RvdW 2024/377:Als leider deelnemen aan criminele organisatie die zich op grote schaal bezighoudt met hennepteelt (art. 11a (oud) Opiumwet jo. 140 lid 3 (oud) Sr), medeplegen telen en aanwezig hebben van grote hoeveelheden hennep in verschillende panden, meermalen gepleegd (art. 3 onder B en 3 onder C jo. 11 lid 2 en 11 lid 5 Opiumwet), (medeplegen) witwassen van geldbedragen, diverse goederen en recreatiewoning op camping (art. 420bis lid 1 sub a Sr en 420bis lid 1 sub b Sr) en voorhanden hebben van revolver en munitie (art. 26 lid 1 WWM). Afwijzing van getuigenverzoek op de grond dat hof in strafzaken van verdachte en medeverdachten gelijktijdig uitspraak wil doen en horen van getuigen in Turkije ervoor zou zorgen dat afdoening van die strafzaken langer op zich zou laten wachten. Aannemelijk dat getuigen niet binnen aanvaardbare termijn kan worden gehoord a.b.i. art. 288 lid 1 sub a Sv? Bewezenverklaring steunt onder meer op een voor bewijs gebruikt p-v van bevindingen waarin uitlating van getuige A is opgenomen en op bewijsmiddelen waarin uitlatingen zijn opgenomen die getuige B heeft gedaan tijdens heimelijk afgeluisterde gesprekken. Bij toepassing van art. 288 lid 1 sub a Sv staat vraag voorop of het mogelijk is getuige binnen afzienbare termijn te (doen) horen (vgl. NJ 2022/156). Hof heeft aan oordeel dat het onaannemelijk is dat getuigen binnen aanvaardbare termijn kunnen worden gehoord in de kern ten grondslag gelegd dat het in strafzaken van verdachte en medeverdachten gelijktijdig uitspraak wil doen en dat horen van de getuigen ervoor zou zorgen dat definitieve afdoening in alle strafzaken langer op zich zou laten wachten. Dat oordeel is niet z.m. begrijpelijk, nu uit p-v van de Rh-C volgt dat (i) getuigen ruim een maand voorafgaand aan deze beslissing traceerbaar en beschikbaar waren voor verhoor, maar die verhoren t.g.v. misverstand niet zijn doorgegaan en (ii) Turkse autoriteiten en getuigen bereid waren mee te werken aan nieuwe datum voor verhoor. Volgt (partiƫle) vernietiging en terugwijzing.