Einde inhoudsopgave
Voorlopige hechtenis in het Nederlandse jeugdstrafrecht (Meijers-reeks) 2017/8.6.2.1
8.6.2.1 Het eerste perspectiefplan
mr. drs. Y.N. van den Brink, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. drs. Y.N. van den Brink
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 2008–2009, 31 915, nr. 3, p. 9. Zie ook: artikel 25, derde lid Rjj.
In sommige regio’s vindt het netwerkberaad digitaal plaats. Zie over het netwerkberaad: Uitvoeringskader Netwerk- en Trajectberaad 2010, p. 3-9. Zie over de uitvoering van het netwerkberaad in de praktijk: Plaisier & Mol 2013, p. 25-32.
Vgl. artikel 25, tweede en derde lid Rjj.
Interview gedragsdeskundige F (JJI).
Interview gedragsdeskundige A (JJI)
Interview gedragsdeskundige J (JJI).
Interview gedragsdeskundige F (JJI).
In de praktijk van deze justitiële jeugdinrichtingen worden de ouders pas uitgenodigd bij de bespreking van het tweede perspectiefplan, zo blijkt uit het interview met gedragsdeskundige A (JJI).
Interview gedragsdeskundige J (JJI).
Uitvoeringskader Netwerk- en Trajectberaad 2010, p. 10-11.
Uitvoeringskader Netwerk- en Trajectberaad 2010, p. 10.
Als een minderjarige op titel van voorlopige hechtenis instroomt in een justitiële jeugdinrichting, is de inrichting op grond van artikel 20, eerste lid Bjj gehouden om binnen drie weken na binnenkomst een perspectiefplan voor de minderjarige op te stellen. Dit betreft het eerste perspectiefplan, in de praktijk ook wel aangeduid als “PP1” of “PEP1”. Volgens de Memorie van Toelichting bij de Bjj, bevat het perspectiefplan “in ieder geval pedagogische elementen (nietzijnde behandeling) gericht op opvoeding en heropvoeding die gedurende het verblijf van de jeugdige in de inrichting de aandacht verdienen”.1 De directeur van de inrichting is verantwoordelijk voor het perspectiefplan,2 maar in de praktijk is het de gedragsdeskundige die het plan opstelt. Hierbij maakt de gedragsdeskundige gebruik van informatie die is aangeleverd door de ketenpartners, zoals de Raad voor de Kinderbescherming en de jeugdreclassering.
Belangrijk voor deze informatieoverdracht is het ‘netwerkberaad’ dat in beginsel plaatsvindt binnen een week na binnenkomst van de minderjarige in de justitiële jeugdinrichting. Dit betreft een overleg tussen en vertegenwoordiger van de justitiële jeugdinrichting en vertegenwoordigers van de Raad voor de Kinderbescherming en jeugdreclassering uit de regio waar de justitiële jeugdinrichting is gevestigd.3 Daarnaast maakt de gedragsdeskundige bij het opstellen van het perspectiefplan gebruik van (interne) informatie van de groepsleider en/of mentor, leerkracht en eventueel de behandelaar of therapeut en/of ITB-er die in de inrichting bij de begeleiding van de minderjarige zijn betrokken.4 Ook spreekt de gedragsdeskundige zelf met de minderjarige. Op basis van al deze informatie wordt in het perspectiefplan een “gedragsbeeld” geschetst, eventuele acute (psychische) problematiek in kaart gebracht en een aantal (leer)doelen vastgelegd voor de eerste drie maanden van het verblijf van de minderjarige in de justitiële jeugdinrichting. Een geïnterviewde gedragsdeskundige zegt hierover het volgende:
“Het eerste perspectiefplan is voor mij echt het samenbrengen van de belangrijkste informatie die er is, en daar aan toevoegen een gedragsbeeld dat wij gezien hebben van de jongere plus de screening. Dus of er acute psychiatrische problemen zijn misschien. Daar wil ik dan meteen de kanttekening bij maken dat dat het gedeelte is wat de Raad voor de Kinderbescherming ook al doet in hun rapport, dus zaken bij elkaar brengen. Dus daar zijn we wel een soort van dubbeling aan het doen. Dus dan blijft eigenlijk voor mij over, psychiatrische screening en het gedragsbeeld van hier, en de eerste afspraken die daaruit volgen. Dat is van: hoe kunnen we het beste met die jongere omgaan in de eerste fase, en wil de jongere bijvoorbeeld al ergens mee aan de slag? Bijvoorbeeld dat hij wil leren zijn kamer beter op te ruimen. (…) Dat is het eerste perspectiefplan.”5
Uit de interviews met de gedragsdeskundigen komt naar voren dat de doelen die in het eerste perspectiefplan worden vastgelegd doorgaans vrij basaal en laagdrempelig zijn. Voorbeelden van doelen die tijdens de interviews worden genoemd zijn: “de jongere voelt zich prettig op de groep, luistert naar de groepsleiding, reageert respectvol, volgt de basismethodiek YOUTURN”.6 Hierbij speelt een rol dat de informatie over (de problematiek van) de minderjarige ten tijde van het opstellen van het eerste perspectiefplan nog niet zodanig is dat vergaande, op het individu toegesneden (behandel)doelen kunnen worden opgenomen. Een gedragsdeskundige geeft tijdens een interview nog een andere reden waarom de doelen in het eerste perspectiefplan niet te ambitieus moeten zijn:
“De meeste zijn gewoon laagdrempelige doelen, omdat je ook wil dat in zo’n perspectiefplan 2, zo’n jongen een doel behaald kan hebben. En als je sky high doelen neer gaat zetten, heeft die jongen alleen maar faalervaring. Want ja, ‘ik heb mijn doel niet bereikt’. Dus je probeert ze ook laagdrempelig te houden. En in perspectiefplan 2 kan je grotere of uitgebreidere doelen erin zetten.”7
Voordat het eerste perspectiefplan definitief wordt vastgesteld, is het bij sommige justitiële jeugdinrichtingen de vaste praktijk dat een ‘perspectiefplanbespreking’ plaatsvindt, waarvoor de minderjarige, zijn ouders, de betrokken jeugdreclasseerder en eventueel de gezinsvoogd worden uitgenodigd. Tijdens de interviews komt evenwel naar voren dat er in de praktijk verschillen bestaan tussen justitiële jeugdinrichtingen in de wijze waarop hiermee wordt omgegaan. Zo geeft de gedragsdeskundige van één van de onderzochte justitiële jeugdinrichtingen aan dat de bespreking van het eerste perspectiefplan in beginsel niet in het bijzijn van de minderjarige wordt verricht om te waarborgen dat ouders vrijuit over (de problematiek van) hun kind kunnen spreken.8 Een gedragsdeskundige van een andere inrichting stelt dat de bespreking van het eerste perspectiefplan doorgaans niet erg uitgebreid is en dat de ouders van de minderjarige daarvoor niet worden uitgenodigd.9 Een gedragsdeskundige van weer een andere inrichting geeft tijdens een interview aan dat een bespreking van het eerste perspectiefplan in zijn praktijk doorgaans zelfs in het geheel niet plaatsvindt.10
De perspectiefplanbespreking dient overigens te worden onderscheiden van het (eerste) ‘trajectberaad’, dat in beginsel (ook) binnen drie weken na binnenkomst van de minderjarige plaatsvindt. Zoals in paragraaf 8.4.1.3 reeds aan de orde is gekomen, betreft het trajectberaad een overleg tussen onder meer de casusregisseur van de Raad voor de Kinderbescherming, de jeugdreclasseerder die de minderjarige begeleidt, een vertegenwoordiger van de gemeente waar de minderjarige woonachtig is en – afhankelijk van de regio – een vertegenwoordiger van de justitiële jeugdinrichting waar de minderjarige verblijft, waarbij laatstgenoemde in elk geval niet altijd fysiek aanwezig is.11 Het doel van het trajectberaad is onder meer om een inhoudelijke afstemming te bereiken tussen de betrokken ketenpartners over de beoogde koers van het strafrechtelijke behandel- en/of hulpverleningstraject van een minderjarige.12