Dit is een fictieve naam, die niet overeenkomt met de werkelijke naam van enige partij in de procedure.
HvJ EU, 08-05-2025, nr. C-324/23
ECLI:EU:C:2025:324
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
08-05-2025
- Zaaknummer
C-324/23
- Conclusie
L. Medina
- Roepnaam
Myszak
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2025:324, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 08‑05‑2025
ECLI:EU:C:2024:1031, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie, 12‑12‑2024
Uitspraak 08‑05‑2025
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Consumentenbescherming — Oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten — Richtlijn 93/13/EEG — Artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1 — Hypothecaire lening die is gekoppeld aan een vreemde valuta — Vordering in rechte van de consument strekkende tot nietigverklaring van de overeenkomst — Verzoek om toekenning van bewarende maatregelen die bestaan in de opschorting van de uitvoering van de overeenkomst — Richtlijn 2014/59/EU — Herstel en afwikkeling van kredietinstellingen — Bank in afwikkeling — Artikel 1, lid 2 — Machtiging aan de lidstaten om strengere regels vast te stellen dan die van de richtlijn of regels ter aanvulling daarvan — Nationale regel die de afwijzing verplicht van verzoeken om bewarende maatregelen tegen een instelling in afwikkeling
Partij(en)
In zaak C-324/23 [Myszak] i.*,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Sąd Okręgowy w Warszawie (rechter in eerste aanleg Warschau, Polen) bij beslissing van 26 oktober 2022, ingekomen bij het Hof op 25 mei 2023, in de procedure
OF,
EI,
RI
tegen
M.K., als curator van Getin Noble Bank S.A., in liquidatie,
wijst
HET HOF (Derde kamer),
samengesteld als volgt: C. Lycourgos, kamerpresident, S. Rodin, O. Spineanu-Matei (rapporteur), S. Gervasoni en N. Fenger, rechters,
advocaat-generaal: L. Medina,
griffier: M. Siekierzyńska, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 17 oktober 2024,
gelet op de opmerkingen van:
- —
OF, EI en RI, vertegenwoordigd door W. Bochenek, P. Stalski en T. Zaremba, radcowie prawni,
- —
M.K., vertegenwoordigd door P. Cieślak en M. Pyziak-Waląg, adwokaci,
- —
de Poolse regering, vertegenwoordigd door B. Majczyna, M. Kozak, R. Stańczyk en B. Trocha als gemachtigden,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door U. Małecka, P. Ondrůšek en D. Triantafyllou als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 12 december 2024,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PB 1993, L 95, blz. 29), gelezen in het licht van de beginselen van doeltreffendheid en evenredigheid, en in samenhang met artikel 34, lid 1, onder b) en g), en artikel 70, leden 1 en 4, van richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van richtlijn 82/891/EEG van de Raad en de richtlijnen 2001/24/EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG, 2011/35/EU, 2012/30/EU en 2013/36/EU en de verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 648/2012, van het Europees Parlement en de Raad (PB 2014, L 173, blz. 190, met rectificatie in PB 2022, L 43, blz. 93).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen OF, EI en RI enerzijds, en M.K., in zijn hoedanigheid van curator van Getin Noble Bank S.A. anderzijds, over het verzoek om bewarende maatregelen dat OF, EI en RI hebben ingediend in het kader van een procedure tot nietigverklaring van een aan een vreemde valuta gekoppelde hypothecaire kredietovereenkomst en tot terugbetaling van de bedragen die door hen ter uitvoering van die overeenkomst met Getin Noble Bank werden betaald.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
Richtlijn 93/13
3
Artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 luidt:
‘De lidstaten bepalen dat oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen een verkoper en een consument onder de in het nationale recht geldende voorwaarden de consument niet binden en dat de overeenkomst voor de partijen bindend blijft indien de overeenkomst zonder de oneerlijke bedingen kan voortbestaan.’
4
Artikel 7, lid 1, van deze richtlijn luidt:
‘De lidstaten zien erop toe dat er in het belang van de consumenten alsmede van de concurrerende verkopers, doeltreffende en geschikte middelen bestaan om een eind te maken aan het gebruik van oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen consumenten en verkopers.’
Richtlijn 2014/59
5
De overwegingen 5, 49 tot en met 51 en 131 van richtlijn 2014/59 zijn als volgt verwoord:
- ‘(5)
Er is […] behoefte aan een regeling die de autoriteiten toerust met een pakket geloofwaardige instrumenten om tijdig en snel genoeg in een zwakke of falende instelling te kunnen ingrijpen om de continuïteit van de kritieke financiële en economische functies van de instelling te waarborgen en tegelijkertijd het effect van het falen van de instelling op de economie en het financiële systeem tot een minimum te beperken. Die regeling moet tevens garanderen dat verliezen eerst door aandeelhouders worden gedragen, en daarna door schuldeisers, op voorwaarde dat geen enkele schuldeiser grotere verliezen maakt dan hij zou hebben gemaakt indien de instelling volgens een normale insolventieprocedure zou zijn geliquideerd conform het beginsel, zoals geformuleerd in deze richtlijn, dat geen enkele schuldeiser slechter af mag zijn. […]
[…]
- (49)
De beperkingen van de rechten van aandeelhouders en schuldeisers moeten in overeenstemming zijn met artikel 52 van het Handvest [van de grondrechten van de Europese Unie]. De afwikkelingsinstrumenten dienen daarom alleen te worden toegepast op instellingen die falen of waarschijnlijk zullen falen, en alleen wanneer zulks noodzakelijk is om de doelstelling van financiële stabiliteit in het algemeen belang na te streven. Afwikkelingsinstrumenten dienen met name te worden toegepast wanneer de instelling niet volgens een normale insolventieprocedure kan worden geliquideerd zonder het financiële stelsel te destabiliseren, de maatregelen noodzakelijk zijn om de snelle overdracht en continuïteit van systeemkritische functies te verzekeren en er geen redelijk vooruitzicht is op een alternatieve oplossing vanuit de particuliere sector, zoals onder meer een zodanige kapitaalverhoging door de bestaande aandeelhouders of door een derde dat de levensvatbaarheid van de instelling volledig wordt hersteld. Bij het toepassen van afwikkelingsinstrumenten en het uitoefenen van afwikkelingsbevoegdheden moet voorts rekening worden gehouden met het evenredigheidsbeginsel en de bijzondere kenmerken van de rechtsvorm van een instelling.
- (50)
Er mag niet onevenredig worden ingegrepen in de eigendomsrechten. […] In geval van een gedeeltelijke overdracht van activa van een instelling in afwikkeling aan een particuliere verkrijger of aan een overbruggingsbank, dient het resterende deel van de instelling in afwikkeling volgens een normale insolventieprocedure te worden geliquideerd. Om de nog in de liquidatieprocedure van de instelling verwikkelde aandeelhouders en schuldeisers te beschermen, dienen zij het recht te hebben om ter betaling van of, als compensatie voor, hun vorderingen in het kader van de liquidatieprocedure niet minder te ontvangen dan het bedrag dat zij naar schatting zouden hebben teruggekregen indien de gehele instelling volgens de normale insolventieprocedure zou zijn geliquideerd.
- (51)
Ter bescherming van het recht van aandeelhouders en schuldeisers moeten er duidelijke verplichtingen betreffende de waardering van de activa en de passiva van de instelling in afwikkeling worden vastgesteld en, waar dat op grond van deze richtlijn is vereist, betreffende de waardering van de behandeling die aandeelhouders en schuldeisers zouden hebben genoten als de instelling volgens een normale insolventieprocedure zou zijn geliquideerd. […] Indien blijkt dat aandeelhouders en schuldeisers ter betaling van of, als compensatie voor, hun vorderingen minder hebben ontvangen dan het equivalent van [het] bedrag dat zij in het kader van een normale insolventieprocedure zouden hebben ontvangen, dan zouden zij, waar dat in deze richtlijn is vereist, recht moeten hebben op de betaling van het verschil. […]
[…]
- (131)
Daar de doelstelling van deze richtlijn, namelijk de harmonisatie van de regels en procedures voor de afwikkeling van instellingen, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt maar, gezien de effecten van het falen van een instelling in de hele [Europese] Unie, beter kan worden verwezenlijkt op het niveau van de Unie, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 [VEU] neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in datzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om die doelstelling te verwezenlijken.’
6
Artikel 1, lid 2, van deze richtlijn bepaalt:
‘Lidstaten mogen regels vaststellen of handhaven die strikter zijn dan of aanvullend zijn op de in deze richtlijn neergelegde regels of de op grond van deze richtlijn vastgestelde gedelegeerde handelingen en uitvoeringshandelingen vastgestelde regels, mits deze van algemene strekking zijn en niet in strijd zijn met deze richtlijn [of de] op grond van deze richtlijn vastgestelde gedelegeerde handelingen en uitvoeringshandelingen.’
7
Artikel 34 van die richtlijn (‘Algemene beginselen met betrekking tot afwikkeling’) bepaalt in lid 1:
‘De lidstaten dragen er zorg voor dat de afwikkelingsautoriteiten bij de toepassing van de afwikkelingsinstrumenten en de uitoefening van de afwikkelingsbevoegdheden alle passende maatregelen nemen om te waarborgen dat de afwikkelingsmaatregel in overeenstemming met de volgende beginselen wordt genomen:
[…]
- b)
schuldeisers van de instelling in afwikkeling dragen verliezen na de aandeelhouders volgens de rangorde van hun vorderingen overeenkomstig normale insolventieprocedures, tenzij in deze richtlijn uitdrukkelijk anders is bepaald;
[…]
- g)
geen enkele crediteur lijdt grotere verliezen dan hij zou hebben geleden in het kader van een normale insolventieprocedure ten aanzien van de instelling of de in artikel 1, lid 1, onder b), c) of d), bedoelde entiteit, overeenkomstig de waarborgen in de artikelen 73 tot en met 75;
[…]’
8
In artikel 37, lid 6, van die richtlijn wordt bepaald:
‘Indien enkel de […] afwikkelingsinstrumenten [van de verkoop van de onderneming of de overbruggingsinstelling] worden gebruikt en zij worden gebruikt om een deel van de activa, rechten of passiva van de instelling in afwikkeling over te dragen, wordt het resterende deel van de instelling of entiteit als bedoeld in artikel 1, lid 1, onder b), c) of d), waarvan activa, rechten of passiva zijn overgedragen, volgens een normale insolventieprocedure geliquideerd. Deze liquidatie geschiedt binnen een redelijke termijn, […].’
9
In artikel 70 van richtlijn 2014/59, met als opschrift ‘Bevoegdheid om de afdwinging van zekerheidsrechten te beperken’, wordt in de leden 1 en 4 het volgende bepaald:
- ‘1.
De lidstaten dragen er zorg voor dat afwikkelingsautoriteiten bevoegd zijn om schuldeisers met een zekerheid van een instelling in afwikkeling te beperken in hun mogelijkheden om hun zekerheidsrechten in verband met activa van die instelling in afwikkeling af te dwingen vanaf de bekendmaking overeenkomstig artikel 83, lid 4, van een bericht betreffende de beperking tot middernacht aan het eind van de werkdag volgend op die bekendmaking in de lidstaat waar de instelling in afwikkeling is gevestigd.
[…]
- 4.
Bij het uitoefenen van een bevoegdheid uit hoofde van dit artikel houden de afwikkelingsautoriteiten rekening met de gevolgen die dit zou kunnen hebben voor de ordelijke werking van de financiële markten.’
10
Artikel 73 van die richtlijn (‘Behandeling van aandeelhouders en schuldeisers in geval van gedeeltelijke overdrachten en toepassing van het instrument van bail-in’) betreft de situatie waarin een nationale afwikkelingsautoriteit het instrument van de bail-in toepast. Dit artikel bepaalt onder a):
‘De lidstaten dragen er zorg voor dat, na toepassing van een of meer afwikkelingsinstrumenten, en met name voor de toepassing van artikel 75:
- a)
behalve indien punt b) toepassing vindt, ingeval afwikkelingsautoriteiten slechts delen van de rechten, activa en passiva van de instelling in afwikkeling overdragen, de aandeelhouders en die schuldeisers wier vorderingen niet zijn overgedragen, ter voldoening van hun vorderingen ten minste evenveel ontvangen als zij zouden hebben ontvangen mocht op het moment dat het in artikel 82 bedoelde besluit werd genomen de instelling in afwikkeling volgens een normale insolventieprocedure zijn geliquideerd’.
11
In artikel 74 van die richtlijn, met als opschrift ‘Waardering van verschillen in behandeling’, wordt in de leden 1 en 2 het volgende bepaald:
- ‘1.
Om te beoordelen of de aandeelhouders en de schuldeisers beter zouden zijn behandeld mocht een normale insolventieprocedure zijn geopend ten aanzien van de instelling in afwikkeling, met inbegrip van, maar niet beperkt tot de toepassing van artikel 73, dragen de lidstaten er zorg voor dat op zo kort mogelijke termijn nadat de afwikkelingsmaatregel of afwikkelingsmaatregelen heeft c.q. hebben plaatsgevonden een waardering door een onafhankelijke persoon wordt verricht. De waardering staat los van de waardering die uit hoofde van artikel 36 is verricht.
- 2.
Bij de waardering in de zin van lid 1 wordt het volgende bepaald:
- a)
de behandeling die aandeelhouders en schuldeisers, of de desbetreffende depositogarantiestelsels, zouden hebben genoten, mocht op het moment dat het in artikel 82 bedoelde besluit werd genomen een normale insolventieprocedure zijn geopend ten aanzien van de instelling in afwikkeling waarop de afwikkelingsmaatregel of afwikkelingsmaatregelen betrekking had c.q. hadden;
- b)
de daadwerkelijke behandeling die aandeelhouders en schuldeisers hebben genoten bij de afwikkeling van de instelling in afwikkeling; en;
- c)
of er sprake is van een verschil tussen de onder a) bedoelde behandeling en de onder b) bedoelde behandeling.’
12
Artikel 75 van die richtlijn, met als opschrift ‘Waarborg voor aandeelhouders en schuldeisers’, luidt:
‘De lidstaten dragen er zorg voor dat, indien bij de overeenkomstig artikel 74 verrichte waardering blijkt dat enige in artikel 73 bedoelde aandeelhouder of schuldeiser grotere verliezen heeft geleden dan deze in het kader van een normale insolventieprocedure [zou] hebben geleden, deze recht heeft op de betaling van het verschil uit de financieringsregelingen voor de afwikkeling.’
Pools recht
Wet houdende het burgerlijk wetboek
13
Artikel 3851 van de ustawa Kodeks cywilny (wet houdende het burgerlijk wetboek) van 23 april 1964, in de versie van toepassing op het hoofdgeding (Dz. U van 2020, volgnr. 1740), bepaalt in de leden 1 en 2:
- ‘1.
Bedingen in een consumentenovereenkomst waarover niet afzonderlijk is onderhandeld binden de consument niet indien zijn rechten en verplichtingen worden vormgegeven op een wijze die in strijd is met de goede zeden en een grove schending van zijn belangen vormt (oneerlijk contractueel beding). Dat geldt niet voor de bedingen over de voornaamste prestaties van de partijen, zoals de prijs of de vergoeding, indien deze ondubbelzinnig zijn geformuleerd.
- 2.
Indien een beding in een overeenkomst de consument overeenkomstig lid 1 niet bindt, blijven de partijen gebonden door de overeenkomst zonder dat beding.’
14
Artikel 405 van dat wetboek bepaalt het volgende:
‘Eenieder die zonder rechtsgrond ten nadele van een ander een vermogensvoordeel heeft verkregen, is verplicht hem het voordeel in natura terug te geven en, indien dit niet mogelijk is, om de waarde ervan te vergoeden.’
15
Artikel 410, lid 2, van dat wetboek bepaalt:
‘Een prestatie is onverschuldigd indien degene die deze heeft verricht niet verplicht was of niet gebonden was ten aanzien van de persoon aan wie is betaald, hetzij indien de oorzaak van de betaling is weggevallen of het beoogde doel van de betaling niet is bereikt, hetzij indien de rechtshandeling op grond waarvan zij is verricht, nietig was en na de betaling niet geldig is geworden.’
Wet houdende het wetboek van burgerlijke rechtsvordering
16
In artikel 189 van de ustawa Kodeks postępowania cywilnego (wet houdende het wetboek van burgerlijke rechtsvordering) van 17 november 1964, in de op de feiten van het hoofdgeding toepasselijke versie (Dz. U. van 2021, volgnr. 1805), wordt bepaald:
‘Een verzoekende partij kan de rechter verzoeken om het bestaan of het niet-bestaan van een rechtsbetrekking of een recht vast te stellen, mits zij een rechtmatig belang heeft.’
17
In artikel 7301 van dit wetboek is bepaald:
- ‘1.
Elke procespartij of deelnemer aan de procedure kan verzoeken om een bewarende maatregel indien de betrokkene zijn vordering en rechtsbelang bij een dergelijke maatregel prima facie aannemelijk maakt.
- 2.
Van een rechtsbelang bij een bewarende maatregel is sprake wanneer de tenuitvoerlegging van de in de zaak te geven beslissing wordt verhinderd of in ernstige mate wordt bemoeilijkt of de verwezenlijking van het doel van de procedure anderszins wordt verhinderd of in ernstige mate wordt bemoeilijkt indien geen bewarende maatregel wordt getroffen.
[…]
- 3.
Bij de keuze van de specifieke bewarende maatregel houdt de rechter rekening met de belangen van de partijen in of de deelnemers aan de procedure, voor zover dat nodig is om aan de rechthebbende een passende rechtsbescherming te bieden en om degene op wie de verplichting rust niet zwaarder dan nodig te belasten.’
18
Artikel 731 van dit wetboek bepaalt:
‘Een bewarende maatregel is niet bedoeld om een schuldvordering te voldoen, tenzij de wet anders bepaalt.’
19
Artikel 755 van dat wetboek bepaalt:
- ‘1.
Indien de bewarende maatregelen geen betrekking hebben op een geldvordering, treft de rechter de bewarende maatregel die hij in de omstandigheden van het geval passend acht, zonder specifieke voorgeschreven maatregelen ten aanzien van geldelijke vorderingen uit te sluiten. In het bijzonder kan de rechter:
- 1)
de rechten en verplichtingen van de partijen bij of de deelnemers aan de procedure regelen voor de duur daarvan;
[…]
- 21.
Artikel 731 is niet van toepassing wanneer de bewarende maatregel noodzakelijk is om dreigende schade of andere nadelige gevolgen voor de rechthebbende te voorkomen.
[…]’
Faillissementswet
20
Artikel 146 van de ustawa Prawo upadłościowe (faillissementswet) van 28 februari 2003, in de op de feiten van het hoofdgeding toepasselijke versie (Dz. U. van 2022, volgnr. 1520), bepaalt:
- ‘1.
Elke executieprocedure met betrekking tot de goederen van de insolvente boedel die is ingeleid vóór de datum van de faillietverklaring, wordt vanaf die datum van rechtswege geschorst. Die procedure wordt van rechtswege zonder voorwerp nadat het faillissementsvonnis in kracht van gewijsde is gegaan. […]
- 2.
Bedragen die voortkomen uit een geschorste executieprocedure en die nog niet zijn uitgekeerd, worden overgedragen aan de insolvente boedel nadat het faillissementsvonnis in kracht van gewijsde is gegaan.
[…]
- 3.
Na de datum van de faillietverklaring is het niet meer mogelijk tot gedwongen tenuitvoerlegging over te gaan op de goederen waaruit de insolvente boedel bestaat, noch om bewarende maatregelen ten aanzien van de goederen van de gefailleerde ten uitvoer te leggen of te gelasten, met uitzondering van bewarende maatregelen ten aanzien van onderhoudsvorderingen of vorderingen die voortvloeien uit een uitkering wegens ziekte, arbeidsongeschiktheid, invaliditeit of overlijden, alsmede pensioenen uit hoofde van de omzetting in lijfrente van een overeenkomst waarbij de verkrijger van een onroerend goed zich jegens de vervreemder heeft verbonden hem zorg, onderhoud en huisvesting te verstrekken.’
Wet op het bankgarantiefonds
21
Artikel 135 van de ustawa o Bankowym Funduszu Gwarancyjnym, systemie gwarantowania depozytów oraz przymusowej restrukturyzacji (wet op het bankgarantiefonds, het depositogarantiestelsel en de afwikkeling), van 10 juni 2016, in de op de feiten van het hoofdgeding toepasselijke versie (Dz. U. van 2022, volgnr. 793; hierna: ‘BFGU’), bepaalt in de leden 1 en 4:
- ‘1.
Er hoeft geen uitspraak te worden gedaan over procedures tot gedwongen tenuitvoerlegging of tot toekenning van bewarende maatregelen met betrekking tot het vermogen van een instelling in afwikkeling die vóór de initiëring van de gedwongen afwikkeling zijn ingeleid.
[…]
- 4.
Tijdens een procedure tot gedwongen afwikkeling mag ten aanzien van een marktdeelnemer in afwikkeling geen procedure tot gedwongen tenuitvoerlegging of tot het treffen van bewarende maatregelen worden ingeleid.’
22
Krachtens artikel 142, lid 1, BFGU kan de Bankowy Fundusz Gwarancyjny (bankgarantiefonds, Polen), de nationale afwikkelingsautoriteit, het recht om zekerheden in verband met de activa van een instelling in afwikkeling af te dwingen opschorten tot uiterlijk het einde van de werkdag volgend op de bekendmaking van haar bericht betreffende de opschorting van dat recht.
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
23
In 2007 hebben verzoekers in het hoofdgeding, OF en haar ouders RI en EI, als consumenten met Getin Noble Bank een hypothecaire kredietovereenkomst gesloten met een afbetalingsduur van 360 maanden ten bedrage van 185 375,71 Poolse zloty (PLN) (ongeveer 43 000 EUR). Deze overeenkomst bevatte een beding voor de omrekening van dit bedrag in Zwitserse frank (CHF) tegen de door die bank vastgestelde aankoopkoers en met een variabele rentevoet. De in Zwitserse frank berekende maandlasten moesten in Poolse zloty worden terugbetaald tegen de eveneens eenzijdig door die bank vastgestelde verkoopkoers.
24
Verzoekers in het hoofdgeding hebben bij de Sąd Okręgowy w Warszawie (rechter in eerste aanleg Warschau, Polen), de verwijzende rechter, een vordering ingesteld met betrekking tot de in het hoofdgeding aan de orde zijnde kredietovereenkomst. Primair strekt die vordering tot nietigverklaring van die overeenkomst wegens het oneerlijke karakter van sommige bedingen ervan, en bijgevolg tot veroordeling van Getin Noble Bank tot betaling van de bedragen van 48 352,97 PLN en 27 171,82 CHF (ongeveer 11 300 respectievelijk 29 000 EUR). Die bedragen komen overeen met de maandlasten die ter uitvoering van die overeenkomst waren betaald op de datum van indiening van hun vordering, vermeerderd met de wettelijke vertragingsrente en de kosten. Subsidiair strekt de vordering ertoe te laten vaststellen dat de betrokken bedingen oneerlijk zijn en die ongeldig te laten verklaren.
25
Op 29 september 2022 heeft het bankgarantiefonds, nadat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde vordering aanhangig was gemaakt, in zijn hoedanigheid van nationale afwikkelingsautoriteit een besluit vastgesteld waarbij Getin Noble Bank werd onderworpen aan een afwikkelingsprocedure. In het kader van die procedure heeft het bankgarantiefonds gebruikgemaakt van het instrument van de overbruggingsinstelling door een bank op te richten — thans VELO Bank S.A. genaamd — waaraan nagenoeg alle activa, rechten en passiva van de Getin Noble Bank zijn overgedragen. Dat besluit sloot van de overdracht de vermogensrechten uit die voortvloeien uit feitelijke handelingen, rechtshandelingen of inbreuken op de krediet- en leningsovereenkomsten in Zwitserse frank of gekoppeld aan de koers van de Zwitserse frank, alsmede de uit die vermogensrechten voortvloeiende aanspraken, met inbegrip van die welke het voorwerp zijn van burgerlijke of administratieve procedures.
26
Naar aanleiding van dat besluit van het bankgarantiefonds hebben verzoekers in het hoofdgeding bij de verwijzende rechter een kortgedingprocedure tegen Getin Noble Bank ingeleid. In die procedure hebben zij een verzoek om bewarende maatregelen ingediend met betrekking tot de rechten en verplichtingen van de partijen in de procedure ten gronde. Dat verzoek strekte ertoe hun contractuele verplichting tot betaling van de verschuldigde maandlasten ter uitvoering van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde kredietovereenkomst op te schorten tot de procedure in het hoofdgeding definitief was afgesloten. Tevens vorderden zij een verbod voor Getin Noble Bank om stappen te ondernemen om die overeenkomst te beëindigen en de aankondiging dat de betrokken lening niet werd terugbetaald.
27
De verwijzende rechter wijst erop dat op een dergelijk verzoek om bewarende maatregelen wordt beslist op basis van een prima-faciebeoordeling van de gegrondheid van het betoog van de partijen, rekening houdend met alle in de zaak ten gronde verzamelde bewijzen. In casu is deze rechter van oordeel dat de door verzoekers in het hoofdgeding betwiste bedingen in hun kredietovereenkomst als oneerlijk zouden kunnen worden aangemerkt en dat deze overeenkomst na de ongeldigverklaring van die bedingen niet kan voortbestaan.
28
Bijgevolg stelt de verwijzende rechter zich op het standpunt dat het mogelijk moet zijn om in te gaan op het verzoek om bewarende maatregelen dat met name bestaat in de opschorting van de verplichting van verzoekers in het hoofdgeding om de maandlasten van de in het hoofdgeding aan de orde zijn kredietovereenkomst te betalen. Hij twijfelt hierover evenwel omdat de betrokken verkoper een bank in afwikkeling is in de zin van richtlijn 2014/59.
29
De verwijzende rechter verwijst in dat verband naar artikel 135, leden 1 en 4, BFGU, op grond waarvan lopende procedures inzake bewarende maatregelen met betrekking tot een bank in afwikkeling zonder beslissing moeten worden afgedaan en geen nieuwe procedure inzake dergelijke maatregelen kan worden ingeleid. Volgens die rechter komen die bepalingen neer op een onjuiste, want extensieve omzetting van artikel 70, leden 1 en 4, van richtlijn 2014/59.
30
Naar aanleiding van een verzoek van het Hof om inlichtingen over de eventuele relevantie van artikel 142, lid 1, BFGU als omzettingsmaatregel van artikel 70, lid 1, van richtlijn 2014/59, heeft de verwijzende rechter in wezen aangegeven dat er inderdaad een overeenkomst bestaat tussen deze twee bepalingen, maar dat de toevoeging van artikel 135, leden 1 en 4, van deze wet problematisch is, aangezien laatstgenoemde bepalingen een veel ruimere werkingssfeer hebben dan artikel 70, lid 1, van de richtlijn.
31
De verwijzende rechter vraagt zich af of artikel 135, leden 1 en 4, BFGU de consumenten de door richtlijn 93/13 geboden bescherming ontneemt, en daardoor in strijd is met het doeltreffendheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel. De betrokken consumenten wordt immers de mogelijkheid ontnomen om tijdens de gerechtelijke procedure tot erkenning van het oneerlijke karakter van die bedingen daadwerkelijk te worden vrijgesteld van de uitvoering van een overeenkomst die mogelijk ongeldig is wegens de daarin opgenomen oneerlijke bedingen, terwijl zij het risico lopen later niet meer te kunnen profiteren van de terugbetalingsplicht die voortvloeit uit de eventuele vaststelling van die oneerlijkheid.
32
De verwijzende rechter benadrukt in dit verband dat in een situatie als aan de orde in het hoofdgeding, waarin een gedwongen tenuitvoerlegging tegen de bank is uitgesloten, een verrekening van wederzijdse vorderingen het enige effectieve middel is om deze terugbetalingsplicht uit te voeren. In geval van faillietverklaring van de bank zou echter de vordering van de consument op deze bank met betrekking tot de terugbetaling van de krachtens de kredietovereenkomst betaalde bedragen bovenop het geleende kapitaal, op dezelfde wijze worden behandeld als de vorderingen van de andere schuldeisers, hetgeen in de praktijk betekent dat de consument zijn vordering niet zal kunnen innen.
33
Voorts wijst de verwijzende rechter op het in artikel 34, lid 1, onder g), van richtlijn 2014/59 genoemde beginsel dat afwikkelingsprocedures zodanig moeten worden gevoerd dat schuldeisers geen grotere verliezen mogen lijden dan in het kader van een normale insolventieprocedure. Hij twijfelt eraan of dat beginsel kan worden nageleefd indien het verboden is om een verzoek om bewarende maatregelen in te dienen dat bestaat uit de opschorting van de verplichting tot betaling van de maandlasten van een krediet dat door de bank in afwikkeling is toegekend op grond van een overeenkomst waarvan de geldigheid wordt betwist.
34
De verwijzende rechter wijst er namelijk op dat het hoofdgeding gedeeltelijk betrekking heeft op een vordering die volgens hem ‘niet-geldelijk’ is, omdat die ertoe strekt de nietigheid van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde kredietovereenkomst te doen vaststellen, en dat overeenkomstig artikel 146, lid 3, van de faillissementswet — in de op het hoofdgeding van toepassing zijnde versie — bewarende maatregelen in verband met een dergelijke vordering mogelijk zijn ondanks de opening van een insolventieprocedure, aangezien dergelijke maatregelen in wezen geen bewarende maatregelen ten aanzien van de goederen van de gefailleerde vormen in de zin van die bepaling. In zijn antwoord op het verzoek om inlichtingen van het Hof heeft de verwijzende rechter aangegeven dat het in het hoofdgeding aan de orde zijnde verzoek om bewarende maatregelen ontvankelijk zou zijn geweest indien het was ingediend na de faillietverklaring van Getin Noble Bank, die ondertussen op 20 juli 2023 had plaatsgevonden.
35
Die ‘niet-geldelijke’ vordering moet volgens die rechter worden onderscheiden van de vordering tot terugbetaling van onverschuldigde prestaties die voortvloeit uit de terugbetalingsverplichting die volgt uit richtlijn 93/13, welke vermogensrechtelijke gevolgen heeft voor de gefailleerde, zodat een bewarende maatregel in verband met laatstgenoemde vordering niet mogelijk is.
36
Ten slotte is de verwijzende rechter van oordeel dat rekening moet worden gehouden met het feit dat de bank in geval van nietigverklaring van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde kredietovereenkomst een vordering tot terugbetaling van het geleende kapitaal zou hebben. Bijgevolg zou het in strijd kunnen zijn met het doel van de afwikkelingsprocedure om de nakoming van de uit die overeenkomst voortvloeiende verplichtingen van verzoekers in het hoofdgeding op te schorten voordat hun totale terugbetalingen een bedrag hebben bereikt dat overeenkomt met dat kapitaal, aangezien dit de procedure voor de inning van de schuldvorderingen van de betrokken bank, die bedoeld is om andere schuldeisers te voldoen, zou beperken of vertragen.
37
In deze omstandigheden heeft de Sąd Okręgowy w Warszawie de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:
‘Moeten artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van [richtlijn 93/13], gelezen in het licht van de beginselen van doeltreffendheid en evenredigheid, en artikel 34, lid 1, onder b) en g), en artikel 70, leden 1 en 4, van [richtlijn 2014/59] aldus worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan bepalingen van nationaal recht volgens welke het niet is toegestaan om ten aanzien van een bank in afwikkeling gevolg te geven aan een door een consument ingediend verzoek tot verkrijging van een door de rechter gelaste voorlopige maatregel (waarborging van een vordering) bestaande in de schorsing voor de duur van de gerechtelijke procedure van de verplichting van deze consument tot het aflossen van krediettermijnen uit hoofde van een uitgekeerde hoofdsom en de daarover verschuldigde rente, die voortvloeit uit een kredietovereenkomst die door de rechter waarschijnlijk nietig wordt verklaard als gevolg van de schrapping van de in die overeenkomst opgenomen oneerlijke contractuele bedingen, om de enkele reden dat een tot afwikkeling strekkende procedure ten aanzien van die bank is ingeleid?’
Beantwoording van de prejudiciële vraag
38
In de eerste plaats moet om te beginnen worden vastgesteld dat de verwijzende rechter het Hof verzoekt om artikel 70, leden 1 en 4, van richtlijn 2014/59 in aanmerking te nemen bij de gevraagde uitlegging van richtlijn 93/13, op grond dat artikel 135, leden 1 en 4, BFGU — dat in de verwijzingsbeslissing wordt aangeduid als de in de prejudiciële vraag bedoelde ‘nationale wetgeving’ — de omzetting vormt van dat artikel 70, leden 1 en 4.
39
Die bepalingen van het Unierecht enerzijds, en het Pools recht anderzijds, verschillen evenwel in doelstelling en draagwijdte. Artikel 70, leden 1 en 4, van richtlijn 2014/59 ziet op een bevoegdheid waarover een nationale afwikkelingsautoriteit moet beschikken om de afdwinging van zekerheidsrechten die verband houden met de activa van een instelling in afwikkeling over een uiterst korte periode te beperken, terwijl artikel 135, leden 1 en 4, BFGU — zoals blijkt uit de verwijzingsbeslissing — ziet op een verbod voor de nationale rechterlijke instanties om executieprocedures te behandelen of om bewarende maatregelen toe te kennen met betrekking tot het vermogen van die instelling, zolang zij aan die procedure is onderworpen.
40
Zoals de advocaat-generaal in de punten 31 tot en met 35 van haar conclusie in wezen heeft opgemerkt, zijn verzoekers in het hoofdgeding bovendien geen ‘schuldeisers met een zekerheid’ van een instelling in afwikkeling in de zin van artikel 70, lid 1, van richtlijn 2014/59. Uit de verwijzingsbeslissing blijkt namelijk dat zij wederpartij van een dergelijke instelling zijn en dat zij die instelling in rechte hebben gedagvaard teneinde te doen erkennen dat er sprake is van, ten eerste, een ‘schuldvordering’ bestaande in de nietigverklaring van een kredietovereenkomst en, ten tweede, een geldvordering bestaande in de terugbetaling van de bedragen die aan die instelling ter uitvoering van die overeenkomst zijn betaald. Die gestelde vorderingen gaan niet gepaard met een ‘zekerheidsrecht in verband met de activa van die instelling’ in de zin van artikel 70, lid 1. Bovendien staat een verzoek in kort geding dat strekt tot de toekenning van bewarende maatregelen als aan de orde in het hoofdgeding, en die voornamelijk bestaan in de opschorting tijdens de procedure ten gronde van de verplichting tot betaling van de bedragen die nog verschuldigd zijn op de in die overeenkomst bepaalde toekomstige vervaltermijnen, los van een dergelijke zekerheid (zie in die zin beschikking van 20 februari 2024, Getin Noble Bank, C-34/23, EU:C:2024:203, punt 32).
41
Overigens lijkt de verwijzende rechter naar aanleiding van een verzoek om inlichtingen van het Hof te hebben erkend dat, zoals de Poolse regering en de Europese Commissie in hun opmerkingen in het kader van de onderhavige procedure hebben betoogd, artikel 70 van richtlijn 2014/59 in Pools recht is omgezet bij een andere bepaling van de BFGU, namelijk artikel 142 ervan.
42
In de tweede plaats moet wat de door de verwijzende rechter in de prejudiciële vraag aangehaalde beginselen van doeltreffendheid en evenredigheid betreft, worden vastgesteld dat die rechter niet nader toelicht waarom hij het tweede beginsel vermeldt. Overeenkomstig artikel 94 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof moet elk verzoek om een prejudiciële beslissing de uiteenzetting bevatten van de redenen die de verwijzende rechter ertoe hebben gebracht om zich over de uitlegging of de geldigheid van bepalingen van het Unierecht vragen te stellen, alsmede van het verband tussen die bepalingen en de op het hoofdgeding toepasselijke nationale wetgeving. Dit vereiste geldt ook voor de algemene beginselen van het Unierecht waarover deze rechter zich in het kader van een dergelijk verzoek vragen stelt.
43
Bijgevolg moet ervan worden uitgegaan dat de verwijzende rechter met zijn vraag in wezen wenst te vernemen of artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13, gelezen in het licht van het doeltreffendheidsbeginsel en in samenhang met artikel 34, lid 1, onder b) en g), van richtlijn 2014/59, aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen nationale wetgeving die de nationale rechter verplicht tot afwijzing van een door een consument ingediend verzoek om bewarende maatregelen dat strekt tot opschorting van de betaling van de maandlasten die deze consument verschuldigd is op grond van een kredietovereenkomst waarvan hij de nietigverklaring vordert wegens de vermeend oneerlijke bedingen in die overeenkomst, en in afwachting van een definitieve beslissing over die vordering, op de enkele grond dat die overeenkomst is gesloten met een bank die het voorwerp uitmaakt van een afwikkelingsprocedure in de zin van richtlijn 2014/59, in het kader waarvan gebruik is gemaakt van het instrument van de overbruggingsinstelling door de oprichting van een andere bank waaraan het grootste deel van de activa, rechten en passiva van de bank in afwikkeling is overgedragen, maar niet de betrokken overeenkomst, die in het vermogen van het resterende deel van de instelling is achtergebleven, ook al zijn dergelijke bewarende maatregelen noodzakelijk om de volle werking van die definitieve beslissing te verzekeren.
44
Vooraf zij eraan herinnerd dat richtlijn 93/13 tot doel heeft een hoog niveau van consumentenbescherming te waarborgen [zie in die zin arresten van 19 september 2018, Bankia, C-109/17, EU:C:2018:735, punt 36, en 15 juni 2023, Getin Noble Bank (Opschorting van de uitvoering van een kredietovereenkomst), C-287/22, EU:C:2023:491, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak]. Die doelstelling strookt met het uit artikel 38 van het Handvest van de grondrechten voortvloeiende vereiste dat in het beleid van de Unie zorg wordt gedragen voor een hoog niveau van consumentenbescherming, wat in het bijzonder geldt voor de uitvoering van die richtlijn (zie in die zin arrest van 5 september 2024, Novo Banco e.a., C-498/22-C-500/22, EU:C:2024:686, punt 137 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
45
Daartoe verplicht artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 de lidstaten erop toe te zien dat oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen een verkoper en een consument de consument niet binden.
46
Hieruit volgt dat de nationale rechterlijke instanties die bedingen buiten toepassing dienen te laten zodat zij geen dwingende gevolgen hebben voor de consument, tenzij de consument zich daartegen verzet [arrest van 15 juni 2023, Getin Noble Bank (Opschorting van de uitvoering van een kredietovereenkomst), C-287/22, EU:C:2023:491, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
47
Wanneer het gaat om oneerlijke bedingen die de betaling van een geldsom voorschrijven, leidt die verplichting er in beginsel toe dat dat bedrag moet worden terugbetaald. Het vereiste om de situatie te herstellen waarin de betrokken consument zich zonder die oneerlijke bedingen rechtens en feitelijk zou hebben bevonden, met name door een recht in het leven te roepen op terugbetaling van de voordelen die de verkoper op grond van dat oneerlijke beding ten nadele van de consument onverschuldigd heeft verkregen, behoort tot de essentie van de aan consumenten door richtlijn 93/13 gewaarborgde bescherming [zie in die zin arrest van 30 juni 2022, Profi Credit Bulgaria (Ambtshalve verrekening bij oneerlijke bedingen), C-170/21, EU:C:2022:518, punten 42 en 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
48
Voorts zien de lidstaten er krachtens artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13 op toe dat er in het belang van de consumenten alsmede van de concurrerende verkopers, doeltreffende en geschikte middelen bestaan om een einde te maken aan het gebruik van oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen consumenten en verkopers.
49
Er zij dienaangaande aan herinnerd dat gelet op de aard en het gewicht van het openbare belang waarop de door richtlijn 93/13 aan de consument verzekerde bescherming berust, dient te worden vastgesteld dat artikel 6, lid 1, van die richtlijn moet worden beschouwd als een norm die gelijkwaardig is aan de nationale regels die in de interne rechtsorde als regels van openbare orde gelden (arresten van 6 oktober 2009, Asturcom Telecomunicaciones, C-40/08, EU:C:2009:615, punt 52, en 17 mei 2022, Unicaja Banco, C-869/19, EU:C:2022:397, punt 24). Artikel 7, lid 1, van die richtlijn houdt ook rechtstreeks verband met het openbare belang (zie in die zin arrest van 21 december 2016, Gutierrez Naranjo e.a., C-154/15, C-307/15 en C-308/15, EU:C:2016:980, punt 56).
50
Aangezien het Unierecht de procedures voor de beoordeling van het eventueel oneerlijke karakter van een contractueel beding niet harmoniseert, zijn deze procedures krachtens het beginsel van de procedurele autonomie van de lidstaten een zaak van de interne rechtsorde van de lidstaten, op voorwaarde evenwel dat zij voldoen aan de beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid [zie in die zin arrest van 9 april 2024, Profi Credit Polska (Heropening van een procedure die is afgesloten met een definitieve rechterlijke beslissing), C-582/21, EU:C:2024:282, punt 74 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
51
Krachtens het doeltreffendheidsbeginsel mogen de procedureregels voor vorderingen die worden ingesteld ter bescherming van de rechten die de justitiabelen aan het Unierecht ontlenen, de uitoefening van de door de rechtsorde van de Unie toegekende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken. Bij het onderzoek of dat beginsel in acht is genomen, moet rekening worden gehouden met de plaats van de betrokken regels in de gehele procedure, met het verloop van deze procedure en met de bijzondere kenmerken van die regels voor de verschillende nationale instanties [zie in die zin arrest van 9 april 2024, Profi Credit Polska (Heropening van een procedure die is afgesloten met een definitieve rechterlijke beslissing), C-582/21, EU:C:2024:282, punten 40 en 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
52
Het dient nog te worden benadrukt dat de verplichting voor de lidstaten om de doeltreffendheid te waarborgen van de rechten die justitiabelen aan het Unierecht ontlenen, met name van de rechten die voortvloeien uit richtlijn 93/13, impliceert dat moet worden gezorgd voor een doeltreffende voorziening in rechte, welk vereiste tevens in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie is neergelegd en in het bijzonder geldt voor procedureregels voor rechtsvorderingen die op dergelijke rechten zijn gebaseerd [zie in die zin arrest van 9 april 2024, Profi Credit Polska (Heropening van een procedure die is afgesloten met een definitieve rechterlijke beslissing), C-582/21, EU:C:2024:282, punt 76 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
53
Hoewel het aan de lidstaten staat om in hun nationale recht de nadere regels te bepalen op grond waarvan wordt vastgesteld dat in een overeenkomst tussen een verkoper en consumenten opgenomen bedingen oneerlijk zijn en de concrete juridische gevolgen van deze vaststelling worden uitgewerkt, moet die vaststelling evenwel van dien aard zijn dat de situatie waarin de betrokken consument zich rechtens en feitelijk zonder dat oneerlijke beding zou hebben bevonden, kan worden hersteld, eventueel door de erkenning van een recht op terugbetaling van de door de verkoper ten onrechte verkregen voordelen. Een in het nationale recht opgenomen regeling inzake de bescherming die richtlijn 93/13 aan consumenten biedt, mag namelijk niet aan de essentie van deze bescherming afdoen [zie in die zin arrest van 15 juni 2023, Getin Noble Bank (Opschorting van de uitvoering van een kredietovereenkomst), C-287/22, EU:C:2023:491, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
54
In dat verband heeft het Hof geoordeeld dat artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13 zich ertegen verzet dat een consument de mogelijkheid wordt ontnomen om een uitwinningsprocedure te laten opschorten die is ingeleid op grond van een uitvoerbare titel op basis van een contractueel beding waarvan de rechtmatigheid in rechte wordt betwist wegens het oneerlijke karakter ervan, wanneer, zonder die opschorting, de te geven beslissing ten gronde waarbij het oneerlijke karakter van dat beding wordt vastgesteld, aan de consument slechts bescherming achteraf biedt die uitsluitend in schadevergoeding bestaat, onvolledig en ontoereikend is en dus geen geschikt en doeltreffend middel vormt om een einde te maken aan het gebruik van dat beding (zie in die zin arrest van 14 maart 2013, Aziz, C-415/11, EU:C:2013:164, punt 60).
55
Bijgevolg vereist de door richtlijn 93/13 aan consumenten geboden bescherming, en in het bijzonder artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, ervan, dat wanneer er voldoende aanwijzingen zijn voor de nietigheid van de door de consument betwiste contractuele bedingen of van de overeenkomst zelf zodat terugbetaling van alle of een deel van de door deze consument betaalde bedragen waarschijnlijk is, de nationale rechter een passende bewarende maatregel moet kunnen gelasten indien dit noodzakelijk is om de volle werking van de te geven beslissing over het oneerlijke karakter van contractuele bedingen te waarborgen [zie in die zin arresten van 14 maart 2013, Aziz, C-415/11, EU:C:2013:164, punten 59, 60 en 64; 26 juni 2019, Addiko Bank, C-407/18, EU:C:2019:537, punten 57 en 58, en 15 juni 2023, Getin Noble Bank (Opschorting van de uitvoering van een kredietovereenkomst), C-287/22, EU:C:2023:491, punten 43 en 60].
56
De volle werking van de te geven beslissing ten gronde houdt met name in dat kan worden vermeden dat de consument in de loop van de gerechtelijke procedure, waarvan de duur aanzienlijk kan zijn, hogere bedragen betaalt dan die welke daadwerkelijk verschuldigd zijn indien in die beslissing zou worden vastgesteld dat de betwiste bedingen oneerlijk zijn, zodat het noodzakelijk kan zijn om in een dergelijk geval bewarende maatregelen te treffen [zie in die zin beschikking van 26 oktober 2016, Fernández Oliva e.a., C-568/14—C-570/14, EU:C:2016:828, punt 35, en arrest van 15 juni 2023, Getin Noble Bank (Opschorting van de uitvoering van een kredietovereenkomst), C-287/22, EU:C:2023:491, punt 42].
57
Bovendien moet de noodzaak om bewarende maatregelen te treffen worden beoordeeld in het licht van alle omstandigheden van het geval [zie in die zin arrest van 15 juni 2023, Getin Noble Bank (Opschorting van de uitvoering van een kredietovereenkomst), C-287/22, EU:C:2023:491, punt 59].
58
In het geval van een kredietovereenkomst is de mogelijkheid voor de nationale rechterlijke instanties om een dergelijke maatregel toe te kennen des te noodzakelijker wanneer de consument ter uitvoering van die overeenkomst reeds heeft betaald of het risico loopt aan de kredietinstelling een bedrag te moeten betalen dat hoger is dan het geleende bedrag [zie in die zin arrest van 15 juni 2023, Getin Noble Bank (Opschorting van de uitvoering van een kredietovereenkomst), C-287/22, EU:C:2023:491, punten 52 en 59].
59
Zoals de verwijzende rechter heeft aangegeven, moet echter worden opgemerkt dat de eventuele vaststelling dat de door de consument betwiste contractuele bedingen oneerlijk zijn, niet betekent dat elke schuldvordering van de kredietinstelling jegens die consument vervalt.
60
In casu hebben de twijfels van de verwijzende rechter hoofdzakelijk betrekking op het feit dat het nationale recht — in het bijzonder artikel 135, leden 1 en 4, BFGU — elke mogelijkheid uitsluit om bewarende maatregelen toe te kennen wanneer de verkoper die met een consument een overeenkomst heeft gesloten waarvan de geldigheid op basis van een prima-faciebeoordeling terecht in rechte wordt betwist, een kredietinstelling in afwikkeling is.
61
Gelet op de vraag die door die rechter is gesteld, moet derhalve worden nagegaan of — wanneer een kredietinstelling in afwikkeling is en er in het kader van de afwikkelingsprocedure gebruik is gemaakt van het instrument van de overbruggingsinstelling door de oprichting van een andere bank waaraan het grootste deel van de activa, rechten en passiva van die kredietinstelling is overgedragen — artikel 34, lid 1, onder b) en g), van richtlijn 2014/59 gevolgen heeft voor de mogelijkheid die de nationale rechter moet hebben om de door een consument gevraagde bewarende maatregelen toe te kennen en aldus de volle werking te verzekeren van de te geven rechterlijke beslissing inzake het gestelde oneerlijke karakter van een contractueel beding dat in het vermogen van het resterende deel van de instelling is achtergebleven.
62
Artikel 34, lid 1, onder b), van richtlijn 2014/59 stelt in essentie de volgorde vast waarin de personen op wie de opening van een afwikkelingsprocedure betrekking heeft, in beginsel de verliezen dragen van de instelling die aan die procedure is onderworpen, te weten de aandeelhouders en vervolgens de schuldeisers van die instelling, die laatsten in de rangorde van hun vorderingen zoals bepaald in het kader van een normale insolventieprocedure, die overeenkomstig artikel 2, lid 1, punt 47, van richtlijn 2014/59 onder het nationale recht valt.
63
Artikel 34, lid 1, onder b), bevat dus geen enkele aanwijzing over de mogelijkheid voor een consument om zijn eigen verplichtingen ten aanzien van de instelling in afwikkeling te laten opschorten.
64
In artikel 34, lid 1, onder g), van richtlijn 2014/59 is het beginsel neergelegd dat geen enkele schuldeiser grotere verliezen mag lijden dan hij zou hebben geleden indien de instelling in afwikkeling overeenkomstig de artikelen 73 tot en met 75 van deze richtlijn volgens een normale insolventieprocedure zou zijn geliquideerd.
65
Zoals de advocaat-generaal in de punten 72 tot en met 74 van haar conclusie in wezen heeft uiteengezet, impliceert het feit dat deze bepaling uitdrukkelijk verwijst naar de artikelen 73 tot en met 75 van richtlijn 2014/59 dat zij ziet op een beschermingsmaatregel die weliswaar onder meer ten goede komt aan de schuldeisers van een instelling in afwikkeling, maar die pas achteraf van toepassing is. Die maatregel veronderstelt immers dat de verliezen die deze schuldeisers daadwerkelijk hebben geleden bij hun werkelijke behandeling in het kader van de afwikkeling van die instelling worden vergeleken met de verliezen die zij zouden hebben geleden indien ten tijde van de vaststelling van het besluit om over te gaan tot afwikkeling een normale insolventieprocedure was geopend. Indien het eerste bedrag hoger blijkt te zijn dan het tweede, stelt deze maatregel hen in staat om betaling van het verschil te ontvangen uit de financieringsregeling voor de afwikkeling.
66
Bijgevolg heeft het in overweging 5 van richtlijn 2014/59 bedoelde ‘beginsel dat geen enkele schuldeiser slechter mag worden behandeld’ in verband met artikel 34, lid 1, onder g), ervan, gelezen in samenhang met de artikelen 73 tot en met 75 van deze richtlijn, geen betrekking op een eventuele procedurele bescherming met betrekking tot de toekenning van bewarende maatregelen — zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn — die schuldeisers van het resterende deel van instelling in het kader van de afwikkelingsprocedure zouden kunnen genieten. Artikel 34, lid 1, onder g), is dus evenmin relevant voor het antwoord op de vraag of een nationale rechter de bevoegdheid moet hebben om bewarende maatregelen te gelasten zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn.
67
Voorts moet worden opgemerkt, zoals de advocaat-generaal in punt 75 van haar conclusie in wezen heeft gedaan, dat richtlijn 2014/59 ook geen enkele andere bepaling bevat die betrekking kan hebben op een dergelijke bescherming, bij gebreke van een specifieke bepaling betreffende verzoeken om bewarende maatregelen die schuldeisers van een instelling in afwikkeling tegen die instelling hebben ingediend.
68
Hieruit volgt dat bepalingen als artikel 135, leden 1 en 4, BFGU, binnen de werkingssfeer vallen van artikel 1, lid 2, van richtlijn 2014/59, dat bepaalt dat de lidstaten regels mogen vaststellen of handhaven die strikter zijn dan of aanvullend zijn op de in die richtlijn neergelegde regels of de op grond van die richtlijn vastgestelde gedelegeerde handelingen en uitvoeringshandelingen.
69
Overeenkomstig die bepaling kunnen lidstaten dergelijke regels vaststellen, mits deze van algemene strekking zijn met richtlijn 2014/59 of de op grond van die richtlijn vastgestelde gedelegeerde handelingen en uitvoeringshandelingen.
70
In die omstandigheden moet worden nagegaan of de toepassing van de relevante bepalingen van richtlijn 93/13 in een context als die van het hoofdgeding de uitvoering van de afwikkelingsprocedure niet elk nuttig effect ontneemt of belemmert.
71
Dienaangaande heeft het Hof reeds geoordeeld dat de doelstellingen om de stabiliteit van het bankstelsel en het financiële stelsel te waarborgen en een systeemrisico te voorkomen, door de Unie nagestreefde doelstellingen van algemeen belang vormen. Richtlijn 2014/59 voorziet dus, voor het geval dat er zich een uitzonderlijke economische context voordoet, in het gebruik van een procedure die met name de rechten van schuldeisers van een kredietinstelling of beleggingsonderneming kan aantasten, teneinde de financiële stabiliteit van de lidstaten te waarborgen, door een insolventieprocedure in te voeren die afwijkt van het gemene recht inzake insolventieprocedures, die slechts in uitzonderlijke omstandigheden kan worden toegepast en die moet worden gerechtvaardigd door een hoger algemeen belang. Het uitzonderingskarakter van deze procedure impliceert dat andere bepalingen van Unierecht buiten toepassing kunnen worden gelaten wanneer deze de uitvoering van de afwikkelingsprocedure elk nuttig effect ontnemen of belemmeren (arrest van 5 mei 2022, Banco Santander, C-410/20, EU:C:2022:351, punten 36 en 37).
72
Niettemin moet worden opgemerkt dat in een context als die van het hoofdgeding, het nuttig effect van de afwikkelingsprocedure in beginsel is bereikt vanaf het moment waarop van het instrument van de overbruggingsinstelling gebruik is gemaakt en tegelijkertijd het grootste deel van de activa, rechten en passiva van de instelling in afwikkeling aan die overbruggingsinstelling is overgedragen, zodat procedurele incidenten in procedures betreffende activa die in het vermogen van de overbruggingsinstelling zijn gebleven dat nuttig effect niet kunnen aantasten en evenmin de uitvoering van de afwikkelingsprocedure kunnen belemmeren. Overigens moet worden benadrukt dat het resterende deel van die instelling vanaf dat moment op grond van artikel 37, lid 6, van richtlijn 2014/59 volgens een normale insolventieprocedure moet worden geliquideerd.
73
De omstandigheden van het hoofdgeding verschillen dus van die welke aan de orde waren in de arresten van 5 mei 2022, Banco Santander (C-410/20, EU:C:2022:351), en 5 september 2024, Novo Banco e.a. (C-498/22—C-500/22, EU:C:2024:686), aangezien de zaken waarin die twee arresten zijn gewezen betrekking hadden op entiteiten die na de inleiding van de afwikkelingsprocedure waren opgericht, en niet op het resterende deel van een instelling.
74
Volgens de prima-faciebeoordeling van de verwijzende rechter, zoals die voortvloeit uit het verzoek om een prejudiciële beslissing, zou in omstandigheden als die van het hoofdgeding de toekenning van bewarende maatregelen die ertoe strekken te voorkomen dat verdere betalingen worden verricht op basis van contractuele bedingen waarvan het oneerlijke karakter voortvloeit uit vaste nationale rechtspraak, bovendien slechts tot gevolg hebben dat wordt verhinderd dat het vermogen van het resterende deel van de instelling wordt vermeerderd met de onverschuldigde bedragen die de consumenten in de praktijk enkel moeten betalen wegens het voortduren van de procedure die zij ten gronde hebben ingeleid. In een situatie waarin, zoals in casu, de consument betalingen lijkt te hebben verricht voor een totaalbedrag dat ongeveer overeenkomt met het geleende kapitaal, is het van belang dat de nationale rechter kan beslissen om de verplichting van die consument tot betaling van de maandlasten die verschuldigd zijn uit hoofde van de kredietovereenkomst waarvan de nietigverklaring wordt gevorderd, op te schorten, teneinde te voorkomen dat het resterende deel van de instelling hogere bedragen ontvangt dan die waarop die instelling rechtmatig aanspraak zou kunnen maken in geval van nietigverklaring van die overeenkomst.
75
Gelet op het voorgaande moeten artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13, gelezen in het licht van het doeltreffendheidsbeginsel en in samenhang met richtlijn 2014/59, aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen nationale wetgeving die de nationale rechter verplicht tot afwijzing van een door een consument ingediend verzoek om bewarende maatregelen dat strekt tot opschorting van de betaling van de maandlasten die deze consument verschuldigd is op grond van een kredietovereenkomst waarvan hij nietigverklaring vordert wegens de vermeend oneerlijke bedingen in die overeenkomst, en in afwachting van een definitieve beslissing over die vordering, op de enkele grond dat die overeenkomst is gesloten met een bank die het voorwerp uitmaakt van een afwikkelingsprocedure in de zin van richtlijn 2014/59, in het kader waarvan gebruik is gemaakt van het instrument van de overbruggingsinstelling door de oprichting van een andere bank waaraan het grootste deel van de activa, rechten of passiva van de bank in afwikkeling is overgedragen, maar niet de betrokken overeenkomst, die in het vermogen van het resterende deel van de instelling is achtergebleven, ook al zijn dergelijke bewarende maatregelen noodzakelijk om de volle werking van die definitieve beslissing te verzekeren. In het kader van het onderzoek naar de noodzaak van die bewarende maatregelen moet de nationale rechter rekening houden met het feit dat de consument in de loop van de gerechtelijke procedure een hoger bedrag heeft betaald of dreigt te betalen dan het bedrag dat daadwerkelijk verschuldigd is in geval van nietigverklaring van die overeenkomst.
Kosten
76
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Derde kamer) verklaart voor recht:
Artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten, gelezen in het licht van het doeltreffendheidsbeginsel en in samenhang met richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van richtlijn 82/891/EEG van de Raad en de richtlijnen 2001/24/EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG, 2011/35/EU, 2012/30/EU en 2013/36/EU en de verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 648/2012, van het Europees Parlement en de Raad,
moeten aldus worden uitgelegd dat
zij zich verzetten tegen nationale wetgeving die de nationale rechter verplicht tot afwijzing van een door een consument ingediend verzoek om bewarende maatregelen dat strekt tot opschorting van de betaling van de maandlasten die deze consument verschuldigd is op grond van een kredietovereenkomst waarvan hij nietigverklaring vordert wegens de vermeend oneerlijke bedingen in die overeenkomst, en in afwachting van een definitieve beslissing over die vordering, op de enkele grond dat die overeenkomst is gesloten met een bank die het voorwerp uitmaakt van een afwikkelingsprocedure in de zin van richtlijn 2014/59, in het kader waarvan gebruik is gemaakt van het instrument van de overbruggingsinstelling door de oprichting van een andere bank waaraan het grootste deel van de activa, rechten of passiva van de bank in afwikkeling is overgedragen, maar niet de betrokken overeenkomst, die in het vermogen van het resterende deel van de instelling is achtergebleven, ook al zijn dergelijke bewarende maatregelen noodzakelijk om de volle werking van die definitieve beslissing te verzekeren. In het kader van het onderzoek naar de noodzaak van die bewarende maatregelen moet de nationale rechter rekening houden met het feit dat de consument in de loop van de gerechtelijke procedure een hoger bedrag heeft betaald of dreigt te betalen dan het bedrag dat daadwerkelijk verschuldigd is in geval van nietigverklaring van die overeenkomst.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 08‑05‑2025
Procestaal: Pools.
Conclusie 12‑12‑2024
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Consumentenbescherming — Richtlijn 93/13/EEG — Oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten — Artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1 — Hypothecaire kredietovereenkomst die is gekoppeld aan een vreemde valuta — Verzoek van de consument tot nietigverklaring van de overeenkomst — Verzoek om voorlopige maatregelen strekkende tot opschorting van de uitvoering van de overeenkomst — Voorlopige maatregelen — Richtlijn 2014/59/EU — Richtlijn herstel en afwikkeling van banken (BRRD) — Bank in afwikkeling — Artikel 34, lid 1, onder b) en g) — Algemene beginselen met betrekking tot afwikkeling — Geen enkele schuldeiser slechter af-beginsel — Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie — Effectieve rechterlijke bescherming
L. Medina
Partij(en)
Zaak C-324/23 [Myszak]1.i.
OF,
EI,
RI
tegen
M.K., Liquidator of Getin Noble Bank S.A., voorheen Getin Noble Bank S.A.
[verzoek van de Sąd Okręgowy w Warszawie (rechter in eerste aanleg Warschau, Polen) om een prejudiciële beslissing]
1.
Dit verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten2., alsmede artikel 34, lid 1, onder b) en g), en artikel 70, leden 1 en 4, van richtlijn 2014/59/EU3. betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen (hierna: ‘instellingen’).
2.
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen OF, EI en RI (hierna: ‘verzoekers’) en M.K., de curator van Getin Noble Bank S.A. Verzoekers, die consument zijn, hebben met de verwerende bank een overeenkomst inzake een aan de Zwitserse frank (CHF) gekoppeld hypothecair krediet gesloten, waarvan zij nog niet alle overeengekomen termijnen hebben afgelost. Zij hebben bij de verwijzende rechter beroep tot nietigverklaring van deze overeenkomst ingesteld, op grond dat deze oneerlijke bedingen bevatte. Terwijl die procedure liep, werd Getin Noble Bank in afwikkeling geplaatst.
3.
Daarop hebben verzoekers een verzoek om voorlopige maatregelen ingediend, strekkende tot opschorting van hun verplichtingen voor de duur van de procedure ten gronde. Deze maatregelen worden door het nationale recht aangemerkt als bewarende maatregelen, waarmee verzoekers vorderen dat hun verplichting tot betaling van de maandelijkse aflossingen van het krediet tijdens deze procedure wordt opgeschort voor de duur van het hoofdgeding.4.
4.
Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de bescherming die consumenten aan richtlijn 93/13 ontlenen, kan worden beperkt wanneer de betrokken bank het voorwerp is van een afwikkelingsprocedure die onder richtlijn 2014/59 valt. In de onderhavige zaak wordt het Hof dan ook verzocht om een evenwicht te zoeken tussen de gevolgen van deze twee richtlijnen.
I. Toepasselijke bepalingen
A. Unierecht
1. Richtlijn 93/13
5.
Artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 bepaalt:
‘De lidstaten bepalen dat oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen een verkoper en een consument onder de in het nationale recht geldende voorwaarden de consument niet binden en dat de overeenkomst voor de partijen bindend blijft indien de overeenkomst zonder de oneerlijke bedingen kan voortbestaan.’
6.
Artikel 7, lid 1, van deze richtlijn luidt:
‘De lidstaten zien erop toe dat er in het belang van de consumenten alsmede van de concurrerende verkopers, doeltreffende en geschikte middelen bestaan om een eind te maken aan het gebruik van oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen consumenten en verkopers.’
2. Richtlijn 2014/59
7.
De overwegingen 3, 5, 10, 31, 48, 50, 51, 60 en 69 zijn relevant voor deze conclusie.
8.
Artikel 34 van deze richtlijn, met als opschrift ‘Algemene beginselen met betrekking tot afwikkeling’, bepaalt in lid 1, onder b) en g):
‘De lidstaten dragen er zorg voor dat de afwikkelingsautoriteiten bij de toepassing van de afwikkelingsinstrumenten en de uitoefening van de afwikkelingsbevoegdheden alle passende maatregelen nemen om te waarborgen dat de afwikkelingsmaatregel in overeenstemming met de volgende beginselen wordt genomen:
[…]
- b)
schuldeisers van de instelling in afwikkeling dragen verliezen na de aandeelhouders volgens de rangorde van hun vorderingen overeenkomstig normale insolventieprocedures, tenzij in deze richtlijn uitdrukkelijk anders is bepaald;
[…]
- g)
geen enkele crediteur lijdt grotere verliezen dan hij zou hebben geleden in het kader van een normale insolventieprocedure ten aanzien van de instelling of de in artikel 1, lid 1, onder b), c) of d), bedoelde entiteit, overeenkomstig de waarborgen in de artikelen 73 tot en met 75’.
9.
Artikel 37 van richtlijn 2014/59 draagt het opschrift ‘Algemene beginselen van afwikkelingsinstrumenten’ en bepaalt in lid 1 en in lid 3, onder b), dat de afwikkelingsautoriteiten over de nodige bevoegdheden moeten beschikken om de afwikkelingsinstrumenten, met inbegrip van het instrument van de overbruggingsinstelling, toe te passen. Artikel 37, lid 6, van deze richtlijn vereist dat de instellingen waarvan activa worden overgedragen, binnen een redelijke termijn volgens een normale insolventieprocedure worden geliquideerd, waarbij er rekening mee wordt gehouden dat het noodzakelijk kan zijn om de continuïteit van essentiële diensten te waarborgen.
10.
Artikel 70 van richtlijn 2014/59, met als opschrift ‘Bevoegdheid om de afdwinging van zekerheidsrechten te beperken’, bepaalt in lid 1:
‘De lidstaten dragen er zorg voor dat afwikkelingsautoriteiten bevoegd zijn om schuldeisers met een zekerheid van een instelling in afwikkeling te beperken in hun mogelijkheden om hun zekerheidsrechten in verband met activa van die instelling in afwikkeling af te dwingen vanaf de bekendmaking overeenkomstig artikel 83, lid 4, van een bericht betreffende de beperking tot middernacht aan het eind van de werkdag volgend op die bekendmaking in de lidstaat waar de instelling in afwikkeling is gevestigd.’
11.
Artikel 73 van richtlijn 2014/59 bevat regels betreffende de behandeling van aandeelhouders en schuldeisers in geval van gedeeltelijke overdrachten en toepassing van het instrument van bail-in. Om te beoordelen of de aandeelhouders en de schuldeisers beter zouden zijn behandeld mocht een normale insolventieprocedure zijn geopend ten aanzien van de instelling in afwikkeling, wordt in artikel 74 van deze richtlijn van de lidstaten vereist dat zij er zorg voor dragen dat een waardering door een onafhankelijke persoon wordt verricht. Krachtens artikel 75 van richtlijn 2014/59 dienen de lidstaten ervoor te zorgen dat, indien bij de overeenkomstig artikel 74 van deze richtlijn verrichte waardering blijkt dat enige aandeelhouder of schuldeiser grotere verliezen heeft geleden dan deze in het kader van een normale insolventieprocedure zouden hebben geleden, deze aandeelhouder of schuldeiser recht heeft op de betaling van het verschil uit de financieringsregelingen voor de afwikkeling.
B. Pools recht
1. Burgerlijk wetboek
12.
Artikel 3851, lid 1, van de ustawa — Kodeks cywilny (wet houdende het burgerlijk wetboek) van 23 april 19645., geconsolideerde versie6. (hierna: ‘KC’), bepaalt dat bedingen in een consumentenovereenkomst waarover niet afzonderlijk is onderhandeld de consument niet binden indien zij de rechten en verplichtingen van de consument definiëren op een wijze die in strijd is met de goede zeden en een grove schending van zijn belangen vormt (oneerlijke bedingen).
2. Wetboek van burgerlijke rechtsvordering
13.
In artikel 7301 van de ustawa — Kodeks postępowania cywilnego (wet houdende het wetboek van burgerlijke rechtsvordering) van 17 november 19647., geconsolideerde versie8. (hierna: ‘KPC’), wordt bepaald:
- ‘1.
Elke procespartij of deelnemer aan de procedure kan verzoeken om een preventieve maatregel indien de betrokkene zijn vordering en rechtsbelang bij een dergelijke maatregel prima facie aannemelijk maakt.
- 2.
Van een rechtsbelang bij een preventieve maatregel is sprake wanneer de tenuitvoerlegging van de in de zaak te geven beslissing wordt verhinderd of in ernstige mate wordt bemoeilijkt of de verwezenlijking van het doel van de procedure anderszins wordt verhinderd of in ernstige mate wordt bemoeilijkt indien geen bewarende maatregel wordt getroffen.
[…]
- 3.
Bij de keuze van de specifieke preventieve maatregel houdt de rechter rekening met de belangen van de partijen in of de deelnemers aan de procedure, voor zover dat nodig is om aan de rechthebbende een passende rechtsbescherming te bieden en om degene op wie de verplichting rust niet zwaarder dan nodig te belasten.’
14.
Volgens de verwijzende rechter zijn de artikelen 731 en 755 en artikel 7552, lid 1, KPC ook relevant voor het hoofdgeding.
3. Wet op het bankgarantiefonds
15.
Artikel 135, leden 1 en 4, van de ustawa o Bankowym Funduszu Gwarancyjnym, systemie gwarantowania depozytów oraz przymusowej restrukturyzacji9. (wet op het bankgarantiefonds, het depositogarantiestelsel en de gedwongen afwikkeling) van 10 juni 2016 (hierna: ‘BFGU’) bepaalt:
- ‘1.
Er hoeft geen uitspraak te worden gedaan over procedures tot gedwongen tenuitvoerlegging of tot toekenning van bewarende maatregelen met betrekking tot de activa van een instelling in afwikkeling die vóór de initiëring van de gedwongen afwikkeling zijn ingeleid.
[…]
- 4.
Tijdens een procedure tot gedwongen afwikkeling mag ten aanzien van een marktdeelnemer in afwikkeling geen procedure tot gedwongen tenuitvoerlegging of tot het treffen van bewarende maatregelen worden ingeleid.’
16.
Krachtens artikel 142, lid 1, van deze wet kan de Bankowy Fundusz Gwarancyjny (bankgarantiefonds, Polen; hierna: ‘fonds’) het recht om zekerheden in verband met de activa van een instelling in afwikkeling af te dwingen opschorten tot uiterlijk het einde van de werkdag volgend op de bekendmaking van haar bericht betreffende de opschorting van dat recht.
4. Faillissementswet
17.
Artikel 146, lid 1, van de Ustawa-Prawo upadłościowe (faillissementswet van 28 februari 200310.; hierna: ‘UPU’) bepaalt dat de executieprocedure ten aanzien van de goederen van een insolvente boedel door de faillietverklaring automatisch wordt opgeschort en eindigt zodra het faillissementsvonnis uitvoerbaar is geworden. Krachtens lid 2 van dit artikel gaan de niet-uitgekeerde bedragen die voortvloeien uit een opgeschorte procedure naar de failliete boedel. Op grond van lid 3 is afdwinging na de verklaring verboden, met uitzondering van specifieke rechten op alimentatie of pensioen.
II. Feiten van het hoofdgeding en prejudiciële vraag
18.
In 2007 heeft OF, samen met haar ouders RI en EI, met verweerster Getin Noble Bank een hypothecaire kredietovereenkomst gesloten met een afbetalingstermijn van 360 maanden ten bedrage van 185 375,71 Poolse zloty (PLN) (ongeveer 40 000 EUR) (hierna: ‘in het hoofdgeding aan de orde zijnde kredietovereenkomst’). Deze kredietovereenkomst voorzag in een beding voor de omrekening van dit bedrag in Zwitserse frank (CHF) tegen de door deze bank in een tabel vastgestelde aankoopkoers. De in CHF berekende maandelijkse aflossingen moesten in PLN worden terugbetaald tegen de eveneens eenzijdig door die bank vastgestelde verkoopkoers, zoals op de vervaldag vermeld in de tabel van de bank.
19.
Het krediet was bedoeld om een deel van de koopprijs van een onroerend goed alsook de kredietkosten te dekken. Verzoekers in het hoofdgeding zijn via een vergelijkende tabel geïnformeerd over de gevolgen van de schommelingen van de rentevoeten en wisselkoersen voor die kredietovereenkomst.
20.
Op 29 september 2022 heeft het fonds op grond van de BFGU besloten om Getin Noble Bank gedwongen af te wikkelen met gebruikmaking van het instrument van de overbruggingsinstelling. Bij het door het fonds gegeven besluit is een nieuwe marktdeelnemer met de naam VELO Bank S.A. opgericht. Daaraan zijn nagenoeg alle rechten en verplichtingen van verweerster overgedragen, onder uitsluiting evenwel van zakelijke rechten die voortvloeien uit feitelijke handelingen, rechtshandelingen of verboden handelingen die verband houden met in CHF luidende krediet- en leningsovereenkomsten of overeenkomsten inzake aan deze valuta gekoppelde kredieten en leningen alsmede van uit dergelijke zakelijke rechten voortvloeiende vorderingen, met inbegrip van vorderingen die het voorwerp uitmaken van civiele en bestuurlijke procedures, ongeacht het tijdstip waarop deze vorderingen zijn ingesteld. Volgens de verwijzende rechter betekent dit dat het vermogen van Getin Noble Bank voornamelijk bestaat uit vorderingen die voortvloeien uit kredietovereenkomsten die, zoals die van verzoekers, vermeende oneerlijke contractuele bedingen bevatten die met terugwerkende kracht ter discussie kunnen worden gesteld.
21.
Uit de verklaringen die in de media door het fonds zijn afgelegd, volgde dat binnen een jaar een verzoek tot faillietverklaring en liquidatie van Getin Noble Bank zou worden ingediend.
22.
Verzoekers hebben bij de verwijzende rechter beroep ingesteld tot nietigverklaring van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde kredietovereenkomst en tot veroordeling van verweerster tot betaling van 48 352,97 PLN en 27 171,82 CHF (wat overeenkomt met ongeveer 95 % van de uitgekeerde hoofdsom), vermeerderd met de wettelijke vertragingsrente en de proceskosten. Verzoekers hebben aangegeven dat de door hen gesloten kredietovereenkomst oneerlijke bedingen inzake de koppeling van het kredietbedrag aan een vreemde valuta bevat. Het door verzoekers gevorderde bedrag komt overeen met de som van de door hen verrichte betalingen. Subsidiair hebben verzoekers verzocht de overeenkomst voort te zetten nadat de oneerlijke bedingen daaruit zijn geschrapt.
23.
Getin Noble Bank heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vordering en de onrechtmatigheid van de bepalingen van de overeenkomst betwist.
24.
Nadat het afwikkelingsbesluit was vastgesteld, hebben verzoekers een verzoek om voorlopige maatregelen ingediend. In het kader daarvan hebben zij verzocht om hun vordering tot nietigverklaring van de kredietovereenkomst veilig te stellen door de rechten en verplichtingen van de procespartijen voor de duur van de procedure ten gronde vast te stellen. Zij hebben met name verzocht om opschorting van de verplichting tot maandelijkse aflossing van de krediettermijnen voor de periode vanaf de instelling van hun beroep tot het einde van de procedure. Bovendien hebben verzoekers gevraagd verweerster te verbieden om de overeenkomst ontbonden te verklaren en om in het kader van de werkzaamheden van de Biuro Informacji Gospodarczej (bureau voor economische informatie, Polen) bekend te maken dat verzoekers geen kredietaflossingen hebben verricht in de periode vanaf de aanvang van de bewarende maatregel tot de beëindiging van de procedure.
25.
De verwijzende rechter wijst erop dat de rechter in het kader van een kortgedingprocedure over de bewarende maatregelen beslist op basis van een prima-faciebewijs van de vorderingen van partijen, rekening houdend met alle in de zaak ten gronde verzamelde bewijzen. De verwijzende rechter merkt ten eerste op dat verzoekers consument zijn, ten tweede dat de bedingen van de betrokken kredietovereenkomst oneerlijk zijn omdat zij de consument een wisselkoersrisico opleggen en de bank in staat stellen het wisselkoersverschil willekeurig vast te stellen11., en ten derde dat de wijzigingen in de door partijen gesloten overeenkomst niet tot gevolg hebben gehad dat die bedingen geldig zijn geworden.
26.
De verwijzende rechter preciseert dat het in het licht van de rechtspraak van het Hof mogelijk moet zijn om voorlopige maatregelen toe te kennen waardoor de verplichting van verzoekers tot betaling van de maandelijkse aflossingstermijnen van het krediet in de zaak ten gronde kan worden opgeschort. De nationale rechters dienen evenwel, overeenkomstig artikel 135, leden 1 en 4, BFGU, zoals door hen uitgelegd, te beslissen dat een verzoek om voorlopige maatregelen niet hoeft te worden beoordeeld wanneer er een bank in afwikkeling bij betrokken is. Volgens de verwijzende rechter is een dergelijke uitlegging in strijd met de bepalingen van richtlijn 93/13 en heeft deze tot gevolg dat de consument rechten verliest waarop hij krachtens deze richtlijn aanspraak kan maken.
27.
Bovendien merkt de verwijzende rechter op dat, aangezien de waarborging van een vordering zoals die in het hoofdgeding, geoorloofd is in het kader van een normale insolventieprocedure, een uitlegging van artikel 135, leden 1 en 4, BFGU volgens welke een dergelijke vordering niet kan worden gewaarborgd, kan inhouden dat de consumenten die schuldeiser zijn worden benadeeld in vergelijking met dergelijke consumenten van banken die volgens een insolventieprocedure worden geliquideerd. Een dergelijke uitlegging is derhalve in strijd met artikel 34, lid 1, onder g), van richtlijn 2014/59.
28.
In deze omstandigheden heeft de Sąd Okręgowy w Warszawie (rechter in eerste aanleg Warschau, Polen) de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:
‘Moeten artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van [richtlijn 93/13], gelezen in het licht van de beginselen van doeltreffendheid en evenredigheid, en artikel 34, lid 1, onder b) en g), en artikel 70, leden 1 en 4, van [richtlijn 2014/59] aldus worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan bepalingen van nationaal recht volgens welke het niet is toegestaan om ten aanzien van een bank in gedwongen afwikkeling en om de enkele reden dat een tot gedwongen afwikkeling strekkende procedure ten aanzien van die bank is ingeleid, gevolg te geven aan een door een consument ingediend verzoek tot verkrijging van een door de rechter gelaste voorlopige maatregel (waarborging van een vordering) bestaande in de schorsing voor de duur van de gerechtelijke procedure van de verplichting van deze consument tot het aflossen van krediettermijnen uit hoofde van een uitgekeerde hoofdsom en de daarover verschuldigde rente, die voortvloeit uit een kredietovereenkomst die door de rechter waarschijnlijk nietig zal worden verklaard als gevolg van de schrapping van de in die overeenkomst opgenomen oneerlijke contractuele bedingen?’
III. Procedure bij het Hof
29.
Verzoekers in het hoofdgeding, de Poolse regering en de Europese Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend. Deze partijen hebben, evenals verweerster in het hoofdgeding, ter terechtzitting van 17 oktober 2024 mondelinge opmerkingen gemaakt.
IV. Analyse
A. Herformulering van de vraag
30.
De verwijzende rechter wijst erop dat artikel 135, leden 1 en 4, BFGU een onjuiste omzetting van artikel 70, lid 1, van richtlijn 2014/59 vormen.
31.
Zoals de Poolse regering en de Commissie betogen, blijkt in dit verband dat artikel 70, lid 1, van richtlijn 2014/59 in feite in Pools recht is omgezet bij artikel 142, lid 1, BFGU, dat een andere temporele werkingssfeer heeft dan artikel 135, leden 1 en 4, ervan. In het bijzonder heeft artikel 135, lid 1, BFGU betrekking op procedures tot toekenning van bewarende maatregelen die zijn ingeleid vóór de inleiding van een afwikkelingsprocedure, terwijl artikel 135, lid 4, van deze wet betrekking heeft op verzoeken die tijdens de periode van gedwongen afwikkeling worden ingediend tegen de entiteit die daaraan wordt onderworpen. Artikel 70, lid 1, van richtlijn 2014/59 ziet echter op een zeer korte termijn, vanaf de bekendmaking van een bericht betreffende de beperking12. tot middernacht aan het eind van de werkdag volgend op die bekendmaking in de lidstaat waar de instelling in afwikkeling is gevestigd.
32.
Hoe dan ook herinner ik eraan dat het Hof in zaak C-34/2313. — een recente zaak waarvan de feitelijke omstandigheden vergelijkbaar zijn met die van de onderhavige zaak — is verzocht om uitlegging van artikel 70, lid 1, van richtlijn 2014/59 in relatie tot artikel 135, leden 1 en 4, BFGU. Het Hof heeft in zijn beschikking in die zaak vastgesteld dat het hoofdgeding betrekking had op een verzoek om voorlopige maatregelen dat kennelijk niet binnen de werkingssfeer van artikel 70, lid 1, van richtlijn 2014/59 viel.
33.
Het Hof heeft gespecificeerd dat het beroep in het hoofdgeding, waarmee verzoekers hadden verzocht om vaststelling van bewarende maatregelen in verband met een kredietovereenkomst, geen betrekking had op zekerheidsrechten. Het Hof heeft daaraan toegevoegd dat ‘een consument die een vordering tot nietigverklaring van een met Getin Noble Bank gesloten hypothecaire kredietovereenkomst heeft ingesteld, niet de hoedanigheid van ‘schuldeiser met een zekerheid’ van die bank in de zin van artikel 70, lid 1, van richtlijn 2014/59 [heeft]’14.. Het Hof heeft geoordeeld dat het hoofdgeding kennelijk niet binnen de werkingssfeer van deze bepaling viel, zodat de prejudiciële vraag, die uitsluitend betrekking had op de uitlegging daarvan, geen verband hield met het voorwerp van dat geding.15.
34.
Het is juist dat schuldenaren op grond van een kredietovereenkomst (die schuldeiser kunnen worden indien het krediet door een rechter nietig wordt verklaard) als potentiële schuldeiser of uiteindelijk zelfs als schuldeiser kunnen worden beschouwd. In het geval van kredietovereenkomsten met consumenten is een schuldeiser met een zekerheid, zoals de Commissie ter terechtzitting heeft uiteengezet, een kredietverlener of schuldeiser die een wettelijke vordering heeft op de eigendommen of vermogensbestanddelen van de schuldenaar. Bijgevolg zijn verzoekers die geen wettelijke vordering hebben op de betrokken eigendommen geen ‘schuldeiser met een zekerheid’ in de zin van deze bepaling.
35.
In casu verzoeken verzoekers, die consument zijn, eveneens om bewarende maatregelen ten aanzien van een kredietovereenkomst die is gesloten met een instelling in afwikkeling. Evenmin als in de zaak die tot de bovengenoemde beschikking heeft geleid, kunnen verzoekers in het hoofdgeding dus worden beschouwd als ‘schuldeisers met een zekerheid’. Hieruit volgt mutatis mutandis dat artikel 70, lid 1, van richtlijn 2014/59 geen verband houdt met het voorwerp van het onderhavige geding. Bijgevolg is het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing overeenkomstig deze recente beschikking van het Hof kennelijk niet-ontvankelijk voor zover het betrekking heeft op deze bepaling. Aangezien artikel 70, lid 4, van deze richtlijn verwijst naar de uitoefening van een bevoegdheid krachtens ditzelfde artikel, is deze bepaling evenmin relevant voor het onderhavige geding.
36.
Bijgevolg moet de vraag van de verwijzende rechter in die zin worden geherformuleerd dat hij daarmee in wezen wenst te vernemen of artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13, gelezen in het licht van het doeltreffendheidsbeginsel en in samenhang met artikel 34, lid 1, onder b) en g), van richtlijn 2014/59, aldus moeten worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een nationale regeling of praktijk op grond waarvan geen voorlopige maatregelen kunnen worden toegekend tot opschorting, voor de duur van een gerechtelijke procedure, van de verplichting om in de toekomst maandelijkse aflossingen van een krediet te verrichten, om de enkele reden dat de verwerende bank is onderworpen aan een afwikkelingsprocedure overeenkomstig richtlijn 2014/59.16.
37.
Aangezien de verwijzende rechter met zijn prejudiciële vraag wenst vast te stellen hoe de bepalingen van richtlijn 2014/59 zich verhouden tot die van richtlijn 93/13, gelezen in het licht van het doeltreffendheidsbeginsel, zal ik eerst deze bepalingen onderzoeken om vervolgens in te gaan op hun onderlinge wisselwerking.
B. Uitlegging van artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13
38.
Het Hof heeft geoordeeld dat artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 aldus moet worden uitgelegd dat een oneerlijk contractueel beding in beginsel moet worden geacht nooit te hebben bestaan, zodat het geen gevolgen heeft ten aanzien van de consument. Derhalve moet de vaststelling in rechte dat een dergelijk beding oneerlijk is in beginsel tot gevolg hebben dat de situatie waarin de consument rechtens en feitelijk zonder dat beding zou hebben verkeerd, wordt hersteld. De verplichting voor de nationale rechter om een oneerlijk contractueel beding tot betaling van bedragen die onverschuldigd blijken, buiten toepassing te laten, leidt in beginsel tot een terugbetalingsplicht die overeenkomt met deze zelfde bedragen.17. Gesteld zou kunnen worden dat het Hof, wanneer banken onder normale omstandigheden opereren, steeds de bescherming van de consument heeft verdedigd ingeval dat strijdig was met de belangen van de financiële instellingen, met name in het kader van oneerlijke bedingen in overeenkomsten.18.
39.
In casu is de verwijzende rechter van oordeel dat, indien hij zou vaststellen dat bepaalde bedingen van de betrokken hypothecaire kredietovereenkomst oneerlijk zijn, het resterende deel ervan na de schrapping van die bedingen niet kan worden gehandhaafd en dat de overeenkomst in haar geheel nietig moet worden verklaard. De onderhavige conclusie berust derhalve op de vooronderstelling dat de verwijzende rechter voldoende zeker is van de noodzaak om de betrokken hypothecaire kredietovereenkomst nietig te verklaren, zodat een consument recht heeft op terugbetaling van de bedragen die uit hoofde van die overeenkomst reeds aan de bank zijn betaald.
40.
Wat de toekenning van voorlopige maatregelen betreft, harmoniseert het Unierecht niet de procedures voor de beoordeling van het vermeende oneerlijke karakter van een contractueel beding. Derhalve zijn deze procedures een zaak van de interne rechtsorde van de lidstaten19., overeenkomstig het beginsel van de procedurele autonomie van de lidstaten, op voorwaarde evenwel dat zij het gelijkwaardigheidsbeginsel en het doeltreffendheidsbeginsel in acht nemen.20.
41.
Met betrekking tot het doeltreffendheidsbeginsel moet in het bijzonder worden benadrukt dat de verplichting voor de lidstaten om de doeltreffendheid te waarborgen van de rechten die justitiabelen aan het Unierecht ontlenen — met name van de rechten die voortvloeien uit richtlijn 93/13 — impliceert dat moet worden gezorgd voor effectieve rechterlijke bescherming, welk vereiste tevens is verankerd in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: ‘Handvest’), en dat met name geldt voor de vaststelling van de procedureregels betreffende rechtsvorderingen die op dergelijke rechten gebaseerd zijn.21. Het is vaste rechtspraak dat de rechter bij wie een door het Unierecht beheerst geding aanhangig is, de mogelijkheid moet hebben om voorlopige maatregelen te gelasten ter verzekering van de volle werking van de rechterlijke uitspraak die moet worden gedaan over het bestaan van de rechten waarop krachtens het Unierecht een beroep wordt gedaan.22. Het Hof heeft geoordeeld dat het beginsel van effectieve rechterlijke bescherming van de door het Unierecht aan de justitiabelen verleende rechten aldus moet worden uitgelegd dat het vereist dat in de rechtsorde van een lidstaat voorlopige maatregelen kunnen worden gelast totdat de bevoegde rechter zich heeft uitgesproken over de verenigbaarheid van nationale bepalingen met het Unierecht, indien dergelijke maatregelen noodzakelijk zijn ter verzekering van de volle werking van de rechterlijke uitspraak die moet worden gedaan over het bestaan van dergelijke rechten.23. Samenvattend moet de rechter bij wie een door het Unierecht beheerst geding aanhangig is, de mogelijkheid hebben om voorlopige maatregelen te gelasten ter verzekering van de volle werking van de rechterlijke uitspraak die moet worden gedaan over het bestaan van de rechten die krachtens het Unierecht worden ingeroepen.
42.
De kwestie van de toekenning van voorlopige maatregelen in het kader van een procedure betreffende de rechten die consumenten aan richtlijn 93/13 ontlenen, is overigens voorwerp geweest van verschillende arresten van het Hof, waaronder recentelijk het arrest van 15 juni 2023, Getin Noble Bank (Opschorting van de uitvoering van een kredietovereenkomst)24., dat is gewezen na het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing, maar dat betrekking heeft op vrijwel gelijke feitelijke omstandigheden.25.
43.
In die zaak heeft het Hof vastgesteld dat richtlijn 93/13 zich verzet tegen een nationale regeling die de rechter ten gronde, die bevoegd is om te beoordelen of een contractueel beding oneerlijk is, belet om voorlopige maatregelen op te leggen, zoals de opschorting van een executieprocedure, wanneer die maatregelen noodzakelijk zijn om de volle werking van zijn eindbeslissing te waarborgen, aangezien die regeling afbreuk kan doen aan de doeltreffendheid van de door die richtlijn beoogde bescherming.26. Het Hof heeft er tevens op gewezen dat het noodzakelijk kan zijn dergelijke maatregelen te nemen, met name wanneer er een risico bestaat dat de consument tijdens de gerechtelijke procedure, die lang kan duren, hogere maandelijkse aflossingen betaalt dan de aflossingen die daadwerkelijk verschuldigd zijn indien dat beding buiten toepassing zou moeten worden gelaten.27.
44.
Het Hof heeft geoordeeld dat de door richtlijn 93/13, en in het bijzonder artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, ervan, aan de consument geboden bescherming bijgevolg vereist dat de nationale rechter een passende voorlopige maatregel kan bevelen indien dat nodig is om de volle werking van de met betrekking tot het oneerlijke karakter van contractuele bedingen te wijzen beslissing te waarborgen.28. In het bijzonder heeft het Hof benadrukt dat de toekenning van een dergelijke voorlopige maatregel bovendien des te noodzakelijker lijkt wanneer die consument, nog voordat hij een procedure heeft ingeleid, aan de betrokken bank een bedrag heeft betaald dat hoger is dan het geleende bedrag.29. Het Hof is in wezen tot de slotsom gekomen dat nationale rechtspraak die weigert om een voorlopige maatregel toe te kennen die strekt tot de opschorting van de betaling van de krachtens een leningsovereenkomst verschuldigde maandelijkse aflossingen, terwijl die maatregel noodzakelijk is om de door richtlijn 93/13 aan de consument geboden bescherming te waarborgen, niet in overeenstemming lijkt te zijn met het doeltreffendheidsbeginsel, en dus niet verenigbaar is met artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13.30.
45.
Hieruit volgt dat de verplichting voor de lidstaten om de doeltreffendheid te waarborgen van de rechten die justitiabelen aan het Unierecht ontlenen, met name voor de rechten die voortvloeien uit richtlijn 93/13, impliceert dat moet worden gezorgd voor effectieve rechterlijke bescherming, een vereiste dat tevens is verankerd in artikel 47 van het Handvest, zodat de nationale rechter, wanneer een consument tegen een bank een vordering heeft ingesteld tot nietigverklaring van een overeenkomst wegens oneerlijke bedingen in die overeenkomst, in de loop van die procedure voorlopige maatregelen tot opschorting van de uitvoering van een dergelijke kredietovereenkomst moet kunnen toekennen.
46.
Artikel 47 van het Handvest heeft evenwel rechtstreekse werking in een geval als het onderhavige.31. Aangezien het door die bepaling gewaarborgde recht op effectieve rechterlijke bescherming geen absolute strekking heeft32., staat het aan de nationale rechter om bij de toepassing van het Unierecht de betrokken belangen af te wegen en alle maatregelen te nemen die nodig zijn om het recht op effectieve rechterlijke bescherming te waarborgen. Wat de belangen betreft die in de onderhavige zaak op het spel staan, wijst de verwijzende rechter ten eerste op de doelstelling van een doeltreffende afwikkeling en, in het bijzonder, van de financiële stabiliteit van het bankwezen, en ten tweede op de effectieve rechterlijke bescherming van de consument. Derhalve moeten de gevolgen van de toepassing van richtlijn 2014/59 worden onderzocht.
C. Uitlegging van de bepalingen van richtlijn 2014/59
47.
De verwijzende rechter wijst erop dat het op grond van artikel 135, leden 1 en 4, BFGU niet is toegestaan om consumenten voorlopige maatregelen toe te kennen na de inleiding van een afwikkelingsprocedure tegen Getin Noble Bank. De kernvraag in de onderhavige zaak is dus of bij de toepassing van richtlijn 2014/59 de rechten van de consument kunnen worden beperkt. In dit verband verwijst deze rechter in het bijzonder naar artikel 34, lid 1, onder b) en g), van richtlijn 2014/59. Alvorens de in deze bepaling geformuleerde beginselen te onderzoeken, moet de werkingssfeer van dit artikel worden onderzocht.
1. Werkingssfeer van artikel 34, lid 1, onder b) en g), van richtlijn 2014/59
a) De begrippen ‘afwikkelingsmaatregel’, ‘afwikkelingsinstrumenten’ en ‘afwikkelingsbevoegdheden’ in de zin van artikel 34, lid 1, van richtlijn 2014/59
48.
Om te beginnen moet worden opgemerkt dat artikel 34, lid 1, van richtlijn 2014/59 verwijst naar drie begrippen, te weten ‘afwikkelingsinstrumenten’, ‘afwikkelingsbevoegdheden’ en ‘afwikkelingsmaatregel’. Mijns inziens hebben deze drie begrippen niet dezelfde draagwijdte, zodat deze bepaling, wanneer het instrument van de overbruggingsinstelling wordt gebruikt, van toepassing kan zijn op afwikkelingsbevoegdheden en -maatregelen en dus op handelingen die betrekking hebben op het betrokken resterende deel van de entiteit.
49.
Ten eerste betekent volgens artikel 2, lid 1, punt 40, van deze richtlijn het begrip ‘afwikkelingsmaatregel’ het overeenkomstig artikel 32 of artikel 33 genomen besluit om een instelling of een entiteit als bedoeld in artikel 1, lid 1, onder b), c) of d), af te wikkelen, de toepassing van een afwikkelingsinstrument, of de uitoefening van een of meer afwikkelingsbevoegdheden. In dit opzicht is het duidelijk dat het begrip ‘afwikkelingsmaatregel’ dus niet alleen deze instrumenten en bevoegdheden omvat, maar ook het besluit om een instelling of entiteit in afwikkeling te plaatsen, zodat het een overkoepelend begrip wordt dat verwijst naar verschillende handelingen die verband houden met de afwikkelingsprocedure.
50.
Ten tweede verwijst de uitdrukking ‘afwikkelingsinstrument’ in deze bepaling volgens artikel 2, lid 1, punt 19, van deze richtlijn naar een instrument als bedoeld in artikel 37, lid 3, ervan, namelijk het instrument van verkoop van de onderneming, het instrument van de overbruggingsinstelling, het instrument van afsplitsing van activa en het instrument van bail-in.
51.
In casu blijkt dat het afwikkelingsinstrument dat is toegepast, het instrument van de overbruggingsinstelling in de zin van artikel 37, lid 3, onder b), van richtlijn 2014/59 was, overeenkomstig artikel 40 ervan. Het verzoek om voorlopige maatregelen in het hoofdgeding heeft betrekking op activa (krediet in vreemde valuta) die in Getin Noble Bank, dat wil zeggen de oorspronkelijke entiteit (of het resterende deel van de entiteit) zijn achtergebleven. Dit verzoek heeft daarentegen geen betrekking op de activa die zijn overgedragen aan de overbruggingsinstelling, Velo Bank, die is opgericht in het kader van de afwikkelingsprocedure.
52.
Overeenkomstig artikel 37, lid 6, van richtlijn 2014/59, gelezen in het licht van de overwegingen 50, 60 en 69 ervan, wordt het resterende deel van de instelling of entiteit waarvan activa, rechten of passiva zijn overgedragen, volgens een normale insolventieprocedure geliquideerd, indien enkel de in lid 3, onder a) of b), van dit artikel bedoelde afwikkelingsinstrumenten worden toegepast en worden gebruikt om een deel van de activa, rechten of passiva van de instelling in afwikkeling over te dragen. Aangezien in casu het instrument van de overbruggingsinstelling is gebruikt, moeten de activa die in Getin Noble Bank zijn achtergebleven dus worden onderworpen aan een normale insolventieprocedure.
53.
De periode na het besluit om het instrument van de overbruggingsinstelling toe te passen en vóór de liquidatie van de instelling of entiteit waartegen een insolventieprocedure is ingeleid, moet ook onder het begrip ‘afwikkelingsinstrumenten’ vallen, aangezien de status van het resterende deel van de entiteit gedurende die periode wordt vastgesteld door middel van dat instrument. De beginselen van artikel 34, lid 1, onder b) en g), van richtlijn 2014/59 zijn niet meer relevant voor de activa die in het resterende deel van de instelling of entiteit achterblijven nadat de liquidatie van de instelling of entiteit volgens een normale insolventieprocedure is gestart.
54.
Ten derde verwijst artikel 34, lid 1, van richtlijn 2014/59 ook naar de ‘afwikkelingsbevoegdheden’, die in artikel 2, lid 1, punt 20, van deze richtlijn worden omschreven als bevoegdheden als bedoeld in de artikelen 63 tot en met 72 ervan.
55.
In dit verband merk ik op dat laatstgenoemde artikelen een groot aantal bevoegdheden omvatten.
56.
Aangezien artikel 63, lid 1, onder d), verwijst naar ‘de bevoegdheid om rechten, activa en passiva van een instelling in afwikkeling aan een andere entiteit over te dragen, met toestemming van die entiteit’, lijkt het begrip ‘afwikkelingsbevoegdheden’ betrekking te hebben op het besluit om de gedwongen afwikkeling te initiëren van de verwerende bank, via de oprichting van een overbruggingsbank, op de handelingen die verband houden met de instelling in afwikkeling en op het resterende deel van de instelling of entiteit voordat zij aan een normale insolventieprocedure wordt onderworpen.
57.
Derhalve lijkt artikel 34, lid 1, van richtlijn 2014/59, dat betrekking heeft op ‘afwikkelingsmaatregelen’, ‘afwikkelingsinstrumenten’ en ‘afwikkelingsbevoegdheden’, dus wel degelijk van toepassing te zijn op het oorspronkelijke besluit van de nationale autoriteiten om de entiteit af te wikkelen. Dit artikel is tevens van toepassing op de situatie van het resterende deel van de instelling of entiteit voordat dit volgens de normale insolventieprocedure wordt geliquideerd, in casu Getin Noble Bank, en dus op het onderzoek van een bij de rechter ingediend verzoek om bewarende maatregelen tegen dat resterende deel van de instelling of entiteit.
58.
Bijgevolg ben ik van mening dat de algemene beginselen voor afwikkeling van artikel 34, lid 1, onder b) en g), van richtlijn 2014/59 wel van toepassing zijn op een situatie waarin verzoekers verzoeken om bewarende maatregelen (voorlopige maatregelen) in het kader van een procedure die tegen het resterende deel van een entiteit is ingeleid voordat dit volgens de normale insolventieprocedure wordt geliquideerd, aangezien dit resterende deel van de entiteit het voorwerp is geweest van afwikkelingsmaatregelen, -instrumenten en -bevoegdheden van de nationale autoriteiten.
b) Begrip ‘schuldeiser’ in de zin van artikel 34, lid 1, onder b) en g), van richtlijn 2014/59
59.
Nagegaan moet worden of consumenten zoals verzoekers, die een procedure hebben ingeleid om de betrokken kredietovereenkomst nietig te doen verklaren op grond van oneerlijke contractuele bedingen die daarin worden toegepast, ook ‘schuldeisers’ in de zin van artikel 34, lid 1, onder b) en g), van richtlijn 2014/59 zijn.
60.
Gewoonlijk verwijst het begrip ‘schuldeiser’ naar een entiteit of persoon die een vordering heeft op de schuldenaar. Aangezien de betrokken consumenten in casu om opschorting van hun verplichting tot betaling van de toekomstige maandelijkse aflossingen van een krediet verzoeken, lijken zij op het eerste gezicht schuldenaar te zijn. Uit het verzoek om een prejudiciële beslissing blijkt echter dat verzoekers potentiële schuldeisers zijn, aangezien de door hen ingeleide procedure zeer waarschijnlijk zal leiden tot nietigverklaring van de betrokken kredietovereenkomst in haar geheel.
61.
Richtlijn 2014/59 bepaalt niet uitdrukkelijk welk soort verplichtingen tot de hoedanigheid van schuldeiser leiden en legt in dat verband dus geen enkele beperking op. Bijgevolg moet de term ‘schuldeiser’ aldus worden uitgelegd dat hij ook potentiële schuldeisers omvat wanneer zij consument zijn en het zeer waarschijnlijk is dat hun vordering tot nietigverklaring door de nationale rechter wordt toegewezen.33. Deze uitlegging strookt met de ruimere doelstellingen van richtlijn 2014/59 om de bescherming en een billijke behandeling van alle bij de afwikkeling betrokken belanghebbenden te waarborgen.34.
62.
Ook al heeft de nationale rechter in casu nog geen uitspraak gedaan over de nietigheid van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde kredietovereenkomst, de vordering tot nietigverklaring van verzoekers is een formele rechtsvordering die hun hoedanigheid van schuldenaar kan wijzigen in die van schuldeiser.
63.
Bijgevolg kunnen verzoekers worden beschouwd als ‘kredietgevers’ in de zin van artikel 34, lid 1, onder b) en g), van richtlijn 2014/59, ook al heeft de rechter nog geen uitspraak gedaan over de geldigheid van de kredietovereenkomst. In dit verband moet worden opgemerkt dat het uitsluitend een zaak is van de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd om, gelet op de bijzonderheden van het geval, te bepalen of het in casu voldoende waarschijnlijk is dat de schuldenaar een dergelijke schuldeiser wordt. In deze conclusie wordt ervan uitgegaan dat de betrokken consumenten wel degelijk schuldeisers in de zin van deze bepaling zijn.
2. Inhoud van de beginselen van artikel 34, lid 1, onder b) en g), van richtlijn 2014/59
64.
Artikel 34, lid 1, van richtlijn 2014/59 bevat de algemene beginselen met betrekking tot afwikkeling, waaronder, ten eerste, het beginsel dat de aandeelhouders de eerste verliezen moeten dragen [onder a)], en dat de schuldeisers verliezen dragen na de aandeelhouders volgens de rangorde van hun vorderingen overeenkomstig normale insolventieprocedures, tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald [onder b)]. Ten tweede is in artikel 34, lid 1, onder g), van richtlijn 2014/59 het ‘geen enkele schuldeiser slechter af-beginsel’ (hierna: ‘NCWO-beginsel’) vastgelegd, dat vereist dat de nationale autoriteiten de herstructureringsprocedures van deze richtlijn zodanig voeren dat geen enkele schuldeiser grotere verliezen lijdt dan in normale insolventieprocedures. Dit beginsel wordt beschouwd als hoeksteen van de afwikkelingsregelingen.35.
a) Vergelijking van de afwikkeling met de behandeling in een normale insolventieprocedure
65.
De krachtens artikel 34, lid 1, onder b), van richtlijn 2014/59 vastgestelde beginselen hebben betrekking op de volgorde waarin de verliezen moeten worden gedragen: namelijk eerst aandeelhouders, dan schuldeisers. Dit beginsel moet worden gelezen in het licht van het fundamentele beginsel dat ten grondslag ligt aan richtlijn 2014/59 en is vastgelegd in de overwegingen 5 en 50 ervan, volgens hetwelk de kosten van de afwikkeling van een bank in de eerste plaats moeten worden gedragen door de aandeelhouders van de bank en niet door de schuldeisers ervan.
66.
Voorts waarborgt het NCWO-beginsel van artikel 34, lid 1, onder g), van richtlijn 2014/59 dat afwikkelingsmaatregelen zodanig worden opgezet dat schuldeisers ten minste even gunstig worden behandeld als in nationale insolventieprocedures. De toepassing van deze bepaling houdt in dat hetgeen een schuldeiser in het kader van een afwikkeling heeft ontvangen, wordt vergeleken met wat hij in geval van een normale insolventieprocedure zou hebben ontvangen. Het NCWO-beginsel zorgt ervoor dat het afwikkelingsproces eerlijk en voorspelbaar is doordat het een niveau van gelijkwaardigheid met nationale insolventieprocedures handhaaft door de rechten van schuldeisers te beschermen. Daarom wordt dit beginsel beschouwd als een essentiële waarborg om ervoor te zorgen dat afwikkelingsmaatregelen schuldeisers niet meer schaden dan normale insolventieprocedures zouden doen.
67.
Het is echter belangrijk te benadrukken dat insolventieprocedures een werkterrein vormen waarop de lidstaten hun eigen bevoegdheden kunnen uitoefenen, aangezien de insolventiewetgeving niet op Unieniveau geharmoniseerd is.36. Artikel 34, lid 1, onder g), van richtlijn 2014/59 is daarom alleen relevant voor de beoordeling van de gelijke behandeling van schuldeisers in een afwikkelings- en insolventieprocedure op grond van de door de verwijzende rechter onderzochte nationale wetgeving.
68.
In dit verband is de verwijzende rechter van oordeel dat het bieden van bescherming door opschorting van de verplichting tot het aflossen van de termijnen van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde overeenkomst ook kan zijn toegestaan in insolventieprocedures.37. Daarom zou een nationale maatregel volgens welke een dergelijke vordering niet kan worden gewaarborgd, consumenten die schuldeiser zijn benadelen in vergelijking met consumenten van banken die volgens een insolventieprocedure worden geliquideerd. Een dergelijke uitlegging is derhalve in strijd met artikel 34, lid 1, onder g), van richtlijn 2014/59.38.
69.
Krachtens richtlijn 2014/59 wordt het bedrag van de betalingsverplichtingen van de bank jegens de schuldeisers beperkt door de datum van de bekendmaking van het bericht, die het tijdstip bepaalt waarop de vorderingen en verplichtingen van de schuldeisers met het oog op de afwikkeling worden gemeten.39. De consument die op grond van een overeenkomst met oneerlijke bedingen na de aankondiging van de afwikkeling bedragen aan de bank betaalt, zal echter meer verliezen lijden. Zoals de verwijzende rechter opmerkt, zou de consument zich in normale insolventieprocedures kunnen beroepen op een bewarende maatregel om de uitvoering van de overeenkomst op te schorten.
70.
Uit de betrokken nationale regeling volgt dat in geval van afwikkeling geen enkele maatregel voor gedwongen tenuitvoerlegging of bewarende maatregel tegen een instelling in afwikkeling kan worden genomen.40.
71.
Bijgevolg kan een consument die geen aanspraak kan maken op een dergelijke maatregel, zich in een minder gunstige situatie bevinden dan de schuldeisers van een entiteit waartegen een normale insolventieprocedure loopt, aangezien deze consument verplicht zal zijn om de kredietovereenkomst uit te voeren zonder de mogelijkheid om een bewarende maatregel te verkrijgen, hetgeen zal leiden tot een voortdurende toename van de vordering van de consument op de bank, ondanks de vaststelling van een afwikkelingsbesluit.
b) Het mechanisme van compensatie achteraf
72.
Het compensatiemechanisme van de artikelen 73 tot en met 75 van richtlijn 2014/59 vormt de kern van de toepassing van het NCWO-beginsel. Dit mechanisme vereist dat de behandeling van de schuldeisers tijdens de afwikkelingsmaatregel wordt vergeleken met de behandeling die zij bij een normale insolventieprocedure zouden hebben genoten. Daartoe moet rekening worden gehouden met het nationale insolventierecht dat van toepassing zou zijn geweest indien die entiteiten zich in een normale insolventieprocedure hadden bevonden.
73.
In wezen komt de compensatie overeen met het verlies dat de schuldeisers hebben geleden, dat wil zeggen het verschil tussen het bedrag dat zij daadwerkelijk in de afwikkelingsprocedure hebben teruggekregen en het bedrag dat zij zouden hebben gekregen indien de instelling zich in een normale insolventieprocedure had bevonden.41. Aandeelhouders en schuldeisers die dergelijke grotere verliezen lijden, hebben bijgevolg recht op compensatie achteraf.42. Een dergelijk mechanisme is erop gericht een evenwicht te zoeken tussen financiële stabiliteit en eerlijkheid, en zorgt ervoor dat schuldeisers tijdens de effectieve afwikkeling van de instelling worden beschermd.
74.
De bij richtlijn 2014/59 ingestelde afwikkelingsprocedure is een uitzonderlijk instrument dat hoofdzakelijk tot doel heeft de stabiliteit van de financiële markten te waarborgen wanneer deze in gevaar zou kunnen komen door het falen van een grensoverschrijdende instelling.43. Het doel van de afwikkelingsprocedure is de overheidsinstanties toe te rusten met een pakket instrumenten om tijdig en snel in te grijpen, om de kritieke financiële en economische functies van de betrokken instelling te waarborgen en om de negatieve gevolgen van het falen te beperken.44. Deze richtlijn streeft dus ruimere doelstellingen inzake financiële stabiliteit na, zoals het behoud van het vertrouwen in het financiële stelsel en het voorkomen van systeemrisico's. Voorts voorziet het compensatiemechanisme van de artikelen 73 tot en met 75 van richtlijn 2014/59 in essentiële waarborgen voor schuldeisers door ervoor te zorgen dat zij tijdens de afwikkeling van een falende instelling niet oneerlijk worden behandeld. Hieruit volgt dat het bovengenoemde compensatiemechanisme tot doel heeft een evenwicht tot stand te brengen tussen enerzijds de mogelijkheid voor autoriteiten om in het algemeen belang falende instellingen af te wikkelen en anderzijds de bescherming van de rechtmatige financiële belangen van schuldeisers.
3. Toepassing op de onderhavige zaak
75.
Indien de activa van verzoekers die bij het resterende deel van de entiteit achterblijven ten gevolge van de afwikkelingsprocedure grotere verliezen lijden dan in een normale insolventieprocedure het geval zou zijn geweest — hetgeen ter beoordeling van de nationale rechter staat —, hebben verzoekers op grond van het NCWO-beginsel recht op compensatie achteraf. Dit compensatiemechanisme houdt echter niet noodzakelijkerwijs een procedurele bescherming in. Richtlijn 2014/59 voorziet namelijk niet in specifieke bepalingen betreffende het verzoek om voorlopige maatregelen van de schuldeisers tegen een bank in afwikkeling. Hieruit volgt dat wetgevingsmaatregelen zoals artikel 135, leden 1 en 4, BFGU, die betrekking hebben op het verzoek om voorlopige maatregelen dat schuldeisers hebben ingediend in het kader van een geschil over contractuele verplichtingen met het resterende deel van de entiteit, buiten de werkingssfeer van deze richtlijn vallen.
D. Afweging tussen de doelstellingen op het gebied van consumentenbescherming en afwikkelingsprocedures
76.
Zoals hierboven is uiteengezet45., kan een schuldeiser krachtens richtlijn 2014/59 compensatie achteraf ontvangen wanneer hij grotere verliezen lijdt dan hij zou hebben geleden indien de instelling volgens een normale insolventieprocedure zou zijn geliquideerd. De kernvraag is dus of het in deze richtlijn vastgelegde mechanisme van compensatie achteraf voldoende bescherming biedt aan de consument die betalingen moet verrichten aan het resterende deel van de entiteit gedurende de procedure waarin hij de nietigverklaring van de overeenkomst vordert op grond dat zij oneerlijke bedingen bevat.
77.
In dit verband wordt in het arrest van 5 mei 2022, Banco Santander (Afwikkeling van Banco Popular)46., weliswaar aangetoond dat het mechanisme van compensatie achteraf een nuttig instrument kan zijn, maar wordt daarin niet ingegaan op de vraag of dit mechanisme toereikend is wanneer het nationale recht zich verzet tegen voorlopige maatregelen om de betalingen uit hoofde van een kredietovereenkomst op te schorten. Aangezien de vaststelling van een voorlopige maatregel die de opschorting van de uitvoering van een kredietovereenkomst mogelijk maakt, een andere kwestie is dan compensatie achteraf, die betrekking heeft op de materiële aspecten van de terugbetaling, is dat arrest niet relevant voor de onderhavige zaak.47.
78.
Uit de mondelinge opmerkingen van partijen ter terechtzitting voor het Hof blijkt dat bij artikel 135, leden 1 en 4, FBGU geen enkele bepaling van richtlijn 2014/59 is omgezet, maar dat dit artikel een regel vormt die de regels van deze richtlijn aanvult. Aangezien richtlijn 2014/59 niet de procedures harmoniseert die van toepassing zijn op voorlopige maatregelen die waren vastgesteld in het kader van een procedure waarbij een bank in afwikkeling is betrokken, vallen deze maatregelen binnen de nationale rechtsorde van de lidstaten.
79.
In deze omstandigheden is het krachtens het beginsel van procedurele autonomie van de lidstaten een aangelegenheid van elke lidstaat om de procesregels vast te stellen voor de administratieve procedure en de gerechtelijke procedure ter bescherming van de rechten die de justitiabelen aan het Unierecht ontlenen. Deze procesregels mogen echter niet ongunstiger zijn dan die voor soortgelijke vorderingen ter bescherming van de rechten die de justitiabelen aan het nationale recht ontlenen (gelijkwaardigheidsbeginsel), en mogen de uitoefening van de door de rechtsorde van de Unie verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken (doeltreffendheidsbeginsel).48.
80.
Met betrekking tot het doeltreffendheidsbeginsel heb ik eerder opgemerkt dat de verplichting voor de lidstaten om de doeltreffendheid te waarborgen van de rechten die de justitiabelen aan het Unierecht ontlenen — met name van de rechten die voortvloeien uit richtlijn 93/13 — impliceert dat moet worden gezorgd voor effectieve rechterlijke bescherming, welk vereiste is bevestigd in artikel 7, lid 1, van die richtlijn49. en met name geldt voor de vaststelling van de procedureregels betreffende rechtsvorderingen die op dergelijke rechten gebaseerd zijn.50. Het staat in het bijzonder aan de nationale rechters om de doeltreffendheid te waarborgen van de rechten die worden ontleend aan richtlijn 93/13, gelezen in het licht van artikel 47 van het Handvest, en om nationale regels of praktijken buiten toepassing te laten die de toekenning verbieden van voorlopige maatregelen tot opschorting van betalingen uit hoofde van een wegens oneerlijke bedingen beweerdelijk onrechtmatige kredietovereenkomst.51.
81.
Het is juist dat het Hof in het arrest van 5 mei 2022, Banco Santander52., heeft geoordeeld dat de doelstellingen om de stabiliteit van het bankstelsel en het financiële stelsel te waarborgen en een systeemrisico te voorkomen, door de Unie nagestreefde doelstellingen van algemeen belang vormen.
82.
Niettemin moet worden opgemerkt dat de zaak die tot dat arrest heeft geleid, betrekking had op een entiteit die na de afwikkeling was opgericht, terwijl de vordering in de onderhavige procedure betrekking heeft op het resterende deel van de entiteit, dat moet worden geliquideerd. Zoals de Commissie ter terechtzitting heeft betoogd, vormt de toekenning van voorlopige maatregelen ten aanzien van de activa van deze entiteit dus geen bedreiging voor de financiële stabiliteit van het bankwezen.53. In dit verband moet worden gewezen op de chronologie van de gebeurtenissen in het hoofdgeding, waarin de overbruggingsbank onmiddellijk na de vaststelling van het afwikkelingsbesluit is opgericht, zodat de toekenning van voorlopige maatregelen aan bepaalde categorieën debiteuren die de opschorting van de betalingen aan dat resterende deel van de entiteit mogelijk maken, de financiële gezondheid van de nieuw opgerichte entiteit niet zou aantasten. Bovendien is het van wezenlijk belang dat de betrokken voorlopige maatregel niet tot doel heeft een zekerheid te stellen voor de bestaande activa van de insolvente bank, maar uitsluitend beoogt de toekomstige betalingen van de consument op te schorten.54.
83.
Hetzelfde onderscheid geldt voor de Novo Banco-zaken, waarin de vorderingen in verband met overeenkomsten waren gericht tegen de door de nationale autoriteit opgerichte overbruggingsbank.55. In die zaken konden de vorderingen van de consumenten niet doeltreffend zijn omdat zij de stabiliteit van het financiële stelsel in gevaar zouden hebben gebracht56., terwijl de in de onderhavige zaak aan de orde zijnde vordering betrekking heeft op betalingen aan een entiteit op grond van potentieel oneerlijke contractuele bedingen, terwijl deze entiteit hoe dan ook zal worden geliquideerd. Bijgevolg zijn de overwegingen die voor die zaken relevant zijn uit het oogpunt van de doelstelling van stabiliteit van het financiële stelsel, in casu niet van toepassing.
84.
Hieruit volgt dat, zoals de Commissie ter terechtzitting heeft opgemerkt, het consumentenrecht in casu niet hoeft te worden afgewogen tegen de financiële stabiliteit, aangezien de betrokken voorlopige maatregelen slechts betrekking hebben op de opschorting van een verhoging van de vordering van een consument ten opzichte van het resterende deel van de entiteit, en de financiële stabiliteit van het bankwezen dus niet wordt bedreigd. Regelingen of praktijken van een lidstaat die een aanvulling vormen op de bepalingen van richtlijn 2014/59 mogen geen afbreuk doen aan de nuttige werking van de bescherming waarin is voorzien in artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13, gelezen in het licht van de effectieve rechterlijke bescherming die is verankerd in artikel 47 van het Handvest, wanneer de vorderingen betrekking hebben op dergelijke voorlopige maatregelen en geen bedreiging vormen voor de financiële stabiliteit van het bankwezen in de zin van richtlijn 2014/59.
85.
In bovengenoemde zaak C-287/2257. heeft het Hof evenwel geoordeeld dat de noodzaak om een dergelijke voorlopige maatregel toe te kennen in concreto moet worden beoordeeld, gelet op het doel om de volle werking van de te nemen beslissing te verzekeren. De nationale rechter moet dus nagaan of de opschorting van de verplichtingen van de consumenten noodzakelijk is om hun feitelijke en juridische situatie te herstellen, met name gelet op het risico dat zij een bedrag moeten terugbetalen dat hoger is dan het geleende bedrag.58. Hieruit volgt dat de nationale rechter krachtens richtlijn 93/13 voorlopige maatregelen moet toekennen bestaande in de opschorting van de verplichting van een consument om betalingen te verrichten wanneer, ten eerste, hij dienaangaande over voldoende aanwijzingen beschikt wat het oneerlijke karakter van een of meer contractuele bedingen betreft, zodat het waarschijnlijk is dat de betrokken kredietovereenkomst nietig is of althans dat de op grond van die overeenkomst verschuldigde maandelijkse aflossingen zullen moeten worden terugbetaald aan de betrokken consument.59.
86.
Zoals ik hierboven reeds heb opgemerkt, lijkt de verwijzende rechter in casu ten eerste van oordeel te zijn dat het resterende deel van de entiteit wegens een toekomstige beslissing over de oneerlijke bedingen van de betrokken kredietovereenkomst de door de consumenten uit hoofde van die overeenkomst betaalde bedragen daadwerkelijk zal moeten terugbetalen. Bijgevolg lijkt aan deze voorwaarde te zijn voldaan.
87.
Ten tweede heeft het Hof geoordeeld dat het in dat geval aan de nationale rechter staat om na te gaan, gelet op alle omstandigheden van het geval, of de opschorting van de verplichting van die consument om deze maandelijkse aflossingen voor de duur van de betrokken procedure te betalen, noodzakelijk is om de juridische en feitelijke situatie te herstellen waarin de consument zich zonder een of meer van die bedingen zou hebben bevonden. Deze rechter zal dus met name rekening kunnen houden met de financiële situatie van die consument en met het risico dat hij aan de betrokken bank een bedrag moet terugbetalen dat hoger is dan het bedrag dat hij van haar heeft geleend.60.
88.
In casu heeft de verwijzende rechter uiteengezet dat de consumenten binnenkort een hoger bedrag dan de uitgekeerde hoofdsom aan het resterende deel van de entiteit zullen terugbetalen (of reeds hebben terugbetaald). De verwijzende rechter is dus bezorgd dat de consumenten wegens de insolventieprocedure waaraan Getin Noble Bank na het afwikkelingsbesluit is onderworpen, de aan die bank overgedragen bedragen, die de onder de schuldeisers te verdelen activa kunnen overschrijden, niet zullen kunnen terugvorderen. Indien dit gebeurt, onder voorbehoud van een definitieve toetsing door de verwijzende rechter, kan de volle werking van een beslissing waarbij wordt vastgesteld dat bepaalde bedingen van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde kredietovereenkomst oneerlijk zijn, niet worden gewaarborgd. Ook aan de tweede voorwaarde lijkt dus te zijn voldaan. Bijgevolg moet artikel 3851 van de KC, waarbij richtlijn 93/13 in Pools recht is omgezet, aldus worden uitgelegd dat de doelstellingen van deze richtlijn zo effectief mogelijk worden verwezenlijkt. In beginsel moet de verwijzende rechter krachtens richtlijn 93/13, onder voorbehoud van een definitieve toetsing, in casu voorlopige maatregelen gelasten.
89.
In dit opzicht heeft de Commissie ter terechtzitting betoogd dat, aangezien de betrokken entiteit in afwikkeling was op grond van richtlijn 2014/59, de toegestane voorlopige maatregelen moesten worden beperkt tot enkel de bewarende maatregelen ten aanzien van de maandelijkse betalingen van de rente over het krediet, en geen betrekking mochten hebben op de contractuele verplichtingen van de consument om de termijnen van het krediet af te lossen.
90.
In dit verband is het van belang om rekening te houden met het risico dat de consumenten aan de betrokken bank een hoger bedrag moeten terugbetalen dan het bedrag dat zij van de bank in afwikkeling hebben geleend, dat ter waardering aan de afwikkelingsautoriteiten is voorgelegd. Met het oog op de doeltreffendheid van de afwikkeling op grond van richtlijn 2014/59 is het dus denkbaar dat het geleende kapitaal wordt terugbetaald in maandelijkse termijnen terwijl de procedure nog loopt. De betaling van rente door de consument moet evenwel hoe dan ook worden opgeschort om te voorkomen dat de consument een te hoog bedrag betaalt aan het resterende deel van de entiteit, dat zal worden geliquideerd. Kortom, de voorlopige maatregelen dienen te worden beperkt tot het bedrag dat het geleende kapitaalbedrag overschrijdt.
V. Conclusie
91.
Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging om de prejudiciële vraag van de Sąd Okręgowy w Warszawie te beantwoorden als volgt:
‘Artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten, alsmede artikel 34, lid 1, onder b) en g), van richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van richtlijn 82/891/EEG van de Raad en de richtlijnen 2001/24/EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG, 2011/35/EU, 2012/30/EU en 2013/36/EU en de verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 648/2012, van het Europees Parlement en de Raad, gelezen in het licht van het doeltreffendheidsbeginsel en het recht op effectieve rechterlijke bescherming dat is verankerd in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,
moeten aldus worden uitgelegd dat
zij in de weg staan aan een nationale regeling of praktijk op grond waarvan geen voorlopige maatregelen kunnen worden toegekend tot opschorting, voor de duur van de gerechtelijke procedure, van de contractuele verplichting van een consument tot aflossing van maandelijkse krediettermijnen die het bedrag van het door de consument geleende kapitaalbedrag overschrijden, om de enkele reden dat de verwerende bank aan een afwikkelingsprocedure is onderworpen, voor zover de voorlopige maatregelen betrekking hebben op de maandelijkse betalingen van de rente over het krediet, en op voorwaarde dat het krediet na de vaststelling van het afwikkelingsbesluit bij het resterende deel van de entiteit is achtergebleven.’
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 12‑12‑2024
Oorspronkelijke taal: Engels.
Dit is een fictieve naam, die niet overeenkomt met de werkelijke naam van enige partij in de procedure.
PB 1993, L 95, blz. 29.
Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van richtlijn 82/891/EEG van de Raad en de richtlijnen 2001/24/EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG, 2011/35/EU, 2012/30/EU en 2013/36/EU en de verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 648/2012, van het Europees Parlement en de Raad (PB 2014, L 173, blz. 190), ook bekend als de ‘richtlijn herstel en afwikkeling van banken’ of ‘BRRD’.
Het precieze tijdskader van de betrokken handelingen is in het verzoek om een prejudiciële beslissing niet vermeld. Uit het aan het Hof overgelegde dossier blijkt evenwel dat Getin Noble Bank eerst het voorwerp is geweest van een afwikkelingsbesluit en vervolgens aan een insolventieprocedure is onderworpen. Partijen hebben ter terechtzitting bevestigd dat het verzoek om voorlopige maatregelen tussen de twee procedures was ingediend.
Dz. U. nr. 16, volgnr. 93.
Dz. U. van 2020, volgnr. 1740.
Dz. U. nr. 43, volgnr. 296.
Dz. U. van 2021, volgnr. 1805.
Dz. U. van 2016, volgnr. 996.
Dz. U. van 2022, volgnr. 1520, geconsolideerde tekst van 9 juni 2022.
De betrokken voorwaarden zijn vergelijkbaar met die van de overeenkomst die is geanalyseerd in het arrest van 3 oktober 2019, Dziubak (C-260/18, EU:C:2019:819).
Beschikking van 20 februari 2024, Getin Noble Bank (C-34/23, EU:C:2024:203).
Ibidem, punt 32.
Ibidem, punt 33.
De geherformuleerde vraag omvat niet het evenredigheidsbeginsel, dat voor deze analyse niet relevant lijkt. Zie in die zin arrest van 15 juni 2023, Getin Noble Bank (Opschorting van de uitvoering van een kredietovereenkomst) (C-287/22, EU:C:2023:491), waarin ook werd verwezen naar ‘doeltreffendheid en evenredigheid’.
Zie arrest van 21 december 2016, Gutiérrez Naranjo e.a. (C-154/15, C-307/15 en C-308/15, EU:C:2016:980, punten 61 en 62).
Zie bijvoorbeeld arresten van 14 juni 2012, Banco Español de Crédito (C-618/10, EU:C:2012:349); 14 maart 2013, Aziz (C-415/11, EU:C:2013:164); 30 april 2014, Kásler en Káslerné Rábai (C-26/13, EU:C:2014:282); 21 januari 2015, Unicaja Banco en Caixabank (C-482/13, C-484/13, C-485/13 en C-487/13, EU:C:2015:21), en 26 maart 2019, Abanca Corporación Bancaria en Bankia (C-70/17 en C-179/17, EU:C:2019:250).
Zie arrest van 22 september 2022, Vicente (Vordering tot betaling van advocatenhonorarium) (C-335/21, EU:C:2022:720, punt 53 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie in die zin arrest van 13 september 2018, Profi Credit Polska (C-176/17, EU:C:2018:711, punt 57 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Arresten van 22 april 2021, Profi Credit Slovakia (C-485/19, EU:C:2021:313, punt 54 en aldaar aangehaalde rechtspraak), en 10 juni 2021, BNP Paribas Personal Finance (C-776/19–C-782/19, EU:C:2021:470, punt 29).
Arresten van 15 januari 2013, Križan e.a. (C-416/10, EU:C:2013:8, punt 107), en 14 mei 2020, Országos Idegenrendészeti Főigazgatóság Dél-alföldi Regionális Igazgatóság (C-924/19 PPU en C-925/19 PPU, EU:C:2020:367, punt 297), waarin het arrest wordt aangehaald van 19 juni 1990, Factortame e.a. (C-213/89, EU:C:1990:257, punt 21).
Arrest van 13 maart 2007, Unibet (C-432/05, EU:C:2007:163, punt 77 en dictum, punt 2).
C-287/22, EU:C:2023:491.
Het Hof heeft zich in die zaak uitgesproken op 15 juni 2023, dat wil zeggen na de beslissing van de rechter van 26 oktober 2022 om in de onderhavige zaak een prejudiciële vraag te stellen.
Zie in die zin arrest van 15 juni 2023, Getin Noble Bank (Opschorting van de uitvoering van een kredietovereenkomst) (C-287/22, EU:C:2023:491, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Ibidem, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak.
Ibidem, punt 43.
Ibidem, punt 52.
Ibidem, punt 55.
Zie naar analogie arresten van 8 november 2022, Deutsche Umwelthilfe (Typegoedkeuring van motorvoertuigen) (C-873/19, EU:C:2022:857), op het gebied van milieurecht, en 20 februari 2024, X (Geen motivering van de beëindiging) (C-715/20, EU:C:2024:139), op het gebied van de raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd en het non-discriminatiebeginsel.
Arrest van 5 september 2024, Banco Santander (Afwikkeling van Banco Popular II) (C-775/22, C-779/22 en C-794/22, EU:C:2024:679, punt 80 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
In dit verband ben ik het eens met het door verzoekers ter terechtzitting aangevoerde argument dat de hoedanigheid van schuldeiser voortvloeit uit de terugbetalingsplicht die de toekomstige beslissing van de nationale rechter met zich mee zou kunnen brengen en dus uit de doeltreffendheid van de door richtlijn 93/13 gewaarborgde bescherming.
Zie de overwegingen 5, 10, 31 en 48 van richtlijn 2014/59, die pleiten voor de uitlegging dat deze richtlijn beoogt de bescherming en eerlijke behandeling van alle belanghebbenden te waarborgen en tegelijkertijd de noodzaak van financieel ingrijpen door de overheid tot een minimum te beperken.
Gortsos, C.V., ‘Banking Resolution: The EU Framework Governing the Resolution of Credit Institutions’, in Amtenbrink, F., Herrmann, C., en Repasi, R. (red.), The EU Law of Economic and Monetary Union, New York, 2020; online-uitgave, Oxford Academic, https://doi.org/10.1093/oso/9780198793748.003.0046, geraadpleegd op 7 november 2024.
Tot op heden zijn de enige handelingen op dat gebied verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 betreffende insolventieprocedures (PB 2015, L 141, blz. 19), die hoofdzakelijk betrekking heeft op de kwestie van het internationale privaatrecht in situaties die verband houden met grensoverschrijdende insolventieprocedures, en richtlijn (EU) 2019/1023 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende preventieve herstructureringsstelsels, betreffende kwijtschelding van schuld en beroepsverboden, en betreffende maatregelen ter verhoging van de efficiëntie van procedures inzake herstructurering, insolventie en kwijtschelding van schuld, en tot wijziging van richtlijn (EU) 2017/1132 (richtlijn betreffende herstructurering en insolventie) (PB 2019, L 172, blz. 18) met betrekking tot preventieve herstructurering van ondernemingen.
Opgemerkt zij dat partijen zich ter terechtzitting voor het Hof hebben verzet tegen de toelaatbaarheid van de toekenning van voorlopige maatregelen op grond van het nationale recht. Uit de memories van partijen blijkt dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen enerzijds de toekenning van voorlopige maatregelen met betrekking tot de activa van een bank tijdens de insolventieprocedure, die verboden lijkt te zijn, en anderzijds de toekenning van voorlopige maatregelen met betrekking tot de terugbetaling van het krediet, die wel lijkt te zijn toegestaan.
Hoewel in het verzoek om een prejudiciële beslissing niet wordt uitgelegd wat de relevantie is van artikel 34, lid 1, onder b), van richtlijn 2014/59, maar dit artikel wordt aangehaald in de prejudiciële vraag, zal ik het in mijn analyse opnemen. Daaruit kan inderdaad worden afgeleid dat deze rechter, aangezien deze bepaling de volgorde bepaalt waarin de schuldeisers verliezen moeten dragen, twijfels heeft over de gevolgen van een eventuele afwijzing van het verzoek van verzoekers, die consument zijn, op grond van artikel 135, lid 4, BFGU.
Zie artikel 69, lid 1, en artikel 83, lid 4, van richtlijn 2014/59. Volgens laatstgenoemd artikel maakt de afwikkelingsautoriteit via de volgende middelen hetzij een kopie van de maatregel of het instrument door middel waarvan de afwikkelingsmaatregel is genomen, hetzij een bericht waarin de gevolgen van de afwikkelingsmaatregel worden samengevat, bekend of laat een dergelijke kopie of een dergelijk bericht bekendmaken.
Zie artikel 135, leden 1 en 4, BGFU.
Het beginsel van compensatie van aandeelhouders en schuldeisers moet worden gelezen in het licht van de overwegingen 50 en 51 van richtlijn 2014/59. In het bijzonder staat in overweging 50 van deze richtlijn te lezen dat aandeelhouders en schuldeisers het recht dienen te hebben om ter betaling van of als compensatie voor hun vorderingen in het kader van de liquidatieprocedure niet minder te ontvangen dan het bedrag dat zij naar schatting zouden hebben teruggekregen indien de gehele instelling volgens de normale insolventieprocedure zou zijn geliquideerd.
Artikel 73, onder a), van richtlijn 2014/59 vereist dat de lidstaten ervoor zorgen dat, in geval van een gedeeltelijke overdracht van activa en passiva aan een overbruggingsinstelling, de schuldeisers wier vorderingen niet zijn overgedragen, ‘ter voldoening van hun vorderingen ten minste evenveel ontvangen als zij zouden hebben ontvangen mocht […] de instelling in afwikkeling volgens een normale insolventieprocedure zijn geliquideerd’. De betrokken schuldeisers krijgen aldus gegarandeerd compensatie van het tekort dat zij lijden ten gevolge van de overdracht van potentieel waardevolle activa buiten de failliete boedel. Overeenkomstig artikel 75 en artikel 101, lid 1, onder e), van richtlijn 2014/59 worden eventuele tekorten betaald uit de financieringsregelingen voor de afwikkeling. Deze regelingen worden gefinancierd door de instellingen onder toezicht van de afwikkelingsautoriteiten.
Zie overweging 3 van richtlijn 2014/59.
Zie overweging 5 van richtlijn 2014/59.
Zie de punten 72–74 van deze conclusie.
C-410/20, EU:C:2022:351; hierna: ‘Banco Santander’.
Zie naar analogie de standpuntbepaling van advocaat-generaal Wahl in de zaak Sánchez Morcillo en Abril García (C-169/14, EU:C:2014:2110, punt 53), waarin hij een onderscheid maakt tussen procedurele rechtsmiddelen en materiële aspecten.
Arresten van 6 oktober 2015, Orizzonte Salute (C-61/14, EU:C:2015:655, punt 46), en 21 december 2021, Randstad Italia (C-497/20, EU:C:2021:1037, punt 58).
Zie punt 41 van deze conclusie.
Zie naar analogie, met betrekking tot richtlijn 93/13, arrest van 22 april 2021, Profi Credit Slovakia (C-485/19, EU:C:2021:313, punt 54 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Zie ook mijn conclusie in de zaak Všeobecná úverová banka (C-598/21, EU:C:2023:22, punt 97 e.v.).
Zie punt 41 e.v. van deze conclusie.
C-410/20, EU:C:2022:351.
Bovendien heeft die zaak geen betrekking op een schadevordering tegen een instelling in afwikkeling of op een vordering tot nietigverklaring van de overeenkomst tot inschrijving op aandelen naar nationaal recht. Die zaak heeft dus geen betrekking op de toekenning van voorlopige maatregelen tot opschorting van de uitvoering van een overeenkomst, hetgeen een procedurele maatregel is om de effectieve rechterlijke bescherming van een persoon te waarborgen.
De verwijzende rechter heeft uiteengezet dat de ‘maatregel […] betrekking heeft op de niet-geldelijke vordering tot vaststelling van de nietigheid van de overeenkomst, en [dat] een dergelijke vordering […] geen rechtstreekse vermogensrechtelijke gevolgen [heeft] voor de gefailleerde’, en daaraan toegevoegd dat een dergelijke ‘bewarende maatregel [niet] strekt […] tot het leggen van beslag op het vermogen van de gefailleerde in de zin van artikel 146, lid 3, [UPU]’.
Zie arrest van 5 september 2024, Novo Banco e.a. (C-498/22–C-500/22, EU:C:2024:686, punt 24). Met betrekking tot zaak C-500/22 heeft het Hof benadrukt dat de in die zaak aan de orde zijnde schuldvordering voortvloeide uit een verkoopovereenkomst die niet met het resterende deel van de entiteit maar met de nieuwe entiteit, te weten Novo Banco, was gesloten, en die betrekking had op een obligatie die op het tijdstip van de sluiting van die overeenkomst deel uitmaakte van het vermogen van Novo Banco.
Zie met name de punten 142 en 143 van dat arrest.
Arrest van 15 juni 2023, Getin Noble Bank (Opschorting van de uitvoering van een kredietovereenkomst) (C-287/22, EU:C:2023:491, punt 59).
Ibidem.
Ibidem.
Ibidem.