heeft een voetballer arbeidsrechten, die verband houden met een arbeidsovereenkomst. […] Ten derde en ten slotte heeft een voetballer economische rechten. […] Bondsrechten en arbeidsrechten zijn voorbehouden aan clubs en spelers, maar economische rechten van spelers zijn dat niet, zodat derden contracten met spelers zijn gaan afsluiten betreffende de overdracht van hun economische rechten.’ Williams, B., ‘The fate of third party ownership of professional footballers’ rights: Is a complete prohibition necessary’, Texas Review of Entertainment & Sports Law, deel 10, 2008, blz. 79, op blz. 83.
STS-reglement, ‘Definities’, punt 14.
De op de onderhavige zaak toepasselijke versie van de FIFA-statuten is die van 2016, beschikbaar op: https://www.icsspe.org/system/files/FIFA%20Statutes.pdf. De FIFA-statuten zijn in 2024 gewijzigd en die versie is beschikbaar op: https://digitalhub.fifa.com/m/16d1f7349fa19ade/original/FIFA-Statutes-2024.pdf.
Deze werden gezien als dwingende bepalingen van buitenlands recht in de zin van artikel 19 van de Loi fédérale du 18 décembre 1987 sur le droit international privé (Zwitserse federale wet van 18 december 1987 inzake internationaal privaatrecht).
Dit hoger beroep is dus ingesteld nadat verzoekster in het hoofdgeding hoger beroep had ingesteld bij het CAS, maar voordat het CAS het arbitrale vonnis had gewezen.
Zie in dit verband ook Maduro, M.P., en Weiler, J.H.H., ‘‘Integrity’, ‘independence’ and the internal reform of FIFA: A view from the trenches’, in Geeraert, A., en Van Ekeren, F., (red.), Good Governance in Sport — Critical Reflections,Routledge, 2022, blz. 129–136.
In een recente zaak heeft advocaat-generaal Szpunar opgemerkt dat ‘[v]aak […] moeilijk [valt] te ontkennen dat bepaalde particuliere entiteiten handelen op een wijze die nauw aanleunt bij die van een staat, louter door hun economische macht of door de wijze waarop zij ‘regels’ vaststellen’. Conclusie van advocaat-generaal Szpunar in de zaak FIFA (C-650/22, EU:C:2024:375, punt 33). Dit bracht hem tot de conclusie dat de FIFA inderdaad onderworpen is aan de regels inzake vrij verkeer. Een ander voorbeeld van de staatsachtige rol en de regelgevingsmacht van de FIFA is dat zij in 2017 haar eigen mensenrechtenbeleid publiceerde. Zie voor een analyse van de wisselende resultaten hiervan Mercado Jaén, P.J., Bistaraki, A., en Schubert, M., ‘Between rhetoric and reality: Effects of FIFA's human rights policy on its organisational structures and procedures’, International Journal of Sport Policy and Politics, deel 16, nr. 3, 2024, blz. 499.
Het Hof heeft al in zijn arrest van 12 december 1974, Walrave en Koch (36/74, EU:C:1974:140, punt 4), geoordeeld dat dit het geval is. Zie arresten van 4 oktober 2024, FIFA(C-650/22, EU:C:2024:824, punt 75), en 21 december 2023, European Superleague Company (C-333/21, EU:C:2023:1011, punt 83).
Arrest van 21 december 2023, European Superleague Company (C-333/21, EU:C:2023:1011, punten 85–88).
Arrest van 27 februari 2018, Associação Sindical dos Juízes Portugueses (C-64/16, EU:C:2018:117, punt 34). Zie ook arrest van 22 februari 2022, RS (Gevolgen van de uitspraken van een grondwettelijk hof) (C-430/21, EU:C:2022:99, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Volgens vaste rechtspraak van het Hof sinds het arrest van 15 mei 1986, Johnston (222/84, EU:C:1986:206, punten 18 en 19).
Zie, over het vereiste van onafhankelijkheid van een rechterlijke instantie, arrest van 24 juni 2019, Commissie/Polen (Onafhankelijkheid van de Sąd NajwyŻszy)(C-619/18, EU:C:2019:531, punten 57 en 58 alsook 71–77), en, over het vereiste dat een rechterlijke instantie vooraf bij wet moet zijn ingesteld, arrest van 6 oktober 2021, W.Ż. (Kamer voor bijzondere controle en publieke zaken van de Sąd NajwyŻszy — Benoeming) (C-487/19, EU:C:2021:798, punten 126–130).
Arrest van 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management en Catania Multiservizi (C-561/19, EU:C:2021:799, punt 51), waarin het Hof zich op artikel 47 van het Handvest heeft gebaseerd om te rechtvaardigen dat rechters in laatste aanleg verplicht zijn te motiveren waarom zij hebben beslist af te zien van een prejudiciële verwijzing naar het Hof. Hieruit blijkt dat het Hof de prejudiciële procedure ziet als de verwezenlijking van het beginsel van daadwerkelijke rechtsbescherming. Zie ook arrest van 23 november 2021, IS (Onwettigheid van de verwijzingsbeslissing)(C-564/19, EU:C:2021:949, punt 76), waarin het Hof heeft geoordeeld dat ‘[d]oor de uitoefening door de nationale rechterlijke instanties van de hun bij artikel 267 VWEU verleende bevoegdheid te begrenzen, […] de effectieve rechterlijke bescherming van de door particulieren aan het Unierecht ontleende rechten [wordt] beperkt’.
McLaren, R.H., ‘Twenty-five years of the Court of Arbitration for Sport: A look in the rear-view mirror’, Marquette Sports Law Review, deel 20, 2010, blz. 305, op blz. 306.
Nafziger, J.A.R., ‘International sports law: A replay of characteristics and trends’, American Journal of International Law, deel 86, 1992, blz. 489, op blz. 508.
Arrest van 15 december 1995, Bosman(C-415/93, EU:C:1995:463). Zie in dit verband Duval, A., ‘The Court of Arbitration for Sport and EU law: Chronicle of an encounter’, Maastricht Journal of European and Comparative Law, deel 22, nr. 2, 2015, blz. 224, op blz. 226.
Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) heeft in het arrest Mutu en Pechstein gepreciseerd dat de FIFA-regels uit 2001 de toegang van spelers tot de gewone rechterlijke instanties niet uitsloten en dus niet neerkwamen op verplichte arbitrage. EHRM, 4 februari 2019, Mutu en Pechstein tegen Zwitserland, CE:ECHR:2018:1002JUD004057510, § 116.
Zie artikel 58, lid 1, van de FIFA-statuten. Dezelfde bepaling sluit in de derde alinea de bevoegdheid van het CAS echter uit ten aanzien van beroepen inzake a) overtredingen van de spelregels; b) schorsingen van maximaal vier wedstrijden of maximaal drie maanden (met uitzondering van besluiten wegens doping), en c) besluiten waartegen beroep kan worden ingesteld bij een onafhankelijk en naar behoren ingesteld scheidsgerecht dat in het reglement van een bond of confederatie is erkend.
Artikel 58, leden 1 en 2, van de FIFA-statuten.
Zie arrest van 21 december 2023, International Skating Union/Commissie (C-124/21 P, EU:C:2023:1012, punt 223).
Dit heeft de FIFA eveneens gedaan in het hoofdgeding waaruit de verwijzing naar het Hof is voortgevloeid die heeft geleid tot het arrest van 4 oktober 2024, FIFA(C-650/22, EU:C:2024:824, punt 32).
Deze gronden zijn vastgelegd in artikel 190 van de Loi fédérale sur le droit international privé, te raadplegen op https://www.fedlex.admin.ch/eli/cc/1988/1776_1776_1776/en. Deze rechter kan een arbitraal vonnis vernietigen indien het strijdig is met de openbare orde zoals die in het Zwitserse recht wordt opgevat.
EHRM, 11 juli 2023, Semenya tegen Zwitserland, CE:ECHR:2023:0711JUD001093421, §§ 234–240.
De Belgische regering heeft in haar schriftelijke opmerkingen en ter terechtzitting aangevoerd dat de verwijzende rechter het nationale recht onjuist heeft weergegeven en dat de betrokken wet de toetsing van een arbitraal vonnis juist toelaat wanneer het door een rechterlijke instantie van een derde land is getoetst. Mijns inziens gaat het bij de voorgelegde vraag niet om de juiste uitlegging van het Belgische recht, maar veeleer om die van het Unierecht. Het staat vervolgens aan de nationale rechter om, nadat hij het antwoord van het Hof heeft ontvangen, dit toe te passen op de bij hem aanhangige zaak en het toepasselijke nationale recht dienovereenkomstig uit te leggen.
Arrest van 23 maart 1982, Nordsee (102/81, EU:C:1982:107).
Arrest van 1 juni 1999, Eco Swiss (C-126/97, EU:C:1999:269).
Arrest van 6 maart 2018, Achmea (C-284/16, EU:C:2018:158).
Arrest van 21 december 2023, International Skating Union/Commissie (C-124/21 P, EU:C:2023:1012).
De Franse regering heeft ter terechtzitting betoogd dat de arbitrage bij het CAS eenvoudigweg handelsarbitrage betreft in de zin van het arrest Eco Swiss. De voetbalorganisaties waren minder expliciet, maar zij betoogden alle dat de in dat arrest uiteengezette beperkingen voor de arbitrale vonnissen van het CAS moeten gelden.
Arrest van 23 maart 1982, Nordsee (102/81, EU:C:1982:107, punt 13). Zie voor literatuur waarin kritiek wordt geuit op deze vaststelling Duval, A., (voetnoot 21 van deze conclusie), voetnoot 31. Het Hof heeft tevens geoordeeld dat scheidsgerechten soms toch als zodanig kunnen worden aangemerkt: wanneer zij een wettelijke grondslag hebben, hun beslissingen bindend zijn voor de partijen en hun bevoegdheid niet afhangt van hun toestemming. Zie bijvoorbeeld arresten van 17 oktober 1989, Handels- og Kontorfunktionærernes Forbund i Danmark(109/88, EU:C:1989:383, punten 7–9), en 12 juni 2014, Ascendi Beiras Litoral e Alta, Auto Estradas das Beiras Litoral e Alta (C-377/13, EU:C:2014:1754, punten 22–35), en beschikking van 13 februari 2014, Merck Canada (C-555/13, EU:C:2014:92, punten 16–18).
Het Hof heeft aldus uiteengezet dat vragen van Unierecht ‘eventueel door de gewone rechter kunnen worden onderzocht, hetzij in het kader van de assistentie die hij de scheidsgerechten verleent, […] hetzij in het kader van de […] toetsing van het arbitrale vonnis […] in geval van […] uitvoerbaarverklaring of van enig ander rechtsmiddel dat volgens het toepasselijke nationale recht openstaat’. Arrest van 23 maart 1982, Nordsee(102/81, EU:C:1982:107, punt 14).
Arrest van 1 juni 1999, Eco Swiss (C-126/97, EU:C:1999:269, punt 35).
Arrest van 1 juni 1999, Eco Swiss (C-126/97, EU:C:1999:269, punt 36).
Zie voor een overzicht van de rechtspraak betreffende de openbare orde in het Unierecht de conclusie van advocaat-generaal Szpunar in de zaak Real Madrid Club de Fútbol (C-633/22, EU:C:2024:127, punten 71–103). Zie voor een vroege kritiek op de verplichting van de nationale rechterlijke instanties om te toetsen aan de openbare orde van de Unie, waarvan de inhoud onduidelijk is, Prechal, S., en Shelkoplyas, N., ‘National Procedural, Public Policy and EC Law. From Van Schijndel to Eco Swiss and beyond’, European Review of Private Law, deel 12, nr. 5, 2004, blz. 589, op blz. 606–608.
In zijn arrest van 26 oktober 2006, Mostaza Claro(C-168/05, EU:C:2006:675, punten 35 en 38), heeft het Hof bevestigd dat de verplichting om ambtshalve te toetsen of een beding in een consumentenovereenkomst oneerlijk is, tot de openbare orde behoort.
Zie in dit verband ook de conclusie van advocaat-generaal Kokott in de zaak PL Holdings (C-109/20, EU:C:2021:321, punten 43–46).
Arrest van 23 maart 1982, Nordsee(102/81, EU:C:1982:107, punt 11). Zie ook arrest van 6 maart 2018, Achmea (C-284/16, EU:C:2018:158, punt 55), waarin het Hof arbitrage als bedoeld in bilaterale investeringsovereenkomsten heeft onderscheiden van handelsarbitrage, op grond dat deze laatste soort arbitrage gebaseerd is op de autonomie van de betrokken partijen. Zie ook arrest van 12 juni 2014, Ascendi Beiras Litoral e Alta, Auto Estradas das Beiras Litoral e Alta (C-377/13, EU:C:2014:1754, punt 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak), waarin het Hof heeft vastgesteld dat bij een op partijafspraak berustende arbitrage ‘er voor de [partijen] rechtens noch feitelijk een verplichting bestaat hun geschillen aan een scheidsgerecht voor te leggen’.
Zie ook de levendige uiteenzetting van Paulsson: ‘Doorgaans wordt de exclusieve bevoegdheid van sportautoriteiten vastgelegd in de statuten van bonden die licenties verlenen voor de deelname aan een wedstrijdseizoen of aan specifieke evenementen. De bond in kwestie bestaat over het algemeen al tientallen jaren of generaties lang en heeft, zonder externe invloed, een vrij ingewikkelde en volledig ingeteelde procedure ontwikkeld om geschillen te beslechten. De persoon die als beklaagde aan de procedure deelneemt, ervaart deze echter vaak zoals een toerist een orkaan op Fiji zou ervaren: een angstaanjagende en bizarre gebeurtenis in zijn leven, waarop hij volledig onvoorbereid is.’ Paulsson, J., (voetnoot 2 van deze conclusie), blz. 361.
EHRM, 4 februari 2019, Mutu en Pechstein tegen Zwitserland, CE:ECHR:2018:1002JUD004057510, §§ 103–108.
Arrest van 21 december 2023, International Skating Union/Commissie (C-124/21 P, EU:C:2023:1012, punt 223). EHRM, 4 februari 2019, Mutu en Pechstein tegen Zwitserland, CE:ECHR:2018:1002JUD004057510, § 113.
Het EHRM heeft namelijk geoordeeld dat de FIFA-regels uit 2001, in tegenstelling tot de regels van de ISU, de toegang van spelers tot de gewone rechterlijke instanties niet uitsloten, en daarom niet neerkwamen op verplichte arbitrage. In het huidige artikel 59, lid 2, van de FIFA-statuten is dit zeker anders, zodat deze nu op één lijn staan met de ISU-regels. EHRM, 4 februari 2019, Mutu en Pechstein tegen Zwitserland, CE:ECHR:2018:1002JUD004057510, § 116.
Ter terechtzitting heeft de FIFA bevestigd dat haar bevoegdheden zijn gebaseerd op artikel 21 van de FIFA Disciplinary Code (tuchtreglement van de FIFA), dat beschikbaar is op: https://digitalhub.fifa.com/m/59dca8ae619101cf/original/FIFA-Disciplinary-Code-2023.pdf.
Arrest van 6 maart 2018, Achmea (C-284/16, EU:C:2018:158, punt 55).
Arrest van 6 maart 2018, Achmea (C-284/16, EU:C:2018:158, punt 34). Zie ook Centeno Huerta, S., en Kuplewatzky, N., ‘On Achmea, the autonomy of Union law, mutual trust and what lies ahead’, European Papers, deel 4, nr. 1, 2019, blz. 61, op blz. 65–68.
Arrest van 6 maart 2018, Achmea (C-284/16, EU:C:2018:158, punten 36 en 37).
Arrest van 6 maart 2018, Achmea (C-284/16, EU:C:2018:158, punten 20, 52 en 53).
Arrest van 26 oktober 2021, PL Holdings (C-109/20, EU:C:2021:875, punt 54).
Dit betekent niet dat er in de literatuur geen kritiek op het CAS is. Sommigen verwijten het CAS bijvoorbeeld dat zijn omgang met mensenrechten problematisch is: ‘Sportarbitrage bij het CAS biedt, zolang zij maar de naam ‘arbitrage’ draagt, de mogelijkheid om met de flexibiliteit van arbitrage vorderingen op het gebied van mensenrechten te omzeilen.’ Shahlaei, F., ‘The collision between human rights and arbitration: The game of inconsistencies at the Court of Arbitration for Sport’, Arbitration International, deel 40, nr. 2, 2024,blz. 169, op blz. 203. Anderen wijzen op de gevaren van het CAS voor de rechterlijke bescherming in het algemeen. Zie hierover Anderson, J., ‘‘Taking sports out of the courts’: Alternative dispute resolution and the international Court of Arbitration for Sport’, Journal of Legal Aspects of Sport, deel 10, 2000, blz. 123. Ten slotte is het CAS ook verweten dat het zich onvoldoende bezighoudt met het Unierecht. Zie Duval, A., ‘Towards a transnational Solange: The Court of Arbitration for Sport and EU law’ in Hörnle, T., Möllers, C., en Wagner, G., (red.), Gerichte und ihre Äquivalente, Nomos, 2020, blz. 33.
Resolutie van het Europees Parlement van 2 februari 2012 over de Europese dimensie van de sport [2011/2087(INI)] (PB 2013, C 239E, blz. 46). Naar aanleiding van deze verklaring heeft Duval gepleit voor een Solange-achtige benadering door nationale rechters wanneer zij de arbitrale vonnissen van het CAS toetsen. Duval, A., (voetnoot 53 van deze conclusie), blz. 42.
Zie over het verloop hiervan Biondi, A., en Sangiuolo, G., ‘Three years after Achmea: What is said, what is unsaid, and what could follow’, in Biondi, A., en Sangiuolo, G., (red.), The EU and the Rule of Law in International Economic Relations — An Agenda for an Enhanced Dialogue, Edward Elgar, 2021. Zie over de gevolgen voor rechtbanken die geschillen tussen investeerders en staten beslechten Centeno Huerta, S., en Kuplewatzky, N., (voetnoot 49 van deze conclusie), blz. 68–74.
Arrest van 18 november 2003, Budějovický Budvar (C-216/01, EU:C:2003:618, punt 169).
Arrest van 18 november 2003, Budějovický Budvar(C-216/01, EU:C:2003:618, punt 170). In het geval van het Verdrag inzake het Energiehandvest heeft de Europese Unie dit gedaan. Zie voorstel voor een besluit van de Raad betreffende de terugtrekking van de Unie uit het Verdrag inzake het Energiehandvest [COM(2023) 447 final], goedgekeurd door de Raad op 7 maart 2024, en besluit (EU) 2024/1638 van de Raad van 30 mei 2024 betreffende de terugtrekking van de Unie uit het Verdrag inzake het Energiehandvest ST/6509/2024/INIT (PB L, 2024/1638).
Zoals bij beschikking van 21 september 2022, Romatsa e.a. (C-333/19, EU:C:2022:749, punt 43).
Arrest van 21 december 2023, International Skating Union/Commissie (C-124/21 P, EU:C:2023:1012).
Arrest van 21 december 2023, International Skating Union/Commissie (C-124/21 P, EU:C:2023:1012, punt 228).
Arrest van 21 december 2023, International Skating Union/Commissie (C-124/21 P, EU:C:2023:1012, punt 193).
Arrest van 21 december 2023, International Skating Union/Commissie (C-124/21 P, EU:C:2023:1012, punt 201).
De FIFA, de UEFA en de KBVB hebben betoogd dat Royal Football Club Seraing en Doyen Sports in België tal van beroepsmogelijkheden hadden, zoals blijkt uit andere rechtsvorderingen die parallel aan het onderhavige hoofdgeding zijn ingesteld (bijvoorbeeld verschillende beroepen bij de Tribunal de première instance de Liège (rechtbank van eerste aanleg Luik, België). Dit argument zegt op zich niets over de onverenigbaarheid van de regel inzake het gezag van gewijsde met het vereiste van daadwerkelijke rechtsbescherming in het kader van de procedure waaruit de onderhavige prejudiciële verwijzing is voortgevloeid. Elke procedure waarin het nationale recht voorziet, moet op zichzelf genomen doeltreffend zijn. Dit betekent dat de mogelijkheid tot inleiding van een procedure niet volstaat, maar dat de aangezochte rechter over een echte bevoegdheid moet beschikken om de ingediende vorderingen te beoordelen en uitspraak te doen op de verzoeken van partijen.
Verdrag van de Verenigde Naties over de erkenning en tenuitvoerlegging van buitenlandse scheidsrechterlijke uitspraken (New York, 10 juni 1958).
Ter terechtzitting heeft de Commissie — met een beroep op het arrest van 3 juni 2008, Intertanko e.a. (C-308/06, EU:C:2008:312) — aangevoerd dat het Hof gehouden zou zijn het Unierecht uit te leggen in overeenstemming met het Verdrag van New York, om te voorkomen dat de lidstaten in strijd met hun internationale verplichtingen moeten handelen.
Arrest van 3 juni 2008, Intertanko e.a. (C-308/06, EU:C:2008:312, punt 52). Zie ook arrest van 14 maart 2024, Commissie/Verenigd Koninkrijk (Arrest van de Supreme Court) (C-516/22, EU:C:2024:231, punt 126).
‘Iedere verdragsluitende staat erkent de schriftelijke overeenkomst waarbij partijen zich verbinden aan een uitspraak van scheidsmannen te onderwerpen alle of bepaalde geschillen welke tussen hen zijn gerezen of welke tussen hen zouden kunnen rijzen naar aanleiding van een bepaalde al dan niet contractuele rechtsbetrekking en betreffende een geschil, dat vatbaar is voor beslissing door arbitrage.’
Zie ook Born, G.B., International Commercial Arbitration, 3e editie, Wolters Kluwer, 2020, blz. 275, met een vergelijking van wetgeving en rechtspraak (bijvoorbeeld uit de Verenigde Staten, Canada, het Verenigd Koninkrijk, Japan, Frankrijk en Duitsland) en een soortgelijke benadering van de uitlegging van dit artikel. Zie voor een soortgelijk argument, namelijk dat het verdrag slechts van toepassing is op vrijwillig aanvaarde arbitrage, waarbij wordt verwezen naar artikel I, lid 2, van het Verdrag van New York (‘De uitdrukking ‘scheidsrechterlijke uitspraken’ omvat niet alleen uitspraken, gewezen door voor een bepaald geval benoemde scheidsmannen, doch tevens uitspraken, gewezen door permanente scheidsrechterlijke instanties waaraan partijen zich hebben onderworpen.’), Wolff, R., New York Convention: Article-by-Article Commentary,Bloomsbury Collections, 2019, blz. 37.
Een (her)uitlegging van een internationaal verdrag dat een lidstaat bindt, werd beschouwd als een mogelijkheid om de krachtens artikel 351 VWEU op hem rustende verplichtingen na te komen. Arrest van 18 november 2003, Budějovický Budvar (C-216/01, EU:C:2003:618, punt 169).
Artikel V, lid 2, onder b), van dit verdrag luidt: ‘De erkenning en tenuitvoerlegging van een scheidsrechterlijke uitspraak kan eveneens worden geweigerd, indien de bevoegde autoriteit van het land waar de erkenning en tenuitvoerlegging wordt verzocht, constateert: […] b) dat de erkenning of tenuitvoerlegging van de uitspraak in strijd zou zijn met de openbare orde van dat land.’
Zij wordt in de literatuur een ‘onhandelbaar paard’ genoemd. Chatterjee, C., en Lefcovitch, A., ‘Recognition and enforcement of arbitral awards: How effective is Article V of the New York Convention of 1958?’, International In-house Counsel Journal, deel 9, 2016, blz. 1, op blz. 10.
Zo ook heeft advocaat-generaal Tizzano voorgesteld om het recht op een eerlijk proces te definiëren als een beginsel van openbare orde van de Unie. Zie de conclusie van advocaat-generaal Tizzano in de zaak Mostaza Claro (C-168/05, EU:C:2006:265, punten 57–61).