Dit is een fictieve naam, die niet overeenkomt met de werkelijke naam van enige partij in de procedure.
HvJ EU, 19-06-2025, nr. C-219/25 PPU
ECLI:EU:C:2025:456
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
19-06-2025
- Magistraten
C. Lycourgos, S. Rodin, N. Piçarra, O. Spineanu-Matei, N. Fenger
- Zaaknummer
C-219/25 PPU
- Conclusie
J. Kokott
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2025:456, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 19‑06‑2025
ECLI:EU:C:2025:379, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie, 22‑05‑2025
Uitspraak 19‑06‑2025
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Prejudiciële spoedprocedure — Ruimte van vrijheid, veiligheid en recht — Artikel 67, lid 3, en artikel 82, lid 1, VWEU — Justitiële samenwerking in strafzaken — Verzoek van een derde land om uitlevering — Unieburger — Artikelen 18 en 21 VWEU — Eerdere beslissing van een andere lidstaat om de uitlevering te weigeren wegens een ernstig gevaar voor schending van grondrechten — Artikel 19, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie — Recht van de opgeëiste persoon om niet te worden uitgeleverd aan een staat waar een ernstig risico bestaat dat hij aan folteringen of aan andere onmenselijke of vernederende behandelingen wordt onderworpen — Artikel 47, tweede alinea, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie — Recht op een eerlijk proces — Wederzijds vertrouwen — Verplichting om rekening te houden met de gronden waarop de eerdere beslissing tot weigering van de uitlevering is gebaseerd — Geen verplichting tot wederzijdse erkenning van die beslissing
C. Lycourgos, S. Rodin, N. Piçarra, O. Spineanu-Matei, N. Fenger
Partij(en)
In zaak C-219/25 PPU [Kamekris] i., *
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de onderzoekskamer van de cour d'appel de Montpellier (rechter in tweede aanleg Montpellier, Frankrijk) bij beslissing van 18 maart 2025, ingekomen bij het Hof op 20 maart 2025, in de procedure tot uitlevering van
KN,
wijst
HET HOF (Derde kamer),
samengesteld als volgt: C. Lycourgos, kamerpresident, S. Rodin, N. Piçarra (rapporteur), O. Spineanu-Matei en N. Fenger, rechters,
advocaat-generaal: J. Kokott,
griffier: R. Șereș, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 8 mei 2025,
gelet op de opmerkingen van:
- —
KN, vertegenwoordigd door J.-C. De Block en M. Poirot, avocats,
- —
de Franse regering, vertegenwoordigd door B. Dourthe en M. Guiresse als gemachtigden,
- —
de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door M. Smolek en J. Vláčil als gemachtigden,
- —
de Duitse regering, vertegenwoordigd door J. Möller, M. Hellmann en A. Sahner als gemachtigden,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door F. Blanc, J. Hottiaux, H. Leupold en J. Vondung als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 22 mei 2025,
het navolgende
Arrest
1
Het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 67, lid 3, en artikel 82, lid 1, VWEU, gelezen in samenhang met artikel 19 en artikel 47, tweede alinea, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: ‘Handvest’).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een uitleveringsverzoek dat de Georgische autoriteiten bij de Franse autoriteiten hebben ingediend betreffende KN, een burger met de Griekse en de Georgische nationaliteit, met het oog op de tenuitvoerlegging in Georgië van een levenslange gevangenisstraf.
Toepasselijke bepalingen
Europees Uitleveringsverdrag
3
Het op 13 december 1957 te Parijs ondertekende Europees Verdrag betreffende uitlevering (hierna: ‘Europees Uitleveringsverdrag’), waarbij onder meer de Franse Republiek en Georgië partij zijn, bepaalt in artikel 1, met als opschrift ‘Verplichting tot uitlevering’:
‘De verdragsluitende partijen verbinden zich om, overeenkomstig de regels en onder de voorwaarden in de volgende artikelen bepaald, elkander de personen uit te leveren die door de rechterlijke autoriteiten van de verzoekende partij vervolgd worden ter zake van een strafbaar feit of gezocht worden tot tenuitvoerlegging van een straf of maatregel.’
4
Bij de bekrachtiging van dit verdrag heeft de Franse Republiek onder meer de volgende twee voorbehouden gemaakt:
‘Uitlevering kan worden geweigerd indien de overlevering voor de opgeëiste persoon uiterst ernstige gevolgen kan hebben, met name wegens zijn leeftijd of zijn gezondheidstoestand.
Uitlevering wordt niet toegestaan wanneer de opgeëiste persoon in de verzoekende staat wordt berecht door een rechterlijke instantie die niet de fundamentele procedurele waarborgen en de waarborgen voor de bescherming van de rechten van de verdediging biedt, of door een voor zijn specifieke geval ingestelde rechterlijke instantie, of wanneer om uitlevering wordt verzocht met het oog op de tenuitvoerlegging van een door een dergelijke rechterlijke instantie opgelegde straf of maatregel.’
Unierecht
5
Artikel 18, eerste alinea, VWEU bepaalt:
‘Binnen de werkingssfeer van de Verdragen en onverminderd de bijzondere bepalingen, daarin gesteld, is elke discriminatie op grond van nationaliteit verboden.’
6
Artikel 21, lid 1, VWEU bepaalt:
‘Iedere burger van de Unie heeft het recht vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven, onder voorbehoud van de beperkingen en voorwaarden die bij de Verdragen en de bepalingen ter uitvoering daarvan zijn vastgesteld.’
7
- ‘1.
De Unie is een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, waarin de grondrechten en de verschillende rechtsstelsels en -tradities van de lidstaten worden geëerbiedigd.
[…]
- 3.
De Unie streeft ernaar een hoog niveau van veiligheid te waarborgen, door middel van maatregelen ter voorkoming en bestrijding van criminaliteit, en van racisme en vreemdelingenhaat, maatregelen inzake coördinatie en samenwerking tussen de politiële en justitiële autoriteiten in strafzaken en andere bevoegde autoriteiten, alsmede door de wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen in strafzaken en, zo nodig, door de onderlinge aanpassing van de strafwetgevingen.’
8
Artikel 82, lid 1, van dit Verdrag luidt:
‘De justitiële samenwerking in strafzaken in de Unie berust op het beginsel van de wederzijdse erkenning van rechterlijke uitspraken en beslissingen en omvat de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten op de in lid 2 en in artikel 83 genoemde gebieden.
Het Europees Parlement en de Raad stellen, volgens de gewone wetgevingsprocedure, maatregelen vast die ertoe strekken:
- a)
regels en procedures vast te leggen waarmee alle soorten vonnissen en rechterlijke beslissingen overal in de Unie erkend worden;
[…]’
9
Artikel 19 van het Handvest, met als opschrift ‘Bescherming bij verwijdering, uitzetting en uitlevering’, bepaalt in lid 2:
‘Niemand mag worden verwijderd of uitgezet naar, dan wel worden uitgeleverd aan een staat waar een ernstig risico bestaat dat hij aan de doodstraf, aan folteringen of aan andere onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen wordt onderworpen.’
10
Artikel 47 van het Handvest, met als opschrift ‘Recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een onpartijdig gerecht’, bepaalt in de tweede alinea:
‘Eenieder heeft recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Eenieder heeft de mogelijkheid zich te laten adviseren, verdedigen en vertegenwoordigen.’
Frans recht
11
Artikel 696–4 van de code de procédure pénale (wetboek van strafvordering) bepaalt:
‘Uitlevering wordt niet toegestaan:
- 1.
wanneer de opgeëiste persoon de Franse nationaliteit bezat op het tijdstip van het strafbare feit waarvoor uitlevering wordt gevraagd;
[…]’
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
12
Op 3 december 2010 is KN, een burger met de Griekse en de Georgische nationaliteit, door de rechter in eerste aanleg in Poti (Georgië) bij verstek veroordeeld tot levenslange gevangenisstraf. Deze straf is op 3 juni 2011 bij verstek bevestigd door de rechter in tweede aanleg in Kutaisi (Georgië). De ten laste gelegde feiten, in 2008 en in 2009 gepleegd in Georgië en Turkije, hadden betrekking op een bijzonder omvangrijke en georganiseerde internationale cocaïnehandel, het voorbereiden van een groepsmoord en illegaal vuurwapenbezit.
13
Op 2 juli 2021 hebben de Georgische autoriteiten Interpol verzocht om een red notice tegen KN uit te vaardigen, die geldt als een verzoek om voorlopige aanhouding met het oog op uitlevering op grond van het arrest van de rechter in tweede aanleg van Kutaisi van 3 juni 2011.
14
Op 4 oktober 2021 is KN op grond van deze red notice voorlopig aangehouden in België, waar hij verbleef. Op 13 oktober 2021 heeft het openbaar ministerie van Georgië bij de Belgische autoriteiten een uitleveringsverzoek ingediend. KN werd aanvankelijk in uitleveringsdetentie geplaatst en vervolgens weer in vrijheid gesteld, maar met ingang van 29 oktober 2021 onderworpen aan een toezichtmaatregel, in afwachting van een beslissing van de Belgische rechterlijke instanties op het uitleveringsverzoek.
15
Op 20 januari 2025 is KN op basis van de red notice in Frankrijk aangehouden. De volgende dag hebben de Georgische autoriteiten bij de Franse autoriteiten een uitleveringsverzoek ingediend dat vergelijkbaar is met het bij de Belgische autoriteiten ingediende verzoek en is KN in Frankrijk in uitleveringsdetentie geplaatst.
16
Bij arrest van 19 februari 2025 heeft de kamer van inbeschuldigingstelling van de cour d'appel de Bruxelles (rechter in tweede aanleg Brussel, België) het door de Georgische autoriteiten ingediende uitleveringsverzoek afgewezen op grond van de Belgische regeling inzake uitlevering en van artikel 3 van het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), omdat er ernstige redenen waren om te vrezen dat de uitlevering van KN aan Georgië hem zou blootstellen aan rechtsweigering en aan een reëel risico op onmenselijke of vernederende behandelingen.
17
Op 28 februari 2025 is KN in het kader van de in Frankrijk ingeleide uitleveringsprocedure verschenen voor de procureur-generaal van Montpellier (Frankrijk) en heeft hij verklaard niet in te stemmen met zijn uitlevering.
18
Na deze weigering is KN op 1 maart 2025 verwezen naar de onderzoekskamer van de cour d'appel de Montpellier (rechter in tweede aanleg Montpellier, Frankrijk), de verwijzende rechter. Voor deze rechter voert hij aan dat het Unierecht — in het bijzonder de beginselen van wederzijds vertrouwen en wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen van de lidstaten — de Franse autoriteiten verplicht om het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling van de cour d'appel de Bruxelles van 19 februari 2025 te erkennen en bijgevolg zijn uitlevering aan Georgië te weigeren. Bij dat arrest, dat van strafrechtelijke aard is, is hem een door de Unie gewaarborgd recht toegekend, namelijk het recht om niet aan een derde land te worden uitgeleverd indien er een reëel risico bestaat dat hij aldaar wordt blootgesteld aan een onmenselijke of vernederende behandeling of rechtsweigering.
19
Voor de verwijzende rechter heeft de procureur-generaal van Montpellier benadrukt dat de Franse autoriteiten bij de behandeling van dit uitleveringsverzoek de artikelen 3 en 6 EVRM moeten eerbiedigen en dat KN, die de Griekse en de Georgische nationaliteit heeft, had aangevoerd dat er een ernstig risico bestond dat hij niet alleen zou worden blootgesteld aan rechtsweigering, maar ook aan onmenselijke of vernederende behandelingen ten gevolge van de detentieomstandigheden in Georgië. Gelet op de politieke instabiliteit in dat land sinds november 2024, heeft deze magistraat de verwijzende rechter verzocht om vast te stellen dat hij van de Georgische autoriteiten geen betrouwbare garanties kon verkrijgen met betrekking tot de eerbiediging van de in die artikelen verankerde rechten.
20
De verwijzende rechter herinnert eraan dat artikel 1 van het Europees Uitleveringsverdrag, waarbij Georgië als lid van de Raad van Europa partij is, vereist dat de opgeëiste persoon wordt uitgeleverd wanneer aan de wettelijke voorwaarden is voldaan, onder voorbehoud van de door de verdragsluitende partijen vastgestelde uitzonderingen en voorbehouden. Deze rechter benadrukt dat de Franse Republiek een voorbehoud heeft gemaakt op grond waarvan uitlevering niet wordt toegestaan wanneer de opgeëiste persoon zou worden berecht door een rechterlijke instantie die de grondrechten van de verdediging niet waarborgt en kan worden geweigerd indien zij voor die persoon uiterst ernstige gevolgen zou kunnen hebben.
21
De verwijzende rechter vraagt zich af of het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling van de cour d'appel de Bruxelles van 19 februari 2025, waarbij deze rechter heeft geoordeeld dat KN in geval van uitlevering aan Georgië zou worden blootgesteld aan een ernstig risico op rechtsweigering en op het ondergaan van folteringen of onmenselijke of vernederende behandelingen, op grond van de beginselen van wederzijds vertrouwen en wederzijdse erkenning gezaghebbend is voor de Franse rechterlijke instanties. Volgens de verwijzende rechter zijn de rechterlijke instanties van een lidstaat enkel gehouden om overeenkomstig deze beginselen het gezag van de door de rechterlijke instanties van een andere lidstaat gegeven beslissingen te erkennen wanneer het Unierecht uitdrukkelijk in een dergelijke erkenning voorziet.
22
In deze omstandigheden heeft de onderzoekskamer van de cour d'appel de Montpellier de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:
‘Moeten artikel 67, lid 3, en artikel 82, lid 1, VWEU, gelezen in samenhang met de artikelen 19 en 47 van het [Handvest], aldus worden uitgelegd dat een lidstaat verplicht is om de uitvoering van een verzoek tot uitlevering van een burger van de Europese Unie aan een derde land te weigeren wanneer een andere lidstaat de uitvoering van datzelfde uitleveringsverzoek eerder heeft geweigerd op grond dat de overlevering van de betrokkene inbreuk kan maken op het grondrecht om niet te worden onderworpen aan foltering of aan onmenselijke of vernederende behandelingen zoals neergelegd in artikel 19 van het [Handvest] en op het recht op een eerlijk proces zoals neergelegd in artikel 47, tweede alinea, van het [Handvest]?’
Verzoek om toepassing van de prejudiciële spoedprocedure
23
De verwijzende rechter heeft verzocht om toepassing van de prejudiciële spoedprocedure zoals bedoeld in artikel 23 bis van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie en artikel 107 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof.
24
Uit deze bepalingen volgt dat voor de toepassing van deze procedure twee cumulatieve voorwaarden gelden. Ten eerste moeten in de prejudiciële verwijzing uitleggingsvragen aan de orde zijn op het gebied van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, waarop titel V van het derde deel van het VWEU betrekking heeft. Ten tweede moeten de omstandigheden van het hoofdgeding, zoals uiteengezet door de verwijzende rechter, spoedeisend zijn.
25
Wat de eerste voorwaarde betreft, moet worden opgemerkt dat het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing met name betrekking heeft op de uitlegging van artikel 67, lid 3, en artikel 82, lid 1, VWEU, welke bepalingen vallen onder titel V van het derde deel van dat Verdrag, die ziet op de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht. Bijgevolg kan dit verzoek volgens de prejudiciële spoedprocedure worden behandeld.
26
Wat betreft de tweede voorwaarde, die betrekking heeft op de spoedeisendheid, vloeit uit vaste rechtspraak voort dat aan deze voorwaarde is voldaan wanneer de betrokkene thans zijn vrijheid is ontnomen en het van de beslechting van het hoofdgeding afhangt of zijn hechtenis wordt voortgezet, met dien verstande dat de situatie van de betrokkene moet worden beoordeeld zoals die zich voordoet op het tijdstip van het onderzoek van het verzoek om toepassing van de prejudiciële spoedprocedure (arrest van 29 juli 2024, Breian, C-318/24 PPU, EU:C:2024:658, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
27
In casu blijkt uit het verzoek om een prejudiciële beslissing dat KN op 21 januari 2025 in uitleveringsdetentie is geplaatst, zodat hem thans zijn vrijheid is ontnomen. Bovendien wenst de verwijzende rechter met zijn vraag te vernemen of hij op grond van het Unierecht moet weigeren om deze persoon uit te leveren. Een bevestigend antwoord van het Hof op deze vraag zou derhalve in beginsel tot de vrijlating van KN moeten leiden.
28
In die omstandigheden heeft de Derde kamer van het Hof, op voorstel van de rechter-rapporteur, de advocaat-generaal gehoord, op 3 april 2025 besloten om het verzoek van de verwijzende rechter om de onderhavige prejudiciële verwijzing volgens de prejudiciële spoedprocedure te behandelen, in te willigen.
Beantwoording van de prejudiciële vraag
29
Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 67, lid 3, en artikel 82, lid 1, VWEU aldus moeten worden uitgelegd dat een lidstaat verplicht is om de uitlevering van een onderdaan van een andere lidstaat aan een derde land te weigeren wanneer de autoriteiten van een derde lidstaat eerder hebben geweigerd om uitvoering te geven aan een uitleveringsverzoek van dat derde land met het oog op de tenuitvoerlegging van dezelfde aan die onderdaan van een andere lidstaat opgelegde straf, op grond dat er een ernstig risico bestaat dat de door artikel 19, lid 2, en artikel 47, tweede alinea, van het Handvest gewaarborgde grondrechten worden geschonden.
30
Vooraf zij eraan herinnerd dat bij het ontbreken van een uitleveringsverdrag tussen de Unie en het betrokken derde land, de regels inzake uitlevering tot de bevoegdheid van de lidstaten behoren [zie in die zin arresten van 6 september 2016, Petruhhin, C-182/15, EU:C:2016:630, punt 26, en 17 december 2020, Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Uitlevering aan Oekraïne), C-398/19, EU:C:2020:1032, punt 28].
31
Niettemin moeten de lidstaten deze bevoegdheid uitoefenen met inachtneming van het Unierecht, inzonderheid het in artikel 18 VWEU verankerde discriminatieverbod en de door artikel 21, lid 1, VWEU gewaarborgde vrijheid om op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven [zie in die zin arrest van 22 december 2022, Generalstaatsanwaltschaft München (Verzoek tot uitlevering aan Bosnië en Herzegovina), C-237/21, EU:C:2022:1017, punt 29].
Uitlegging van de artikelen 18 en 21 VWEU
32
In de eerste plaats moet worden opgemerkt dat een onderdaan van een lidstaat die legaal in een andere lidstaat reist of verblijft zich op grond van zijn Unieburgerschap kan beroepen op artikel 21, lid 1, VWEU en binnen de werkingssfeer van de Verdragen valt in de zin van artikel 18 VWEU, waarin het verbod van discriminatie op grond van nationaliteit is vastgelegd [zie in die zin arresten van 13 november 2018, Raugevicius, C-247/17, EU:C:2018:898, punt 27, en 22 december 2022, Generalstaatsanwaltschaft München (Verzoek tot uitlevering aan Bosnië en Herzegovina), C-237/21, EU:C:2022:1017, punt 30].
33
De omstandigheid dat een onderdaan van een andere lidstaat dan die waarbij het hem betreffende uitleveringsverzoek is ingediend, tevens de nationaliteit bezit van het derde land waarvan dat verzoek afkomstig is, kan deze onderdaan niet beletten om zich op zijn aan de hoedanigheid van Unieburger ontleende rechten en vrijheden te beroepen, met name die welke worden gewaarborgd door artikel 18 en artikel 21, lid 1, VWEU. Het feit dat de opgeëiste persoon gelijktijdig onderdaan is van een lidstaat en van een derde land, kan hem die vrijheden en rechten niet ontnemen [zie in die zin arrest van 22 december 2022, Generalstaatsanwaltschaft München (Verzoek tot uitlevering aan Bosnië en Herzegovina), C-237/21, EU:C:2020:1017, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
34
In casu blijkt uit het verzoek om een prejudiciële beslissing dat KN, die onder meer de Griekse nationaliteit bezit, als Unieburger gebruik heeft gemaakt van zijn aan artikel 21, lid 1, VWEU ontleende recht om vrij te reizen in een andere lidstaat, zodat zijn situatie binnen de werkingssfeer van de Verdragen valt in de zin van artikel 18 VWEU — dat elke discriminatie op grond van nationaliteit verbiedt — ook al heeft hij ook de nationaliteit van het derde land dat om zijn uitlevering verzoekt.
35
Aan deze vaststelling wordt overigens niet afgedaan door de omstandigheid dat KN op het tijdstip waarop het in het hoofdgeding aan de orde zijnde uitleveringsverzoek bij de Franse autoriteiten werd ingediend, niet permanent op het grondgebied van de Franse Republiek maar op dat van het Koninkrijk België verbleef. Het tijdelijke karakter van het verblijf op het grondgebied van de aangezochte lidstaat sluit de situatie van de onderdaan van een andere lidstaat op wie dat verzoek betrekking heeft namelijk niet uit van de werkingssfeer van de Verdragen in de zin van artikel 18 VWEU (zie in die zin arrest van 10 april 2018, Pisciotti, C-191/16, EU:C:2018:222, punt 34).
36
In de tweede plaats heeft de Franse regering aangegeven dat de Franse Republiek overeenkomstig artikel 696-4, lid 1, van de code de procédure pénale weliswaar niet haar eigen onderdanen aan een derde land uitlevert, maar dat deze bepaling zich er niet tegen verzet dat deze lidstaat onderdanen van andere lidstaten aan een derde land uitlevert met het oog op de tenuitvoerlegging van een in dat land opgelegde straf.
37
Uit de vaste rechtspraak van het Hof komt naar voren dat een nationale regel die alleen de uitlevering van onderdanen van de betrokken lidstaat verbiedt, een verschil in behandeling invoert naargelang de opgeëiste persoon een eigen onderdaan of een onderdaan van een andere lidstaat is en aldus tot een ongelijke behandeling leidt die van invloed kan zijn op de vrijheid van laatstgenoemde onderdaan om in de Unie te reizen en te verblijven (zie in die zin arresten van 6 september 2016, Petruhhin, C-182/15, EU:C:2016:630, punt 32, en 13 november 2018, Raugevicius, C-247/17, EU:C:2018:898, punt 28).
38
Hieruit volgt dat in een situatie als die van het hoofdgeding de ongelijke behandeling die erin bestaat dat een Unieburger die onderdaan van een andere lidstaat is, zoals KN, wel kan worden uitgeleverd, tot een beperking van het vrije verkeer in de zin van artikel 21 VWEU leidt (zie in die zin arresten van 6 september 2016, Petruhhin, C-182/15, EU:C:2016:630, punt 33, en 13 november 2018, Raugevicius, C-247/17, EU:C:2018:898, punt 30).
39
In casu wenst de verwijzende rechter weliswaar niet van het Hof te vernemen of die beperking wordt gerechtvaardigd door een dwingende reden van algemeen belang, maar vraagt hij zich wel af of bepaalde in het Handvest vastgelegde grondrechten in de weg kunnen staan aan een uitlevering als die welke in het hoofdgeding aan de orde is.
Onderzoek van een ernstig gevaar voor schending van grondrechten
40
Wanneer een nationale wettelijke regeling de uitoefening kan belemmeren van een of meer door de Verdragen gewaarborgde vrijheden, in casu het in artikel 21, lid 1, VWEU vastgelegde recht om vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven, valt die regeling in het licht van het Unierecht enkel te rechtvaardigen voor zover zij in overeenstemming is met de fundamentele rechten waarvan het Hof de eerbiediging verzekert (zie in die zin arrest van 18 juni 1991, ERT, C-260/89, EU:C:1991:254, punten 42 en 43). Bovendien moet een dergelijke regeling volgens vaste rechtspraak worden geacht ‘het recht van de Unie ten uitvoer [te] brengen’ in de zin van artikel 51, lid 1, van het Handvest (zie in die zin arresten van 14 september 2023, Bezirkshauptmannschaft Feldkirch, C-55/22, EU:C:2023:670, punt 29, en 12 december 2024, Nemzeti Földügyi Központ, C-419/23, EU:C:2024:1016, punt 60 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
41
Hieruit volgt dat de aangezochte lidstaat die zijn eigen onderdanen niet uitlevert, verplicht is om, alvorens te besluiten een onderdaan van een andere lidstaat op grond van met name het Europees Uitleveringsverdrag uit te leveren, te onderzoeken of dit besluit — als een besluit dat het Unierecht ten uitvoer brengt in de zin van artikel 51, lid 1, van het Handvest — afbreuk zou kunnen doen aan de door het Handvest gewaarborgde grondrechten, met name in artikel 47, tweede alinea, ervan, waarin het grondrecht op een eerlijk proces is vastgelegd, of in artikel 19, lid 2, dat bepaalt dat niemand mag worden verwijderd of uitgezet naar, dan wel worden uitgeleverd aan een staat waar een ernstig risico bestaat dat hij aan de doodstraf, aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen wordt onderworpen [zie in die zin arresten van 13 november 2018, Raugevicius, C-247/17, EU:C:2018:898, punt 49, en 22 december 2022, Generalstaatsanwaltschaft München (Verzoek tot uitlevering aan Bosnië en Herzegovina), C-237/21, EU:C:2022:1017, punt 55].
42
Hiertoe dient de bevoegde autoriteit van de aangezochte lidstaat zich te baseren op objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens. Deze gegevens kunnen met name blijken uit internationale rechterlijke beslissingen, zoals de arresten van het Europees Hof voor de rechten van de mens (EHRM), uit rechterlijke beslissingen van het derde land dat om uitlevering verzoekt, alsook uit besluiten, rapporten en andere documenten die zijn opgesteld door de instanties van de Raad van Europa of instanties die tot het systeem van de Verenigde Naties behoren. Het bestaan van verklaringen en de aanvaarding van internationale verdragen die in beginsel de eerbieding van grondrechten waarborgen, volstaan op zichzelf niet om de opgeëiste persoon een afdoende bescherming te garanderen tegen het risico op onmenselijke of vernederende behandelingen wanneer betrouwbare bronnen gewag maken van praktijken van de autoriteiten van dat derde land of van door hen getolereerde praktijken die klaarblijkelijk in strijd zijn met de beginselen van het EVRM (zie in die zin arrest van 6 februari 2016, Petruhhin, C-182/15, EU:C:2016:630, punten 57 en 59).
43
In deze context vraagt de verwijzende rechter zich af of hij op grond van artikel 67, lid 3, en artikel 82, lid 1, VWEU verplicht is tot erkenning van het in punt 16 van het onderhavige arrest bedoelde arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling van de cour d'appel de Bruxelles van 19 februari 2025, waarbij die rechterlijke instantie heeft geweigerd om KN uit te leveren op grond dat die uitlevering hem zou blootstellen aan een ernstig risico op aantasting van het in artikel 19, lid 2, van het Handvest verankerde grondrecht om niet aan folteringen of aan andere onmenselijke of vernederende behandelingen te worden onderworpen, alsook van het grondrecht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 47, tweede alinea, van het Handvest.
44
In dit verband moet in de eerste plaats worden opgemerkt dat noch artikel 67, lid 3, noch artikel 82, lid 1, VWEU de grondslag kan vormen voor een verplichting tot wederzijdse erkenning van beslissingen van de lidstaten tot afwijzing van een uitleveringsverzoek van een derde land.
45
Ten eerste bepaalt artikel 67, lid 3, VWEU namelijk dat ‘de Unie [ernaar] streeft […] een hoog niveau van veiligheid te waarborgen, door middel van maatregelen ter voorkoming en bestrijding van criminaliteit, en van racisme en vreemdelingenhaat’, met name ‘door de wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen in strafzaken’ en ‘zo nodig, door de onderlinge aanpassing van de strafwetgevingen’ van de lidstaten. Ten tweede bepaalt artikel 82, lid 1, eerste alinea, VWEU dat ‘[d]e justitiële samenwerking in strafzaken in de Unie berust op het beginsel van de wederzijdse erkenning van rechterlijke uitspraken en beslissingen en […] de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten [omvat]’, met name die welke zijn bedoeld in de tweede alinea, onder a), van artikel 82, lid 1, VWEU, waarin is bepaald dat ‘[h]et Europees Parlement en de Raad […] volgens de gewone wetgevingsprocedure maatregelen [vaststellen] die ertoe strekken […] regels en procedures vast te leggen waarmee alle soorten vonnissen en rechterlijke beslissingen overal in de Unie erkend worden’.
46
Uit de bewoordingen van deze bepalingen blijkt dat zij als zodanig geen verplichting opleggen tot wederzijdse erkenning van in de lidstaten gegeven rechterlijke uitspraken en beslissingen in strafzaken, maar slechts bepalen dat de justitiële samenwerking in strafzaken in de Unie berust op het beginsel van wederzijdse erkenning. Artikel 82, lid 1, tweede alinea, onder a), VWEU bepaalt dus enkel dat het Europees Parlement en de Raad de maatregelen vaststellen die ertoe strekken regels en procedures vast te leggen waarmee alle soorten vonnissen en rechterlijke beslissingen worden erkend.
47
In de tweede plaats bevat het Unierecht weliswaar verschillende instrumenten van afgeleid recht die voorzien in een verplichting tot wederzijdse erkenning van bepaalde rechterlijke uitspraken en beslissingen in strafzaken, met name kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten (PB 2002, L 190, blz. 1) en kaderbesluit 2008/909/JBZ van de Raad van 27 november 2008 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op strafvonnissen waarbij vrijheidsstraffen of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregelen zijn opgelegd, met het oog op de tenuitvoerlegging ervan in de Europese Unie (PB 2008, L 327, blz. 27), maar vastgesteld moet worden dat geen enkele handeling van Unierecht voorziet in een verplichting tot wederzijdse erkenning van de beslissingen van de lidstaten over uitleveringsverzoeken van een derde land.
48
Bijgevolg is het beginsel van wederzijdse erkenning niet van toepassing op beslissingen van de lidstaten tot afwijzing van uitleveringsverzoeken.
49
Daarentegen vereist het beginsel van wederzijds vertrouwen, met name wat de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht betreft, dat elk van de lidstaten, behoudens uitzonderlijke omstandigheden, ervan uitgaat dat alle andere lidstaten het Unierecht en, meer in het bijzonder, de door dat recht gewaarborgde grondrechten in acht nemen (arresten van 29 juli 2024, Alchaster, C-202/24, EU:C:2024:649, punt 57, en 29 juli 2024, Breian, C-318/24 PPU, EU:C:2024:658, punt 36).
50
Wat het in kaderbesluit 2002/584 geregelde Europees aanhoudingsbevel betreft, heeft het Hof geoordeeld dat dit beginsel, in het geval dat in een andere lidstaat een beslissing is genomen tot weigering van tenuitvoerlegging van een dergelijk bevel wegens het bestaan van een gevaar voor schending van het door artikel 47, tweede alinea, van het Handvest gewaarborgde grondrecht op een eerlijk proces, vereist dat de uitvoerende autoriteit van een lidstaat waaraan een nieuw verzoek om overlevering van de betrokkene is gericht, in haar eigen onderzoek naar het bestaan van een grond tot weigering van de tenuitvoerlegging naar behoren rekening houdt met de redenen voor die beslissing (arrest van 29 juli 2024, Breian, C-318/24 PPU, EU:C:2024:658, punt 46).
51
Om dezelfde redenen moet worden geoordeeld dat, wanneer een lidstaat de uitlevering van de opgeëiste persoon aan een derde land weigert omdat hij een ernstig risico loopt op schending van het in artikel 19, lid 2, van het Handvest verankerde grondrecht om niet te worden onderworpen aan folteringen of onmenselijke of vernederende behandelingen, alsmede van het in artikel 47, tweede alinea, van het Handvest vastgelegde grondrecht op een eerlijk proces, het beginsel van wederzijds vertrouwen vereist dat de bevoegde autoriteit van een andere lidstaat waarbij een nieuw uitleveringsverzoek van hetzelfde derde land jegens dezelfde persoon is ingediend, naar behoren rekening houdt met de redenen die aan die afwijzende beslissing ten grondslag liggen, in het kader van haar eigen onderzoek naar het bestaan van een gevaar voor schending van de door het Handvest gewaarborgde grondrechten.
52
Zoals de advocaat-generaal in punt 49 van haar conclusie heeft benadrukt, behoort een eerdere beslissing tot weigering van uitlevering, die in een andere lidstaat is genomen op grond dat er een ernstig risico bestaat dat de door het Handvest gewaarborgde grondrechten worden geschonden, namelijk tot de in de in punt 42 van het onderhavige arrest genoemde gegevens waarmee de lidstaat waarbij een nieuw uitleveringsverzoek is ingediend, in het kader van zijn eigen onderzoek rekening moet houden.
53
Gelet op een en ander moet op de gestelde prejudiciële vraag worden geantwoord dat artikel 67, lid 3, en artikel 82, lid 1, VWEU aldus moeten worden uitgelegd dat een lidstaat niet verplicht is om de uitlevering van een onderdaan van een andere lidstaat aan een derde land te weigeren wanneer de autoriteiten van een derde lidstaat eerder hebben geweigerd om uitvoering te geven aan een uitleveringsverzoek van dat derde land met het oog op de tenuitvoerlegging van dezelfde aan die onderdaan van een andere lidstaat opgelegde straf, op grond dat er een ernstig risico bestaat dat de door artikel 19, lid 2, en artikel 47, tweede alinea, van het Handvest gewaarborgde grondrechten worden geschonden.
Kosten
54
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Derde kamer) verklaart voor recht:
moeten aldus worden uitgelegd dat
een lidstaat niet verplicht is om de uitlevering van een onderdaan van een andere lidstaat aan een derde land te weigeren wanneer de autoriteiten van een derde lidstaat eerder hebben geweigerd om uitvoering te geven aan een uitleveringsverzoek van dat derde land met het oog op de tenuitvoerlegging van dezelfde aan die onderdaan van een andere lidstaat opgelegde straf, op grond dat er een ernstig risico bestaat dat de door artikel 19, lid 2, en artikel 47, tweede alinea, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie gewaarborgde grondrechten worden geschonden.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 19‑06‑2025
Procestaal: Frans.
Conclusie 22‑05‑2025
Inhoudsindicatie
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Prejudiciële spoedprocedure — Justitiële samenwerking in strafzaken — Uitlevering aan een derde land om een gevangenisstraf uit te zitten — Erkenning van de beslissing van een rechterlijke instantie van een andere lidstaat over het uitleveringsverzoek — Unieburgerschap — Vrij verkeer — Handvest van de grondrechten — Ernstig risico op foltering of andere onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen — Effectieve rechterlijke bescherming — Eerlijk proces
J. Kokott
Partij(en)
Zaak C-219/25 PPU [Kamekris]i.1.
Ministère public (openbaar ministerie, Frankrijk)
tegen
KN
[verzoek van de Cour d'appel de Montpellier (rechter in tweede aanleg Montpellier, Frankrijk) om een prejudiciële beslissing]
I. Inleiding
1.
Is de rechter van een lidstaat (in casu Frankrijk), wanneer hij uitspraak doet over de uitlevering van een burger van de Unie die onderdaan is van een andere lidstaat (in casu Griekenland), aan een derde land (in casu Georgië) met het oog op het uitzitten van een gevangenisstraf, gebonden aan de beslissing van de rechter van een andere lidstaat (in casu België) over hetzelfde uitleveringsverzoek? Deze vraag moet in het onderhavige geval worden beantwoord.
II. Rechtskader
A. Internationaal recht
2.
Artikel 1 van het op 13 december 1957 in Parijs ondertekende Europees Verdrag betreffende uitlevering (hierna: ‘Europees uitleveringsverdrag’) bepaalt:
‘De verdragsluitende partijen verbinden zich om, overeenkomstig de regels en onder de voorwaarden in de volgende artikelen bepaald, elkander de personen uit te leveren, die door de rechterlijke autoriteiten van de verzoekende partij vervolgd worden ter zake van een strafbaar feit of gezocht worden tot tenuitvoerlegging van een straf of maatregel.’
3.
Voor Frankrijk is het Europees uitleveringsverdrag op 11 mei 1986 in werking getreden, voor Georgië op 13 september 2001 en voor Griekenland op 27 augustus 1961. Frankrijk heeft zich (overeenkomstig artikel 26, lid 1, van het verdrag) het recht voorbehouden de uitlevering te weigeren wanneer een veroordeling is uitgesproken in het kader van een gerechtelijke procedure waarin de fundamentele procedurele waarborgen en de rechten van de verdediging niet zijn gewaarborgd, of wanneer de uitlevering bijzonder ernstige gevolgen kan hebben voor de gezochte persoon. Griekenland heeft zich onder meer het recht voorbehouden om zijn eigen burgers niet uit te leveren.2.
B. Unierecht
1. VWEU
4.
Artikel 67 VWEU beschrijft de doelstellingen van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht. Artikel 67, lid 3, vermeldt de wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen in strafzaken:
‘De Unie streeft ernaar een hoog niveau van veiligheid te waarborgen, door middel van maatregelen ter voorkoming en bestrijding van criminaliteit, en van racisme en vreemdelingenhaat, maatregelen inzake coördinatie en samenwerking tussen de politiële en justitiële autoriteiten in strafzaken en andere bevoegde autoriteiten, alsmede door de wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen in strafzaken en, zo nodig, door de onderlinge aanpassing van de strafwetgevingen.’
5.
De regelgevende bevoegdheden van de Unie op het gebied van de samenwerking in strafzaken zijn geregeld in artikel 82 VWEU:
- ‘1.
De justitiële samenwerking in strafzaken in de Unie berust op het beginsel van de wederzijdse erkenning van rechterlijke uitspraken en beslissingen en omvat de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten op de in lid 2 en in artikel 83 genoemde gebieden.
Het Europees Parlement en de Raad stellen, volgens de gewone wetgevingsprocedure, maatregelen vast die ertoe strekken:
- a)
regels en procedures vast te leggen waarmee alle soorten vonnissen en rechterlijke beslissingen overal in de Unie erkend worden;
- b)
[…]
[…]
- d)
[…] in het kader van strafvervolging en tenuitvoerlegging van beslissingen de samenwerking tussen de justitiële of gelijkwaardige autoriteiten van de lidstaten te bevorderen.
- 2.
Voor zover nodig ter bevordering van de wederzijdse erkenning van vonnissen en rechterlijke beslissingen en van de politiële en justitiële samenwerking in strafzaken met een grensoverschrijdende dimensie, kunnen het Europees Parlement en de Raad volgens de gewone wetgevingsprocedure bij richtlijnen minimumvoorschriften vaststellen. In die minimumvoorschriften wordt rekening gehouden met de verschillen tussen de rechtstradities en rechtsstelsels van de lidstaten.
Deze minimumvoorschriften hebben betrekking op:
- a)
de wederzijdse toelaatbaarheid van bewijs tussen de lidstaten;
- b)
de rechten van personen in de strafvordering;
- c)
de rechten van slachtoffers van misdrijven;
- d)
andere specifieke elementen van de strafvordering, die door de Raad vooraf bij besluit worden bepaald. Voor de aanneming van dit besluit, besluit de Raad met eenparigheid van stemmen, na goedkeuring door het Europees Parlement.
De vaststelling van de in dit lid bedoelde minimumvoorschriften belet de lidstaten niet een hoger niveau van bescherming voor personen te handhaven of in te voeren.’
2. Handvest
6.
Artikel 19, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: ‘Handvest’) biedt bescherming op het gebied van uitlevering:
‘Niemand mag worden verwijderd of uitgezet naar, dan wel worden uitgeleverd aan een staat waar een ernstig risico bestaat dat hij aan de doodstraf, aan folteringen of aan andere onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen wordt onderworpen.’
7.
Het recht op effectieve rechterlijke bescherming is neergelegd in artikel 47 van het Handvest:
‘Eenieder wiens door het recht van de Unie gewaarborgde rechten en vrijheden zijn geschonden, heeft recht op een doeltreffende voorziening in rechte, met inachtneming van de in dit artikel gestelde voorwaarden.
Eenieder heeft recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Eenieder heeft de mogelijkheid zich te laten adviseren, verdedigen en vertegenwoordigen.
[…]’
C. Frans recht
8.
Krachtens artikel 696-4, lid 1, van de code de procédure pénale (wetboek van strafvordering) is uitlevering niet toegestaan indien de gezochte persoon ten tijde van de feiten de Franse nationaliteit bezat.
III. Feiten en verzoek om een prejudiciële beslissing
9.
KN heeft zowel de Georgische als de Griekse nationaliteit. In 2011 veroordeelden Georgische rechterlijke instanties hem bij verstek tot een levenslange gevangenisstraf omdat hij in 2008 en 2009 opdracht had gegeven tot het plegen van een (uiteindelijk niet voltooide) moord om andere strafbare feiten te verbergen, en voor het plegen van wapen- en drugsdelicten in het kader van de georganiseerde misdaad.
10.
Op 4 oktober 2021 werd KN in België voorlopig aangehouden omdat de Georgische autoriteiten een signalering voor zijn aanhouding hadden afgegeven bij Interpol (zogenoemde ‘red notice’). Na aanvankelijk in uitleveringsdetentie te hebben gezeten, is hij op 29 oktober 2021 onder rechterlijk toezicht geplaatst.
11.
Op 20 januari 2025 werd KN in Frankrijk aangehouden op basis van dezelfde signalering. Daarop verzochten de Georgische autoriteiten ook in Frankrijk formeel om zijn uitlevering op basis van het Europees uitleveringsverdrag.
12.
De uitleveringsprocedure voor de Belgische rechterlijke instanties was ten tijde van zijn aanhouding in Frankrijk nog niet beëindigd, maar bij arrest van 19 februari 2025 wees de Cour d'appel de Bruxelles (rechter in tweede aanleg Brussel, België) het tot België gerichte uitleveringsverzoek van Georgië af. Er kon niet voldoende worden gegarandeerd dat KN in Georgië geen risico loopt op rechtsweigering dan wel foltering of onmenselijke of vernederende behandeling, aldus de rechter.
13.
De verwijzende rechter, de Cour d'appel de Montpellier (rechter in tweede aanleg Montpellier, Frankrijk), moet zich thans uitspreken over het tot Frankrijk gerichte uitleveringsverzoek. In het kader van die procedure verzoekt zowel het openbaar ministerie als KN om de uitlevering te weigeren overeenkomstig de beslissing van de Belgische rechter.
14.
De verwijzende rechter wenst thans van het Hof te vernemen of hij gebonden is aan de beslissing van de Belgische rechter:
‘Moeten artikel 67, lid 3, en artikel 82, lid 1, VWEU, gelezen in samenhang met de artikelen 19 en 47 van het [Handvest], aldus worden uitgelegd dat een lidstaat verplicht is om de uitvoering van een verzoek tot uitlevering van een burger van de Europese Unie aan een derde land te weigeren wanneer een andere lidstaat de uitvoering van datzelfde uitleveringsverzoek eerder heeft geweigerd op de grond dat de overlevering van de betrokkene inbreuk kan maken op het grondrecht om niet te worden onderworpen aan foltering of aan onmenselijke of vernederende behandelingen zoals neergelegd in artikel 19 van het [Handvest] en op het recht op een eerlijk proces zoals neergelegd in artikel 47, tweede alinea, van het [Handvest]?’
15.
Bovendien heeft de verwijzende rechter verzocht om toepassing van de prejudiciële spoedprocedure van artikel 107 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof.
16.
De Derde kamer van het Hof heeft op 3 april 2025 besloten het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing te onderwerpen aan de prejudiciële spoedprocedure van artikel 23 bis van het Statuut van het Hof van Justitie en de artikelen 107 en volgende van het Reglement voor de procesvoering. Daarop hebben KN, de Franse Republiek en de Europese Commissie schriftelijke opmerkingen ingediend. Naast deze partijen hebben ook de Tsjechische Republiek en Duitsland deelgenomen aan de terechtzitting van 8 mei 2025.
IV. Juridische beoordeling
17.
Mocht het Hof het verzoek om een prejudiciële beslissing beantwoorden, dan ligt het antwoord mijns inziens voor de hand: noch artikel 67, lid 3, VWEU noch artikel 82, lid 1, VWEU verplicht een rechterlijke instantie van een lidstaat om een beslissing van een rechterlijke instantie van een andere lidstaat om een onderdaan van een derde lidstaat op grond van het gevaar van schending van de artikelen 19 en 47 van het Handvest niet uit te leveren aan een derde land met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf, te erkennen in die zin dat de eerste rechterlijke instantie de uitlevering zou moeten weigeren zonder haar eigen onderzoek te verrichten. Voor zover het Unierecht van toepassing is, moet deze rechterlijke instantie in het kader van haar eigen onderzoek van de uitlevering echter naar behoren rekening houden met de gronden waarop de weigering van de andere rechterlijke instantie berust.
18.
Het is evenwel minder duidelijk of het Unierecht en dus het Handvest van toepassing zijn op het hoofdgeding, dat wil zeggen of het Hof bevoegd is (zie onder A). Ook de voorwaarden voor toepassing van een prejudiciële spoedprocedure verdienen nadere bespreking (zie onder B).
A. Toepassing van het Unierecht en het Handvest
19.
Bij gebreke van een internationale overeenkomst inzake uitlevering in strafzaken tussen de Unie en een derde land vallen de regels inzake uitlevering onder de bevoegdheid van de lidstaten.3. Dit neemt niet weg dat de lidstaten bij de toepassing van de betrokken nationale bepalingen in situaties die onder het Unierecht vallen, dit recht in acht moeten nemen.4.
20.
De verwijzende rechter wenst te vernemen welke verplichtingen in casu voortvloeien uit artikel 67, lid 3, en artikel 82, lid 1, VWEU. Zoals ook Frankrijk, de Tsjechische Republiek, Duitsland en de Commissie betogen, zijn deze bepalingen echter eerder programmatisch van aard en in het bijzonder niet van toepassing op de uitlevering van burgers van de Unie aan derde landen met het oog op het uitzitten van een gevangenisstraf (zie onder 1). De toepassing van het Unierecht en het Handvest kan veeleer voortvloeien uit de uitoefening van het recht op vrij verkeer door de betrokken burger van de Unie (zie onder 2).
1. Regels inzake justitiële samenwerking in strafzaken
21.
Volgens KN volgt uit artikel 67, lid 3, en artikel 82, lid 1, VWEU en uit het beginsel van wederzijds vertrouwen dat een rechterlijke instantie van een lidstaat de weigering van een rechterlijke instantie van een andere lidstaat om een burger van de Unie aan een derde land uit te leveren op grond van het gevaar van schending van een grondrecht, moet erkennen zonder zelf de belemmeringen voor uitlevering te onderzoeken.
22.
Volgens artikel 67, lid 3, VWEU streeft de Unie ernaar een hoog niveau van veiligheid te waarborgen, door middel van maatregelen ter voorkoming en bestrijding van criminaliteit, maatregelen inzake coördinatie en samenwerking tussen de politiële en justitiële autoriteiten in strafzaken en andere bevoegde autoriteiten, alsmede door de wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen in strafzaken. Deze doelstelling van veiligheid ligt, samen met de bescherming van de vrijheid (artikel 67, lid 2, VWEU) en het vergemakkelijken van de toegang tot de rechter (artikel 67, lid 4, VWEU), ten grondslag aan de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht in de zin van artikel 67, lid 1, VWEU, waarin de grondrechten en de verschillende rechtsstelsels en -tradities van de lidstaten worden geëerbiedigd.
23.
De taak van de Unie om door middel van de wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen in strafzaken het doel van een hoog niveau van veiligheid te bevorderen, brengt voor de lidstaten echter geen rechtstreeks toepasselijke verplichting mee die in acht moet worden genomen in het kader van de beslissing om een burger van de Unie aan een derde land uit te leveren. In het bijzonder volgt uit artikel 67, lid 3, VWEU niet dat de beslissing van een rechterlijke instantie van een andere lidstaat over deze kwestie moet worden erkend.
24.
Artikel 82, lid 1, VWEU voorziet daarentegen in regelgevende bevoegdheden van de Unie op het gebied van justitiële samenwerking in strafzaken. Krachtens lid 1, onder a), kan de Unie met name regels en procedures vastleggen waarmee alle soorten vonnissen en rechterlijke beslissingen overal in de Unie erkend worden. De Unie heeft echter geen enkele regel vastgesteld met betrekking tot de erkenning van rechterlijke beslissingen betreffende uitlevering aan derde landen, en zelfs indien artikel 82, lid 1, onder a), hiervoor een rechtsgrondslag zou bieden, volgt daaruit nog geen verplichting tot erkenning. Bijgevolg bevat artikel 82, lid 1, VWEU evenmin een verplichting tot erkenning van de beslissing van de rechterlijke instantie van een andere lidstaat om de betrokkene niet aan een derde land uit te leveren.
25.
De situatie ligt anders in een door KN aangehaald arrest volgens hetwelk een lidstaat een persoon aan wie een andere lidstaat de vluchtelingenstatus heeft toegekend, niet aan zijn staat van herkomst mag uitleveren zolang de vluchtelingenstatus blijft bestaan.5. Deze blokkerende werking vloeit echter niet voort uit de primairrechtelijke bepalingen van het VWEU, maar uit de regels van afgeleid Unierecht inzake de bescherming van vluchtelingen en uit het beginsel van loyale samenwerking.6. In het onderhavige geval bestaan er daarentegen geen vergelijkbare bepalingen van afgeleid recht die Frankrijk zouden verplichten om bindende werking te verlenen aan de beslissing van de Belgische rechter.
26.
Het door KN aangevoerde beginsel van wederzijds vertrouwen doet hieraan niet af.
27.
Het is juist dat, behoudens in uitzonderlijke omstandigheden, elke lidstaat op grond van dit beginsel ervan moet uitgaan dat alle andere lidstaten het Unierecht en, meer in het bijzonder, de door dat recht erkende grondrechten eerbiedigen.7. Hieruit volgt dat wanneer de rechterlijke instantie van een lidstaat terecht vaststelt dat er in het geval van uitlevering een gevaar van schending van de in het Handvest neergelegde grondrechten bestaat, de rechterlijke instanties van andere lidstaten bij hun uitspraak over dezelfde uitlevering naar behoren rekening moeten houden met de vaststelling van de eerstgenoemde rechter.8. Dit houdt echter geen verplichting in om de beslissing van de eerstgenoemde rechterlijke instantie te erkennen.9. Hiervoor zou een — tot dusver ontbrekende — uitdrukkelijke regeling nodig zijn.10.
28.
Bovendien is het beginsel van wederzijds vertrouwen in deze vorm slechts van toepassing als de grondrechten van het Handvest van toepassing zijn. Volgens artikel 51, lid 1, eerste zin, van het Handvest zijn de bepalingen ervan uitsluitend tot de lidstaten gericht wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen.
29.
De formulering ‘ten uitvoer brengen van het recht van de Unie’ in de zin van artikel 51, lid 1, eerste zin, van het Handvest vereist dat er een zeker verband bestaat tussen een Unierechtelijke handeling en de betrokken nationale maatregel, dat verder gaat dan het dicht bij elkaar liggen van de betrokken materies of de indirecte invloed van de ene materie op de andere.11. De grondrechten van de Unie kunnen derhalve alleen worden toegepast in verband met een nationale regeling indien de Unievoorschriften op het betrokken gebied de lidstaten specifieke verplichtingen opleggen voor de in het hoofdgeding aan de orde zijnde situatie.12.
2. Vrij verkeer van een burger van de Unie
31.
Het in artikel 21, lid 1, VWEU neergelegde recht op vrij verkeer binnen de Unie kan in het hoofdgeding evenwel de grondslag vormen voor de toepassing van het Handvest. KN, van Griekse nationaliteit, heeft als burger van de Unie gebruikgemaakt van deze fundamentele vrijheid door zich naar een andere lidstaat te begeven, namelijk van Griekenland naar Frankrijk.
32.
Er lijkt niet echt sprake te zijn van een beperking van deze fundamentele vrijheid, aangezien KN er ook in zijn eigen lidstaat Griekenland, net als in Frankrijk, rekening mee had moeten houden dat hij aan Georgië zou worden uitgeleverd.
33.
Bij het sluiten van het Europees uitleveringsverdrag heeft Griekenland zich echter het recht voorbehouden om zijn eigen onderdanen niet uit te leveren. Daarom zou KN in Griekenland waarschijnlijk niet hoeven te vrezen voor uitlevering.
34.
In de meeste zaken betreffende uitlevering aan derde landen in verband met strafprocedures heeft het Hof een beperking van het vrije verkeer aanvaard als gevolg van een verschil in behandeling ten opzichte van de onderdanen van de betrokken lidstaten.13. Deze lidstaten bepaalden immers dat de eigen onderdanen niet zouden worden uitgeleverd of overgeleverd. Zoals de Commissie benadrukt en Frankrijk aangeeft, komt dit overeen met de Franse rechtssituatie, zodat zij van mening zijn dat er sprake is van een beperking van het vrije verkeer van personen.
35.
De vraag rijst in hoeverre de beschermingsomvang van het recht op gelijke behandeling bij de uitoefening van het recht op vrij verkeer zich bijvoorbeeld ook uitstrekt tot nationale kiesrechten die niet worden gewaarborgd door het specifieke discriminatieverbod van artikel 22 VWEU met betrekking tot de kiesrechten die burgers van de Unie hebben.14.
36.
De meeste uitleveringszaken werden gekenmerkt door het feit dat de betrokken onderdanen van andere lidstaten in de aangezochte staat waren geïntegreerd.15. Bij gebreke van een dergelijke integratie — zoals in casu — is het dus twijfelachtig of er überhaupt sprake is van vergelijkbaarheid met onderdanen van de aangezochte staat die niet worden uitgeleverd.
37.
In het algemeen moet de vergelijkbaarheid worden beoordeeld in het licht van het met de betrokken nationale bepalingen nagestreefde doel.16. Zij is uitgesloten wanneer er objectieve verschillen tussen de vergelijkingsgroepen bestaan.17.
38.
Wat uitleveringsverboden betreft, pleiten beide criteria tegen de vergelijkbaarheid van Unieburgers op doorreis en eigen onderdanen.
39.
De nationaliteitsverhouding van een lidstaat is gebaseerd op de bijzondere band van solidariteit en loyaliteit tussen die staat en zijn onderdanen, alsook op de wederkerigheid van rechten en plichten.18. De lidstaten moeten dus hun eigen onderdanen bijzondere bescherming bieden, en het uitleveringsverbod dient deze bescherming. Tegelijkertijd heeft een staat over het algemeen uitgebreide strafrechtelijke bevoegdheid over zijn eigen burgers, ook voor strafbare feiten die in het buitenland zijn gepleegd. Straffeloosheid kan dus gemakkelijker worden voorkomen met betrekking tot eigen onderdanen. Bijgevolg zijn de lidstaten weliswaar niet verplicht om buitenlandse strafbare feiten die door hun eigen burgers zijn begaan, te vervolgen, maar zullen zij wel nagaan of vervolging opportuun is. Hierdoor kunnen zij straffeloosheid voorkomen en daarnaast ook hun eigen burgers beschermen tegen de onevenredige gevolgen van strafrechtelijke vervolging in derde landen.19.
40.
Burgers van de Unie die zich hebben gevestigd en geïntegreerd, mogen verwachten dat zij op dezelfde wijze worden behandeld als de onderdanen van de betrokken lidstaat. Met betrekking tot de staat waarin zij gevestigd zijn, zijn zij in sommige opzichten zeer wel vergelijkbaar met de onderdanen van die staat, maar niet in alle opzichten. Op het gebied van het kiesrecht worden bijvoorbeeld nog uitzonderingen gemaakt20., en ook in het belastingrecht (hier ‘vervangt’ ingezetenschap de nationaliteit) hangt het van de hoogte van het inkomen uit arbeid af of het land van tewerkstelling — en niet de woonstaat — voorrechten moet toekennen die vergelijkbaar zijn met die welke aan ingezetenen worden toegekend21..
41.
In casu ligt de vraag echter anders. De vraag die hier rijst is of iedere burger van de Unie die zich op doorreis bevindt, in de staat van doorreis met het oog op de tenuitvoerlegging van een aanhoudingsbevel uit een derde land vergelijkbaar is met burgers die in de staat van doorreis gevestigd zijn. Wat het burgerschap van de Unie betreft, zou dit bevestigend kunnen worden beantwoord. Volgens de rechtspraak van het Hof wordt het nationale burgerschap steeds meer aangevuld door het burgerschap van de Unie.22.
42.
Met betrekking tot de strafrechtelijke bevoegdheid van een lidstaat moet bovenstaande vraag echter ontkennend worden beantwoord. Voor burgers van de Unie die op doorreis zijn, bestaat er voor de staat van doorreis geen vergelijkbare bijzondere band van solidariteit en loyaliteit. Bij die burgers is het integendeel vaak zelfs twijfelachtig of de staat van doorreis strafrechtelijke bevoegdheid heeft voor strafbare feiten in derde landen, waardoor het niet-uitvoeren van het aanhoudingsbevel de kans op straffeloosheid van de gezochte persoon verhoogt.
43.
Ik geef het Hof dan ook in overweging om in dit verband, net als in het sociale recht23., onderscheid te maken tussen burgers van de Unie die in de lidstaat zijn geïntegreerd en burgers van de Unie die slechts op doorreis zijn. Aangezien het in casu gaat om een burger van de Unie die op doorreis is, ben ik van mening dat deze situatie niet onder het Unierecht valt. De tenuitvoerlegging van een door een derde staat uitgevaardigd aanhoudingsbevel valt dus niet onder de uitvoering van het Unierecht. De fundamentele vrijheden binnen de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht zijn niet bedoeld om staten vrij te stellen van hun verantwoordelijkheid jegens hun burgers voor de daadwerkelijke tenuitvoerlegging van de straffen van veroordeelde plegers van strafbare feiten, en zo hun kansen op straffeloosheid te vergroten. De fundamentele vrijheden strekken er evenmin toe de lidstaat te bevrijden van de verantwoordelijkheid jegens een derde land (verplichting op grond van het internationaal recht die op wederzijdse basis waarborgt dat veroordeelde onderdanen zich niet aan hun straf kunnen onttrekken door naar een andere verdragsluitende staat te vluchten). De vraag of de betrokkene aan een derde land kan worden uitgeleverd, hangt dus af van het nationale recht en de daarin geboden waarborgen van de grondrechten, alsook van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
44.
Voor het geval dat het Hof niettemin mocht oordelen dat er sprake is van een beperking van de fundamentele vrijheden, zal ik subsidiair de rechtvaardiging daarvan onderzoeken.
45.
In de situatie waarin er in beginsel sprake is van gelijkheid tussen eigen onderdanen en onderdanen van andere lidstaten kan het doel om straffeloosheid te voorkomen worden onderzocht bij de toetsing van die rechtvaardiging.24. Zoals de Commissie ter terechtzitting heeft benadrukt, weerspiegelt dit doel ook de wil om de grondrechten van slachtoffers van strafbare feiten te beschermen.25. Niettemin vereist de rechtspraak dat bij de uitlevering van een Unieburger aan een derde land naar behoren rekening wordt gehouden met de grondrechten van de pleger van een strafbaar feit.26.
3. Gevaar voor schending van grondrechten
46.
Artikel 19, lid 2, van het Handvest heeft specifiek betrekking op uitlevering. Op grond van deze bepaling mag niemand worden verwijderd of uitgezet naar, dan wel worden uitgeleverd aan een staat waar een ernstig risico bestaat dat hij aan de doodstraf, aan folteringen of aan andere onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen wordt onderworpen.
47.
Hieruit volgt dat wanneer de bevoegde autoriteit van de aangezochte lidstaat bewijzen heeft dat er een reëel gevaar bestaat dat personen die zich bevinden in het derde land dat om uitlevering verzoekt, onmenselijk of vernederend worden behandeld, zij verplicht is om te beoordelen of dit gevaar bestaat wanneer zij moet beslissen of een persoon aan deze staat wordt uitgeleverd.27.
48.
In dit verband mag deze lidstaat zich er niet toe beperken rekening te houden met de verklaringen van het verzoekende derde land of met het feit dat dit land is toegetreden tot internationale verdragen die in beginsel de eerbiediging van de grondrechten waarborgen. De bevoegde autoriteit van de aangezochte lidstaat dient zich met het oog op deze controle te baseren op objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens die met name kunnen blijken uit internationale rechterlijke beslissingen, zoals de arresten van het EHRM, uit rechterlijke beslissingen van het derde land dat om uitlevering verzoekt, alsook uit besluiten, rapporten en andere documenten die zijn opgesteld door de instanties van de Raad van Europa of instanties die tot het systeem van de Verenigde Naties behoren.28. Wat detentieomstandigheden betreft, blijkt uit documenten van de Raad van Europa van de laatste jaren dat er nog ruimte voor verbetering is, maar dat er geen ernstige systematische schendingen zijn geconstateerd.29.
49.
Beslissingen van andere lidstaten die zien op een identiek of soortgelijk uitleveringsverzoek van het betrokken derde land en waarin wordt vastgesteld dat de grondrechten dreigen te worden geschonden, in casu het arrest van 19 februari 2025 van de Cour d'appel de Bruxelles, maken ook deel uit van die gegevens.30. Dit volgt reeds uit het beginsel van wederzijds vertrouwen.31.
50.
Volgens het EHRM rust de bewijslast omtrent een reëel gevaar voor onmenselijke of vernederende behandeling echter op de betrokkene.32. Bijgevolg verzet artikel 19, lid 2, van het Handvest zich niet tegen uitlevering wanneer een risico op onmenselijke of vernederende behandeling weliswaar niet op basis van de beschikbare informatie kan worden uitgesloten, maar evenmin kan worden vastgesteld.
51.
Voor het in het arrest van 19 februari 2025 van de Cour d'appel de Bruxelles eveneens genoemde gevaar dat het in artikel 47, tweede alinea, van het Handvest neergelegde grondrecht op een eerlijk proces wordt geschonden, gelden in beginsel vergelijkbare overwegingen.33.
52.
Het staat derhalve aan de verwijzende rechter om na te gaan of de hem verstrekte informatie inhoudt dat er sprake is van een gevaar voor schending van die grondrechten, met name wat de detentieomstandigheden en/of de veroordeling bij verstek betreft34..
53.
Louter volledigheidshalve moet worden opgemerkt dat er, anders dan KN stelt, geen enkele aanwijzing is dat het in artikel 50 van het Handvest of artikel 54 van de Schengenuitvoeringsovereenkomst neergelegde nebis-in-idembeginsel is geschonden. Het arrest van de Cour d'appel de Bruxelles van 19 februari 2025, waarbij uitlevering aan Georgië werd geweigerd, is immers geen strafrechtelijke veroordeling die dit beginsel in werking kan doen treden.35.
B. Prejudiciële spoedprocedure
54.
De verwijzende rechter heeft verzocht om toepassing van de prejudiciële spoedprocedure van artikel 107 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof.
55.
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft onder meer artikel 67, lid 3, VWEU en artikel 82, lid 1, VWEU, die zijn opgenomen in titel V (‘De ruimte van vrijheid, veiligheid en recht’) van het derde deel van het VWEU, hetgeen volgens artikel 107, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering een voorwaarde is voor de toepasselijkheid van de prejudiciële spoedprocedure.
56.
Zoals ik zojuist heb uiteengezet, hebben deze bepalingen uiteindelijk geen rechtstreekse invloed op de beslechting van het hoofdgeding. Dit neemt echter niet weg dat het verzoek om een prejudiciële beslissing juist bedoeld is om dit punt te verduidelijken.
57.
Bijgevolg is de prejudiciële spoedprocedure van toepassing.
58.
Ter ondersteuning van zijn verzoek heeft de verwijzende rechter er met name op gewezen dat het verzoek om een prejudiciële beslissing dringend moest worden beantwoord, aangezien KN enkel wegens de procedure tot uitlevering aan Georgië in hechtenis was.
59.
Mocht het Hof de prejudiciële vraag niet beantwoorden zoals hier wordt overwogen, maar in die zin dat de beslissing van de Belgische rechter moet worden erkend, dan zou deze grond voor zijn hechtenis niet langer van toepassing zijn.
60.
Het is juist dat niet kan worden uitgesloten dat de Franse rechterlijke instanties KN daarna in hechtenis blijven houden om het Georgische vonnis in Frankrijk ten uitvoer te leggen36. of om strafvervolging in te stellen voor de in Georgië berechte strafbare feiten. Het ne-bis-in-idembeginsel van artikel 14, lid 7, van het Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten verzet zich niet tegen een dergelijke nieuwe strafrechtelijke procedure, aangezien het niet van toepassing is op door verschillende staten ingestelde vervolgingen37., en evenmin verzetten zich hiertegen de overeenkomstige Unierechtelijke verbodsbepalingen, aangezien deze niet van toepassing zijn met betrekking tot derde landen.
61.
Niets in het verzoek om een prejudiciële beslissing wijst er evenwel op dat een dergelijke benadering in Frankrijk wordt overwogen of dat de bevoegde Belgische autoriteiten dergelijke stappen hebben ondernomen. Ter terechtzitting heeft de Franse Republiek juist verklaard dat, indien de uitlevering onrechtmatig zou zijn, KN zou worden vrijgelaten.
62.
Bovendien kan het hier voorgestelde antwoord op het verzoek om een prejudiciële beslissing ook van invloed zijn op de duur van de detentie. Het komt er immers op neer dat van de Franse rechter wordt verlangd dat hij op eigen verantwoordelijkheid onderzoekt of een uitlevering aan Georgië gepaard gaat met aanzienlijke gevaren waar het gaat om schending van de grondrechten. Mocht KN tijdens dit onderzoek in hechtenis blijven, dan zou het passend zijn dat de Franse rechter zo spoedig mogelijk aan dit onderzoek begint.
63.
Het voortduren van de hechtenis van KN hangt dus af van het moment waarop het Hof het verzoek om een prejudiciële beslissing beantwoordt.
64.
Bijgevolg past het Hof in casu terecht de prejudiciële spoedprocedure toe.
V. Conclusie
65.
Gezien het bovenstaande geef ik het Hof in overweging om op het verzoek om een prejudiciële beslissing als volgt te antwoorden:
‘Noch artikel 67, lid 3, VWEU, noch artikel 82, lid 1, VWEU, noch het vrije verkeer van burgers van de Unie op grond van de artikelen 21 en 18 VWEU leidt ertoe dat het recht van de Unie van toepassing is op een verzoek tot uitlevering van een onderdaan van een andere lidstaat aan een derde land, indien die persoon slechts op doorreis was in de aangezochte lidstaat toen hij werd aangehouden.’
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 22‑05‑2025
Dit is een fictieve naam, die niet overeenkomt met de werkelijke naam van enige partij in de procedure.
Oorspronkelijke taal: Duits.
Arrest van 6 september 2016, Petruhhin (C-182/15, EU:C:2016:630, punt 26).
Arresten van 6 september 2016, Petruhhin (C-182/15, EU:C:2016:630, punten 26 en 27), en 18 juni 2024, Generalstaatsanwaltschaft Hamm (Verzoek tot uitlevering van een vluchteling aan Turkije) (C-352/22, EU:C:2024:521, punt 38).
Arrest van 18 juni 2024, Generalstaatsanwaltschaft Hamm (Verzoek tot uitlevering van een vluchteling aan Turkije) (C-352/22, EU:C:2024:521, punt 71).
Arrest van 18 juni 2024, Generalstaatsanwaltschaft Hamm (Verzoek tot uitlevering van een vluchteling aan Turkije) (C-352/22, EU:C:2024:521, punten 64–70).
Advies 2/13 (Toetreding van de Unie tot het EVRM) van 18 december 2014 (EU:C:2014:2454, punt 191), alsmede arrest van 29 juli 2024, Breian (C-318/24 PPU, EU:C:2024:658, punt 46).
Arrest van 29 juli 2024, Breian (C-318/24 PPU, EU:C:2024:658, punt 46). Zie ook arrest van 14 september 2023, Sofiyska gradska prokuratura (Opeenvolgende aanhoudingsbevelen) (C-71/21, EU:C:2023:668, punt 55).
Zie in die zin arrest van 29 juli 2024, Breian (C-318/24 PPU, EU:C:2024:658, punt 43).
Zie voor de vaststelling van de vluchtelingenstatus arresten van 18 juni 2024, Bundesrepublik Deutschland (Gevolgen van een beslissing tot toekenning van de vluchtelingenstatus) (C-753/22, EU:C:2024:524, punt 68), en Generalstaatsanwaltschaft Hamm (Verzoek tot uitlevering van een vluchteling aan Turkije) (C-352/22, EU:C:2024:521, punt 43).
Arresten van 6 maart 2014, Siragusa (C-206/13, EU:C:2014:126, punt 24); 10 juli 2014, Julián Hernández e.a. (C-198/13, EU:C:2014:2055, punt 34), en 28 november 2024, PT (Schikking tussen de openbaar aanklager en de dader van een strafbaar feit) (C-432/22, EU:C:2024:987, punt 35).
Arresten van 6 maart 2014, Siragusa (C-206/13, EU:C:2014:126, punt 26); 10 juli 2014, Julián Hernández e.a. (C-198/13, EU:C:2014:2055, punt 35), en 28 november 2024, PT (Schikking tussen de openbaar aanklager en de dader van een strafbaar feit) (C-432/22, EU:C:2024:987, punt 36).
Arresten van 6 september 2016, Petruhhin (C-182/15, EU:C:2016:630, punt 33); 10 april 2018, Pisciotti (C-191/16, EU:C:2018:222, punt 45); 13 november 2018, Raugevicius (C-247/17, EU:C:2018:898, punt 27); 17 december 2020, Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Uitlevering aan Oekraïne) (C-398/19, EU:C:2020:1032, punt 30), en 22 december 2022, Generalstaatsanwaltschaft München (Verzoek tot uitlevering aan Bosnië en Herzegovina) (C-237/21, EU:C:2022:1017, punt 34).
Arresten van 19 november 2024, Commissie/Polen (Verkiesbaarheid en lidmaatschap van een politieke partij) (C-814/21, EU:C:2024:963, punt 154), en 19 november 2024, Commissie/Tsjechië (Verkiesbaarheid en lidmaatschap van een politieke partij) (C-808/21, EU:C:2024:962, punt 155).
Arresten van 13 november 2018, Raugevicius (C-247/17, EU:C:2018:898, punt 19); 17 december 2020, Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Uitlevering aan Oekraïne) (C-398/19, EU:C:2020:1032, punten 10 en 16), en 22 december 2022, Generalstaatsanwaltschaft München (Verzoek tot uitlevering aan Bosnië en Herzegovina) (C-237/21, EU:C:2022:1017, punt 13). Anders — zij het slechts incidenteel — was de situatie in het arrest van 10 april 2018, Pisciotti (C-191/16, EU:C:2018:222, punt 34).
Arrest van 1 april 2014, Felixstowe Dock and Railway Company e.a. (C-80/12, EU:C:2014:200, punt 25).
Arrest van 22 maart 2007, Talotta (C-383/05, EU:C:2007:181, punt 19).
Arresten van 17 december 1980, Commissie/België (149/79, EU:C:1980:297, punt 10); 2 maart 2010, Rottmann (C-135/08, EU:C:2010:104, punt 51), en 29 april 2025, Commissie/Malta (Staatsburgerschap door investeringen) (C-181/23, EU:C:2025:283, punt 96).
Zie arresten van 6 september 2016, Petruhhin (C-182/15, EU:C:2016:630, punten 48 en 49), en 17 december 2020, Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Uitlevering aan Oekraïne) (C-398/19, EU:C:2020:1032, punt 52).
Zie in die zin arresten van 19 november 2024, Commissie/Polen (Verkiesbaarheid en lidmaatschap van een politieke partij) (C-814/21, EU:C:2024:963, punt 154), en 19 november 2024, Commissie/Tsjechië (Verkiesbaarheid en lidmaatschap van een politieke partij) (C-808/21, EU:C:2024:962, punt 155), met betrekking tot artikel 22 VWEU.
Arrest van 14 februari 1995, Schumacker (C-279/93, EU:C:1995:31, punten 35 en 36).
Laatstelijk arrest van 29 april 2025, Commissie/Malta (Staatsburgerschap door investeringen) (C-181/23, EU:C:2025:283, punten 100 en 101).
Arrest van 11 november 2014, Dano (C-333/13, EU:C:2014:2358, punten 77 e.v.).
Arresten van 6 september 2016, Petruhhin (C-182/15, EU:C:2016:630, punten 37 en 38); 13 november 2018, Raugevicius (C-247/17, EU:C:2018:898, punt 32), en 2 april 2020, Ruska Federacija (C-897/19 PPU, EU:C:2020:262, punt 60).
Wat het recht op leven overeenkomstig artikel 2 EVRM betreft, zie arresten van het Europees Hof voor de rechten van de mens (EHRM) van 29 januari 2019, Güzelyurtlu e.a. tegen Cyprus en Turkije (CE:ECHR:2019:0129JUD003692507, §§ 231–236), en 9 juli 2019, Romeo Castaño tegen België (CE:ECHR:2019:0709JUD000835117, § 81).
Arresten van 6 september 2016, Petruhhin (C-182/15, EU:C:2016:630, punten 53–59), en 22 december 2022, Generalstaatsanwaltschaft München (Verzoek tot uitlevering aan Bosnië en Herzegovina) (C-237/21, EU:C:2022:1017, punt 55), alsmede arresten van het EHRM van 7 juli 1989, Soering tegen Verenigd Koninkrijk (CE:ECHR:1989:0707JUD001403888, § 88), en 25 maart 2021, Bivolaru en Moldovan tegen Frankrijk (CE:ECHR:2021:0325JUD004032416, § 107).
Arresten van 6 september 2016, Petruhhin (C-182/15, EU:C:2016:630, punt 58), en 2 april 2020, Ruska Federacija (C-897/19 PPU, EU:C:2020:262, punt 64), alsmede beschikking van 6 september 2017, Peter Schotthöfer & Florian Steiner (C-473/15, EU:C:2017:633, punt 24). Zie ook arresten van het EHRM van 7 juli 1989, Soering tegen Verenigd Koninkrijk (CE:ECHR:1989:0707JUD001403888, § 88); 26 juli 2005, N. tegen Finland (CE:ECHR:2003:0923DEC003888502, § 158); 4 september 2014, Trabelsi tegen België (CE:ECHR:2014:0904JUD000014010, § 116), en 25 maart 2021, Bivolaru en Moldovan tegen Frankrijk (CE:ECHR:2021:0325JUD004032416, § 107).
Arresten van 6 september 2016, Petruhhin (C-182/15, EU:C:2016:630, punten 57 en 59); 2 april 2020, Ruska Federacija (C-897/19 PPU, EU:C:2020:262, punt 65), en 18 juni 2024, Generalstaatsanwaltschaft Hamm (Verzoek tot uitlevering van een vluchteling aan Turkije) (C-352/22, EU:C:2024:521, punt 63).
Zie Council of Europe Action Plan for Georgia 2024–2027 [CM(2023)168, blz. 31] en Report to the Georgian Government on the visit to Georgia carried out by the European Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment (CPT) from 10 to 21 September 2018 [CPT/Inf (2019) 16, punten 44–48].
Zie in die zin arresten van 18 juni 2024, Bundesrepublik Deutschland (Gevolgen van een beslissing tot toekenning van de vluchtelingenstatus) (C-753/22, EU:C:2024:524, punten 77 en 78), en 29 juli 2024, Breian (C-318/24 PPU, EU:C:2024:658, punt 46).
Zie punt 27 van deze conclusie.
Arresten van het EHRM van 28 februari 2008, Saadi tegen Italië (CE:ECHR:2008:0228JUD003720106, § 129); 23 augustus 2016, J. K. e.a. tegen Zweden (CE:ECHR:2016:0823JUD005916612, § 91), en 25 maart 2021, Bivolaru en Moldovan tegen Frankrijk (CE:ECHR:2021:0325JUD004032416, § 109).
Zie in die zin arresten van 31 januari 2023, Puig Gordi e.a. (C-158/21, EU:C:2023:57, punt 97), en 29 juli 2024, Breian (C-318/24 PPU, EU:C:2024:658, punt 38).
Zie arrest van 26 februari 2013, Melloni (C-399/11, EU:C:2013:107, punt 49).
Arrest van 14 september 2023, Sofiyska gradska prokuratura (Opeenvolgende aanhoudingsbevelen) (C-71/21, EU:C:2023:668, punt 52).
Zie arrest van 13 november 2018, Raugevicius (C-247/17, EU:C:2018:898, punt 39).
Mededelingen van het Mensenrechtencomité van de Verenigde Naties nr. 692/1996, A.R.J. tegen Australië, nr. 6.4, en nr. 204/1986, A. P. tegen Italië, nr. 7.3. Wat artikel 4 van aanvullend protocol nr. 7 bij het EVRM betreft, volgt dit reeds uit de bewoordingen van de bepaling.