Hof 's-Gravenhage, 28-04-2009, nr. 105.007.366
ECLI:NL:GHSGR:2009:926
- Instantie
Hof 's-Gravenhage
- Datum
28-04-2009
- Magistraten
Mrs. J.M. van der Klooster, L.M. Croes, C.A. Brouwer
- Zaaknummer
105.007.366
- Vakgebied(en)
Vervoersrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHSGR:2009:926, Uitspraak, Hof 's-Gravenhage, 28‑04‑2009
Uitspraak 28‑04‑2009
Mrs. J.M. van der Klooster, L.M. Croes, C.A. Brouwer
Partij(en)
arrest van de tweede civiele kamer d.d. 28 april 2009
inzake
- 1.
de rechtspersoon naar het recht van het land van vestiging
BH Insurance (M) BHD, voorheen genaamd Royal Insurance (Malaysia) SDN. BHD,
gevestigd te Kuala Lumpur, Maleisië,
- 2.
Unilever Nederland Services B.V., voorheen genaamd Unilever Grondstoffen Maarschappij N.V.,
gevestigd te Rotterdam,
- 3.
Schutter International B.V.,
gevestigd te Cappelle aan den IJssel,
appellanten,
hierna gezamenlijk te noemen: Royal,
advocaat: mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt,
te 's‑Gravenhage
tegen
de rechtspersoon naar het land van haar vestiging
Malaysian International Shipping Corporation Berhad (MISC),
gevestigd te Kuala Lumpur, Maleisië,
geïntimeerde,
hierna te noemen: MISC,
advocaat: mr. E. Grabandt,
te 's‑Gravenhage.
Het geding
Bij exploot van december 2007 is Royal in hoger beroep gekomen van de vonnissen van 30 maart 2005, 10 augustus 2005 en 5 september 2007 door de Rechtbank Rotterdam gewezen tussen partijen. Royal heeft tegen die vonnissen vijf grieven aangevoerd, die door MISC bij memorie van antwoord zijn bestreden. Vervolgens hebben partijen ter zitting van het hof van 24 maart 2009 de zaak doen bepleiten door hun raadslieden, mr. M. Spanjaart aan de zijde van Royal en mr. G.J.W. de Vries aan de zijde van MISC. Voorafgaand aan de pleidooien zijn nog stukken in het geding gebracht bij brieven van 20 februari, 12 en 13 maart 2009 van mr. Spanjaart en bij brief van 19 maart 2009 van mr. De Vries. Partijen hebben ten slotte arrest gevraagd.
Beoordeling van het hoger beroep
1.
Het gaat in dit geding kort gezegd om het volgende. Unilever heeft in december 1992 drie partijen Refined Bleached & Deodorized Palm Oil (RBD palmolie) gekocht van Felda Mills Corp. te Kuala Lumpur c.i.f. Rotterdam. De betreffende palmolie is door MISC aan boord van het ms. [schip] naar Rotterdam vervoerd, alwaar de aankomst was op 17 januari 1993. MISC heeft voor dit vervoer drie ‘schone’ cognossementen afgegeven, waarop Felda is vermeld als shipper. Schutter heeft de lading in Rotterdam op vertoon van de cognossementen voor Unilever in ontvangst genomen. Unilever stelt zich op het standpunt dat de lading beschadigd was in die zin dat de palmolie te veel was verkleurd en een te hoog gehalte Free Fatty Acids (ffa) zou bevatten. Zij vordert bij wijze van schadevergoeding de kosten van raffinage van een deel van de lading, te weten 3.209 mt die is gelost in shore tank 107 en 500 mt in shore tank 43, tot een bedrag van f 619.684,24. Royal heeft de schade aan Unilever vergoed. Nadat een aanvankelijke discussie tussen partijen over de vorderingsgerechtigdheid van Schutter en stuiting van de verjaring in hoger beroep door dit hof bij arrest van 4 juni 2002 ten gunste van Royal was beslist, is de procedure voortgezet bij de Rechtbank Rotterdam, die na een deskundigenbericht van 9 mei 2006 de vorderingen heeft afgewezen. Daartegen zijn de grieven gericht.
2.
Het hof zal grief 2 als eerste bespreken. Deze grief is gericht tegen rov. 1.8 van het eindvonnis, waar de rechtbank overweegt dat partijen het erover eens zijn dat de ladingen bij belading een Red-waarde van maximaal 3,0 dienden te hebben en een ffa-percentage van maximaal 0,1%, en dat deze contractueel overeengekomen specificaties van de ladingen tot nu toe als uitgangspunt zijn genomen in de partijdiscussie over de gezonde en vervoersgeschikte staat en de beoordeling daarvan.
3.
De grief slaagt. De genoemde waardes zijn weliswaar overeengekomen bij de koop van de palmolie, maar daarbij was vervoerder MISC geen partij. Voorts is onjuist dat deze specificaties als uitgangspunt zijn genomen (of moeten dienen) voor de bepaling van de gezonde en vervoersgeschikte staat van de lading. Immers gaat het er slechts om te bepalen of de lading bij aankomst in slechtere staat verkeerde dan bij vertrek, en dus of deze tijdens het vervoer is beschadigd. Wat de staat bij vertrek betreft, is tussen partijen niet in geschil en is door de benoemde deskundige bevestigd dat toen de Red-waarde waarschijnlijk (deskundigenbericht 3.1.4. en 4.1) en het ffa-percentage mogelijk (deskundigenbericht 3.2.4. en 4.2) hoger waren dan de gespecificeerde maxima. Daarbij is van belang dat hogere Red-waarden weliswaar duiden op een lagere kwaliteit, maar de palmolie niet ‘ongezond’ of vervoersongeschikt maken.
4.
Omdat grief 2 slaagt, dient het hof het geschil tussen partijen opnieuw te beoordelen. Ten pleidooie hebben partijen te kennen gegeven dat zulks dient te geschieden naar Nederlands recht. Voorts staat vast dat de Hague Visby Rules van toepassing zijn. Het hof baseert zich verder op het deskundigenbericht (in de tweede gedeponeerde versie), nu partijen zich daartegen niet verzetten.
aansprakelijkheid
5.
De vervoerder is aansprakelijk voor beschadiging van de lading, voor zover tijdens het vervoer ontstaan en voor zover hij zich niet kan beroepen op een exceptie. De ladingbelanghebbende dient daartoe te stellen en te bewijzen dat de lading in goede staat ten vervoer is aangeboden en in beschadigde staat is aangekomen, waarna het aan de vervoerder is om te stellen en te bewijzen dat en waarom de beschadiging niet voor zijn rekening behoort te komen.
6.
MISC stelt zich op het standpunt dat Royal niet heeft aangetoond dat de lading beschadigd is aangekomen. Zij stelt daartoe a) dat de lading bij inlading al ‘beschadigd’ was, immers niet aan de specificaties voldeed (o.m. cva 4.3) en b) dat palmolie de eigenschap heeft dat de Red-waarden en ffa-percentages tijdens vervoer stijgen, wat is aan te merken als een eigen gebrek van de lading (o.m. eva 4.7), zodat de ‘beschadiging’ MISC niet kan worden aangerekend en c) dat wegens de onnauwkeurigheid van de metingen niet vaststaat dat de lading uiteindelijk Red-waarden van boven 5,0 zou hebben gehad (o.m. cvd 2.15) en d) dat niet vaststaat dat de toename van de waarden bij lossing heeft plaatsgevonden aan boord van het schip (conclusie na deskundigenbericht 17.).
ad a en b: waarden bij inlading en bij aankomst voor lossing
7.
Zoals hierboven is vermeld, neemt het hof evenals partijen de conclusies van het deskundigenbericht tot uitgangspunt. In het deskundigenbericht is aangenomen dat waarschijnlijk c.q. mogelijk is dat de Red-waarden en ffa-percentages reeds bij inlading ‘off spec’, dat wil zeggen hoger dan 3 resp. 0,1 waren. Zulks komt uiteraard niet voor rekening van MISC.
8.
Voorts overweegt de deskundige dat zowel de Red-waarde als het ffa-percentage tijdens de reis normaliter toeneemt, en dat zulks ook in dit geval is gebeurd, overigens niet meer dan mocht worden verwacht (deskundigenbericht 2.2.4, 2.3.4 en 3.3.1.3). Deze stijging, die kennelijk samenhangt met de bijzondere aard van palmolie, kan evenmin aan MISC worden toegerekend.
9.
Voor zover hetgeen Royal bij pleidooi (pleitnotities sub 14. en 15.) heeft opgemerkt aldus zou moeten worden begrepen dat zij thans stelt dat ook reeds tijdens het vervoer de waarden te hoog zijn opgelopen, kan die stelling niet als juist worden aanvaard. De deskundige heeft immers de stijging tijdens het vervoer beoordeeld als niet meer dan wat te verwachten was, hetgeen in overeenstemming is met de rapporten van de andere experts.
ad c: het staat niet vast dat de Red-waarden uiteindelijk hoger zijn geweest dan 5
10.
Op zichzelf is juist dat de bepaling van Red-waarden kennelijk betrekkelijk onnauwkeurig is. Uit het deskundigenbericht blijkt dat verschillende metingen van hetzelfde monster in hetzelfde laboratorium zo'n 0,5 R kunnen verschillen (repeatability) terwijl de afwijking tussen verschillende laboratoria nog groter, nl. 0,6/0,7 R zal zijn (reproducibility; zie deskundigenbericht 3.1.2 en 3.1.3).
11.
Desalniettemin kan niet worden aangenomen dat de Red-waarden van de uiteindelijk in de landtanks 107 en 43 gepompte olie lager zijn geweest dan 5. Immers, deze waarden zijn door veel verschillende laboratoria onderzocht; de uitkomsten daarvan zijn neergelegd in het deskundigenbericht sub 2.4.1. Daaruit blijkt dat van de 8 verschillende metingen er slechts 1 onder de 5 R uitkomt. Hoewel voor ieder van die metingen moet gelden dat er een marge bestaat van 0,7 R naar boven of naar beneden, moet de kans dat al deze metingen 0,7 R te hoog zouden zijn, verwaarloosbaar klein worden geacht. Deze stelling van MISC moet daarom worden verworpen.
12.
Overigens houdt deze stelling van MISC verband met haar stelling dat niet vaststaat dat Unilever palmolie met Red-waarden van boven 5 R niet zonder meer zou kunnen verwerken. Zoals hieronder (rov. 19) zal blijken, doet dat evenwel niet ter zake.
ad d: schade niet aan boord ontstaan
13.
Bij conclusie na deskundigenbericht heeft MISC voor het eerst aangevoerd dat niet aangetoond is dat de plotsklapse toename van de waarden bij de lossing niet zou zijn ontstaan na de ‘Vessels permanent hose connections’ (zie deskundigenbericht 3.3.1.4: ‘Here there is no doubt that the colour en FFA of the cargo markedly increased during discharge. This, we note, is accepted by all parties.’). Die stelling wordt aldaar niet verder onderbouwd. Zij is strijdig met het door MISC tot dan toe ingenomen standpunt en met de expertiserapporten. Immers heeft MISC zich bij antwoord (4.13. en 4.14.) geconformeerd aan de conclusies van Van Ameyde: ‘The discoloration could either have been caused by the admixture of crude palm oil during the backflows and/or ‘scorching’ of the oil during forced heating of the thick oil.’ en Wambersie & Gompertz: ‘… the considerable deterioration in condition during the discharge has to be attributed to circumstances prevailing on board the m.t.v. [schip].’ Ook de gerechtelijk deskundige concludeert dat de toename is voorgevallen bij de lossing: (2.4.2.) ‘However, it appears that FFA increased significantly following discharge ashore into T107 en T43’, en (2.4.3.) ‘However, it is clear that the Red colour parameter deteriorated significantly during the discharge operations’ en het citaat hierboven.
14.
Tussen partijen is voorts steeds discussie geweest over (slechts) twee mogelijke oorzaken: zgn. scorching, veroorzaakt doordat de olie te snel / te veel zou zijn verhit om deze vloeibaarder te maken ten behoeve van de lossing uit de scheepstanks, dan wel vermenging met zich aan boord van het schip, al dan niet in de scheepsleidingen, bevindende crude palm oil. MISC heeft scorching steeds bestreden, maar heeft zelf (cvd 2.26) aangevoerd dat ‘de hogere Red-waarde … zeer waarschijnlijk het gevolg is geweest van een vermenging met de zich tevens aan boord van het m.s. ‘[schip]’ bevindende Crude Palm Oil.’
Daarmee is niet te verenigen dat de toename van de waarden zou kunnen zijn voorgevallen nadat de olie de ‘permanent hose connections’ van het schip was gepasseerd. Waar bovendien geen der deskundigen heeft betoogd en beargumenteerd dat de schade na lossing zou zijn ontstaan, mag het ervoor worden gehouden dat dit ook niet het geval is.
omvang van de schade
15.
Op grond van art. 8:388 BW en de Hague Visby Rules art. 4 lid 5 sub b dient de schade te worden berekend door vergelijking van de werkelijke waarde van de afgeleverde lading met de verwachte waarde, te weten de waarde die het afgeleverde bij aankomst had moeten hebben bij deugdelijk vervoer. Dit is een zgn. abstracte schadeberekening, waarbij wordt geabstraheerd van de werkelijk door de ontvanger geleden schade.
16.
Aangezien Royal haar vordering tot schadevergoeding heeft beperkt tot de palmolie die is gelost in de landtanks 107 en 243, zal daarvan de ‘aangekomen’ en de ‘verwachte’ waarde moeten worden bepaald.
17.
Voor de bepaling van de ‘verwachte’ waarde mag daarbij moeten worden uitgegaan van de staat waarin de olie verkeerde vlak voor de lossing. Immers blijkt uit het deskundigenbericht en uit hetgeen hierboven sub 7. en 8. is overwogen dat de toename van de waarden tot dat moment niet voor rekening van MISC behoort te komen. Met betrekking tot de staat van de olie vlak voor de lossing heeft de deskundige sub 3.3.1.3 en 4.3 overwogen dat alleen de metingen van Labco voorhanden zijn. Dat is evenwel onjuist, want er zijn ook metingen van Verwey, die in het tussenvonnis van 30 maart 2005 zijn genoemd. MISC heeft die discrepantie gesignaleerd (concusie na deskundigenbericht 7.), maar daaraan geen consequenties verbonden en zich uitdrukkelijk akkoord verklaard (sub 15.) met de conclusies van de deskundige. Bij de bepaling van de ‘verwachte’ waarde wordt daarom uitgegaan van de gemiddelde gehaltes zoals die blijken uit het schema in het deskundigenbericht sub 2.4.1. onder ships tanks B/D, dat wil zeggen een gemiddelde Red-waarde van 4.4 en een gemiddeld ffa-percentage van 0,156.
18.
Voor de bepaling van de ‘aangekomen’ waarde wordt uitgegaan van de in dat schema opgenomen waardes met betrekking tot de landtanks 107 en 43. Daarvan zijn verschillende metingen voorhanden. Het ligt evenwel voor de hand uit te gaan van de metingen van Labco, omdat ook bij de bepaling van de ‘verwachte’ waarde van de metingen van Labco wordt uitgegaan. Mede in aanmerking genomen wat de deskundige heeft opgemerkt over reproducibility en repeatability (vlg. rov. 10 hierboven) zullen de resultaten van Labco met betrekking tot de waarden na lossing het meest vergelijkbaar zijn met de resultaten van eveneens Labco met betrekking tot de waarden voor lossing. Bij de bepaling van de schade gaat het immers meer om het verschil tussen beide metingen en de bijbehorende waardes van de palmolie dan om de absolute getallen. Derhalve wordt voor de bepaling van de ‘aangekomen’ waarde uitgegaan van een gemiddelde Red-waarde van 5.3 en een gemiddeld ffa-percentage van 0,245.
19.
Zoals hierboven vermeld, wordt bij de bepaling van de schade in een geval als dit geabstraheerd van de werkelijk door de ontvanger geleden schade. Dat brengt mee dat in beginsel in het midden kan blijven, althans niet bepalend is of opnieuw raffineren van de palmolie aangewezen of noodzakelijk was, of de te hoge waarden in het normale productieproces zouden zijn verdwenen, of de palmolie had kunnen worden gebruikt voor de fabricage van margarine van lagere kwaliteit en of de schade had kunnen of moeten worden beperkt door de palmolie te mengen met een grotere hoeveelheid RBD palmolie of door deze te verkopen als crude palm oil. Voorts behoeft in beginsel niet verder te worden onderzocht of de oorzaak van de schade is gelegen in scorching of in vermenging met crude palm oil, zulks tenzij die schadeoorzaak van invloed zou zijn op de waarde. Ten slotte is ook niet meer van belang welke Red-waarde en ffa-percentage de palmolie had voor de aanvang van het vervoer.
20.
Royal heeft gesteld (conclusie na deskundigenbericht, tweede versie, 3.2) dat de kosten van raffinage zijn gemaakt om de gezonde waarde van de lading te realiseren, en daarom voor vergoeding in aanmerking komen. De kosten die naast het verschil in waarde voor vergoeding in aanmerking komen, zijn echter de kosten voor onderzoek en voor de vaststelling van de schade en dergelijke. Kosten voor herstel van de schade vallen daar in beginsel niet onder.
21.
Partijen hebben zich nog niet ondubbelzinnig uitgelaten over de hier bedoelde waardes van de lading. MISC heeft (cvd 3.8) in dit verband wel verwezen naar het rapport van Van Ameyde, maar daar wordt een vergelijking gemaakt met de waarde van crude palm oil, terwijl uit niets blijkt dat de werkelijke waarde van de aangekomen palmolie daarmee gelijk gesteld zou moeten worden. Partijen worden daarom alsnog in de gelegenheid gesteld een helder standpunt in te nemen over de verschillende waardes. Indien zij daarover van mening verschillen, zal het hof een deskundige benoemen om die waardes te bepalen, waarbij dan uiteraard tevens aan de deskundige de vraag zal worden voorgelegd in hoeverre verschil maakt of de vermeende schadeoorzaak scorching dan wel vermenging is geweest. Mocht sprake zijn van een substantieel verschil dan zal in een later stadium nog wel worden bezien of nadere bewijsvoering / berichtgeving door een deskundige nodig is over die schadeoorzaak. Partijen dienen zich tevens uit te laten over de persoon of personen van de deskundige(n) en de te stellen vragen. In aanmerking nemende dat vooralsnog wordt uitgegaan van een schadeoorzaak binnen de aansprakelijkheidssfeer van de vervoerder, doch het tegelijk Royal is die haar schade dient te bewijzen, bestaat aanleiding het voorschot op de kosten van de deskundige gelijkelijk over partijen te verdelen.
Beslissing
Het hof:
- —
verwijst de zaak naar de rolzitting van 16 juni 2009 voor akte uitlating als bedoeld in rov. 21, eerst aan de zijde van Royal;
- —
houdt iedere nadere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.M. van der Klooster, L.M. Croes en C.A. Brouwer en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 april 2009 in aanwezigheid van de griffier.