Vgl. in dit verband HR 3 maart 1987, ECLI:NL:HR:1987:AD6967, NJ 1987/774. In die zaak lukte het de eerste arts niet om bloed af te nemen bij de verdachte waarna een tweede arts daarin wel slaagde. De Hoge Raad overwoog: “de in art. 33a lid 1 WV vermelde toestemming tot het verrichten van een onderzoek als evenbedoeld omvat mede die tot het afnemen van zoveel bloed als voor dat onderzoek noodzakelijk is en in art. 4 Bloedproefbesluit en art. 4 Bloedproefbeschikking nader is bepaald”.
HR, 18-03-2025, nr. 22/04190
ECLI:NL:HR:2025:406
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
18-03-2025
- Zaaknummer
22/04190
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Bijzonder strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:406, Uitspraak, Hoge Raad, 18‑03‑2025; (Artikel 81 RO-zaken, Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2022:3080
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:27
ECLI:NL:PHR:2025:27, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 07‑01‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:406
- Vindplaatsen
Uitspraak 18‑03‑2025
Inhoudsindicatie
Weigering bloedonderzoek, art. 163.6 WVW 1994. 1. Kunnen gedragingen van verdachte niet worden aangemerkt als het verlenen van medewerking aan bloedonderzoek, nu verdachte enkel heeft geweigerd ’s nachts af te reizen naar verderop gelegen politiebureau? 2. Uitdrukkelijk onderbouwd standpunt t.a.v. rechtmatigheid van bloedonderzoek, art. 359.2 Sv. HR: art. 81.1 RO.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/04190
Datum 18 maart 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 27 oktober 2022, nummer 23-000160-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft L.C. de Lange, advocaat in Utrecht, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van de cassatiemiddelen
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde geldboete van € 650 volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.
3. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T.B. Trotman en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 maart 2025.
Conclusie 07‑01‑2025
Inhoudsindicatie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/04190
Zitting 7 januari 2025
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997,
hierna: de verdachte
Het cassatieberoep
1. Na een integrale vrijspraak in eerste aanleg, is de verdachte bij arrest van 27 oktober 2022 door het gerechtshof Amsterdam wegens “overtreding van artikel 163, zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994”, veroordeeld tot een geldboete van € 650,00, bij niet-betaling te vervangen door dertien dagen hechtenis. Daarnaast heeft het hof aan de verdachte een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen opgelegd voor de duur van zeven maanden, met een proeftijd van twee jaar.
2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. L.C. de Lange, advocaat in Utrecht, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
De middelen
3. Het eerste middel komt op tegen het oordeel dat de verdachte geen medewerking heeft verleend aan het op grond van artikel 163 lid 6 Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994) bevolen bloedonderzoek. Het tweede middel klaagt over de afwijking van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt over de door de verdediging betwiste rechtmatigheid van het bloedonderzoek.
De bewezenverklaring
4. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:
“hij op 17 november 2020 te Beverwijk, als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een personenauto te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994, geen gevolg heeft gegeven aan een aan hem gegeven bevel van een hulpofficier van justitie zich aan dat bloedonderzoek te onderwerpen en geen medewerking daaraan heeft verleend.”
De bewijsvoering
5. De bewezenverklaring berust (mede) op de bewijsmiddelen die zijn opgenomen in de aanvulling op het verkorte arrest, naar de inhoud waarvan ik verwijs.
6. Het bestreden arrest houdt, voor zover thans relevant, verder het volgende in:
“Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat de verdachte van het hem tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd. De verdachte heeft wel meegewerkt aan de bloedafname. Van weigeren om gevolg te geven aan het bevel tot medewerking aan bloedonderzoek is daarom geen sprake geweest. De verdachte had zich al tweemaal laten prikken, waarbij afname van bloed niet lukte. Dat de verdachte vervolgens niet mee wilde gaan naar Alkmaar om daar opnieuw een poging te doen bloed af te nemen, maakt niet dat hij niet meewerkte aan het onderzoek. Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat [verbalisant] hem enkel de optie heeft geboden om naar Alkmaar te gaan voor bloedafname, dit is hem niet uitdrukkelijk bevolen.
Oordeel van het hof
Het hof verwerpt het verweer en is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van het bepaalde in artikel 163, lid 6 WVW 1994. Hiertoe overweegt het hof als volgt.
Uit het proces-verbaal van bevindingen van 17 november 2020 blijkt dat de verbalisanten de verdachte op die dag om 23:50 uur zagen rijden als bestuurder van een personenauto op de Timmerwerf te Beverwijk. De verdachte reed harder dan de toegestane snelheid waarop hij werd staande gehouden. Om 23:56 vorderden de verbalisanten de verdachte mee te werken aan een ademonderzoek. Als resultaat van deze test gaf het ademtestapparaat een alcoholindicatie aan van: P. Bij de verdachte werden bloeddoorlopen ogen, verkleinde pupillen en bewegingsdrang geconstateerd. Vervolgens vorderden de verbalisanten een speekseltest, welke als resultaat een indicatie aangaf voor "THC, COC en OPI". Vanwege het positieve resultaat werd de verdachte medegedeeld dat hij werd verdacht van rijden onder invloed van drugs, waarna hij werd overgebracht naar het politiebureau in Beverwijk en werd hem gevorderd mee te werken aan een bloedproef. In dezelfde nacht op 18 november 2020 om 00:40 uur kwam de arts ter plaatse en heeft twee prik pogingen gedaan. De arts deelde vervolgens mee dat hij niet in staat was om bloed af te nemen bij de verdachte. Er werd gezocht naar een andere beschikbare arts waarop is besloten dat de verdachte naar het politiebureau in Alkmaar overgebracht moest worden omdat de andere arts zijn district niet kon verlaten. Uit het proces-verbaal van bevindingen blijkt eveneens dat de verdachte op dat moment opnieuw is bevolen medewerking te verlenen aan bloedonderzoek. Vervolgens heeft de verdachte gezegd de bloedproef te weigeren omdat hij niet naar Alkmaar wilde gaan. Blijkens voornoemd proces-verbaal van bevindingen is aan de verdachte uitgelegd welke gevolgen een weigering met zich mee kon brengen. De verdachte heeft ook daarna aangegeven de bloedproef in Alkmaar te weigeren.
Het hof overweegt dat de verdachte in eerste instantie medewerking heeft verleend aan het bloedonderzoek, welk onderzoek niet kon worden afgerond. Uit artikel 163 lid 6 WVW 1994 volgt dat van de bestuurder die is bevolen zich aan een bloedonderzoek te onderwerpen, door een arts of een verpleegkundige zoveel bloed wordt afgenomen als voor het onderzoek noodzakelijk is. Naar het oordeel van het hof strekt het gegeven bevel tot medewerking aan bloedonderzoek tot medewerking aan het afnemen van de voor dat onderzoek benodigde hoeveelheid bloed. Er is pas sprake van verleende medewerking wanneer de verdachte zijn volledige medewerking verleent aan bloedafname tot het moment dat het betreffende onderzoek kan worden voltooid. Een aanvankelijk betoonde medewerking welke wordt gestaakt omdat het onderzoek door omstandigheden op een andere plaats dient te worden voortgezet, kan niet als het verlenen van medewerking in de zin van artikel 163 Wegenverkeerswet 1994 worden aangemerkt.”
Het verweer van de verdediging
7. Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep d.d. 13 oktober 2022 heeft de raadsman het woord gevoerd aan de hand van de pleitnotities die hij aan het hof heeft overgelegd. Blijkens die pleitnotities heeft de raadsman, onder meer, het volgende aangevoerd:
“9. Dit dossier is volstrekt onduidelijk en op cruciale punten zelfs innerlijk tegenstrijdig. We kunnen niet aan ‘cherry picking’ gaan doen. We hebben PV’s die ten aanzien van de gang van zaken en tijdstippen uit een lopen. Belangrijker, wat is er precies tegen [verdachte] gezegd en op welk moment?
10. HOvJ zelf zegt dat hij om 01:26 uur het bevel medewerking gaf, uit andere PV’s blijkt dat de arts om 00:40 uur al bezig was met de afname en uit weer een ander PV dat [verdachte] om 01:07 pas werd opgehouden voor onderzoek. Wordt gesteld dat bevel werd gegeven, in ander PV wordt gesproken over ‘de optie om naar Alkmaar te gaan’ en ‘geen bloed, dus weigering’.
11. Juist in zaken als deze zijn de exacte gang van zaken en de gebruikte bewoordingen van cruciaal belang, dat is hier gewoon niet zo. Te veel onduidelijk, geen overtuigend bewijs en bij twijfel moet U vrijspreken.
12. Daar komt bij dat [verdachte] van begin af aan mee werkt aan alles. Vrijspraak want formeel juridisch geen sprake van weigering. Hij laat ook tot tweemaal toe in zijn arm prikken, maar het lukt de arts simpelweg niet. Inmiddels holst van de nacht, er zou mogelijk een andere arts naar een politiebureau op 20 km afstand kunnen komen. Niet zo dat arts al klaar zat in een kansrijkere omgeving en hij voor de arts weigert, integendeel. Allemaal hypothetische situaties, maar als er al sprake is van iets weigeren dan is het het afreizen naar Alkmaar, niet het onderzoek zelf.
13. De gang van zaken en tijdsverloop zijn al dubieus, levert inbreuk op op lichamelijke integriteit. Gang van zaken voldoet absoluut niet aan eisen van proportionaliteit en doelmatigheid zodat niet langer sprake kan zijn van een rechtmatig onderzoek op grond van de Wvw.”
Het juridisch kader
8. Op de voet van artikel 163 lid 6 WVW 1994 – welke bepaling strekt ter bescherming van de verkeersveiligheid – is een bestuurder wie is bevolen zich aan een bloedonderzoek te onderwerpen, verplicht aan dit bevel gevolg te geven en zijn medewerking te verlenen. Hem wordt door een arts of een verpleegkundige zoveel bloed afgenomen als voor het onderzoek noodzakelijk is.1.Het niet verlenen van medewerking aan dit onderzoek is strafbaar.2.De rechtspraak van de Hoge Raad biedt enkele voorbeelden van personen die in dit verband als ‘weigeraar’ kunnen worden aangemerkt, zoals de verdachte die (i) voorafgaand aan een bloedonderzoek zijn medewerking laat afhangen van door hem te stellen voorwaarden, (ii) aanvankelijk weigert, maar zich op een later tijdstip bedenkt – en omgekeerd: (iii) in eerste instantie toestemt, maar daar later op terugkomt – of (iv) zijn medewerking halverwege staakt door tijdens de bloedafname zijn arm weg te trekken.3.Het niet verlenen van medewerking aan een bloedonderzoek is ook strafbaar als (v) bij de bloedafname een of meer waarborgen niet zijn nageleefd, behoudens het geval waarin de verdachte zijn weigering juist op die niet-naleving heeft gegrond.4.
9. Verder wijs ik op een uitspraak van het hof Arnhem-Leeuwarden van 26 april 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:4054 In die zaak was de arts op het politiebureau ondanks drie prikpogingen erin niet geslaagd bloed van de verdachte af te nemen, waarna de verdachte werd bevolen mee te gaan naar het ziekenhuis om daar (een) poging(en) te doen tot een geslaagde bloedafname. De verdachte weigerde, en werd vervolgd voor het niet verlenen van medewerking aan het bloedonderzoek. Het hof oordeelde vervolgens dat het bevel medewerking te verlenen niet als disproportioneel kon worden beschouwd, en dat van een schending van het recht op lichamelijke integriteit van de verdachte geen sprake was.
De beoordeling van de het eerste middel
10. Het middel richt zich, blijkens de toelichting, tegen ’s hofs oordeel dat de gedragingen van de verdachte niet kunnen worden aangemerkt als het verlenen van medewerking aan een bloedonderzoek (als bedoeld in artikel 163 lid 6 WVW 1994), zulks (volgens de steller van het middel) omdat “de verdachte [alleen maar] heeft geweigerd ’s nachts af te reizen naar een verderop gelegen politiebureau in Alkmaar”.
11. Uit de vaststellingen van het hof blijkt (i) dat de verdachte – nadat hij was aangehouden en hem was medegedeeld dat hij werd verdacht van rijden onder invloed van drugs – is gevorderd mee te werken aan een bloedproef, (ii) waarna een arts twee mislukte ‘prikpogingen’ heeft gedaan, (iii) dat daarop tevergeefs is gezocht naar een andere beschikbare arts, (iv) dat vervolgens is besloten dat de verdachte naar het politiebureau in Alkmaar moest worden overgebracht omdat de daar dienstdoende arts zijn district niet kon verlaten, (v) dat de verdachte toen opnieuw is bevolen medewerking te verlenen aan het bloedonderzoek, maar dit heeft geweigerd met als reden dat hij niet naar Alkmaar wilde gaan. Het hof heeft daarop geoordeeld dat een gegeven bevel tot medewerking aan een bloedonderzoek strekt tot medewerking aan het afnemen van de voor dat onderzoek benodigde hoeveelheid bloed, en dat een aanvankelijk betoonde medewerking – welke wordt gestaakt omdat het onderzoek door omstandigheden op een andere plaats dient te worden voortgezet – niet als het verlenen van medewerking in de zin van artikel 163 WVW 1994 kan worden aangemerkt.
12. In aanmerking genomen het hiervoor weergegeven juridische kader, waaruit in het bijzonder kan worden opgemaakt dat – op de voet van artikel 163 lid 6 WVW 1994 – bij degene die ervan wordt verdacht te hebben gereden onder invloed van (i.c.) drugs zoveel bloed wordt afgenomen als voor het onderzoek noodzakelijk is, getuigt ’s hofs oordeel niet van een onjuiste rechtsopvatting, is het niet onbegrijpelijk en bovendien toereikend gemotiveerd.5.
13. Het eerste middel faalt.
De beoordeling van het tweede middel
14. Het tweede middel (dat volgens de steller ervan in samenhang dient te worden gelezen met het eerste middel) berust op de stelling dat de verdediging ten overstaan van het hof het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt heeft ingenomen “dat er geen sprake was van een rechtmatig onderzoek, dat voldoet aan de eisen van proportionaliteit en doelmatigheid en derhalve een inbreuk oplevert op de lichamelijke integriteit van verzoeker”. Nu het hof niet, althans niet toereikend gemotiveerd, heeft gerespondeerd op dit standpunt, is de bewezenverklaring niet voldoende met redenen omkleed.
15. Het hof heeft in zijn bewijsoverweging (weergegeven onder randnummer 6) onder het kopje ‘Standpunt van de verdediging’ géén melding gemaakt van een dergelijk rechtmatigheidsverweer. Kennelijk heeft het hof in het ter terechtzitting aangevoerde geen rechtsmatigheidsverweer onderkend. Dat oordeel acht ik niet onbegrijpelijk. Daarbij heb ik in aanmerking genomen dat de verdediging in dit verband niet (veel) meer heeft aangevoerd dan (i) (vermeende) onduidelijkheden ‘over tijdstippen’ in het dossier en (ii) het ontbreken van een weigering medewerking te verlenen aan een bloedonderzoek. Nu dit beide omstandigheden betreffen die niet onmiddellijk verband houden met de ‘proportionaliteit en doelmatigheid’ van het bloedonderzoek, wordt een uitdrukkelijke onderbouwing van het ingenomen standpunt i.c. aldus node gemist.
16. Ook het tweede middel treft geen doel.
Slotsom
17. De middelen falen en kunnen worden afgedaan met een aan artikel 81 lid 1 RO ontleende overweging.
18. Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep op 11 november 2022. Dit brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM in de fase van cassatie is overschreden. Aangezien de opgelegde (hoofd)straf een onvoorwaardelijke geldboete betreft van minder dan € 1000,-, kan worden volstaan met de enkele constatering van die termijnoverschrijding.6.
19. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
20. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 07‑01‑2025
Vgl. respectievelijk de conclusie van Meijers vóór HR 9 september 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC1011, NJ 1987/303 (https://www.inview.nl/document/id341986090980010nj1987303dosred/nj-1987-303-hr-09-09-1986-nr-80010) (A-G: “Tot nu toe wordt een voorwaardelijk gegeven toestemming ten aanzien van het bloedonderzoek van art. 33a WVW door de HR gelijkgesteld met een formele weigering. Wie zegt, wel te willen meewerken, maar pas na raadpleging van zijn raadsman, wordt als weigeraar aangesproken; vgl. HR 3 mei 1977, NJ 1977, 298 en HR 1 jan. 1986, nr. 78892. Zo ook wie de bloedproef toestaat, maar alleen als die wordt genomen uit een door hem te bepalen lichaamsdeel: HR 17 nov. 1981, NJ 1982, 104. En: wie eenmaal heeft geweigerd, wordt aan zijn woord gehouden. Hij heeft niet alsnog recht op een bloedonderzoek: HR 12 dec. 1978, NJ 1979, 208 en HR 9 april 1985, DD 85.359. Het is belangrijk aan deze jurisprudentie vast te houden, omdat onduidelijkheid over de weigerende opstelling van de verdachte – constitutief bestanddeel van het misdrijf van art. 33a lid 3 – de deur opent voor misverstand, ook omtrent de strafvorderlijke bevoegdheid van de opsporingsambtenaar en de daarmee onmiddellijk samenhangende kwaliteit van de bewijsgaring.”; HR constateert peek en ziet geen aanleiding voor ambtshalve cassatie).Zie bovendien HR 12 december 1978, ECLI:NL:HR:1978:AC2753, NJ 1979/208; HR 23 juni 1987, NJB 1987/287, en HR 2 juli 1990, ECLI:NL:HR:1990:AJ5744. Hetzelfde geldt overigens voor de verdachte die op religieuze gronden medewerking weigert (HR 9 juni 1987, NJB 1987/299).Zie (nogmaals) A.H.J. Damen in: T&C strafrecht, art. 163 WVW 1994, aant. 8, onder c (online, actueel t/m 1 oktober 2024).
HR 8 mei 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZD2621.
Ten overvloede zij nog opgemerkt dat ’s hofs oordeel m.i. ook strookt met het beoogde doel van artikel 163 WVW 1994: bescherming van de verkeersveiligheid. Degene die ervan wordt verdacht te rijden onder invloed van (i.c.) drugs kan zich m.i. niet aan een bevolen bloedonderzoek onttrekken op de enkele grond dat een dergelijk onderzoek niet (direct) wil slagen.
Zie HR 26 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:492, rov. 3.1.3.